id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.035 Rolnummer: A. 140079/XII-3917 Zaak: Arrest 136035 - - 14/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-20 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-04 11:28 Fiche Arrest nr 136.035 van 14 oktober 2004 - Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.035 van 14 oktober 2004 in de zaak A. 140.079/XII-
- VERVALLENVERKLARING VAN HET MANDAAT VAN GEMEENTERAADSLID VAN NIEUWPOORT. In zake : Petra VANHULLE, die woonplaats kiest bij advocaat A. Coulier, kantoor houdende te Nieuwpoort, Oostendestraat 20 --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het beroep dat Petra Vanhulle op 6 augustus 2003 heeft ingesteld tegen de beslissing van 31 juli 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij zij vervallen wordt verklaard van haar mandaat van gemeenteraadslid van Nieuwpoort; Gezien de toelichtende memorie van verzoekster; Gezien het verslag opgesteld door auditeur B. Thys; Gelet op de beschikking van 15 april 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure en de laatste memorie van verzoekster; Gelet op de beschikking van 18 juni 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 september 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. Coulier, die verschijnt voor verzoekster; XII-3917-1/11 Gehoord het advies van auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt :
- Overwegende dat verzoekster sinds 1995 gemeenteraadslid te Nieuwpoort is; dat zij er samen met haar echtgenoot en twee kinderen in het bevolkingsregister is ingeschreven op het adres Hendrikaplein 9, waar zij een gedeelte van het gebouw “White Residence” huurt; dat zich in dat gedeelte, op de gelijkvloerse verdieping, het restaurant Rubens bevindt, waarvan verzoekster mede- uitbater is, en erboven, op de eerste verdieping, een appartement ter grootte van ongeveer 150 m²; Overwegende dat op 20 november 2000 bij de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen een anonieme klacht binnenkomt naar luid waarvan verzoekster “in feite woont [...] te Pervijze (deelgemeente van Diksmuide) Schoorbakkestraat nr. 70 (naast 't Theehuisje)”; dat op 23 augustus 2001 de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen besluit dat er grond is tot toepassing van het artikel 10 van de nieuwe gemeentewet, in verband met het verval van het lidmaatschap van het gemeentebestuur; dat de deputatie daartoe onder meer overweegt dat de klacht niet voldoet aan de voorwaarden van het koninklijk besluit van 17 september 1987 betreffende de procedure voor de bestendige deputatie in de gevallen waarin deze een rechtsprekende taak vervult, maar dat zij bevoegd is om een verval van het mandaat als gemeenteraadslid ambtshalve vast te stellen, ongeacht de wijze waarop zij op de hoogte is gekomen van feiten die verval kunnen meebrengen; Overwegende dat de bestendige deputatie op 20 september 2001 twee bevolkingsinspecteurs bij het ministerie van Binnenlandse Zaken machtigt om verzoeksters verblijfstoestand te onderzoeken; dat de inspecteurs in hun verslag van 19 februari 2002 besluiten dat “[u]it alle ingewonnen inlichtingen, zowel door de politie van Nieuwpoort als door de politie van Diksmuide evenals de gemandateerde XII-3917-2/11 bevolkingsinspecteurs, blijkt dat het gezin Dirk Vannecke - Petra Vanhulle [zijn] hoofdverblijfplaats heeft gevestigd aan het adres Schoorbakkestraat 70 te Diksmuide”; Overwegende dat met een brief van 19 maart 2003 verzoekster wordt uitgenodigd haar bezwaren te doen kennen; dat zij daar gevolg aan geeft met een schrijven van 25 maart 2003, waarbij onder meer een 24 maart 2003 gedateerd “proces verbaal van vaststelling” door gerechtsdeurwaarder Van Nieuwenhuyse is gevoegd waarin het appartement te Nieuwpoort wordt beschreven; dat verzoekster op 26 juni 2003 door de bestendige deputatie wordt gehoord; dat de bestendige deputatie op 31 juli 2003 verzoekster van haar mandaat als lid van de gemeenteraad van Nieuwpoort vervallen verklaart omdat haar inschrijving in het bevolkingsregister te Nieuwpoort niet met de werkelijkheid overeenstemt;
- Overwegende dat verzoekster “voorafgaandelijk” -alvorens de beslissing van de bestendige deputatie ten gronde te betwisten- drie kwesties te berde brengt; 2.
- Overwegende dat zij zich in de eerste plaats beklaagt over de korte tijdspanne van acht dagen waarover zij overeenkomstig artikel 10 van de nieuwe gemeentewet slechts beschikte om bij de Raad van State in hoger beroep te komen; dat zij betoogt dat die “regeling qua beroepstermijn” “discriminatoir [is], vergeleken met de termijnen waarover andere rechtsonderhorigen beschikken om hogere beroepen in te stellen tegen gerechtelijke beslissingen die hun grieven”, des te meer “omdat het de verzoekster niet toegelaten is om lopende het hoger beroep aanvullende stukken en/of memories aan te voeren, terwijl rechtsonderhorigen die partij zijn in een andere gerechtelijke procedure [...] in graad van hoger beroep dit wel kunnen, bvb. bij wege van conclusies, memories en/of zittingsnota’s”; dat zij verzoekt ter zake een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen; Overwegende dat overeenkomstig artikel 10, zevende lid, van de nieuwe gemeentewet het van zijn mandaat vervallen verklaarde gemeenteraadslid bij de Raad van State beroep kan instellen binnen acht dagen na de kennisgeving van de beslissing van de bestendige deputatie tot verval van het lidmaatschap van het gemeentebestuur; dat eensdeels verzoekster ook effectief binnen die voorgeschreven termijn in hoger beroep is gekomen, en anderdeels zij zich vergist wanneer ze meent dat het haar verboden is om in de loop van de procedure memories in te dienen, XII-3917-3/11 alsmede stukken die zij niet eerder kon bijbrengen; dat, naar blijkt, zij van de mogelijkheid daartoe terdege gebruik heeft gemaakt en aldus bijvoorbeeld een toelichtende memorie heeft neergelegd die overigens nagenoeg een loutere herhaling betreft van het verzoekschrift; dat de beweerde discriminatie verzoekster niet heeft benadeeld en haar verzoek om een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen op een misvatting berust; dat verzoekster zonder belang is bij de vraag; dat de vraag niet wordt gesteld; 2.
- Overwegende dat verzoekster in de tweede plaats doet gelden dat haar rechten van verdediging geschonden zijn doordat haar “het recht wordt ontzegd om via een memorie van wederantwoord haar rechten te laten gelden, haar standpunt te laten kennen en verdediging te voeren omtrent punten en stellingen die worden aangevoerd in memories van antwoord, waar verweerders voor andere rechtscolleges ten lande dit recht wél wordt toegekend”; dat zij ter zake vraagt een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen over de verenigbaarheid van het artikel 6 van het koninklijk besluit van 15 juli 1956 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, in geval van beroep als bedoeld bij artikel 76bis van de gemeentekieswet, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; dat zij eveneens verzoekt aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen met betrekking tot de schending van de gelijkheidsregel door artikel 10 van genoemd koninklijk besluit van 15 juli 1956, “nu het niet voorziet in de mogelijkheid tot het instellen van verzet en de mogelijkheid tot aanvraag van herziening van de beslissing noch in derdenverzet door wie het behoort”; Overwegende dat, zoals gezien, verzoekster wel degelijk de mogelijkheid heeft gehad nog memories en aanvullende stukken in te dienen; dat niet het door haar bekritiseerde koninklijk besluit van 15 juli 1956 de toepasselijke procedure regelt, maar het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; dat de vragen aan het Arbitragehof die verzoekster vraagt te stellen niet ter zake doen; dat zij alleen al om die reden niet gesteld worden; 2.
- Overwegende dat verzoekster ten derde “voorafgaandelijk” opmerkt dat een vervallenverklaring “enkel [kan] worden vastgesteld bij kennisgeving van het college van burgemeester en schepenen of ingevolge een regelmatig ingebracht bezwaar”, dat er te dezen noch het een noch het ander is, dat artikel 10 van de nieuwe gemeentewet niet voorziet in een ambtshalve vervallenverklaring door XII-3917-4/11 de bestendige deputatie, dat een anonieme klacht moet worden gelijkgesteld met een onbestaande klacht, dat de bestendige deputatie niet zonder schending van de artikelen 3 en 4 van het koninklijk besluit van 17 september 1987 betreffende de procedure voor de bestendige deputatie in de gevallen waarin deze een rechtspreken- de taak vervult, op grond van een anonieme klacht een procedure tot vervallenverkla- ring kan starten, dat de klacht en de daarop gesteunde verrichtingen minstens als nietig moeten worden beschouwd; Overwegende dat de bestreden beslissing in dat verband overweegt “dat een gemeenteraadslid dat zitting blijft houden in de gemeenteraad, ondanks het feit dat dit gemeenteraadslid weet dat hij niet meer alle verkiesbaarheidsvoorwaarden vervult om zitting te hebben, strafbaar is met de straffen gesteld in art. 262 van het strafwetboek”, “dat hieruit volgt, volgens vaststaande rechtspraak van de Raad van State, dat de vervallenverklaring van een gemeenteraadslid die de bij de wet vastgestelde voorwaarden niet vervult, niet gebonden is aan de kennisgeving door het college van burgemeester en schepenen, noch aan een bezwaarschrift dat door een derde zou worden ingediend” en “dat de bestendige deputatie dus, onafhankelijk van de ingediende anonieme klacht die niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in art. 10 van de nieuwe gemeentewet, ambtshalve een procedure tot vervallenverklaring kan starten”; Overwegende dat de Raad van State deze zienswijze, in de lijn van zijn arresten inzake Wymeersch, nr. 14.168 van 16 juni 1970, en Holvoet, nr. 15.741 van 6 maart 1973, bijtreedt; dat, anders dan verzoekster meent, de bestendige deputatie geen uitspraak heeft gedaan over de toepassing van de strafwet en geen inbreuk heeft gepleegd op de bevoegdheid van de strafrechter, door bij de interpreta- tie van de bevoegdheid tot vervallenverklaring van het mandaat van gemeenteraadslid die het artikel 10 van de nieuwe gemeentewet haar geeft voort te gaan op het bepaalde in het artikel 262 van het strafwetboek; Overwegende dat de bestendige deputatie op 23 augustus 2001, na de op 20 november 2000 ontvangen anonieme klacht tegen verzoekster ter zijde te hebben geschoven, heeft geoordeeld tegen haar hoe dan ook ambtshalve de procedure van vervallenverklaring te moeten beginnen en met het oog daarop een onderzoek te openen; dat zij dat kon zonder haar bevoegdheid te overschrijden; XII-3917-5/11 3.
- Overwegende, ten gronde, dat verzoekster met klem de motieven van de beslissing van 31 juli 2003 betwist; dat die motieven in essentie luiden : “Overwegende dat een gemeenteraadslid, volgens art. 65, eerste lid, juncto art. 1, eerste lid, 31 van de gemeentekieswet, in het bevolkingsregister van een gemeente moet ingeschreven zijn; Overwegende dat krachtens vaste rechtspraak van de Raad van State, voormelde voorwaarde van verkiesbaarheid slechts geldig vervuld is wanneer de inschrijving in de bevolkingsregisters met een effectief en regelmatig verblijf overeenstemt; Overwegende dat de woning te Diksmuide, Schoorbakkestraat 70 eigendom is van het echtpaar Vannecke-Vanhulle, terwijl de handelszaak te Nieuwpoort, Hendrikaplein 9 gehuurd wordt; Overwegende dat er geen twijfel over bestaat dat het grootste gedeelte van het socio-culturele leven van mevrouw Vanhulle zich in Nieuwpoort afspeelt; dat dit echter niet automatisch wil zeggen dat men er ook zijn hoofdverblijfplaats heeft; Overwegende dat mevrouw Vanhulle beweert dat het water- en elektriciteitsverbruik te Diksmuide niet bewijst dat daar het hoofdverblijf wordt gehouden; dat zij stelt dat het verbruik zelfs verlaagd is te Diksmuide; dat zij geen bewijzen voorlegt die staven dat het verbruik in Diksmuide lager ligt dan bij een normale bewoning; dat het logisch is dat het elektriciteits- en waterverbruik te Nieuwpoort veel hoger ligt, aangezien daar een restaurant is gevestigd; dat zelfs indien het verbruik te Nieuwpoort verdubbeld zou zijn, dit nog niet bevestigt dat men in Nieuwpoort woont, dat de verdubbeling ook kan te wijten zijn aan een groter cliënteel; Overwegende dat uit het verslag van de bevolkingsinspecteurs blijkt dat er te Diksmuide een waterverbruik is zoals bij een gemiddeld gezin en een elektriciteitsverbruik van 6.805 kWh, terwijl een gemiddeld verbruik 3.500 kWh bedraagt; Overwegende dat de elektriciteitsmaatschappij WVEM in brief van 19/12/2001 zelfs bevestigt dat er gedurende de 'laatste jaren' een elektriciteitsverbruik is van gemiddeld 6.805 kWh, terwijl de waterinfiltratieproblemen dateren uit 2000; Overwegende dat het geringe telefoonverbruik in Diksmuide te verklaren is door het feit dat het gezin over 2 GSM's beschikt; Overwegende dat er geen twijfel over bestaat dat de bewoning van de bovenverdieping te Nieuwpoort bemoeilijkt is wegens de problemen van waterinfiltratie en tijdens een bepaalde periode wellicht onmogelijk was; Overwegende dat er foto's worden voorgelegd van de woongelegenheid te Nieuwpoort en een proces-verbaal van vaststelling van gerechtsdeurwaarder met een beschrijving van de woonvertrekken; dat er een duidelijk verschil is met de beschrijving van de woonvertrekken door de bevolkingsinspecteurs; Overwegende dat er ondertussen renovatiewerken zijn gebeurd; dat de vaststellingen door de gerechtsdeurwaarder zijn gedaan op 24 maart 2003, terwijl het dossier door mevrouw Petra Vanhulle en haar raadsman werd ingezien op 21 maart 2003; dat zij tegelijkertijd een kopie van het verslag van de bevolkingsinspecteurs van de FOD Binnenlandse Zaken hebben meegekregen; Overwegende dat mevrouw Vanhulle zich aldus kon voorbereiden op het bezoek van de gerechtsdeurwaarder op 24 maart 2003; dat het proces-verbaal een woongelegenheid toont die meer ingericht is in vergelijking met de vaststellingen van de bevolkingsinspecteurs; dat dit proces-verbaal echter niet onomstotelijk bewijst dat de hoofdverblijfplaats in Nieuwpoort gevestigd is; Overwegende dat er in de woongelegenheid te Nieuwpoort geen keuken aanwezig is, noch de mogelijkheid om met het volledige gezin te eten aan een XII-3917-6/11 tafel (enkel salontafel en bureau aanwezig, geen eettafel met stoelen), noch drank of voedingswaren; dat er een keuken aanwezig is in het restaurant doet geen afbreuk aan deze vaststelling; dat het ongeloofwaardig is dat het gezin Vannecke-Vanhulle telkens in het restaurant moet eten, zowel 's morgens, 's middags als 's avonds, zonder de nodige privacy; Overwegende dat kon vastgesteld worden bij het plaatsbezoek door de bevolkingsinspecteurs in januari 2002 dat er nergens verwarming aanstond op de bovenverdieping; dat mevrouw Vanhulle stelt dat dit komt omdat men constant beneden werkt; dat het niet geloofwaardig is dat de kinderen ook constant beneden in het restaurant zouden vertoeven zodat er geen verwarming noodzakelijk is; Overwegende dat er in de woonvertrekken te Nieuwpoort ook geen wasmachine aanwezig is; dat betrokkene verklaart op het adres te Diksmuide de 'bedrijfswas' te doen; dat waarschijnlijk ook de 'persoonlijke' was in Diksmuide wordt gedaan; Overwegende dat er weinig ruimte is voor de kinderen (10 jaar en 14 jaar) om te studeren in Nieuwpoort, zoals ook blijkt uit het proces-verbaal van de gerechtsdeurwaarder; dat betrokkene in het gesprek met de bevolkingsinspecteurs verklaart dat de kinderen niet kunnen studeren in het restaurant en dat ze daarom soms naar Diksmuide gaan om te overnachten, omdat het daar rustiger is; Overwegende dat de woning te Diksmuide bestaat uit een landelijke landbouwerswoning die recent werd vernieuwd met stallingen; dat er zich daar neerhofdieren en honden bevinden; dat er daar groenten worden gekweekt en zich een opslagplaats bevindt voor materiaal van het aannerningsbedrijf van de echtgenoot van mevrouw Vanhulle; Overwegende dat mevrouw Vanhulle toegeeft zich in de woning te Diksmuide terug te trekken tijdens professioneel kalme maanden; Overwegende dat een gemeenteraadslid die 2 verblijven heeft, niet zijn hoofdverblijf heeft in de woonruimte welke hem niet in staat stelt om er samen met zijn gezin te leven of er over het elementaire comfort te beschikken om er te leven; dat wanneer een persoon over 2 woningen beschikt waarvan de ene vollediger en gerieflijker is dan de andere, de eerste woning moet geacht worden zijn hoofdverblijfplaats te zijn; Overwegende dat het ongeloofwaardig is dat het gezin Vannecke-Vanhulle zijn hoofdverblijfplaats heeft in de beperkte ruimte te Nieuwpoort, terwijl het over een ruimere woning beschikt te Diksmuide waar de was wordt gedaan, dieren aanwezig zijn en waar het rustig is voor de kinderen om te studeren; Overwegende dat de woonplaats van een persoon de plaats is waar die persoon effectief de beschikking heeft over een woning die hij echt blijkt te bewonen en die hij betrekt met de bedoeling er zijn hoofdverblijf te vestigen, d.w.z. er de verblijfplaats van te maken van waar hij zich terugtrekt voor zijn privé-leven en waar hij, zo hij een bedrijvigheid buitenshuis uitoefent, na de dagtaak regelmatig terugkeert; Overwegende dat aldus mevrouw Petra Vanhulle met haar gezin regelmatig na de dagtaak terugkeert naar en zich in professioneel kalme maanden terugtrekt te Diksmuide, zodat haar hoofdverblijfplaats moet geacht worden gevestigd te zijn in Diksmuide; Overwegende dat uit de hierbovenvermelde gegevens duidelijk wordt aangetoond dat mevrouw Vanhulle niet effectief haar woonplaats heeft te Nieuwpoort en zij evenmin kan bewijzen dergelijke hoofdverblijfplaats op het grondgebied van Nieuwpoort te bezitten; dat haar inschrijving in de bevolkingsregisters te Nieuwpoort niet met de werkelijkheid overeenstemt; Overwegende dat mevrouw Vanhulle niet voldoet aan de voorwaarden om het mandaat van gemeenteraadslid te Nieuwpoort te bekleden”; XII-3917-7/11 Overwegende dat verzoekster daar tegen inbrengt, samengevat, dat de inschrijving in het bevolkingsregister van Nieuwpoort het vermoeden inhoudt dat zij daar haar hoofdverblijf houdt, dat niet het tegenbewijs wordt geleverd, dat zij al sinds 1989 haar effectieve woonplaats in de “White Residence” aan het Hendrikaplein 9 te Nieuwpoort heeft, boven het restaurant Rubens waarvan zij mede-uitbater is, dat het gedeelte van het gebouw waarin verzoekster woont en werkt nooit te koop heeft gestaan en bij ontstentenis van een basisakte ook niet verkocht kan worden, zodat het haar niet ten kwade kan worden geduid er geen eigenaar van te zijn, dat zij intens deelneemt aan het sociale, economische en culturele leven van Nieuwpoort, dat zij noch haar echtgenoot lid zijn van of actief in eender welke Diksmuidse vereniging, dat het goed te Diksmuide als tweede verblijf wordt gebruikt, als was- en droogplaats voor het bedrijfslinnen van het restaurant en als stockage- en werkplaats voor het aannemingsbedrijf van haar echtgenoot, dat er tevens “o.a. 30 schapen, zes paarden, pluimvee” worden gehouden, dieren die slechts weinig zorg behoeven, dat zij door waterinfilitraties te Nieuwpoort noodgedwongen tijdelijk heeft moeten uitwijken naar Diksmuide, dat door de onwil van de eigenares van het pand om de nodige herstellingen uit te voeren de waterinfiltraties hebben geduurd van 2000 tot de zomer van 2002, dat zij “een kostelijke, moeizame procedure en expertise opstartte en doorworstelde om de bewoonbaarheid van haar domicilie te Nieuwpoort af te dwingen”, dat de bevolkingsinspecteurs het pand betreden hebben in volle procedure en expertise, dat hun vaststellingen geheel achterhaald zijn en in de juiste context moeten worden gezien, dat de vaststellingen van 24 maart 2003 door de gerechts- deurwaarder plaats vonden meer dan een jaar nà het bezoek van de bevolkingsinspec- teurs, dat dan het pand “opnieuw in de normale, gezellige staat van aankleding en huisvesting was gebracht”, “zoals dit voor de infiltratieproblematiek het geval was”, dat de afwezigheid van een keuken en voedingswaren niet verwonderlijk is aangezien er beneden in de zaak een volledig uitgeruste keuken, een kelder en frigo’s zijn, dat de gezinsmaaltijden “in intimiteit genuttigd [worden] aan de vaste gezinstafel, die net naast de keuken staat opgesteld, afgeschermd van de rest van de zaak”, dat het zinloos is de verwarming boven aan te steken als er beneden wordt gewerkt en de kinderen op school zijn, dat het op niets is gesteund dat de voormalige boerderij “vollediger en gerieflijker” zou zijn, dat het “een doodgewoon vetust boerenhof [betreft] waarvan de stallingen groter zijn dan de woonruimte”; Overwegende dat verzoekster in de laatste memorie nog opmerkt : “Het kàn toch niet dat op basis van een aantal summiere vaststellingen, gedurende een zeer beperkte periode, de verzoekster die reeds 15 jaar in XII-3917-8/11 Nieuwpoort woont, leeft en werkt, in 1994 gemeenteraadslid werd en in 2000 als gemeenteraadslid werd herkozen haar mandaat zou verliezen, terwijl verzoekster van haar kant een omvangrijk pakket aan stukken en bewijzen voorlegt : - én omtrent het voorhanden zijn van een tijdelijke overmachtssituatie - én omtrent procesrechterlijke initiatieven gericht op het wegwerken van deze overmachtssituatie - én omtrent het effectief herstel van het rustig genot van de huurruimtes via procedure - én het hoofdverblijf van verzoekster te Nieuwpoort - én justificatie geeft van het verbruik te Nieuwpoort en te Diksmuide”; 3.
- Overwegende dat volgens artikel 65 van de gemeentekieswet een gemeenteraadslid, om verkozen te blijven, de in artikel 1 bedoelde kiesbevoegdheidsvoorwaarden moet behouden; dat één van die voorwaarden is: “in de bevolkingsregisters van de gemeente ingeschreven zijn”; dat het geen zuiver formele voorwaarde betreft; dat zij inhoudt dat het gemeenteraadslid metterdaad zijn hoofdverblijf in de gemeente moet hebben; Overwegende dat zo moet worden uitgegaan van het vermoeden dat een gemeenteraadslid effectief woont waar het in het bevolkingsregister is ingeschreven, dit vermoeden niet onweerlegbaar is; dat het wordt ontkracht door gegevens die van zodanige aard zijn dat zij in redelijkheid niet toelaten de onjuistheid van de inschrijving te betwijfelen; 3.
- Overwegende dat volgens de bestendige deputatie dergelijke gegevens in het geval van verzoekster voorhanden zijn; dat de bestendige deputatie die gegevens vindt in verslagen van 21 februari 2001 en 22 januari 2002 van de politie van Nieuwpoort, een verslag van begin januari 2002 van de politie van Diksmuide en een verslag van 19 februari 2002 van de gemachtigde bevolkingsinspecteurs; dat de verslagen relaas doen van onderzoeken en bevindingen die zich uitstrekken over, en wezenlijk betrekking hebben op, de periode van 13 februari 2001 tot 19 februari 2002; Overwegende dat juist in deze periode verzoekster beweert het slachtoffer te zijn geweest van aanzienlijke waterinfiltraties en -schade in het appartement te Nieuwpoort, die voor haar een “overmachtssituatie” uitmaken en die haar, zoals ze reeds op 25 januari 2002 jegens de bevolkingsinspecteurs deed gelden, verplichtten tot een “tijdelijke ‘meer-aanwezigheid’” te Diksmuide; dat ter zake verzoekster in die mate gehoor heeft gevonden bij de bestendige deputatie dat zelfs luidens de bestreden beslissing van 31 juli 2003 “er geen twijfel over bestaat dat de XII-3917-9/11 bewoning van de bovenverdieping te Nieuwpoort bemoeilijkt is wegens de problemen van waterinfiltratie en tijdens een bepaalde periode wellicht onmogelijk was”; Overwegende dat ook de Raad van State die mening is toegedaan; dat hij uit de hem voorgelegde stukken opmaakt dat de waterinfiltraties reeds sinds halverwege 2000 tot procedures voor de vrederechter leidden, tegen de hoofdhuur- der en de eigenaar van de woning, met het oog op de aanstelling van een expert en op het uitvoeren van herstellingswerken, dat de schade in het appartement van verzoekster niet onaanzienlijk was, dat namelijk in briefwisseling van de expert sprake is van lekkages aan de douche, beschadigde muren en plafonds, de vloer van de gang vóór het toilet die “veert”, een andere vloer die vanwege de insijpelingen “zacht en indrukbaar” is, dat er zich ook een “reukprobleem” ten gevolge van rioolgeur voordeed, dat vrij omvangrijke onderzoekingen en herstellingen dienden te gebeuren, en dat de herstellingswerken in het appartement tot voorbij midden 2002 hebben aangesleept; Overwegende dat in dit licht de hoger vermelde verslagen waarop de bestendige deputatie zich heeft gesteund om te besluiten dat verzoekster niet effectief haar woonplaats te Nieuwpoort heeft, relevantie missen; dat de vaststellingen die er in gedaan worden, te situeren zijn in een tijdspanne waarin de woning te Nieuwpoort, uitzonderlijk, als tijdelijk onbewoonbaar of moeilijk bewoonbaar moet worden beschouwd; dat de omstandigheid dat verzoekster alsdan (meer) te Diksmuide verbleef in redelijkheid niet geacht kan worden de valsheid van haar inschrijving te Nieuwpoort aan te tonen; dat immers de juistheid van de inschrijving in het bevolkingsregister niet in het gedrang wordt gebracht door het verblijf in een andere gemeente waaraan alleen een beperkt en voorlopig karakter is toe te meten; 3.
- Overwegende dat de beslissing van 31 juli 2003 van de bestendige deputatie bijgevolg niet kan worden bevestigd; dat daaruit evenwel niet volgt dat verzoekster op vandaag nog altijd aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden voldoet, óók nu ondertussen aan de tijdelijke noodsituatie waarmee zij te kampen had een einde is gekomen en het appartement te Nieuwpoort opnieuw bewoonbaar is; dat de vraag of zij sindsdien de daadwerkelijke bewoning van het appartement heeft hervat echter niet het voorwerp is geweest van enig objectief onderzoek; dat er grond bestaat het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat met het instellen van een onderzoek ter zake te belasten, XII-3917-10/11 BESLUIT: Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien oktober 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3917-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.035 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.462 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.