← België

Arrest 136034 - - 14/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.034 Rolnummer: A. 74273/XII-661 Zaak: Arrest 136034 - - 14/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-21 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 11:28 Fiche Arrest nr 136.034 van 14 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.034 van 14 oktober 2004 in de zaak A. 74.273/XII-

  1. In zake : Victor LENAERS, die woonplaats kiest bij advocaat R. Proost, kantoor houdende te Antwerpen, Belegstraat 24 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Antwerpen. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Victor Lenaers op 6 mei 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 3 maart 1997 van de gouverneur van de provincie Antwerpen waarbij zijn vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen wordt ingetrokken; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur- afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op de beschikking van 28 februari 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van verzoeker; XII-661-1/7 Gelet op de beschikking van 18 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 april 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. De Boe, die verschijnt voor verzoeker, en van adjunct-advocaat M. De Fré, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker met ingang van 6 april 1996 is tewerkgesteld als bewakingsagent bij de firma NV Baron Security; dat hij op 25 mei 1996 een vergunning aanvraagt tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen dat enkel gebruikt zal worden als trainingswapen, zulks met het oog op de verhoging van zijn promotiekansen; dat de politiecommissaris van Brecht op 18 oktober 1996 de gevraagde vergunning aan verzoeker verleent; dat er op 26 oktober 1996 een proces-verbaal wordt opgemaakt waarin wordt vastgesteld dat verzoeker een wapen droeg zonder over de vereiste vergunning te beschikken en dat hij met dit wapen personen heeft bedreigd; dat de procureur des Konings in een schrijven van 31 januari 1997 aan de gouverneur van de provincie Antwerpen stelt dat de wapenvergunning van verzoeker dient te worden ingetrokken wegens misbruik van de bezitsvergunning en omdat betrokkene “blijk geeft van een moraliteit die onverenigbaar is met het bezit van een vuurwapen”; dat de gouverneur bij besluit van 3 maart 1997 de vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen intrekt op basis van volgende motivering : “Gelet op het verslag d.d. 14 januari 1997 van de politiecommissaris van Brecht en op het advies d.d. 31 januari 1997 van de procureur des Konings XII-661-2/7 van Antwerpen, die stelt dat de vergunning moet worden ingetrokken, omdat de heer Lenaers er misbruik van maakte; Overwegende dat op 26 oktober 1996 een proces-verbaal lastens betrokkene werd opgesteld, notitienummer AN 4960 101011/96, wegens het dragen van een wapen en het uiten van bedreigingen; Overwegende dat betrokkene dit ontkent en beweert dat het wapen zich in de bagageruimte van zijn auto bevond en dat hij beroepshalve op weg was voor een bewakingsopdracht; Overwegende dat betrokkene tewerkgesteld is bij de bewakings- onderneming Baron Security, maar dat zijn opdrachten ongewapend moeten worden uitgevoerd; Overwegende dat de heer Lenaers geen geldige reden had om het wapen te vervoeren; Overwegende dat de heer Lenaers de wapenreglementering heeft overtreden; Overwegende dat de openbare orde en de veiligheid de intrekking van de vergunning vereisen”; Overwegende dat de NV Baron Security, nadat zij kennis heeft genomen van de intrekking van de wapenvergunning, op 19 maart 1997 de met verzoeker gesloten arbeidsovereenkomst opzegt; Overwegende dat verzoeker in zijn eerste middel een schending van artikel 6, §1, derde lid, van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie aanvoert; dat hij er op wijst dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat hij een daad heeft gesteld die de openbare orde heeft verstoord, dat niet wordt aangetoond dat hij door het bezitten van een verweervuurwapen de openbare orde of veiligheid in gevaar heeft gebracht en dat de in de bestreden beslissing aangehaalde feiten niet bewezen zijn; Overwegende dat verwerende partij daar in de memorie van antwoord tegen inbrengt dat de wapenwet niet vereist dat de openbare orde daad- werkelijk wordt verstoord door het voorhanden hebben van een verweer- vuurwapen door betrokkene, dat zij over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt bij de beoordeling van de feiten en dat bij een eventuele intrekking rekening moet worden gehouden met het mogelijke gevaar voor de openbare XII-661-3/7 orde, waaraan het individuele belang van verzoeker ondergeschikt is; dat verwerende partij voorts meent dat zij, los van de vraag of verzoeker effectief derden met een wapen bedreigde, terecht kon beslissen tot intrekking van de vergunning, daar verzoeker beweerde op weg te zijn naar een bewakingsopdracht en in dergelijk geval een draagmachtiging van de gouverneur vereist is of, ingeval de activiteit niet werd uitgevoerd in opdracht van zijn werkgever, een machtiging van de minister van Binnenlandse Zaken; dat verwerende partij benadrukt dat zij haar discretionaire bevoegdheid op redelijke wijze heeft uitgeoefend; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord doet gelden dat de openbare orde niet in het gedrang komt aangezien hij een onberispelijk verleden heeft en zowel de firma waar hij zijn bewakingsopdrachten uitvoerde als zijn huidige werkgever zijn diensten ten zeerste op prijs stellen, dat het proces-verbaal zijn oorsprong vindt in een “compleet verzonnen verhaal”, dat hij niet van plan was een gewapende opdracht uit te voeren, maar enkel heeft willen duidelijk maken dat hij een afspraak had met een belangrijke opdrachtgever om mogelijk in de toekomst opdrachten uit te voeren; Overwegende dat blijkens artikel 6, §1, derde lid, van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie de intrekking van een wapenvergunning mogelijk is als het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren; dat de provinciegouverneur ter zake een ruime discretionaire bevoegdheid heeft; dat de materiële motiveringsplicht inhoudt dat de beslissing gebaseerd is op rechtens aanvaardbare motieven waarvoor een voldoende feitelijke grondslag bestaat; Overwegende dat te dezen tot de intrekking in het belang van de openbare orde en veiligheid is besloten omdat verzoeker de wapen- XII-661-4/7 reglementering heeft overtreden door zijn wapen zonder geldige reden te vervoeren; dat verzoeker enerzijds weliswaar beweert dat de juistheid daarvan niet vaststaat, maar anderzijds dan toch zelf verklaart dat hij op 26 oktober 1996 het wapen in de koffer van zijn wagen had gelegd met de bedoeling om eerst zijn dochter weg te brengen, dan naar een afspraak te gaan met een opdrachtgever waarmee hij mogelijk een vast contract zou afsluiten, en pas daarna naar de schietstand te gaan om er het parcoursschieten te oefenen; dat hij voor het afleggen van dit traject, dat immers niet beperkt is tot een verplaatsing van zijn woon- of verblijfplaats naar een schietbaan, overeenkomstig artikel 17 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 tot uitvoering van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie houder moest zijn van een vergunning tot het dragen van een verweerwapen; dat dit niet minder vereist was waar verzoeker uiteindelijk zelfs helemaal niét naar de schietstand blijkt te zijn gegaan, maar na het wegbrengen van zijn dochter het wapen thuis heeft opgeborgen en vervolgens naar “de gevechtssporten” is gereden; dat verzoeker geen dergelijke draagvergunning bezit; dat bijgevolg de verwerende partij op goede grond heeft aangenomen dat verzoeker geen geldige reden had om het wapen te vervoeren en dat hij de wapenreglementering heeft overtreden; dat de verwerende partij hierin een genoegzame verantwoording mocht vinden voor de bestreden intrekking in het belang van de openbare orde en veiligheid; dat het middel niet gegrond is; Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending van de uitdrukkelijke motiveringsplicht aanvoert; dat hij stelt dat het besluit van de gouverneur gebaseerd is op een proces-verbaal waarvan de feiten nog niet bewezen zijn, dat het strafrechtelijk onderzoek nog hangende is en dat hij het strafdossier nog niet heeft kunnen inkijken, dat zijn verklaring onjuist en onvolledig werd genoteerd, dat hij aan het parket heeft meegedeeld dat hij de feiten zoals ze worden weergegeven in het proces-verbaal betwist, dat deze bewering wordt gestaafd door getuigenverklaringen, dat hij niet heeft verklaard een opdracht te gaan vervullen, maar dat hij na het wegbrengen van zijn dochter een afspraak had met een potentiële opdrachtgever, waarna hij naar de schietstand XII-661-5/7 zou rijden, dat hij een holster droeg maar dat zijn wapen ongeladen in de koffer van zijn wagen lag; Overwegende dat verwerende partij in haar memorie van antwoord tegenwerpt dat de procureur des Konings een doorslaggevend advies verleent daar hij het best geplaatst is om zich een oordeel te vormen van de ernst van de feiten, dat op basis van de vaststellingen van de gerechtelijke diensten en op basis van de verklaringen van verzoeker in alle redelijkheid kon worden besloten dat de vergunning van verzoeker diende te worden ingetrokken, dat verzoeker niet aantoont dat het feitenrelaas zoals vermeld in het proces-verbaal onjuist of onvolledig zou zijn; Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen de overheid oplegt om in de genomen beslissing de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die eraan ten grondslag liggen en zulks op een afdoende wijze; dat de door de wet vereiste overwegingen terug te vinden zijn in de bestreden beslissing; dat aan de formele motiveringsplicht is voldaan; dat de gebeurlijke schending van de materiële motiveringsplicht bij de bespreking van het eerste middel aan bod kwam; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  2. Het beroep wordt verworpen. XII-661-6/7 Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien oktober 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-661-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.034 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.