id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.028 Rolnummer: A. 75676/XII-473 Zaak: Arrest 136028 - - 14/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-21 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-04 11:26 Fiche Arrest nr 136.028 van 14 oktober 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.028 van 14 oktober 2004 in de zaak A. 75.676/XII-
- In zake : Marcel DE HOEF, die woonplaats kiest bij advocaat J. De Man, kantoor houdende te Schoten, Venstraat 153a tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Antwerpen. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marcel De Hoef op 12 september 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 8 juli 1997 van de gouverneur van de provincie Antwerpen houdende intrekking van twee vergunningen tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur- afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op de beschikking van 25 april 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-473-1/7 Gelet op de beschikking van 19 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van adjunct-adviseur C. De Fré, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker sinds 1 september 1994 over twee vergunningen tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen beschikt; dat de politiecommissaris van de stad Antwerpen op 27 mei 1997 aan de arrondissementscommissaris meedeelt dat de betrokken wapens in beslag werden genomen in het kader van een onderzoek door de onderzoeksrechter te Mechelen en dat de procureur des Konings het raadzaam acht beide vergunningen in te trekken daar het voorhanden hebben van de verweervuurwapens door verzoeker nadelig kan zijn voor de openbare orde; dat de procureur des konings op 18 juni 1997 in een schrijven aan de gouverneur meedeelt dat beide vergunningen ingetrokken dienen te worden “[g]elet op het gerechtelijk verleden en het thans lopende gerechtelijk onderzoek”; dat de vergunningen bij besluit van 8 juli 1997 worden ingetrokken; dat de intrekking als volgt is gemotiveerd : “Gelet op het advies d.d. 18 juni 1997 van de procureur des Konings van Antwerpen, die van mening is dat het gerechtelijk verleden van betrokkene en het gerechtelijk onderzoek dat momenteel tegen hem loopt, de intrekking van de vergunningen nopen; Overwegende dat de heer De Hoef van 8 januari tot en met 16 mei 1997 werd opgesloten in de gevangenis te Antwerpen en dat zijn XII-473-2/7 wapens door de rijkswacht van Mechelen in beslag werden genomen en neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen; Overwegende dat de openbare orde en de veiligheid de intrekking van de vergunningen vereisen”; Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord tegenwerpt dat het beroep niet ontvankelijk is omdat werd nagelaten in het verzoekschrift de naam van de tegenpartij aan te duiden; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord repliceert dat hij in zijn verzoekschrift de Belgische Staat in de persoon van de minister van Binnenlandse Zaken als verwerende partij heeft aangeduid; Overwegende dat het aanwijzen van de tegenpartij in het verzoekschrift niet is voorgeschreven op straffe van nietigheid van het verzoekschrift of van niet-ontvankelijkheid van het beroep; dat ook een vergissing in de aanduiding niet kan leiden tot de niet-ontvankelijkheid; dat bij het nemen van de bestreden beslissing de gouverneur is opgetreden als vertegenwoordiger van de Belgische federale staat, op grond niettemin van een zelfstandige beslissingsbe- voegdheid; dat bijgevolg de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de gouver- neur van de provincie Antwerpen tegenpartij is in deze zaak; Overwegende dat verzoeker in het eerste onderdeel van het tweede middel de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 14 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 tot uitvoering van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie inroept; dat hij de feiten zoals deze zijn uiteengezet in het bestre- den besluit betwist en aanvoert dat de bestreden beslissing met redenen omkleed dient te zijn, dat zijn gerechtelijk verleden bestaat uit een verkeersinbreuk, waaruit niet kan worden geconcludeerd dat er een gevaar voor de openbare orde bestaat, dat er thans tegen hem een gerechtelijk onderzoek loopt inzake heling en dat in XII-473-3/7 geen van beide dossiers sprake is van verweervuurwapens; dat verzoeker bena- drukt dat beide verweervuurwapens naar aanleiding van een huiszoeking in beslag werden genomen, dat zij niet in het openbaar werden gebruikt, dat er gezien de inbeslagname van beide wapens geen gevaar is voor de openbare orde en veilig- heid, dat hij enkel in voorlopige hechtenis heeft gezeten en er geen definitieve veroordeling werd uitgesproken, dat het besluit bijgevolg niet behoorlijk is gemo- tiveerd; Overwegende dat verwerende partij argumenteert dat zij ingevolge artikel 6, §1, lid 3, van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie een vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen kan intrekken als blijkt dat het bezit van het wapen de openbare orde kan verstoren, dat hiertoe niet vereist is dat de openbare orde daadwerkelijk wordt verstoord, dat zij in deze over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt, dat het volstaat dat zij op basis van de elementen van het dossier in alle redelijkheid concludeert dat het voorhanden hebben van een verweervuurwapen door verzoeker een gevaar kan vormen voor de openbare orde, dat het in beslag nemen van wapens een bewarende maatregel is die ter vrijwaring van de openbare orde wordt genomen in afwachting van een definitieve beslissing tot intrekking, dat de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie nergens bepaalt dat het intrekken van een vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen slechts mogelijk is indien de houder ervan veroordeeld is wegens strafbare feiten, dat de parketmagistraat het best geplaatst is om de feiten te beoordelen, zodat zijn advies van doorslaggevende aard is en dat het loutere feit dat er lastens verzoeker een gerechtelijk onderzoek lopende is, het intrekken van de vergunning rechtvaardigt; XII-473-4/7 Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord stelt dat verwerende partij zelf niet op de hoogte is van de concrete feiten waarvan hij wordt beschuldigd zodat het bestreden besluit enkel steunt op het feit dat er lastens hem een gerechtelijk onderzoek lopende is; dat hij er tevens op wijst dat de feiten niet als bewezen kunnen worden beschouwd zo- lang er geen definitieve uitspraak is die bekleed is met kracht van gewijsde; Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie aanhaalt dat de gecoördineerde omzendbrief van 30 oktober 1995 van de minister van Justitie bepaalt dat een vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen slechts kan worden uitgereikt als men niet wegens een strafbaar feit is veroordeeld en dat de vergunning dient te worden ingetrokken als men niet meer aan deze voorwaarden voldoet, dat zij op grond van het feit dat verzoeker in twee gerechtelijke dossiers werd vermeld en van 8 januari 1997 tot en met 26 mei 1997 in de gevangenis verbleef, terecht twijfels kon hebben over de persoon van verzoeker en kon besluiten dat zijn ingesteldheid niet verenigbaar is met het bezit van verweervuurwapens, dat het bestreden besluit dan ook zowel in rechte als in feite afdoende is gemotiveerd; Overwegende dat verzoeker een schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert wanneer hij doet gelden dat de feitelijke gegevens incorrect of onvoldoende zijn; dat voor elke administratieve beslissing rechtens aanvaardbare motieven met een voldoende feitelijke grondslag moeten bestaan; dat het werkelijk bestaande, concrete feiten moet betreffen die met de nodige zorgvuldigheid werden vastgesteld; dat te dezen de bestreden beslissing steunt op het motief dat de intrekking vereist is in het belang van de openbare orde en veiligheid, motief dat zelf enkel steunt op het advies van de procureur des Konings waarin wordt gesteld dat de vergunningen dienen te worden ingetrokken “gelet op het gerechtelijk verleden en het thans lopende gerechtelijk onderzoek”; dat even- wel uit het administratief dossier niet blijkt waarin het gerechtelijk verleden van verzoeker bestaat en evenmin welke feiten aanleiding hebben gegeven tot het lopende gerechtelijk onderzoek; dat hieruit kan worden afgeleid dat de gouverneur XII-473-5/7 heeft nagelaten bijkomende informatie in te winnen omtrent verzoekers gerechte- lijk verleden en het tegen hem lopende onderzoek en omtrent de precieze beweegredenen van de procureur des Konings om de intrekking van beide vergunningen voor te stellen; dat het argument dat “het feit zelf dat een gerechtelijk onderzoek lopende is, op zich al voldoende ernstig [is] om een intrekking van de wapenvergunningen te rechtvaardigen“ niet kan worden aangenomen aangezien, ter verantwoording van de bestreden beslissing, enkel concrete feiten in aanmerking komen die er op wijzen dat het voorhanden hebben van een verweervuurwapen de openbare orde kan verstoren; dat het bestaan van een strafrechtelijk onderzoek dan onvoldoende precies is aangezien een dergelijk onderzoek ook kan lopen tegen personen bij wie het bezit van wapens geen gevaar voor de openbare orde en veiligheid oplevert; dat evenmin het faxbericht van 10 november 2000 dat in de laatste memorie van verwerende partij ter sprake wordt gebracht en waarin de procureur des konings van Antwerpen aan de gouverneur meedeelt dat verzoeker op 16 december 1999 naar de correctionele rechtbank werd verwezen wegens een trafiek van verdovende middelen, een genoegzame grond vermag te verschaffen aan de bestreden beslissing; dat die beslissing immers dateert van 8 juli 1997, hetzij van (ruim) vóór de mededeling; dat het middel gegrond is in zoverre het een schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 8 juli 1997 van de gouverneur van de provincie Antwerpen houdende intrekking van twee vergunningen tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen. XII-473-6/7 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien oktober 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-473-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.028 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.