id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.037 Rolnummer: A. 74819/VII-15629 Zaak: Arrest 136037 - - 14/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-26 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-04 11:29 Fiche Arrest nr 136.037 van 14 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.037 van 14 oktober 2004 in de zaak A. 74.819/VII-15.629. In zake : 1. de v.z.w. MILIEUVERENIGING HOFKWARTIER KOU- TER, 2. de v.z.w. DE WIELEWAAL, thans de v.z.w. NATUURPUNT STUDIE, 3. de v.z.w. REGIONALE AKTIEGROEP LEEFMILIEU DENDER EN SCHELDE, 4. Karel SERGOYNNE (overleden), 5. Bérénice SERGOYNNE, die woonplaats kiezen bij Advocaat Gw. VERMEIRE, kantoor houdende te GENT, Voskenslaan 301 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. VAN DE VYVER, kantoor houdende te ANTWERPEN, Eglantierlaan 1. tussenkomende partij : de n.v. ONTEX, die woonplaats kiest bij Advocaat L. SWARTENBROUCKX, kantoor houdende te BRUSSEL, Brederodestraat 13. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. MILIEUVERENIGING HOFKWARTIER KOUTER, de v.z.w. DE WIELEWAAL, thans de v.z.w. NATUURPUNT STUDIE, de v.z.w. REGIONALE AKTIEGROEP LEEFMILIEU DENDER EN SCHELDE, Karel SERGOYNNE en Bérénice SERGOYNNE op 27 juni 1997 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 26 april 1997 waarbij de beroepen die werden ingesteld tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 24 oktober 1996 houdende het verlenen aan de n.v. ONTEX van een milieuvergunning om een inrichting te exploiteren te VII-15.629-1/37 Buggenhout, Kasteelstraat 279 worden verworpen en het beroepen besluit wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 72.624 van 19 maart 1998 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partijen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 13 oktober 1998 ingediend door de n.v. ONTEX; Gelet op de beschikking van 26 oktober 1998 die de tussenkomst van de n.v. ONTEX toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op het overlijden van Karel SERGOYNNE, vierde verzoeker, op 20 januari 1999; Gelet op de beschikking van 3 september 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 2 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 mei 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; VII-15.629-2/37 Gehoord de opmerkingen van Advocaat Gw. VERMEIRE, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat K LAUWEREYS die, loco Advocaat J. VAN DE VYVER verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat L. SWARTENBROUX, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De rechtspleging Overwegende dat vierde verzoeker, Karel SERGOYNNE, is overleden op 20 januari 1999; dat zijn rechthebbenden geen verzoek tot hervatting van het geding hebben ingediend, zodat het beroep in zijnen hoofde wordt verwor- pen; 2. De feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.1. De n.v. ONTEX, tussenkomende partij, baat op haar terreinen in de Kasteelstraat te Buggenhout een vestiging uit waar dameshygiëneproducten en medische producten worden vervaardigd. Zij wenst de productie van dameshygiëneproducten naar een andere vestiging over te hevelen en de aldus in de Kasteelstraat vrijgekomen ruimte te gebruiken om de productie van medische producten te vergroten. Daartoe is ook de bouw van een bijkomende hal voor de opslag van de ter plaatse geproduceerde medische producten noodzakelijk. 2.2. De bestaande bedrijfsgebouwen zijn gelegen in een gebied voor kleine en middelgrote ondernemingen (gewestplan Dendermonde). De opslaghal wordt gepland in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 2.3. Op 13 juli 1993 verkrijgt de tussenkomende partij van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Buggenhout een bouwvergunning voor het optrekken van de opslaghal. VII-15.629-3/37 Tegen deze bouwvergunning blijkt geen beroep te zijn ingesteld bij de Raad van State. 2.4. Voor de inrichting werden in het verleden een aantal beslissingen genomen in verband met milieuvergunningsaanvragen. Daartegen werden zowel schorsings- als annulatieberoepen ingesteld bij de Raad van State. Tevens werden beslissingen ingetrokken. Met het arrest nr. 129.413 van 18 maart 2004 werden de diverse annulatieberoepen verworpen wegens het gebrek aan actueel belang of het doelloos geworden zijn van de vorderingen. 2.5. De tussenkomende partij dient op 8 juli 1996 bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen opnieuw een aanvraag in voor de exploitatie van haar inrichting. Zij stelt in haar verzoekschrift tot tussenkomst dat zij wil, gelet op de vele hangende procedures, "van vooraf aan herbeginnen ..., teneinde zo spoedig mogelijk rechtszekerheid te krijgen". Vermits de basisvergunning voor de vestiging afloopt op 23 augustus 1998 heeft zij beslist ter gelegenheid van de nieuwe vergunningsaanvraag voor de uitbreiding, meteen ook de hernieuwing van de basisvergunning aan te vragen. 2.6. Op 24 oktober 1996 verleent de bestendige deputatie aan de tussenkomende partij de gevraagde vergunning "om een inrichting te veranderen en verder te exploiteren". De vergunning wordt verleend voor een termijn van twintig jaar. Ze vergunt concreet het volgende : "- het lozen van huishoudelijk afvalwater (max. 25 m³/dag - 1500 m³/jaar) via een septische put in de openbare riolering; - een transformator van 400 kVA; - twee transformatoren van elk 1.250 kVA; - diverse compressoren, nl. 12 kW, 51 kW, 57 kW en 102 kW; - een gasautoclaaf met een waterinhoud van 10.070 l; - opslag van het mengsel 15 % ethyleenoxyde - 85 % koolstofdioxide in verplaatsbare recipienten voor 900 l (18 flessen van 50 l); - opslag van 2.000 l propaangas in een ondergrondse houder; - opslag van 500 l P1-producten; - opslag van 40.000 l stookolie in een ondergrondse houder; - opslag van 95 ton grondstoffen en verpakkingen uit kunststoffen in twee bestaande opslagplaatsen voor grondstoffen; - een laboratorium voor kwaliteitscontrole; - een werkplaats voor metaalbewerking (64,5 kW); - diverse toestellen voor het vervaardigen van dameshygiëne en medische sets met een totaal geïnstalleerd vermogen van 1.500 kW; - opslag van 133 ton grondstoffen en verpakkingen uit papier in twee bestaande opslagplaatsen voor grondstoffen; VII-15.629-4/37 - opslag van 11,5 ton grondstoffen en verpakkingen uit textiel in twee bestaande opslagplaatsen voor grondstoffen; - opslag van 370 ton afgewerkte producten in twee bestaande opslagplaatsen voor afgewerkte producten; - opslag van 1.700 ton afgewerkte producten in een nieuwbouwopslagplaats voor afgewerkte producten; - twee stookinstallaties op stookolie met een stookvermogen van resp. 890 kW en 1.856 kW". 2.7. Tegen het milieuvergunningsbesluit van 24 oktober 1996 worden diverse administratieve beroepen ingesteld onder meer door de verzoekende partijen. In het advies van het bestuur milieuvergunningen is sprake van negen beroepen. In de aanhef van de bestreden beslissing alsook in het beschikkend gedeelte van de bestreden beslissing is slechts sprake van acht beroepen. In de bestreden beslissing wordt geen melding gemaakt van het beroep van "mevrouw Viviane VANDEN BIL namens AMINAL Afdeling Natuur Gebr. Van Eyckstraat 2-6 te 9000 Gent". 2.8. In het kader van de beroepsprocedure worden volgende adviezen uitgebracht : - Op 13 januari 1997 brengt de administratie Gezondheidszorg een gunstig advies uit. - Op 4 februari 1997 adviseert de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen van AROHM ongunstig voor wat de opslagloods betreft en gunstig voor het overige. - Op 14 februari 1997 stelt het bestuur Milieuvergunningen van AMINAL voor om de beroepen ongegrond te verklaren en de beroepen beslissing van de bestendige deputatie te bevestigen. - Op 21 februari 1997 adviseert de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie om de beroepen ongegrond te verklaren en de beroepen beslissing van de bestendige deputatie te bevestigen. - Op 14 maart 1997 brengt de Vlaamse Milieumaatschappij een principieel gunstig advies uit. 2.9. Op 26 april 1997 verwerpt het bestreden besluit de administratieve beroepen en bevestigt het het beroepen deputatiebesluit. Het bestreden besluit bevat 29 bladzijden. Samengevat wordt in het bestreden besluit stilgestaan bij : - de rechtsgrond waarop het berust; - de antecedenten in de vergunningsprocedure; - de bezwaren van de beroepindieners; - het horen van de exploitant; VII-15.629-5/37 - de vroegere vergunningsbesluiten en procedures bij de Raad van State; - de uitgebrachte adviezen; - de stedenbouwkundige aspecten van de aanvraag, inzonderheid aangaande het voldaan zijn aan de voorwaarden van artikel 45, § 7, van de stedenbouwwet wat betreft de opslagplaats; - de weerlegging van de ongunstige adviezen; - de natuur- en milieuhygiënische aspecten van de aanvraag; - de evaluatie van de bezwaren van de beroepindieners; 3. De gegrondheid van het beroep 3.1. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie expliciet afstand doen van het eerste en het tweede middel; dat deze middelen dan ook niet worden onderzocht; 3.2.1.1. Overwegende dat in het derde middel de verzoekende partijen de schending aanvoeren van het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, van de artikelen 3, 4 en 7 van het decreet van 24 juli 1996 betreffende de ruimtelijke planning, van het adagium "patere legem quem ipse fecisti", van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 52, 3/, van Vlarem I; dat de verzoekende partijen in een eerste onderdeel aanvoeren dat er bij het voorliggend dossier duidelijk geen sprake is van een behoorlijke voorbereiding en feitengaring en bijgevolg ook niet van een behoorlijke besluitvorming; dat zij betogen dat alzo er geen enkele studie is gemaakt over het ecologisch belang van het agrarisch gebied waarin de uitbreiding is voorzien, hoewel de omstandigheden van de zaak, inzonderheid de nabijheid van het Buggenhoutbos, zijnde natuurgebied en deels natuurreservaat, zulks vereisten, dat de realiteit geweld wordt aangedaan waar de minister aanneemt dat het afvalwater geloosd wordt in de openbare riolering langs de Kasteelstraat, vermits er geen riolering is in dit deel van de Kasteelstraat, dat ook op dit punt er in de beroepschriften diverse grieven werden aangevoerd, dat de minister ten onrechte stelt dat er een afstand is van 80 meter tussen de uitbreiding en het Buggenhoutbos, daar waar dit in werkelijkheid veel minder is, nl. 50 meter t.o.v. de loods en zelfs 20 meter t.o.v. de artificiële dijk, dat, wat betreft de geluidsemissie, de werkplaats voor metaalbewerking over het hoofd wordt gezien, dat de afstand tussen de geluidsemis- siebronnen en de dichtste woning geen 70 meter bedraagt maar hooguit 25 meter, dat in het bestreden besluit wordt gesteld dat de plaats van aanwending van de ethyleenoxide zich situeert op 70 meter van het woongebied, terwijl de sterilisator VII-15.629-6/37 zich op amper 35 meter daarvan bevindt, dat het bestreden besluit ten onrechte stelt dat er in het betrokken gebied geen intensieve landbouw meer aanwezig is, dat het bestreden besluit oppervlakkig is wat de brandbeveiliging betreft, dat de installatie dient uitgevoerd volgens de voorschriften van de brandweer, doch dat dit niet als bijzondere milieuvoorwaarde werd geconcretiseerd, dat de minister ook voorbij gaat aan de belangrijke grieven i.v.m. het onderbenutten van de bestaande opslagruimtes; 3.2.1.2. Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede onderdeel betogen dat de bestreden beslissing regelrecht ingaat tegen één van de beginselen van het ontwerp van Structuurplan Vlaanderen, met name de bescherming van de open ruimte; dat zij stellen dat artikel 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke planning bepaalt dat het Ruimtelijk Structuurplan een beleidsdocument is dat het kader aangeeft voor de gewenste ruimtelijke structuur, dat volgens artikel 4 het decreet is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling, dat in deel twee van de "Gewenste Ruimtelijke Structuur voor het Buitengebied" de doelstellingen worden aangegeven, zoals het tegengaan van versnippering, landbouw, natuur en bosfunctie in goed gestructureerde gebieden, buffering van de natuurfunctie, dat het uitgangspunt is het behoud en de ontwikkeling (versterking) van de diversiteit en herkenbaarheid van de landschappen in Vlaanderen, dat het daarom noodzakelijk is alle bestaande bossen te beschermen en bosuitbreiding te realiseren, dat in de beroepschriften werd gewezen op het belang van het formeel vastgestelde ontwerp van Structuurplan Vlaanderen dat daardoor zeker voor de Vlaamse Regering zelf een instrument is voor de uitoefening van haar bevoegdheid, terwijl in de bestreden beslissing enkel gesteld wordt dat het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen nog geen verordenende kracht heeft, waarmede niets gezegd is over het ontwerp ervan dat nochtans een beleidsinstrument is; dat zij daaruit concluderen dat het ontwerp van Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen kennelijk geschonden is, minstens er een schending is van het adagium "patere legem quem ipse fecisti", en van artikel 52, 3/, van Vlarem I omdat de grieven in de beroepschriften niet afdoende zijn beantwoord; 3.2.2.1. Overwegende dat in de memorie van antwoord de verwerende partij aangaande het eerste onderdeel stelt dat zij zich op voldoende wijze heeft ingelicht omtrent de ecologische waarde van het agrarisch gebied aan de hand van de vroeger reeds opgestelde studie door de K.U.Leuven, waarnaar zij uitdrukkelijk verwijst op p. 15 van de bestreden beslissing, én aan de hand van de adviezen van de verschillende adviesverlenende instanties, dewelke, uitgezonderd dat van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen, alle gunstig luidden; dat de verwerende partij citeert uit de studie van de K.U.Leuven, en stelt dat zij met deze studie rekening kon VII-15.629-7/37 houden vermits de voorliggende aanvraag een beperking inhoudt t.o.v. de eerdere aanvraag waarvoor de studie was opgemaakt; dat, wat betreft de andere grieven die de verzoekende partijen ontwikkelen, zij verwijst naar de nota die de tussenkomende partij op 19 februari 1997 overhandigde en naar de uitgebrachte adviezen; dat zij in essentie doet gelden wat volgt : - Het door de n.v. ONTEX geloosde afvalwater bestaat voor 10 % uit normaal huisafvalwater en voor 90 % uit regenwater. De afvalwaters worden volgens de n.v. ONTEX geloosd in de openbare riolering en er is een overloop voorzien naar de Hollebeek om regenwaterpieken op te vangen. Volgens de Vlaamse Milieumaatschappij, die gunstig adviseerde, wordt er geloosd in een gracht die afwatert naar de Hollebeek die uitmondt in de Vondelbeek. Het water van de Hollebeek is reeds verontreinigd. De verzoekende partijen laten na aan te tonen dat de n.v. ONTEX zich niet aan de door de bestendige deputatie opgelegde milieuvoorwaarden zou houden, volgens dewelke alle nodige maatregelen dienen te worden getroffen om de lozing van verontreinigd regenwater in de Hollebeek te voorkomen. - De afstand van 80 meter tot het Buggenhoutbos is gebaseerd op de nota van de n.v. ONTEX en het advies van de Gewestelijke milieuvergunningscommissie. De verzoekende partijen tonen niet aan dat deze gegevens feitelijk onjuist zijn. - Wat betreft de geluidsemissie heeft men zich terecht gebaseerd op de gegevens i.v.m. de geluidsbronnen en afstanden tot de woningen, zoals zij werden weergegeven in het besluit van de bestendige deputatie, in het advies van AMINAL, in de nota van de n.v. ONTEX en in het advies van de Gewestelijke milieuvergunningscommissie. De n.v. ONTEX is bereid de Vlarem II- geluidsnormen na te leven en verzet zich niet tegen een akoestisch onderzoek. Op termijn zal er geen behoefte meer zijn aan de, thans gedempte, ventilatoren. Ook de verkeershinder zal verminderen. - Voor wat betreft de opslag van ethyleenoxide baseerde de verwerende partij zich op de nota van de n.v. ONTEX en op de uitgebrachte adviezen. De uitstoot en opslag van ethyleenoxide vormt op zich geen relevant gevaar voor de omwonenden. - Wat betreft de bestaande landbouwfunctie overweegt het bestreden besluit "dat er op dit ogenblik in de agrarische zone niet aan intensieve landbouw wordt gedaan; dat het Ministerie van Landbouw overigens een gunstig advies heeft verleend aangaande de bouwaanvraag (...)". - Aangaande de brandbeveiliging bevestigde het bestreden besluit de beslissing van de bestendige deputatie die oplegt dat alle aanpassingen, aanbevelingen en VII-15.629-8/37 milderende maatregelen zoals vermeld in de veiligheids- en milieueffectenstudie van de K.U.Leuven strikt dienen te worden opgevolgd en nageleefd. De nieuw te bouwen opslagruimte zal voldoen aan het advies van de brandweer. - De bestaande opslagruimtes zullen benut worden gelet op de verdubbeling in capaciteit van de productie van medische artikelen. Een nieuwe loods was evenwel noodzakelijk; 3.2.2.2. Overwegende dat aangaande het tweede onderdeel van het middel de verwerende partij verwijst naar de discretionaire appreciatiebevoegdheid waarover zij bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag beschikt; dat zij betoogt dat de verzoekende partijen niet aantonen dat zij in casu een kennelijk onredelijk beleid heeft gevoerd; dat zij er aan toevoegt dat de argumenten van de beroepschriften wel degelijk werden beantwoord; 3.2.3.1. Overwegende dat in de memorie van wederantwoord de verzoekende partijen betreffende het eerste onderdeel doen gelden dat de gebruikte passages in de K.U.Leuven-studie zeer vaag handelen over fauna en flora, dat in het administratief dossier men stukken dient te kunnen aanwijzen die concreet handelen over bepaalde diersoorten, dat de verwerende partij niet ingaat op de concrete effecten van de exploitatie, dat uit het advies van de Vlaamse Milieumaatschappij blijkt dat er geloosd wordt in een gracht die afvalwater naar de Hollebeek loost, dat de nota van de n.v. ONTEX op dit punt manifest onjuist is, dat, wat betreft de afstand tot het Buggenhoutbos, kan worden verwezen naar een plan dat zij aan de memorie hechten en waaruit blijkt dat de afstand van het gebouw tot het Buggenhoutbos slechts 51 meter bedraagt, en de afstand van de dijkvoet tot het bos slechts 27,5 meter, dat deze gegevens belangrijk zijn daar zij te maken hebben met de noodzakelij- ke bufferzone rond het Buggenhoutbos, die 150 meter zou moeten bedragen, dat de verwerende partij niet kan weerleggen dat er inzake de geluidshinder geen beoordeling is gemaakt van de exploitatie van de metaalwerkplaats, bovendien gericht naar de landelijke woonzone toe en waarvan de poort op amper 25 meter van de dichtste woning is gelegen, dat de akoestische studie naar dewelke verwezen wordt na de beslissing komt i.p.v. ervoor, dat de verwerende partij niet ingaat op het argument en de bewijsstukken i.v.m. de dichtheid van de aanwending van de sterilisator, dat de K.U.Leuven-studie het ten onrechte houdt op 70 meter, dat de buurtbewoners de effecten van de installatie ondergaan doordat EOX de helft zwaarder is dan lucht en dus neerslaat, dat de verwerende partij ook niet ingaat op de dichtheid van de opslag van EOX-flessen (en propaan) die nog dichter bij de woningen te situeren is, dat deze opslag nochtans een niet onbelangrijk risico inhoudt VII-15.629-9/37 voor brand en ontploffing, dat de manifeste onjuistheid van het bestreden besluit inzake de bestaande landbouwfunctie kan worden aangetoond met onder andere foto's, dat, wat betreft de brandbeveiliging, zij nog steeds het zoeken hebben naar de duidelijke en concrete inhoud van de aanbevelingen en milderende maatregelen voorgesteld door de K.U.Leuven-professoren op het vlak van de brandveiligheid, dat de argumentatie i.v.m. de manifeste onderbenutting van de opslagruimtes door de verwerende partij niet wordt weerlegd, dat volgens de K.U.Leuven-studie de nieuwe loods "slechts nodig zou zijn voor 20 % t.a.v. de medische producten" en dat de K.U.Leuven-studie niet inging op de mogelijkheid om bestaande ruimtes beter te benutten, dat, samengevat, er zowel een inhoudelijke schending van het behoorlijk bestuur als een onvoldoende antwoord op de diverse bezwaren voorhanden is; 3.2.3.2. Overwegende dat, wat betreft het tweede onderdeel van het middel, de verzoekende partijen nog bijkomend toelichten hoe de bestreden beslissing volgens hen concreet de in het verzoekschrift vermelde doelstellingen van de gewenste ruimtelijke structuur onmogelijk dreigt te maken of ernstig dreigt te bemoeilijken; 3.2.4.1. Overwegende dat in haar memorie de tussenkomende partij aangaande het eerste onderdeel betoogt dat het bestreden besluit wel degelijk op een zorgvuldig voorbereid dossier berust en dat de vermeende onzorgvuldigheden stuk voor stuk kunnen worden herleid tot foute insinuaties van de verzoekende partijen, dat het bestreden besluit niets anders doet dan de ecologische weerslag van de loods ernstig en bladzijdenlang onderzoeken, dat zij geen industrieel afvalwater loost, dat zij loost in de openbare riolering van de Kasteelstraat en niet rechtstreeks in de Hollebeek, dat de afstand tot het Buggenhoutbos dient gemeten vanaf de werkelijke, feitelijke rand van dat bos, niet vanaf de perceelsgrens, dat inzake geluid het bestreden besluit de Vlarem II-normen oplegt en dat een akoestisch onderzoek wordt opgelegd, dat de discussie betreffende de afstand van de opslag van ethyleenoxide t.o.v. het woongebied met landelijk karakter volkomen is overtrokken, dat zelfs in het slechtst denkbare ongevallenscenario er geen relevante schade zal zijn voor de omgeving, dat op het betrokken terrein niet aan intensieve landbouw wordt gedaan, dat, wat de brandbeveiliging betreft, de strenge voorschriften van de brandweer wel degelijk van aard zijn om het ingeroepen risico te bedwingen, dat er geen brandgevaar is voor het bos; dat ten slotte de tussenkomende partij ook ten stelligste de beweringen van de verzoekende partijen betwist aangaande het gegoochel met de opslagruimtes; VII-15.629-10/37 3.2.4.2. Overwegende dat, wat betreft het tweede onderdeel van het middel, de tussenkomende partij betoogt dat de verwerende partij geen rekening kon houden met het ontwerp Structuurplan Vlaanderen, vermits het openbaar onderzoek nog niet was afgerond, en dat het van onbehoorlijk bestuur zou getuigen indien de verwerende partij reeds vooruit zou lopen op de resultaten van dit onderzoek en reeds gevolgen zou verlenen aan het ontwerpplan, dat het ontwerp Structuurplan ten tijde van de bestreden beslissing nog geen vaststaande beleidsregel was die de overheid zou verplichten tot een omstandige motivering indien zij ervan afwijkt in een individueel geval, dat een ontwerpplan hoogstens een aanduiding kan geven van een toekomstig beleid, doch geen juridische waarde heeft wat betreft het beleid ten tijde van de bestreden beslissing, dat het ontwerp van Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen onmogelijk een stelselmatig, coherent en consistent beleid kan aantonen nu dit document op het ogenblik van de bestreden beslissing enkel aanduidingen bevatte van een nog niet bestaand toekomstig beleid, dat het bestreden besluit daarom terecht overwoog dat het ontwerp Structuurplan geen verordenende kracht bezit, dat deze vaststelling aldus correct in feite én in rechte de bezwaren van de verzoekende partijen beantwoordt die steunden op het ontwerp Structuurplan Vlaanderen, dat vermits het ontwerp Structuurplan ook niet kan beschouwd worden als een lex, het adagium "patere legem quam ipse fecisti" niet van toepassing kan zijn; dat ten overvloede de tussenkomende partij nog laat opmerken dat in het ontwerp van Ruimtelijk Structuurplan nergens sprake is van het Buggenhoutbos en dat uit geen enkel stuk kan worden afgeleid dat de bosuitbreiding met 10.000 ha zich ook rond het Buggenhoutbos moet realiseren, laat staan op de percelen van de tussenkomende partij, dat uit het ontwerp van Ruimtelijk Structuurplan trouwens veeleer kan worden afgeleid dat het Buggenhoutbos gewoon bewaard moet blijven en niet uitgebreid moet worden; 3.2.5. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie niets wezenlijks toevoegen aan hun argumentatie; 3.2.6.1.1. Overwegende, wat het eerste onderdeel betreft, te weten dat er in casu geen sprake zou zijn van "een behoorlijke voorbereiding, feitengaring en bijgevolg besluitvorming", dat de beoordeling van die grieven mede afhangt van de inhoud van de bezwaarschriften tegen de in eerste aanleg verleende vergunning; dat de door de verzoekende partijen aangehaalde punten waarop volgens hen de verwerende partij onzorgvuldig te werk zou zijn gegaan als volgt worden beoor- deeld : VII-15.629-11/37 - Geen studie over het ecologisch belang van het gebied - ecologische weerslag van de loods niet onderzocht. Uit de aanhef van de bestreden beslissing en uit de adviezen van de afdeling Milieuvergunningen van AMINAL en de Gewestelijke Milieuvergunnings- commissie blijkt dat in casu gebruik werd gemaakt van de door de K.U.Leuven uitgevoerde veiligheids- en milieueffectenstudie van 16 december 1993. Deze studie werd opgemaakt naar aanleiding van een eerder ingediende vergunnings- aanvraag, met name de op 19 augustus 1993 ingediende aanvraag die aanleiding gaf tot het besluit van de bestendige deputatie van 10 februari 1994. Zowel de eerdere als de thans aan de orde zijnde aanvraag hebben betrekking op onder meer de omstreden opslagloods, zodat de studie wat dit punt betreft voor beide aanvragen bruikbaar is. Bovendien kan de verwerende partij worden bijgevallen waar zij betoogt dat de huidige aanvraag qua omvang iets beperkter is dan de aanvraag van 19 augustus 1993. Dit betekent dat de ecologische impact van de huidige aanvraag in elk geval niet negatiever zal zijn dan deze van de eerder ingediende, zodat het geenszins onzorgvuldig is als de overheid teruggrijpt naar de meergenoemde K.U.Leuven-studie. Overigens doen ook de verzoekende partijen ter ondersteuning van sommige grieven een beroep op deze studie. In die K.U.Leuven-studie wordt op p. 35-38 een onderdeel gewijd aan het landschap. Daarin wordt uitvoerig, concreet en in detail stilgestaan bij de juridische en feitelijke aspecten van het betrokken landbouwgebied en het nabijgelegen Buggenhoutbos. Op p. 39-44 wordt eveneens uitvoerig, concreet en in detail stilgestaan bij de feitelijke en juridische aspecten van fauna en flora. De ecologische weerslag van de inplanting van de loods op het betrokken agrarisch gebied, op het Buggenhoutbos en op de bosrand wordt terdege onderzocht. De grief mist derhalve feitelijke grondslag. - Al of niet lozen in de openbare riolering. In de aanhef van de bestreden beslissing wordt overwogen dat "er enkel huishoudelijk afvalwater geloosd wordt dat afkomstig is van de sanitaire installaties en het reinigen van de kantoorruimten; dat het huishoudelijk afvalwater via een septische put in de openbare riolering van de Kasteelstraat geloosd wordt; dat het regenwater van de parkings en de loskades ook in dezelfde openbare riolering geloosd worden; dat het niet verontreinigd regenwater van de daken rechtstreeks in de Hollebeek geloosd wordt". Deze overweging strookt met het advies van de afdeling Milieuvergunningen van AMINAL en met het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie waar wordt overwogen "dat het huishoudelijk afvalwater via een septische put VII-15.629-12/37 in de openbare riolering van de Kasteelstraat geloosd wordt; dat het regenwater van de parkings en de loskades ook in dezelfde openbare riolering geloosd wordt". Wel wordt bij het onderdeel "horen door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie" vermeld "dat enkel sanitair afvalwater geloosd wordt in de gracht langs de straat; dat alle huishoudelijk afvalwater nog in de gracht langs de Kasteelstraat terechtkomt en in de Hollebeek geloosd wordt; dat de Hollebeek reeds vervuild is vooraleer ze het bedrijf bereikt". De Vlaamse Milieumaatschappij verwijst in haar gunstig advies ook naar deze overweging. De overweging in de aanhef van de bestreden beslissing strookt ook met de nota die de tussenkomende partij op 21 februari 1997 neerlegde ter gelegenheid van de zitting van de Gewestelijke milieuvergunningscommissie en waarin gesteld wordt : "De afvalwaters die worden geloosd bestaan uit 90 % regenwater en 10 % normaal huisafvalwater. Deze afvalwaters worden geloosd in de openbare riolering van de Kasteelstraat en er is een overloop voorzien naar de Hollebeek om regenwaterpieken op te vangen". Bijlage 85a bij hun verzoekschrift bestempelen de verzoekende partijen als een bijlage bij de milieuvergunningsaanvraag, en zij heeft betrekking op het lozen van afvalwaters. Daaruit blijkt dat de afvalwaters geloosd worden in de riolering, niet in een gracht. In de eerder genoemde K.U.Leuven-studie van 16 december 1993 staat eveneens vermeld dat de afvalwaters in de openbare riolering worden geloosd. Het merendeel van de stukken waarover de minister beschikte stellen dat het huishoudelijk afvalwater van het bedrijf zelf via een septische put in de openbare riolering van de Kasteelstraat wordt geloosd. De afwijkende toelichting waarvan in het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie gewag wordt gemaakt blijkt aldus eerder in te houden dat alle huishoudelijk water -dus niet alleen dat afkomstig van het bedrijf- uiteindelijk terechtkomt in de gracht langs de Kasteelstraat en daarop in de Hollebeek, die volgens de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie "reeds verontreinigd (
- is)door lozing van het huishoudelijk afvalwater in het gedeelte dat langsheen de Kasteelstraat loopt". De reden daartoe zou kunnen zijn, zoals de tussenkomende partij opmerkt, dat het best mogelijk is dat de openbare riolering in de Kasteelstraat stroomopwaarts of -afwaarts van het bedrijf in de Hollebeek uitmondt. Ook in het beroepschrift van de derde verzoekende partij wordt gesteld dat iedere lozing ter plaatse "de facto" in de Hollebeek gebeurt en dat de "zgn riolering" uitmondt in de Hollebeek, zodat ook het verontreinigd afvalwater in de Hollebeek terechtkomt. VII-15.629-13/37 De verzoekende partijen betwisten nergens dat het water van de Hollebeek reeds vervuild is vooraleer het huishoudelijk afvalwater van de tussenkomende partij daarin terechtkomt, zodat de vraag of dit water al dan niet via de riolering uiteindelijk in de Hollebeek terechtkomt niet essentieel blijkt te zijn voor het al dan niet verlenen van de vergunning. Gelet op hetgeen voorafgaat heeft de verwerende partij het zorgvuldigheids- beginsel niet geschonden door er van uit te gaan dat het huishoudelijk afvalwater van het bedrijf wordt geloosd in een riolering. - De afstand tussen de geplande uitbreiding met de opslagloods en het Buggenhoutbos. De discussie gaat erom dat de verzoekende partijen betogen dat de afstand van de opslagloods tot de rand van het Buggenhoutbos 50 meter bedraagt en geen 80 meter zoals in het bestreden besluit wordt vooropgesteld. In de aanhef van de bestreden beslissing wordt inderdaad overwogen "dat de opslagruimte op circa 80 meter van de bosrand zal liggen en onmiddellijk aansluit bij het bestaande bedrijf; dat de opslagplaats aldus één eenheid vormt met het bestaande bedrijf; dat gelet op de grote afstand tot de bosrand, de opslagplaats slechts een geringe bijkomende verstoring betekent van het landschap". Een soortgelijke overweging komt echter ook voor in het in eerste aanleg genomen deputatiebesluit. Evenwel in geen van de beroepschriften wordt aangevoerd dat die vermelde afstand niet correct zou zijn, alhoewel in het collectief beroepschrift van de eerste, tweede, vierde en vijfde verzoekende partij expliciet wordt gesteld dat de bestendige deputatie in haar beslissing verwijst naar het feit dat de loods op 80 meter zou komen van het Buggenhoutbos en daarop de verdere inhoud van de desbetreffende overweging wordt overgeno- men. Indien een afstand van 50 meter in plaats van 80 meter een substantieel verschil voor de beoordeling van het effect van de aanwezigheid van de opslagplaats op de omgeving zou uitmaken, kon van de beroepindieners toch worden verwacht dat zij de minister in hun beroepschriften daarop zouden attent maken. Wel wordt vastgesteld dat in het advies van de afdeling Milieuvergunningen wordt overwogen dat de nieuwe opslagplaats op 50 meter van het Buggenhoutbos zou liggen. Dit is dus dezelfde afstand als de verzoekende partijen thans voor het eerst in hun verzoekschrift voorhouden. In alle redelijkheid kan worden aangenomen dat zoals de tussenkomende partij in haar memorie betoogt -en hetgeen door de verzoekende partijen niet wordt VII-15.629-14/37 betwist- een afstand van 50 meter geldt tot aan de rand van de perceelgrens van het bos en een afstand van 80 meter tot aan de werkelijke feitelijke rand van het Buggenhoutbos zoals zij in hun nota van 21 februari 1997 aan de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie meedeelden. Ook de gebruikte term "bosrand" wijst op de feitelijke rand van het bos. De Gewestelijke Milieuvergunningscommissie en de minister blijken bij de beoordeling van de "verstoring" van het landschap door de aanwezigheid van de opslagplaats dan ook te zijn uitgegaan van de afstand t.o.v. de feitelijke rand van het bos. In acht genomen het gegeven dat geen van de beroepindieners in hun beroepschriften een bezwaar had geopperd omtrent de reeds in het in eerste aanleg genomen besluit weergegeven afstand van 80 meter, heeft de minister niet onzorgvuldig gehandeld door die afstand in aanmerking te nemen bij de beoordeling van de in het geding zijnde vergunningsaanvraag. - De geluidsemissie De verzoekende partijen klagen erover dat in het bestreden besluit de metaal- werkplaats niet als relevante geluidsbron werd opgenomen en dat er dan ook ten onrechte van werd uitgegaan dat er tussen de geluidsemissiebronnen en de dichtste woning 70 meter ligt in plaats van 25 meter, gelet op de ligging van de metaalwerkplaats. In het bestreden besluit wordt overwogen wat volgt : "Overwegende dat er drie relevante geluidsbronnen zijn, met name de ventilatoren van de stofafzuigingsinstallatie, de koelinrichting op het dak en de ventilatoren van de sterilisatie-eenheid; dat de ventilatoren van de sterilisatieeenheid zijn uitgerust met geluidsdempers; dat de ventilatoren van de stofafzuigingsinstallatie wel nog voor geluidshinder kunnen zorgen; dat de uitvoering van een akoestisch onderzoek en eventueel saneringsplan gelet op de ligging in nabijheid van woningen wenselijk is". In het in eerste aanleg bestreden besluit werd overwogen wat volgt : "Overwegende dat er op de inrichting drie relevante geluidsbronnen zijn m.n. de ventilatoren van de stofafzuigingsinstallatie, de koelinrichting op het dak en de ventilatoren van de sterilisatie-eenheid; dat deze laatste voorzien zijn van geluidsdempers; dat de ventilatoren van de stofafzuigingsinstallatie gelegen zijn aan de achterzijde van de bestaande bedrijfsgebouwen en nog voor geluidshinder kunnen zorgen; dat een akoestisch onderzoek, zo nodig gevolgd door een saneringsplan, aangewezen is, gezien de ligging in de nabijheid van de woningen en het Buggenhoutbos". VII-15.629-15/37 Aldus werd ook reeds in het in eerste aanleg genomen besluit geoordeeld dat de drie relevante geluidsbronnen, de ventilatoren van de stofafzuigingsinstallatie, de koelinrichting op het dak en de ventilatoren van de sterilisatie-eenheid zijn. Alhoewel in het collectief beroepschrift van de eerste, tweede, vierde en vijfde verzoekende partij expliciet wordt ingegaan op de hiervoren geciteerde overweging i.v.m. de geluidshinder, wordt nergens gesteld dat benevens de volgens de bestendige deputatie "drie relevante geluidsbronnen" er ook nog een vierde is, nl. de metaalwerkplaats, die nochtans gelegen is in de nabijheid van de woning van de vierde en vijfde verzoekende partij. In die omstandigheden kan de minister bezwaarlijk worden verweten de zorgvuldigheidsplicht te hebben geschonden door de metaalwerkplaats niet beschouwd te hebben als een vierde relevante bron van geluidshinder. - Plaats van aanwending en opslag van ethyleenoxide De verzoekende partijen gaan er in hun grief vanuit dat blijkens de bestreden beslissing de plaats van aanwending van ethyleenoxide zich situeert op een 70-tal meter van het woongebied, terwijl de K.U.Leuven-studie zou aantonen dat de sterilisator zich op 35 meter van het woongebied bevindt. Zij merken ook nog op dat de opslag van ethyleenoxide nog dichter zou liggen. Deze grief mist feitelijke grondslag. In de K.U.Leuven-studie wordt expliciet gesteld (p. 12) dat de opslag van ethyleenoxide zich op + 70 m van de eerste woonhuizen bevindt. Nergens is in die studie sprake van een afstand van 35 meter. In bijlage 50d bij het verzoekschrift is eenzelfde plan gevoegd als aangewend in de K.U.Leuven-studie (figuur 1.3.1.). Daaruit blijkt wel degelijk dat de afstand tussen de sterilisator (aangeduid op het plan onder de letter B) en de dichtstbij- zijnde woning een 70-tal meter bedraagt. - Wat de bestaande landbouwfunctie betreft De verzoekende partijen betogen dat er een "gebrek aan realiteitszin geldt ten aanzien van de bestaande landbouwfunctie waarvan gezegd wordt dat er geen intensieve landbouw meer aanwezig is", terwijl "op deze zeer vruchtbare grond (...) altijd (werd) geboerd". VII-15.629-16/37 In de bestreden beslissing wordt overwogen "dat er op dit ogenblik in de agrarische zone niet aan intensieve landbouw wordt gedaan; dat het Ministerie van Landbouw overigens een gunstig advies heeft verleend aangaande de bouwaanvraag; dat de terreininname van 1,38 ha in een gebied van 40 ha beperkt is en de agrarische functie van het gebied niet in het gedrang wordt gebracht". Deze overweging, naast nog talrijke andere, bracht de verwerende partij ertoe om in toepassing van artikel 45, § 7, van de stedenbouwwet een afwijking toe te staan op het gewestplanvoorschrift landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Uit die overweging kan nergens worden afgeleid, zoals de verzoekende partijen doen, dat de verwerende partij van oordeel is dat er in het betrokken gebied niet aan landbouw zou worden gedaan. Zij wou enkel aangeven dat de terreininname de agrarische functie niet in het gedrang brengt. De grief is niet gegrond. - Wat de brandbeveiliging betreft. De verzoekende partijen stellen dat het brandrisico het grootste risico betreft, en dat bijzondere milieuvoorwaarden op dit punt dienden te worden voorge- schreven. Het bestreden besluit bevestigt het besluit van de bestendige deputatie van 24 oktober 1996 dat in artikel 3, C, punten 19 en 20, de volgende bijzondere milieuvoorwaarden oplegt : "19. Alle aanpassingen, aanbevelingen en milderende maatregelen zoals vermeld in de veiligheids- en milieueffectenstudie van de KUL (versie dd. 16-12-1993) dienen strikt te worden opgevolgd en nageleefd. 20. Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer". Op p. 16 van de voornoemde studie wordt gesteld wat volgt : "Opgemerkt moet echter worden dat aanplantingen op minder dan 10 m van de opslagloods ongewenst zijn, dit om vlamoverslag via deze beplanting naar het bos te vermijden. Ook de brandweer moet voldoende ruimte beschikbaar hebben. Enerzijds moet de plaats bereikbaar zijn over de volledige omtrek, anderzijds moet ook de ruimte voor haar beschikbaar zijn om zich bij een calamiteit op een veilige afstand terug te trekken. Het behoud van een vrije ruimte van 15 à 20 m rond de loodsen wordt aanbevolen". Een gelijkaardige aanbeveling wordt herhaald op p. 17 van de studie. Op p. 19 van dezelfde studie is nog een hele reeks aanbevelingen i.v.m. de brandveiligheid aan te treffen. Zij behelzen in essentie : VII-15.629-17/37 - de aanleg van een ondergronds bluswaternet; - een voldoende grote opslag van bluswater; - automatische sprinklersystemen en rookluiken; - brand- en/of rookdetectoren; - alarmsysteem; - brandbestrijdingsmiddelen in overleg met de brandweer. Het ontwerp, de installatie, het gebruik en de controle van de brandbeveiligingssystemen gebeurt aan de hand van codes van goede praktijk (NFPA, NBN, ...). Op p. 52-53 van de studie worden de aanbevelingen nogmaals kort herhaald. Derhalve kan niet worden besloten dat de verwerende partij op onzorgvuldige wijze aan het probleem van de brandveiligheid voorbijging. Tal van maatregelen gelden op dit punt t.a.v. de exploitant, en deze maatregelen zijn, zij het grotendeels via een verwijzing naar de K.U.Leuven-studie, opgenomen in de milieuvergunning. De grief is ook ongegrond. - De opslagruimtes De verzoekende partijen beweren in essentie dat de bestaande opslagruimtes onderbenut werden. De vergunningverlenende overheid dient zich evenwel niet in te laten met de benutting van de opslagmogelijkheden van de n.v. ONTEX op haar diverse vestigingsplaatsen. Als deze vennootschap een grote investering wil doen om op een bepaalde plaats een opslagloods op te trekken, mag men aannemen dat zij daarvoor wel bedrijfseconomische of andere redenen zal hebben. De vergunningverlenende overheid dient in de eerste plaats milieuvergunningsaan- vragen te toetsen op hun milieuhygiënische of stedenbouwkundige aanvaardbaarheid; 3.2.6.1.2. Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekende partijen niet hebben aangetoond dat de bestreden beslissing niet zorgvuldig werd voorbereid; dat, integendeel, de inhoud en omvang van diverse adviezen in een complex en omvangrijk dossier alsook de uitgebreide motivering tot een andere conclusie nopen; dat het eerste onderdeel niet gegrond is; 3.2.6.2. Overwegende, wat het tweede onderdeel betreft, dat daargelaten de vraag of milieuvergunningsaanvragen wel dienen te worden getoetst aan ruimtelijke structuurplannen, de verzoekende partijen de overweging van het VII-15.629-18/37 bestreden besluit dat het ontwerp van Structuurplan Vlaanderen geen verordenende kracht bezit, niet weerleggen; dat zij ook niet weerspreken dat dit ontwerp ten tijde van het bestreden besluit nog het voorwerp uitmaakte van het decretaal voorgeschre- ven openbaar onderzoek; dat de verzoekende partijen met hun algemene argumenten niet concreet aannemelijk maken dat de vergunde activiteiten, die in casu niet meer betekenen dan de opslag van bepaalde producten in het bouwwerk, indruisen tegen de opties van het ontwerp van Structuurplan Vlaanderen; dat het tweede onderdeel niet gegrond is; 3.3.1. Overwegende dat de verzoekende partijen als vierde middel de schending aanvoeren van "art. 43 par. 8 van het Decreet 22 oktober 1996 tot Coördinatie van de Stedenbouwwet. Toepassing van art. 159 G.W. op de bouwvergunning van 13 juli '93. Tegenstrijdige en niet afdoende motivering (art. 52,3/ Vlarem -I en de motiveringswet), onbehoorlijk bestuur en schending van het legaliteitsbeginsel en bevoegdheidsoverschrijding (art. 42 Stedenbouwdecreet)"; dat zij in essentie betogen dat de milieuvergunning werd afgegeven op grond van artikel 43, § 7, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening zonder dat voldaan zou zijn aan de voorwaarde bepaald in artikel 43, § 8, b), vierde streepje, van het decreet, namelijk zonder dat een definitieve bouwvergunning zou zijn verleend; dat zij erop wijzen dat op 25 oktober 1996 een nieuwe bouwaanvraag werd ingediend, waarmee de verwerende partij blijkbaar al rekening hield; dat zij het ook onbehoorlijk vinden dat de verwerende partij rekening houdt met adviezen die naar aanleiding van het verlenen van de eerste bouwvergunning van 13 juli 1993 werden uitgebracht, daar de bouwvergunning van 13 juli 1993 foutief werd toegestaan, want in strijd met het mini-decreet en het besluit van de Vlaamse regering van 15 maart 1989 en dat aldus die bouwvergunning op grond van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet buiten toepassing dient te worden gelaten; 3.3.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord onder verwijzing naar de overwegingen in de aanhef van de bestreden beslissing betoogt dat de bouwvergunning voor de nieuwe opslagplaats definitief is, dat zij niet vervallen is en dat er geen nieuwe bouwaanvraag werd ingediend doch enkel een wijziging van de bestaande bouwvergunning in de gunstige zin; 3.3.3. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord betogen dat zij er zich rekenschap van geven dat, volgens de rechtspraak van de Raad van State, van zodra een bouwvergunning in laatste aanleg is verleend en niet aangevochten werd voor de Raad van State, deze als "definitief" VII-15.629-19/37 wordt beschouwd; dat zij doen gelden dat in die interpretatie een definitieve bouwvergunning daarom nog niet uitvoerbaar is, wanneer deze, zoals in casu, steunt op onjuiste plannen, dat alsdan een vergunning onwettig is en dat zij op grond van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet buiten toepassing moet worden gelaten, dat evengenoemde grondwetsbepaling niet enkel geldt voor reglementaire besluiten; dat zij er aan toevoegen dat zij "de discussie omtrent het al dan niet vervallen zijn van de bouwvergunning (...) in het midden (laten), omdat dit een louter aspect van toezicht op de uitvoering van de vergunning betreft"; dat, ten slotte, zij betogen dat wanneer een nieuwe bouwaanvraag wordt ingediend om bepaalde voorwaarden van een eerdere bouwvergunning aan te passen, men in alle redelijkheid niet kan spreken van een definitieve vergunning, vermits omtrent deze aanvraag nog geen beslissing in gunstige zin was genomen; 3.3.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar memorie betoogt dat het bestreden besluit terecht vaststelt dat de bouwvergunning van 13 juli 1993 definitief verworven is en nog niet is vervallen, vermits de werken op 14 juli 1995 werden aangevat en nadien werden stilgelegd n.a.v. het arrest van de Raad van State van 21 december 1995, dat de wijzigingsaanvraag ter rechtzetting van de vergissing bij het opmaken van de bouwplannen geen afbreuk doet aan het definitief karakter van de bouwvergunning van 13 juli 1993, daar deze bouwvergunning en de thans verleende milieuvergunning voor de uitbreiding met een opslagplaats kennelijk hetzelfde project betreffen; 3.3.5. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie erbij blijven dat de sanctie van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet ook geldt t.a.v. individuele beslissingen; dat zij nog diverse argumenten aanvoeren waaruit de onwettigheid van de bouwvergunning van 13 juli 1993 zou moeten blijken; dat zij thans ook betogen dat die bouwvergunning wel degelijk vervallen is en daartoe allerlei redenen aanbrengen en dat zij ook diverse elementen aanvoeren op grond waarvan zou moeten blijken dat het in '95-'96 wel degelijk om een nieuwe bouwaan- vraag zou gaan; 3.3.6. Overwegende dat de verzoekende partijen niet betwisten dat er op 13 juli 1993 een bouwvergunning voor de opslagloods werd verleend en dat deze niet met een annulatieberoep werd bestreden; dat die vergunning dan ook definitief is en dat zij als een individuele beslissing niet op grond van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet buiten toepassing kan worden gelaten; dat dan ook met de diverse argumenten van de verzoekende partijen ter adstructie van de onwettigheid VII-15.629-20/37 van die bouwvergunning, geen rekening moet worden gehouden; dat, aangezien voor de opslagloods een definitieve bouwvergunning werd verleend, waarvan de wettigheid niet meer kan worden betwist, er voldaan is aan het ten tijde van het bestreden besluit geldende artikel 48, § 8, vierde gedachtenstreepje, van de steden- bouwwet, luidens hetwelk een definitieve bouwvergunning moet zijn verleend om voor een zonevreemde inrichting een milieuvergunning te verlenen; dat het gegeven dat na die definitieve bouwvergunning voor bedoelde opslagloods nog een aanpassingsproject werd ingediend, dat tot doel had een vergissing in de bouwplan- nen recht te zetten doordat de loods tot over de perceelgrens was getekend, niet tot gevolg heeft dat er geen sprake meer is van een voor de opslagloods verleende definitieve vergunning, in de zin van artikel 43, § 8, vierde gedachtenstreepje, van de stedenbouwwet; dat de verzoekende partijen voor het eerst in hun laatste memorie als argument aanvoeren dat de bouwvergunning van 13 juli 1993 was vervallen, terwijl zij in hun memorie van wederantwoord expliciet het al dan niet vervallen zijn van die bouwvergunning "in het midden" lieten, daar dit naar hun oordeel "een louter aspect van toezicht op de uitvoering van de vergunning betreft"; dat dienvolgens met het door de verzoekende partijen laattijdig aangevoerd argument inzake het vervallen zijn van de bouwvergunning van 13 juli 1993 geen rekening kan worden gehouden; dat het vierde middel niet gegrond is; 3.4.1 Overwegende dat de verzoekende partijen als vijfde middel de schending aanvoeren van de artikelen 1, 2 en 43, §§ 6 en 7, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van de artikelen 11 en 15 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, van het gewestplan Dendermonde, en van de motiveringsverplichting vervat in artikel 52, 3/, van Vlarem I en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat de verzoekende partijen in het middel op uitgebreide wijze de motivering bekritiseren die betrekking heeft op de toepassing van de mogelijkheid tot afwijking van de gewestplanbestemming, vervat in artikel 43, § 7, van het zo-even vermeld decreet betreffende de ruimtelijke ordening; dat zij in essentie aanvoeren wat volgt : - de landbouwbestemming werd nooit uitgeschakeld; - de schoonheidswaarde of ontwikkeling van het waardevol landschap heeft een kwalitatief en kwantitatief aspect, doch wordt door de minister vooral kwantita- tief beoordeeld. De afstand tussen de bosrand en het gebouw bedraagt geen 80 maar 50 meter, en van de rand van de berm 28 meter; VII-15.629-21/37 - ten onrechte wordt gesteld dat 1,38 ha op een gebied van 40 ha slechts een minimale terreininname is. Het is niet duidelijk hoe de overheid aan 40 ha komt. Wanneer men datgene beschouwt wat ruimtelijk en planologisch één geheel vormt, komt men aan een gebied van slechts 17,5 ha, hetgeen geenszins een minimale terreininname impliceert. Het landschappelijk waardevol agrarisch gebied op zich is zelfs maar 6,7 ha; - ten onrechte stelt de minister dat de opslagloods onmiddellijk aansluit bij het bestaande bedrijf. Er is een afstand van 20 meter; - ten onrechte schrijft de minister aan de bermen een overgangsfunctie toe. De bermen moeten een storend gebouw aan het zicht onttrekken. Het aanleggen van groenschermen is evenwel "nep". De hoge en brede dijken zijn kennelijk onnatuurlijke constructies, ze wijzigen het huidige accent van het landschap drastisch en dringen het kijkvenster terug. Zij doen afbreuk aan de sociale en recreatieve waarde van het landelijk gebied; - er is niets gezegd over de grootschaligheid en het industrieel karakter van de bijkomende exploitatie opslagplaats; - ten aanzien van de onmiddellijke omgeving is de motivering onbehoorlijk. Ruimtelijke draagkracht is een criterium voor duurzame ruimtelijke ontwikkeling, nu en in de toekomst. De ruimte-inname van de loods is onaanvaardbaar; - er is niet ernstig nagegaan welke de toekomstige activiteiten zijn die redelijkerwijze in samenloop kunnen komen in het gebied. Bosuitbreiding is een belangrijke toekomstige bestemming; - in de bestreden beslissing werd quasi niet nagegaan welke de specifieke kenmerken zijn van de onmiddellijke omgeving, met name het landschappelijk waardevol kenmerk van het gebied, de agrarische bestemming ten noorden en ten zuiden, de landelijke woonzone, het parkgebied, het natuurgebied en de K.M.O.-zone; 3.4.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord betoogt dat, gelet op de zeer omstandige motivering van het bestreden besluit, bezwaarlijk kan worden gesteld dat zij onzorgvuldig tewerk ging bij de afwijking van de gewestplanbestemming; dat, wat de landbouwbestemming van het gebied betreft, zij verwijst naar het gunstig advies van het Ministerie van Landbouw; dat in verband met de beoordeling van het plaatselijk landschappelijk waardevol karakter, met inbegrip van de open ruimte, zij een aantal overwegingen uit de aanhef van de bestreden beslissing citeert waaruit blijkt dat terecht een afstand van 80 meter tussen de bosrand en de uitbreiding in overweging zou zijn genomen; dat, wat de VII-15.629-22/37 terreininname van de nieuwe opslagplaats betreft, zij verwijst naar het bestreden besluit; dat zij betoogt dat, gelet op het definitieve karakter van de bouwvergunning, de verzoekende partijen geen bezwaren meer kunnen laten gelden omtrent de aansluiting van de loods bij het bestaande bedrijf; dat in verband met de beoordeling van de onmiddellijke omgeving de verwerende partij stelt dat het ontwerp van Structuurplan Vlaanderen geen verordenende kracht heeft en dat zij wijst op haar appreciatiebevoegdheid terzake, die niet kennelijk onredelijk werd uitgeoefend; dat, ten slotte wat de beoordeling van de verweving van de functies betreft, zij verwijst naar p. 17 en 18 van het bestreden besluit; 3.4.3. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord nog betogen dat de Raad van State toezicht mag uitoefenen op de gegevens op basis waarvan de appreciatie werd uitgeoefend; dat zij op een reeks feitelijke onjuistheden wijzen waardoor de bestreden beslissing gevitieerd zou zijn; dat voor het overige zij grotendeels hun argumentatie uit hun verzoekschrift herhalen en deze, in het licht van de repliek van de verwerende partij, verder aanvullen, voor wat betreft de feitelijke gegevens; 3.4.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar memorie de motivering van het bestreden besluit citeert en dat zij stelt niet in te zien op welke wijze de verwerende partij nog zou zijn tekort gekomen aan het bijzonder motiveringsvoorschrift van artikel 43, § 7, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening; dat zij betoogt dat de verzoekende partijen in feite vragen dat de Raad van State in de beoordeling van de ruimtelijke ordening zou treden, hetgeen kennelijk niet tot de bevoegdheid van de Raad behoort; 3.4.5. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie in essentie nog stellen dat dit middel in feite ook gaat over de schending van het redelijkheidsbeginsel; dat zij ook nog verwijzen naar eerdere procedurestukken; 3.4.6.1. Overwegende dat artikel 43, § 7, van het decreet ruimtelijke ordening luidt als volgt : "De overheden die krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning moeten beslissen over milieuvergunningsaanvragen kunnen bij het verlenen van de milieuvergunningen afwijken van de bepalingen van het ontwerp-gewestplan en het gewestplan op voorwaarde dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad. Dit betekent onder meer dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de VII-15.629-23/37 onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort. Het naleven van bovenvermelde voorwaarden moet blijken uit de motivering van de beslissing over de milieuvergunningsaanvraag"; 3.4.6.2. Overwegende dat de desbetreffende motivering van het bestreden besluit als volgt is geformuleerd : "Overwegende dat de milieuvergunning voor de gevraagde toevoeging met deze nieuwe opslagplaats kan verleend worden op grond van artikel 45, § 7 van de Stedenbouwwet, zoals gewijzigd bij decreet van 23 juni 1993, indien de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad, de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden, de voorziene verweving van functies de bestemmingen die aanwezig zijn of te realiseren, niet in het gedrang brengt of verstoort; Overwegende dat uit de volgende adviezen blijkt dat, wat de toevoeging met bedoelde opslagplaats betreft, aan de voorwaarden van voormeld artikel 45, § 7 is voldaan : - in het raam van de bouwvergunningsaanvraag voor bedoelde opslagplaats overwoog de gemachtigde ambtenaar in zijn gunstig advies : 'De open ruimte wordt momenteel reeds begrensd door groenpartijen, t.t.z. het Buggenhoutbos en de bosaanplanting ten westen van het bouwperceel. De bouwaanvraag voorziet de aanleg van een berm met groenaanplanting rond de gebouwen zodat deze aan het zicht onttrokken worden en de overblijvende open ruimte een groene begrenzing behoudt; De zone waarin de uitbreiding voorzien wordt, is volgens het gewestplan bestemd als agrarisch gebied. Indien een buffer rond het Buggenhoutbos noodzakelijk is om ecologische redenen, had deze agrarische zone bij de opmaak van het gewestplan de bestemming natuurgebied moeten krijgen'; - in het raam van de bouwvergunningsaanvraag voor bedoelde opslagplaats brachten zowel het bestuur Landinrichting als het Ministerie van Landbouw een gunstig advies uit, stellende dat er geen noemenswaardige landbouwbe- langen worden geschaad; - in het raam van het beroep inzake de milieuvergunningsaanvraag voor bedoelde opslagplaats bracht het Bestuur Ruimtelijke Ordening op 9 mei 1994 weliswaar een ongunstig advies uit, doch dit was louter gesteund op een verwijzing naar de ingediende beroepschriften; de ingediende beroepschriften zijn op zichzelf geen maatstaf voor de beoordeling van de ruimtelijke draagkracht; de vertegenwoordiger van het Bestuur Ruimtelijke Ordening sloot zich echter nadien op 20 mei 1994 aan bij het gunstige advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, ook wat het aspect ruimtelijke ordening betreft; - in het raam van het beroep inzake de milieuvergunningsaanvraag voor bedoelde opslagplaats bracht de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie op 20 mei 1994 eenparig een gunstig advies uit, ook wat het aspect ruimtelijke ordening betreft; - in het raam van een bijkomend onderzoek in het licht van de motiveringen die aan de basis lagen van het arrest van de Raad van State nr. 57.153 van 21 december 1995 verstrekte de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie een aanvullende motivering ter zake de ruimtelijke draagkracht van het gebied; - in het raam van onderhavige milieuvergunningsaanvraag brachten alle adviserende overheidsorganen in eerste aanleg een gunstig advies uit; de gemachtigde ambtenaar stelt in zijn gunstig advies uitdrukkelijk dat aan de voorwaarden van voormeld artikel 45, § 7 is voldaan; daarbij verwijst hij VII-15.629-24/37 inzonderheid naar de volgende conclusies van door de KULeuven uitgevoer- de Veiligheids- en milieueffectenstudie : - dat de relatieve nabijheid van de opslagplaats ten opzichte van het Buggenhoutbos niet van aard is om de bestemmingen van beide zones in het gedrang te brengen; - dat de nadelige invloed van de inplanting van de loods ten opzichte van de fauna en flora van het Buggenhoutbos al bij al beperkt blijft, zodat mag worden besloten dat de ecologische waarde van het bos niet op onaanvaardbare wijze zal worden aangetast; - dat wanneer men het project confronteert met de huidige toestand als referentie, er geen belangrijke directe impact is op fauna en flora gezien de lage kwaliteit van het beekwater en de geringe biologische waarde van de begeleidende begroeiing; dat wetenschappelijke bewijzen ontbreken om de indirecte invloed van de opslagloods op de fauna in te schatten; - in het raam van onderhavig beroep brachten alle adviserende overheidsorga- nen een gunstig advies uit, behoudens de Afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen die de toevoeging met bedoelde opslagplaats ongunstig adviseerde; in dit laatste ongunstige advies wordt inzonderheid gesteld : - dat de opslagplaats de voorziene verweving van functies en de bestemming van de onmiddellijke omgeving in het gedrang zal brengen of verstoren; - dat de bouwvergunning dd. 13 juli 1993 onuitvoerbaar is gelet op het feit dat hierin de rechterperceelsgrens verkeerd is weergegeven; - in het raam van onderhavig beroep verleende de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie op 21 februari 1997 bij meerderheid - de vertegenwoordiger van de Afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen nam een ongunstig minderheidsstandpunt in - een gunstig advies, ook voor wat de stedenbouwkundige aspecten betreft; Overwegende dat voormelde gunstige adviezen kunnen worden bijgetreden en dat voormelde ongunstige adviezen worden weerlegd enerzijds door de reeks van voormelde gunstige adviezen en anderzijds door de vorige en volgende overwegingen van onderhavig besluit : - dat uit de plaatselijke toestand blijkt dat aan de voorwaarden van voormeld artikel 45, § 7 is voldaan; - dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied blijkt uit het vermogen van de ruimte om de belasting van de functies op een bepaalde plaats te dragen; - dat de opslagruimte slechts 1,38 ha in beslag neemt op een open ruimte van 40 ha; dat een dergelijke minimale terreininname voor de inplanting van de opslagplaats geen afbreuk doet aan de goede ruimtelijke ordening van het gebied; - dat de opslagruimte op circa 80 meter van de bosrand zal liggen en onmiddel- lijk aansluit bij het bestaande bedrijf; dat de opslagplaats aldus één eenheid vormt met het bestaande bedrijf; dat gelet op de grote afstand tot de bosrand, de opslagplaats slechts een geringe bijkomende verstoring betekent van het landschap; - dat de opslagplaats zich niet frontaal aan het Buggenhoutbos situeert, doch slechts aan een uithoek; dat het globale zicht op het bos dus niet wordt verstoord; - dat de voormelde bouwvergunning een aantal maatregelen voorschrijft ter bescherming van de omgeving; dat de bouwvergunning aldus de aanleg van een groenscherm oplegt tussen de bosrand en het gebouw, met name een berm op 5 meter van de achtergevel van de opslagplaats met een breedte aan de basis van 15 meter; dat deze berm beplant zal worden met streekeigen heesters en bosgoedplanten zodat een groenscherm wordt bekomen; dat een strook van minstens 20 meter breedte tegenover de achterste perceelsgrens VII-15.629-25/37 tijdens de werf moet worden afgesloten en in zijn oorspronkelijke toestand bewaard teneinde de bosrand te beschermen; - dat de open ruimte momenteel reeds begrensd wordt door groenpartijen, met name het Buggenhoutbos en de bosaanplanting ten westen van het bouwperceel; dat de aanleg van een berm met groenbeplanting rond de gebouwen deze aan het zicht zal onttrekken en tevens waarborgt dat de overblijvende open ruimte een groene begrenzing behoudt; dat deze bufferberm wel degelijk een landschappelijke overgangsfunctie bezit; - dat de voorziene bufferberm in staat is om eventuele storende invloeden teniet te doen; dat een helling wordt voorzien en een beplanting in perfecte harmonie met het bosecosysteem; dat deze buffer voor de aanvang van de bouwwerken moet voltooid worden, zodat de hinder van de bouwwerken wordt gereduceerd; dat het bedrijf tevens enkele hectare bos zal aanleggen om het bouwwerk aan het zicht te onttrekken; - dat de toevoeging met de opslagplaats met een afmeting van 100 op 138 meter derhalve door de ruimte ter plaatse kan worden gedragen; - dat het (agrarisch) landschappelijk waardevol agrarisch gebied ter plaatse aldus het vermogen bezit om de functie van opslag van grondstoffen en producten te dragen; - dat de toevoeging met de opslagplaats zodoende verenigbaar is met de ruimtelijke draagkracht van het gebied; - dat uit de feitelijke situatie blijkt dat de voorziene verweving van functies de bestemmingen niet verstoort; - dat er op dit ogenblik in de agrarische zone niet aan intensieve landbouw wordt gedaan; dat het Ministerie van Landbouw overigens een gunstig advies heeft verleend aangaande de bouwaanvraag; dat de terreininname van 1,38 ha in een gebied van 40 ha beperkt is en de agrarische functie van het gebied niet in het gedrang wordt gebracht; - dat de opslagplaats geen hinder zal meebrengen voor de buurtbewoning; dat de bewoning in de nabijheid van het bedrijf geconcentreerd is in het smalle woongebied met landelijk karakter dat zich langs de Kasteelstraat bevindt; dat binnen een straal van 100 meter van de huidige bedrijfsgrens zich slechts 6 woningen bevinden; dat de woonkern van Buggenhout zich op meer dan 1 km van het bedrijf bevindt; - dat de bouwvergunning maatregelen oplegt ter bescherming van de omge- ving; dat de uitbreiding enkel mag worden gebruikt als opslagplaats voor de plaatselijke fabricage; dat de opslag van productie van andere vestigingsplaat- sen niet wordt toegelaten teneinde de verkeershinder tot een minimum te beperken; dat de voorziene bufferberm in staat is om eventuele storende invloeden teniet te doen; dat de bestemming van de woonfunctie bijgevolg niet wordt bedreigd; - dat de relatieve nabijheid van de opslagplaats ten opzichte van het Buggenhoutbos niet van aard is om de bestemmingen van beide zones in het gedrang te brengen; - dat de opslagplaats enkel zal gebruikt worden voor de opslag van medische produkten; dat de transportactiviteit enkel aan de straatzijde zal plaatsvinden; dat deze aktiviteit derhalve geen lawaai- en milieuhinder zal veroorzaken en geen storende invloed zal hebben op de recreatieve waarde van het bos; - dat de nadelige invloed van de inplanting van de opslagplaats ten opzichte van fauna en flora al bij al beperkt blijft; dat er geen belangrijke impact is op fauna en flora gezien de lage kwaliteit van het beekwater en de geringe biologische waarde van de begeleidende begroeiing op de inplantingsplaats van het magazijn; dat mag worden besloten dat gelet op de afstand en de situering tot het bos, de ecologische waarde van het bos niet op een onaanvaardbare wijze zal worden aangetast; dat de bestemming als natuur- en ecologische functie niet in het gedrang gebracht wordt; VII-15.629-26/37 Overwegende dat derhalve vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de bestaande inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt verenigbaar is met de ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften, en dat voor de toe te voegen opslagplaats vergunning kan worden verleend met toepassing van het artikel 45, § 7 van de stedenbouwwet; dat het hier immers gaat : - om de hernieuwing van een lopende milieuvergunning; - om het exploiteren van een inrichting waarvoor de bouwvergunning definitief is verleend; - noch om een MER-, noch om een VR-plichtig bedrijf; - om een zonevreemd gedeelte gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en dus niet in groengebied, overstromingsgebied noch bosgebied met ecologische waarde"; 3.4.6.3. Overwegende dat moeilijk kan volgehouden worden dat deze uiteenzetting niet beantwoordt aan de eisen die de formele motiveringsverplichting oplegt; dat in strijd met wat de verzoekende partijen betogen in de bestreden beslissing voldoende wordt stilgestaan bij de specifieke kenmerken van de onmiddel- lijke omgeving en op de impact van de hal zowel op het landschappelijk waardevol agrarisch gebied waarin deze gepland wordt als op het aanpalende Buggenhoutbos; 3.4.6.4. Overwegende dat in het middel de verzoekende partijen eveneens diverse elementen van voorgeciteerde motivering betwisten; dat de kritiek van de verzoekende partijen op verscheidene punten de opportuniteit van de bestreden beslissing betreft, waaromtrent de Raad van State niet vermag een oordeel te vellen; dat, voorts, het gegeven dat er een afstand zou zijn van 20 meter tussen de loods en het bestaande bedrijf niet inhoudt dat de overweging dat de loods aansluit bij het bestaande bedrijf onjuist is; dat immers "aansluiten" niet hoeft te betekenen dat beide gebouwen aan elkaar dienen gebouwd te zijn; dat er geen wettelijke criteria voorhanden zijn voor de afbakening van het gebied, noch voor wat betreft de verweving van de functies, noch inzake de (overgangs)functie die de bermen dienen te vervullen; dat de verzoekende partijen met hun betoog niet aantonen dat de verwerende partij op die punten een kennelijk onredelijk oordeel velde; dat ook de beoordeling van de ruimte-inname van de loods niet als kennelijk onredelijk kan worden aangemerkt; dat uit geen enkele bindende bepaling blijkt dat er op de plaats waar de opslagloods wordt gevestigd aan bosuitbreiding moet worden gedaan; dat wat de afstand van de loods tot het Buggenhoutbos betreft kan worden verwezen naar de bespreking van het derde middel; dat het vijfde middel niet gegrond is; VII-15.629-27/37 3.5.1. Overwegende dat de verzoekende partijen als zesde middel de schending aanvoeren van artikel 52, 1/ en 3/, van Vlarem I, en dit in volgende bewoordingen : "1. Er is een ontvankelijk verklaard beroepschrift van mevr. VAN DEN BIL. Het werd ontvangen op 11 december '96 en werd ontvankelijk bevonden. Het wordt vermeld in punt 7 van het advies Bestuur Milieuvergunningen van 14 februari 1997. Het wordt niet meer vermeld in het advies van de GMVC en ook niet in de bestreden beslissing. Volgens mondelinge berichten zou het beroepschrift naderhand niet ontvankelijk zijn verklaard. 2. Een ontvankelijk en tijdig verklaard beroepschrift dient evenwel beantwoord. Verzoekers hebben het raden waarom het beroep dan toch niet ingewilligd werd, temeer inderdaad dit bestuur advies heeft uitgebracht in eerste aanleg (aug. '96). Dit is in de beslissing niet terug te vinden. Zulks is een motiveringsgebrek. Zie bv. ook arrest 60.342 van 20 juni 1996 inz. LALLEMANT en SCHAMP tegen Vlaamse Gewest. 3. Verzoekers hebben er belang bij dit middel in te roepen hoewel het niet hun eigen beroepschrift betreft (...)"; 3.5.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt reageert : "Het bestreden besluit verwijst bij de vermelding van de verschillende beroepsindieners inderdaad niet expliciet naar het beroepschrift van mevrouw VAN DEN BIL. In het advies van AMINAL werd aangaande dit beroepschrift van mevrouw VAN DEN BIL namens AMINAL Afdeling Natuur, gesteld : '
- h)m.b.t. nog aanvullende argumentatie in het beroepschrift van AMINAL Afdeling Natuur; - het bos dreigt een geïsoleerd gebied te worden; het behoud van een buffer rond het bos is een absolute noodzaak; - de vernietiging van de biotoop langs de Hollebeek tussen het bedrijf en het bos; - de vergunning is in tegenspraak met de beleidslijnen van de overheid om versnippering van de open ruimte tegen te gaan'; Aangaande deze drie bezwaren heeft verwerende partij op voldoende wijze geantwoord, zoals blijkt uit de evaluatie van de bezwaren op de pagina's 24 e.v. en meer bepaald uit de volgende overwegingen : '- het is niet de gevraagde uitbreiding met een gebouw van 100 op 138 meter en gelegen op 80 meter van de rand van het bos dat op zich alleen oorzaak zal zijn dat het bos een geïsoleerd gebied dreigt te worden en er geen voldoende bufferzone rond het bos zou zijn. - de Hollebeek is reeds sedert jaren voor het gedeelte gelegen op de bedrijfsterreinen overwelfd; de geplande verandering voorziet een verdere overwelving met een lengte van hoogstens 50 meter; het water van de Hollebeek is reeds verontreinigd door lozing van huishoudelijk afvalwater in het gedeelte dat langsheen de Kasteelstraat loopt; de kwaliteit van de biotoop van de Hollebeek tussen het bestaande gebouw en de rand van het bos is dus reeds aangetast; - Het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen heeft op dit moment nog geen verordenende kracht; volgens het gewestplan komt de uitbreiding in landschappelijk waardevol agrarisch gebied op een afstand van 80 meter VII-15.629-28/37 van de rand van het Buggenhoutbos; de stelling dat toekomstige uitbreidingen van bosgebieden rond bestaande bossen en op vroegere bosgronden door de uitbreiding in het gedrang komt is onvoldoende aangetoond'; Voormelde bezwaren van de Afdeling Natuur, die trouwens gelijklopend zijn met deze van verzoekers, zijn bijgevolg op voldoende wijze geëvalueerd en beantwoord. Verzoekers kunnen bijgevolg bezwaarlijk stellen dat hun rechten van verdediging op deze drie punten geschonden zijn"; 3.5.3. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord verwijzen naar hun verzoekschrift en dat zij nog doen gelden dat de motieven die de verwerende partij inroept om aan te tonen dat er minstens impliciet is geantwoord op het beroepschrift van het bestuur Natuurbehoud, minstens deels niet afdoende en onjuist zijn vanuit het oogpunt van de ruimtelijke draagkracht en verweving met de onmiddellijke omgeving versus bestemming; 3.5.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar memorie betoogt dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het middel vermits zij niet de auteurs zijn van het bewuste beroepschrift; dat zij betoogt dat het bestreden besluit ingaat op de in het beroepschrift aangekaarte problematiek, en dat het ook werd beantwoord in het advies van het bestuur Milieuvergunningen van AMINAL, dat indien de beroeper een antwoord vindt op zijn aanspraken, er voldaan is aan de motiveringsverplichting, dat de verzoekende partijen niet aantonen dat het bestreden besluit niet zou antwoorden op het beroepschrift van de afdeling Natuur, dat het milieuvergunningsdecreet de overheid niet verplicht om zich in één enkel besluit uit te spreken over de verschillende beroepen, dat de termijn van vijf maanden om uitspraak te doen over de beroepen geen vervaltermijn is en dat de afdeling Natuur steeds een rappelbrief kan richten naar de verwerende partij; 3.5.5. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie nog doen gelden dat het in casu om een substantiële vormvereiste gaat; 3.5.6.1. Overwegende dat uit bijlage 33 bij het verzoekschrift kan worden afgeleid dat de afdeling Natuur van AMINAL een ontvankelijk bevonden beroep instelde; dat dit ook blijkt uit het advies van het bestuur Milieuvergunningen van AMINAL; dat in de bestreden beslissing evenwel geen melding meer wordt gemaakt van dit beroep, en er dus formeel geen uitspraak wordt over gedaan; VII-15.629-29/37 3.5.6.2. Overwegende dat artikel 52, 3/, van Vlarem I, luidt als volgt : "3/ Uitspraak : binnen een termijn van vijf maanden te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het beroep door de Gemeenschapsminister doet deze laatste uitspraak over het beroep; deze uitspraak omvat een gemotiveerde beslissing over de aanspra- ken of bezwaren die door de indieners van het beroep werden gesteld"; 3.5.6.3. Overwegende dat, in strijd met wat de tussenkomende partij betoogt, de verzoekende partijen er belang bij hebben dat het bestreden besluit wordt vernietigd op grond van het opgeworpen middel, ook al werd het beroep waarover geen uitspraak is gedaan in de bestreden beslissing niet door henzelf ingediend; 3.5.6.4. Overwegende dat de ratio legis van artikel 52, 3/, van Vlarem I is dat de overheid, rekening houdend met alle bezwaren en er op antwoordend, een beslissing neemt, dat het dus van wezenlijk belang is te weten of de bezwaren en argumenten die in het beroepschrift van de afdeling Natuur werden uiteengezet, in de bestreden beslissing aan bod zijn gekomen; dat de argumentatie vervat in het beroepschrift van de afdeling Natuur van AMINAL in het advies van het bestuur Milieuvergunningen als volgt werd weergegeven : "- het bos dreigt een geïsoleerd gebied te worden; het behoud van een buffer rond het bos is een absolute noodzaak; - de vernietiging van de biotoop langs de Hollebeek tussen het bedrijf en het bos; - de vergunning is in tegenspraak met de beleidslijnen van de overheid om versnippering van de open ruimte tegen te gaan"; dat de verzoekende partijen niet stellen dat er nog andere argumenten zouden zijn aangevoerd; dat het bestreden besluit en voornamelijk de door de verwerende partij geciteerde passus afdoende ingaat op de door AMINAL aangekaarte problematiek; dat derhalve werd tegemoet gekomen aan de doelstelling van artikel 52, 3/, van Vlarem I; dat dienvolgens het zesde middel niet gegrond is; 3.6.1. Overwegende dat de verzoekende partijen als zevende middel de schending aanvoeren van artikel 4 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (milieuvergunningsdecreet), de artikelen 5 en 52, 3/ en rubriek 13 van de indelingslijst in bijlage I van Vlarem I, de artikelen 5.13.0.2, 5.13.0.5 en 5.17.1.3, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II) en het zorgvuldigheidsbe- ginsel; dat zij in essentie betogen dat de betrokken inrichting farmaceutische producten produceert, terwijl de rubriek 13 niet voorkomt in het bestreden besluit en VII-15.629-30/37 de desbetreffende grief in het beroepschrift van de verzoekende partijen door het bestreden besluit niet wordt beantwoord, en dat "de afstandsregel voor de bedrijfsge- bouwen, opslag van de producten, de parkeerplaatsen moet voldoen aan art. 5.13.0.2 (Vlarem II), dat verwijst naar 5.17. (gevaarlijke stoffen)", zodat er 100 meter afstand moet zijn ten opzichte van de woonzones; 3.6.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord betoogt dat in de inrichting aan de Kasteelstraat de activiteiten zoals het industrieel bereiden, het conditioneren, het verpakken en het opslaan van farmaceutische stoffen niet worden uitgeoefend, dat de inrichting volledig en uitsluitend zal instaan voor de productie van medische sets, zoals steriele kompressen, kraamverbanden, operatiesets en absorberend verband en dat het derhalve niet om farmaceutische stoffen gaat; 3.6.3. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord trachten aan te tonen hoe uit artikel 5.13.0.2 van Vlarem II voortvloeit dat er 100 meter afstand moet zijn ten opzichte van de woonzone; dat zij betogen dat laatstgenoemde bepaling verwijst naar hoofdstuk 5.17 i.v.m. de gevaarlijke stoffen, dat artikel 5.17.1.3 een aantal afstandsregels oplegt, zoals de afstandsregel van 100 meter t.o.v. woongebied voor bedrijfsgebouwen, parkeer- en opslagruimten, dat in casu uitzonderingen op deze afstandsregels niet van toepassing zijn, dat ethyleenoxide een ontplofbaar en giftig product is, en dat ook de flessen met het mengsel dat zal worden opgeslagen ontplofbaar en giftig zijn, dat er een opslag is van meer dan 1 ton en dat ook de afvalproducten, zoals ethyleenglycol, als giftig te beschouwen zijn en ten slotte, dat ook de propaanflessen (2.000 liter) giftige producten bevatten; 3.6.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar memorie onder meer betoogt wat volgt : "Noch in rubriek 13 van de indelingslijst van Vlarem I, noch in Vlarem II wordt het begrip 'farmaceutisch product' gedefinieerd. Tussenkomende partij is van oordeel dat rubriek 13 van de indelingslijst niet van toepassing is op de inrichting, omdat er geen sprake is van de productie van farmaceutische stoffen als dusdanig doch wel van medische hulpmiddelen. (...) Er kan overigens niet worden ingezien welk belang verzoekers zouden kunnen hebben bij dit middel. Indien de tussenkomende partij verplicht zou zijn over een vergunning te beschikken voor de produktie van farmaceutische stoffen (quod non), zou zij een overtreding begaan van het milieuvergunningsdecreet. Dit kan evenwel niet leiden tot de onwettigheid van de bestreden beslissing"; VII-15.629-31/37 dat zij eraan toevoegt dat zelfs al zou de indelingsrubriek 13 van toepassing zijn, de betrokken afstandsregels niet van toepassing zijn omdat de tussenkomende partij in elk geval valt onder de uitzondering van artikel 5.17.1.3, §3, 3/, van Vlarem II, nu zij immers is vergund voor een klasse 2 ingedeelde opslaginrichting zoals bedoeld in de rubriek 17.3.2; dat zij nog uiteenzet dat zij minder dan 1 ton giftige tot zeer giftige en ontplofbare stoffen opslaat, dit in weerwil van wat de verzoekende partijen voorhouden; 3.6.5. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie zich de vraag stellen of er toch geen farmaceutische nijverheid plaatsvindt; 3.6.6. Overwegende dat uit het beschikkend gedeelte van de bestreden beslissing en uit de bevestigde beslissing die de bestendige deputatie in eerste aanleg nam en alwaar de indelingsrubrieken vermeld zijn blijkt dat de tussenkomende partij geen milieuvergunning heeft gekregen die betrekking heeft op farmaceutische stoffen (indelingsrubriek 13 van de indelingslijst in bijlage 1 bij Vlarem I); dat bijgevolg ook artikel 5.13.0.2 vanVlarem II, dat betrekking heeft op farmaceutische stoffen, en dat verwijst naar hoofdstuk 5.17 vanVlarem II, niet van toepassing is; dat indien de tussenkomende partij toch farmaceutische stoffen zou produceren, zij iets zou doen wat de milieuvergunning niet toelaat; dat dergelijke overtreding evenwel de wettigheid van het bestreden besluit onverlet laat; dat het zevende middel niet gegrond is; 3.7.1. Overwegende dat de verzoekende partijen als achtste middel de schending aanvoeren van de artikelen 1 en 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996, van het gewestplan Dendermonde, van artikel 8.1.2.3 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, van artikel 43, §§ 6 en 7, van laatstvermeld decreet betreffende de ruimtelijke ordening, en van artikel 52, 3/, van Vlarem I; dat de verzoekende partijen deze bepalingen in essentie geschonden achten doordat het vergunde bedrijf niet als een middelgrote onderneming zou kunnen worden beschouwd en bijgevolg niet in een K.M.O.-zone thuishoort; dat zij desbetreffend doen gelden dat de verwerende partij in een eerdere procedure toegaf dat het niet meer om een K.M.O.-bedrijf zou gaan (zaak nr. G/A. 59.705); dat voorts zij hun middel als volgt adstrueren : "C. Inhoudelijke toetsing : art. 8 heeft het over kleine opslagplaatsen. Hier zijn er duidelijk zeer grote opslagplaatsen : 679.000 kg grondstoffen, verpakkingen, afgewerkte producten, VII-15.629-32/37 2. Inhoudelijk gesproken, is er sprake van een kennelijke schending van de gewestplanbestemming, om redenen dat de vergunning betrekking heeft op een bedrijf en activiteiten die horen onder de categorie grote ondernemingen; verder de verwerking van 9.148.000 kg grondstoffen per jaar in de Kasteelstraat; de bestaande volumes bedrijfsruimten bedragen door opeenvolgende uitbreidingen reeds meer dan 86.000 m³ op een perceel van ong. 162 op 162 meter; in vergelijking met de situatie op 1 januari 1978 (jaar van het gewestplan : van kracht sinds 21 nov. 1978) en de situatie nu is er reeds sprake van een verdubbeling van de bedrijfsruimten; het feit dat er van de stofafzuiginstallaties 100 ton per jaar zal voortkomen (blz. 49 van de K.U.L.-studie), enz.; de vergunning voor twee mazoutbranders van resp. 890 kW en 1865 kW met een mazouttank van 40.000 liter; opslag van zeer giftige en gevaarlijke stoffen, nl. 3.500 kg. ethyleenoxideflessen (voorheen niet vergund) en bijhorende schadelijke afvalproducten (ethyleenglycol met zwavelzuur, afgehaald door NV DESTRUCTO, erkende firma van giftig afval); terwijl art. 8 de afvalproducten van schadelijke aard verbiedt; de grootschalige productie derhalve van medische producten, bv. 8 miljoen steriele compressen, 6.350.000 steriele absorberende verbanden, 15 miljoen steriele kraamverbanden per jaar, 2.110.000 steriele operatiesets per jaar (blz. 5 van de KUL-studie), 2 miljoen pincetjes per jaar, verder chirurgische draad, enz.; de voortdurende overnames van andere bedrijven door NV ONTEX, het omzetcijfer (zie jaarbalans 1996); de waarde van de overname van Medisco (150 miljoen) in '93 illegaal overgebracht naar de Kasteelstraat; - het feit dat enkel de N.V. ONTEX als onderneming is te beschouwen. Dat in de Wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging de onderneming gedefiniëerd wordt als : 'alle natuurlijke of rechtspersonen, die op duurzame wijze een economisch doel nastreven'; - dat volgens het expansiedecreet van 15 december '93 als middelgrote onderneming nog kan beschouwd worden de onderneming die niet meer dan 200 miljoen omzet haalt, terwijl de NV ONTEX 15 keer zoveel behaalt; dat zelfs volgens de nog niet bekendgemaakte beslissing van de Vlaamse Regering van 19 maart 1996 als middelgrote onderneming enkel in aanmerking komt de rechtspersoon die een omzet haalt van niet meer dan 7 miljoen Ecu (dus ong. 291 miljoen fr.), niet meer dan 250 werknemers heeft (info de hr. GIELEN kabinet Min . VAN ROMPUY); het feit dat de hoofdvestiging van ONTEX in Gendhof wel in een gewoon industriegebied gevestigd is; - ook het feit dat de afdeling in de Kasteelstraat zodanig reeds is uitgebreid dat het zelfs voor een stuk buiten de KMO-zone is gelegen (zie subkaft kaarten) Dit leidt toch tot het kennelijk redelijk besluit dat hier geen sprake meer is van een K.M.O. Er is dan ook sprake van gewestplanschending en schending van het redelijk- heidsbeginsel (...) 4. Verder is er geen antwoord op het feit dat in de K.M.O.-zone de bufferzone zelfs niet meer kan aangelegd worden, want reeds grotendeels volgebouwd en zelfs tot buiten de K.M.O-zone (...). Dit leidt tot het kennelijk redelijk besluit dat hier geen sprake meer is van een K.M.O."; 3.7.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord verwijst naar volgende overwegingen uit de aanhef van het bestreden besluit : VII-15.629-33/37 "Overwegende dat, wat de stedenbouwkundige aspecten betreft, kan worden aangestipt dat het begrip 'gebied voor kleine en middelgrote ondernemingen' niet wordt gedefinieerd in de stedenbouwwetgeving; dat - zoals is aangegeven in het voormelde advies dd. 4 februari 1997 van de Afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen - bij de beoordeling of een bedrijf kan gecatalogeerd worden als een kleine of middelgrote onderneming men dient uit te gaan van feitelijkheden; dat talrijke beoordelingscriteria hierbij een rol spelen, zoals de hinderlijkheid, de grootte van de onderneming, de relatie tot de omgeving, de tewerkstelling, de aard van de productie en de weerslag op het leefmilieu; dat het bedrijf in haar vestiging in de Kasteelstraat ongeveer 200 personen zal tewerkstellen; dat de vestiging aldus ruimschoots beantwoordt aan het begrip kleine of middelgrote onderneming volgens de criteria die gehanteerd worden op Europees niveau en werden overgenomen door de Vlaamse regering; dat de Vlaamse regering immers een aanpassing goedkeurde van de richtlijnen voor expansiesteun volgens dewelke een middelgrote onderneming tussen 50 en 250 werknemers telt; dat het bedrijf op het vlak van productiecapaciteit, aard van de productie, vermogen, tewerkstelling en hinder voor de omgeving, het karakter van een middelgrote onderneming vertoont, die thuishoort in een K.M.O.-zone; dat de grootte van het bedrijf daaraan - steeds volgens het voormelde advies dd. 4 februari 1997 van de Afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen - geen afbreuk doet; (...)"; 3.7.3. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord nog betogen dat het niet gaat om een kleine opslagplaats en dat er sprake is van schadelijke afvalstoffen; dat zij beklemtonen dat er geen interne bufferzone is en dat de verwerende partij niet antwoordt op dit bezwaar; 3.7.4. Overwegende dat in haar memorie de tussenkomende partij stelt wat volgt : "De argumenten die verzoekers terzake aanhalen, kunnen niet overtuigen en wegen niet op tegen de eigen beoordeling van de vergunningverlenende overheid betreffende het K.M.O.-karakter van de onderneming. Zoals het bestreden besluit terecht vaststelt (blz. 13), dient men voor de beoordeling of een bedrijf gecatalogeerd kan worden als een kleine of middelgrote onderneming uit te gaan van feitelijkheden. Talrijke beoordelingscriteria kunnen daarbij een rol spelen, zoals de grootte van de onderneming, de hinderlijkheid, de relatie tot de omgeving, de tewerkstelling, de aard van de produktie en de weerslag op het leefmilieu. Het bestreden besluit stelt voorts vast dat het bedrijf in haar vestiging in de Kasteelstraat slechts 200 personen zal tewerkstellen, hetgeen ruim binnen de marge is van het begrip van 'kleine of middelgrote onderneming' dat op Europees niveau wordt gehanteerd en door de Vlaamse Regering werd overgenomen in het kader van de richtlijnen voor expansiesteun. Deze richtlijnen bepalen immers dat een middelgrote onderneming tussen 50 en 250 werknemers telt. De activiteit die in de vestiging aan de Kasteelstraat zal worden ontwikkeld, zal zich uitsluitend richten op de produktie en opslag van medische sets. De bestaande inrichting paalt aan woongebied met landelijk karakter en aan een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Het woongebied langs de Kasteelstraat is evenwel matig bebouwd. Binnen een straal van 100 meter rondom de perceelsgrenzen zijn er een zestal buurtwoningen gelegen. Uit de VII-15.629-34/37 studie van de K.U.Leuven blijkt dat de milieuhinder van de exploitatie beperkt blijft. Samengevat kan gesteld worden dat de vestiging op het vlak van de produktiecapaciteit, de aard van de produktie, het vermogen, de tewerkstelling en de hinder voor de omgeving het karakter vertoont van een middelgrote onderneming die in een K.M.O.-zone thuishoort"; 3.7.5. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie er bij blijven dat het in casu niet om een bedrijf gaat dat in een K.M.O.-zone thuishoort; dat zij er ook op wijzen dat de interne buffering die nodig is om tot een goede ruimtelijke ordening te komen en om een afzondering van de inrichting te realiseren, is "opgesoupeerd"; 2.7.6. Overwegende dat artikel 8.2.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen luidt als volgt : "Voor de industriegebieden kunnen de volgende nadere aanwijzigingen worden gegeven : 2.1.1. de gebieden voor vervuilende industrieën. Deze zijn bestemd voor de vestiging van bedrijven die ter bescherming van het leefmilieu moeten worden afgezonderd; 2.1.2. de gebieden voor milieubelastende industrieën. Deze zijn bestemd voor bedrijven die om economische of sociale redenen moeten worden afgezonderd; 2.1.3. de gebieden voor ambachtelijke bedrijven en de gebieden voor kleine en middelgrote ondernemingen. Deze gebieden zijn mede bestemd voor kleine opslagplaatsen voor goederen, gebruikte voertuigen en schroot, met uitzondering van afvalprodukten van schadelijke aard"; dat de bestemming "gebieden voor kleine en middelgrote ondernemingen" dus één van de nadere aanwijzingen van de algemene bestemming "industriegebied" is; dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de bestreden beslissing een inrichting vergunt waarvan de weerslag op mens en milieu dermate groot zal zijn dat ze ter bescherming van het leefmilieu moet worden afgezonderd in een industriegebied voor vervuilende industrieën of om economische of sociale redenen in een gebied voor milieubelastende industrieën; dat uit de volgende motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de milieu-impact van de inrichting niet van die aard is dat zij enkel in een van de zo-even genoemde gebieden zou kunnen worden ondergebracht : "Overwegende dat, wat de stedenbouwkundige aspecten betreft, kan worden aangestipt dat het begrip 'gebied voor kleine en middelgrote ondernemingen' niet wordt gedefinieerd in de stedenbouwwetgeving; dat - zoals is aangegeven in het voormelde advies dd. 4 februari 1997 van de Afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen - bij de beoordeling of een bedrijf kan gecatalogeerd worden als een kleine of middelgrote onderneming men dient uit te gaan van feitelijkheden; dat talrijke beoordelingscriteria hierbij een rol spelen, zoals de hinderlijkheid, de VII-15.629-35/37 grootte van de onderneming, de relatie tot de omgeving, de tewerkstelling, de aard van de productie en de weerslag op het leefmilieu; dat het bedrijf in haar vestiging in de Kasteelstraat ongeveer 200 personen zal tewerkstellen; dat de vestiging aldus ruimschoots beantwoordt aan het begrip kleine of middelgrote onderneming volgens de criteria die gehanteerd worden op Europees niveau en werden overgenomen door de Vlaamse regering; dat de Vlaamse regering immers een aanpassing goedkeurde van de richtlijnen voor expansiesteun volgens dewelke een middelgrote onderneming tussen 50 en 250 werknemers telt; dat het bedrijf op het vlak van productiecapaciteit, aard van de productie, vermogen, tewerkstelling en hinder voor de omgeving, het karakter van een middelgrote onderneming vertoont, die thuishoort in een K.M.O.-zone; dat de grootte van het bedrijf daaraan - steeds volgens het voormelde advies dd. 4 februari 1997 van de Afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen - geen afbreuk doet; (...)"; dat met die overwegingen, die niet als foutief of kennelijk onredelijk voorkomen, de verwerende partij afdoende aangeeft waarom de inrichting thuishoort in een K.M.O.- gebied en dat zij de bezwaren dienaangaande afdoende beantwoordt; dat, voorts, de bufferzone waarvan sprake in artikel 7.2.0 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 bedoeld is als een binnen de grenzen van het industriegebied te situeren strook met een hoofdzakelijk esthetische en stedenbouwkundige functie, waarvan de breedte en ook de aanleg dienen bepaald te worden in de bouwvergunning verleend voor de randpercelen of -wat hier van geen belang is- n.a.v. de goedkeuring van een verkavelingsplan of de vaststelling van een aanlegplan voor het gebied; dat een milieuvergunningsaanvraag dan ook niet kan worden geweigerd wegens de ontstentenis van een bufferzone zoals bedoeld in artikel 7.2.0 van het koninklijk besluit van 28 december 1972; dat bovendien de vergunningverlenende overheid, als bestuursoverheid, de wettigheid van die planbestemming niet in vraag mag stellen; dat het bestreden besluit dan ook geen motivering diende te bevatten omtrent de ontstentenis van een bufferzone op het gewestplan; dat het achtste middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 867,65 euro, komen ten laste van de eerste, tweede, derde en vijfde verzoekende partij, elk voor VII-15.629-36/37 een vijfde, en voor een vijfde ten laste van de nalatenschap van de vierde verzoekende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 867,65 euro, komen ten laste van de eerste, tweede, derde en vijfde verzoekende partij, elk voor een vijfde, en voor een vijfde ten laste van de nalatenschap van de vierde verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst in het administratief kort geding, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. De kosten van de tussenkomst in het annulatieberoep, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien oktober tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-15.629-37/37 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.037 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1998:ARR.72.624 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div