← België

Arrest 136027 - - 14/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.027 Rolnummer: A. 74526/XII-2526 Zaak: Arrest 136027 - - 14/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-05 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 11:26 Fiche Arrest nr 136.027 van 14 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.027 van 14 oktober 2004 in de zaak A. 74.526/XII-

  1. In zake : Jo MERTENS, wonende te Dendermonde, Scheutlagestraat 10 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jo Mertens op 2 juni 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 7 april 1997 van de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen waarbij geweigerd wordt hem een vergunning tot het dragen van een verweervuurwapen te verlenen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur- afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op de beschikking van 28 maart 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding en de laatste memorie van verzoeker; XII-2526-1/10 Gelet op de beschikking van 19 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. Verleyen, die loco advocaat A. Coppens verschijnt voor verzoeker, en van adjunct-adviseur E. De Baene, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat verzoeker op 21 februari 1990 een vergunning tot het dragen van een verweervuurwapen krijgt, onder de beperkende voorwaarde dat het wapen enkel mag gedragen worden “tijdens verplaatsingen in funktie van zijn beroep als goudsmid-juwelier”; dat hij op 21 mei 1992 twee vergunningen tot het dragen van een verweervuurwapen krijgt die enkel mogen worden gedragen “tijdens verplaatsingen in funktie van zijn beroep als goudsmid- juwelier en voor het beoefenen van de schietsport”; dat de gouverneur van Oost-Vlaanderen bij besluit van 25 juli 1995 de hernieuwing van deze vergunningen weigert; dat verzoeker enkel een vergunning krijgt tot het dragen van deze verweervuurwapens voor het beoefenen van de schietsport; dat verzoeker op 8 november 1996 opnieuw een vergunning tot het dragen van een verweervuurwapen aanvraagt, waarbij hij als reden het “Dragen van een verweervuurwapen tijdens de uitoefening van mijn beroep als juwelier-goudsmid- diamantair” opgeeft; dat de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen op 7 april 1997 weigert de gevraagde vergunning te verlenen; dat deze beslissing als volgt wordt gemotiveerd : XII-2526-2/10 “Op 25 juli 1995 ondertekende mijn ambt reeds een weigeringsbesluit nopens een gelijkaardige vraag tot wapendracht van betrokkene. Gelet enerzijds op het voornoemde advies van de procureur des konings van Dendermonde en anderzijds sedert de verstrenging van de wapenwetgeving enkel nog bij grote uitzondering een drachtmachtiging aan een particulier ter eigen verdediging tijdens de uitoefening van beroepsactiviteiten wordt uitgereikt en deze beperkt wordt in tijd en plaats. Uit het verzoek tot wapendracht van belanghebbende kan afgeleid worden dat het hier gaat om een vraag tot min of meer permanente dracht van zijn wapen. Dat de aanvrager een geoefend sportschutter is, wil nog niet zeggen dat hij voldoende een wapen kan hanteren zonder risico’s bij gevaarssituaties, voor hemzelf en onschuldige derden. Tevens is de wettige zelfverdediging onderworpen aan strikte juridische regels Er zijn thans voldoende andere middelen voorhanden om zich efficiënt te beveiligen bij verplaatsingen dan het zich bewapenen”;
  3. Overwegende dat verwerende partij in haar memorie van antwoord opwerpt dat het beroep niet ontvankelijk is “voor zover het de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen in de zaak betrekt”, aangezien de gouverneur niet in eigen naam optreedt maar namens de Belgische Staat en hij in deze onder het hiërarchisch gezag staat van de minister van Justitie, hetgeen onder meer blijkt uit het bestaan van een gecoördineerde omzendbrief van de minister van Justitie inzake de betrokken materie; dat verwerende partij van oordeel is dat bijgevolg de Belgische Staat dient te worden aangesproken; Overwegende dat bij het nemen van de bestreden beslissing de gouverneur is opgetreden als vertegenwoordiger van de Belgische federale staat, op grond niettemin van een zelfstandige beslissingsbevoegdheid; dat dienvolgens als tegenpartij is aan te merken : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen;
  4. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert dat de motivering van de bestreden beslissing onvoldoende en algemeen is; dat hij doet gelden dat hem in het verleden wel vergunningen tot het dragen van een verweervuurwapen tijdens de uitoefening van zijn beroep werden verleend en dat XII-2526-3/10 de gouverneur in de bestreden beslissing niet verduidelijkt waarom hij nu tot een negatieve beslissing komt terwijl verzoekers motivering van zijn aanvraag voor een vergunning tot het dragen van een verweervuurwapen steeds ongewijzigd is gebleven, dat hem geen feiten kunnen worden verweten die een weigering van de gevraagde vergunning kunnen motiveren en dat er geen negatieve opmerkingen kunnen worden gemaakt met betrekking tot zijn persoonlijkheid, dat hij uit de beslissing niet kan opmaken welke andere middelen er bestaan voor een efficiënte beveiliging bij verplaatsing; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord in hoofdzaak de reeds in zijn verzoekschrift aangehaalde argumenten herhaalt; dat hij in zijn laatste memorie er op wijst dat vermits noch de wapenwet, noch het koninklijk besluit dat ter uitvoering van deze wet werd geno- men, criteria bepalen die in acht moeten worden genomen bij het beoordelen van een aanvraag van een vergunning tot het dragen van een verweervuurwapen, de gouverneur arbitrair kan oordelen over dergelijke aanvragen en dat volgens ver- zoeker een stringentere beoordeling geen aanleiding mag geven tot een arbitraire beoordeling; Overwegende dat de gouverneur over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt bij het beoordelen van aanvragen van vergunningen tot het dragen van verweervuurwapens; dat evenwel het motiveringsbeginsel vereist dat de bestreden beslissing steunt op rechtens aanvaardbare motieven die gebaseerd zijn op werkelijk bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld; Overwegende dat artikel 15 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 tot uitvoering van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie vereist dat in de aanvraag van een vergunning tot het dragen van een verweervuurwapen de redenen van de aanvraag worden opgegeven en meer bepaald een omschrijving van de omstandigheden waarin het wapen zal worden XII-2526-4/10 gedragen; dat niet enkel de overheid, maar ook de rechtsonderhorige zorgvuldig te werk dient te gaan; dat bijgevolg de betrokkene nauwkeurig dient uiteen te zetten waarom hij meent aanspraak te kunnen maken op de aangevraagde vergunning, en daarbij alle nuttige gegevens voor de beoordeling van zijn aanvraag moet doen kennen; Overwegende dat, aangezien verwerende partij ingaat op de redenen die verzoeker in zijn aanvraag heeft opgesomd, haar motivering niet algemeen is; dat vooreerst het motief dat een vergunning tot het dragen van een verweervuurwapen voor beroepsdoeleinden slechts bij grote uitzondering en beperkt in tijd en plaats wordt uitgereikt, blijkens de parlementaire voorbereiding van de wet van 30 januari 1991 tot wijziging van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie kadert in een door de wetgever gewenst restrictief beleid dat is bedoeld om de samenleving te beschermen tegen geweld en om risico’s op ongelukken te verminderen; dat, voorts, in rechte aanvaardbaar is het motief dat wettige zelfverdediging een uitzonderlijke toestand is die aan zeer strikte juridische voor- waarden is onderworpen en een grote zelfbeheersing en beoordelingsvermogen veronderstelt, evenals het motief dat verzoeker als sportschutter niet is getraind om in gevaarsituaties zonder risico voor hemzelf en voor derden met een wapen om te gaan, zodat het aannemelijk is te stellen dat andere middelen om zich te beveiligen meer passend zijn; dat, ten slotte, de motivering niet inconsequent is doordat zij ertoe leidt dat verzoekers vergunning niet wordt hernieuwd; dat im- mers reeds op 25 juli 1995 door de gouverneur werd geweigerd verzoekers ver- gunningen van 21 mei 1992 tot het dragen van een verweervuurwapen te verleng- en in zoverre zij toelieten om een wapen te dragen tijdens de uitoefening van zijn beroep, weigering waartegen verzoeker geen beroep heeft ingesteld; dat de gou- verneur in deze materie zoals gezegd over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt, wat inhoudt dat het hem in principe niet verboden is om vanaf zeker ogenblik een stringenter beleid te voeren bij het toekennen van vergunningen en om een aanvraag in 1997 strenger te beoordelen dan in 1992; dat het eerste middel niet gegrond is; XII-2526-5/10
  5. Overwegende dat verzoeker in zijn tweede middel aanvoert dat er met betrekking tot het advies van 21 februari 1997 van de procureur des Konings sprake is van een schending van de hoorplicht aangezien hij geen inzage kreeg van dit advies en zich nooit heeft kunnen verdedigen tegen de overwegingen die erin voorkomen; dat er volgens verzoeker eveneens sprake is van een gebrekkige motivering aangezien het advies door onder meer te steunen op de overweging dat verzoeker “nooit het slachtoffer is geweest van inbraak, aanranding of enige vorm van agressie of andere misdadige praktijken”, bijkomende voorwaarden oplegt die niet voorkomen in de terzake geldende regel- geving, dat het niet duidelijk is wat bedoeld wordt met de stelling dat verzoeker “door ondermeer een onopvallende levenswijze, zelf voorzorgsmaatregelen kan treffen om mogelijke risico’s te beperken”; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord herhaalt dat hij het recht heeft op de hoogte te zijn van en zich te verweren tegen de motieven waarop een administratieve overheidsbeslissing steunt; dat hij in de laatste memorie benadrukt dat de genomen maatregel een ernstig karakter heeft daar deze maatregel betrekking heeft op zijn dagelijkse activiteit en op de veiligheid van zijn persoon; Overwegende dat de bestreden beslissing, door te weigeren verzoeker een vergunning tot het dragen van een verweervuurwapen te verlenen, hem geen voordeel ontneemt dat hem eerder zou zijn verleend; dat, aangezien zij aldus de situatie van verzoeker niet wijzigt, maar onveranderd laat, de beslissing er geen is die in principe slechts kan worden genomen na de betrokkene in de gele- genheid te hebben gesteld zijn zienswijze aangaande de voorgenomen maatregel naar voren te brengen; dat het eerste onderdeel van het tweede middel ongegrond is; Overwegende dat het advies van de procureur des Konings niet bindend is voor de gouverneur en deze laatste de door verzoeker bekritiseerde passages uit het advies niet als zodanig heeft overgenomen in zijn beslissing; dat XII-2526-6/10 de motieven waarop de gouverneur zich wél steunt, blijkens de bespreking van het eerste middel terecht in aanmerking zijn genomen; dat de kritiek op het advies van de procureur des Konings niet kan leiden tot de nietigverklaring van het bestreden besluit; dat ook het tweede onderdeel van het tweede middel niet gegrond is;
  6. Overwegende dat verzoeker in een derde middel een schending van het gelijkheidsbeginsel opwerpt omdat A. Baeyens, wapenhandelaar, wel een vergunning tot het dragen van een verweervuurwapen verkreeg en omdat het hem niet duidelijk is waarom een wapenhandelaar meer risico zou lopen dan een juwe- lier; Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert dat het beroep van wapenhandelaar om volgende redenen niet kan worden gelijkgesteld met een ander beroep : “Daar een wapenhandelaar eerst en vooral reeds een activiteit uitoefent gereglementeerd door dezelfde wapenwet die ook voorziet in de draagvergunningen Dat verder iemand die wapens beroepsmatig wapens vervoert wel een ander type van risico creëert dan hij die economisch waardevolle goederen vervoert; Namelijk een wapen heeft een duidelijke finaliteit, namelijk het in-offensief maken van een ander levend wezen door een handeling te stoppen (defensief) of door hem dermate te handicappen dat hij niet meer kan reageren op een bedreiging (offensief); Kortom het wapen, is door de aard van het werktuig, een levensbedreigend toestel waardoor er moet gezorgd worden dat ze geen gevaar betekenen voor de openbare orde en veiligheid; Er is dus in eerste instantie een objectief onderscheid tussen het wapen en elk ander goed met een loutere economische waarde; Trouwens het lijkt nogal onzinnig iemand die reeds zich in de gerechtvaardigde aanwezigheid van wapens verplaatsen te verbieden dergelijk instrument te dragen teneinde te voorzien in hun beveiliging; Een andere beroepscategorie loopt niet door het loutere feit van zijn pro- fessionele activiteit met wapens rond Er is dus ook een redelijkheidsonderscheid; Deze beide elementen rechtvaardigen een verschil in behandeling zonder dat dit dient te worden beschouwd als een schending van het gelijkheidsbeginsel;” XII-2526-7/10 Overwegende dat verzoeker deze redenering in de memorie van wederantwoord betwist en uiteenzet dat het onderscheid dat op grond van de aard van het vervoerde goed wordt gemaakt arbitrair toeschijnt, dat een wapenhandelaar niet hoofdzakelijk wapens vervoert, doch deze op een vaste plaats te koop aanbiedt zodat bescherming van de politie mogelijk is, dat verwerende partij in haar beleid het al dan niet verlenen van een vergunning laat afhangen van de aard van het goed eerder dan rekening te houden met de veiligheid van de persoon en de omstandigheden waarin die werkt; dat in de laatste memorie, verzoeker nog betoogt dat hij niet inziet waarom hij bij een overval geen gevaar zou lopen en dat het niet opgaat te stellen dat het risico op een gewapende overval met gebruik van wapens groter is voor personen die zich verplaatsen met wapens dan voor personen die zich met waardevolle goederen verplaatsen; Overwegende dat de gelijkheidsregel niet wordt geschonden wanneer er voor de onderscheiden behandeling een deugdelijke verantwoording bestaat; dat te dezen een dergelijke verantwoording voorhanden blijkt; dat mogelijk een juwelier evenveel gevaar loopt als een wapenhandelaar om overvallen te worden; dat dit evenwel niet belet dat in geval van een overval op een wapenhandelaar, de nadelige gevolgen voor de openbare orde en veiligheid “uiteraard” -wegens de eigen aard van de verhandelde goederen- aanzienlijk veel zwaarder dreigen te zijn dan in geval van een overval op een niet-wapenhandelaar; dat in het eerste geval, anders dan in het laatste, de overval aanleiding kan geven tot een ongecontroleerde proliferatie van levensbedreigende wapens, iets wat niet strookt met de ratio van de wapenwetgeving; dat dan ook de verwerende partij op goede grond doet gelden dat wie beroepsmatig wapens vervoert een “ander” risico schept dan wie bijvoorbeeld juwelen vervoert; dat verwerende partij in dit verschil een genoegzame verantwoording vindt om verzoeker, in tegenstelling tot A. Baeyens, geen vergunning tot het dragen van een vuurwapen te verlenen; dat daar niets aan afdoet het feit dat het voormelde verschil niet noodzákelijk een uiteenlopende behandeling moest meebrengen en dat verwerende partij, op grond van de haar toekomende beoordelings-bevoegdheid, evengoed binnen de grenzen XII-2526-8/10 van de wettelijkheid had kunnen besluiten om, het verschil ten spijt, vervoerders van wapens en van andere goederen toch op dezelfde wijze te behandelen, in welke zin dan ook; dat het derde middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  7. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-2526-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien oktober 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2526-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.027 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.