id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.039 Rolnummer: A. 151328/VII-32107 Zaak: Arrest 136039 - - 14/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-26 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 11:30 Fiche Arrest nr 136.039 van 14 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.039 van 14 oktober 2004 in de zaak A. 151.328/VII-32.
- In zake :
- de n.v. LE COUTER,
- Stijn LE COUTER,
- de n.v. D. DE BRABANDERE,
- de b.v.b.a. Garage Bert Carrosserie,
- Bert VAN WANSEELE, die woonplaats kiezen bij Advocaat A. LUST, kantoor houdende te BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : de n.v. ASPIRAVI, die woonplaats kiest bij Advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te BRUSSEL, Aarlenstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. LE COUTER, Stijn LE COUTER, de n.v. D. DE BRABANDERE, de b.v.b.a. Garage Bert Carrosserie en Bert VAN WANSEELE op 30 april 2004 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 22 januari 2004, houdende inwilliging van het beroep ingediend door de n.v. LDS/ASPIRAVI tegen de beslissing van 30 juli 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tielt waarbij de vergunning geweigerd wordt voor een inrichting gelegen te Tielt, Szamotulystraat zn, met als voorwerp het exploiteren van twee windturbines; Gezien de nota van de verwerende partij; VII-32.107-1/17 Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKE- RE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 13 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 september 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. LUST die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Adjunct-adviseur S. VANPARYS die verschijnt voor de verwerende partij en van Advocaten P. FLAMEY en P.-J. VERVOORT die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het andersluidend advies van Auditeur G. DE BLEEC- KERE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de n.v. ASPIRAVI, houder van de bestreden vergunning, op 19 mei 2004 heeft gevraagd in de debatten te mogen tussenkomen; dat haar verzoek kan worden ingewilligd;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.
- Op 14 maart 2003 dienen de n.v. ASPIRAVI en de n.v. ELEC- TRAWINDS een milieuvergunningsaanvraag klasse 2 in bij het gemeentebestuur van Tielt voor het exploiteren van twee windturbines, gelegen te Tielt, Szamotulystraat, op de kadastrale percelen, Afdeling 2, Sectie E, nrs. 609 en 571a. De geplande inrichting is gelegen in een gebied voor milieubelastende industrie (gewestplan Roeselare-Tielt). Bij beslissing van een buitengewone algemene vergadering van de n.v. ELECTRAWINDS van 8 augustus 2003 werd deze vergunningsaanvraag overgedragen aan de n.v. LDS. VII-32.107-2/17 2.
- Op 30 juli 2003 besluit het college van burgemeester en schepenen de aanvraag van de tussenkomende partij te weigeren. 2.
- De tussenkomende partij dient op 9 oktober 2003 een gemotiveerd beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen. 2.
- Nadat de vereiste adviezen werden uitgebracht beslist de bestendige deputatie op 22 januari 2004 het beroep gegrond te verklaren en de vergunning te verlenen mits het naleven van de algemene en bijzondere voorwaarden. Dit is de bestreden beslissing. Zij is als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat (motivering vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten) gesteld kan worden dat de verandering/exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat er zich geen officiële vogel- en habitatrichtlijngebieden, Ramsargebieden of natuurgebieden in de directe omgeving van de locatie bevinden; dat er in de directe omgeving geen bijzonder vogelrijke gebieden gesitueerd zijn; dat er geen belangrijke plaatselijke (en seizoengebonden) vliegbewegingen over de locatie bekend zijn; dat er dus relatief weinig negatieve effecten op de vogelpopulaties te verwachten zijn; Overwegende dat de uitgangspunten van de uitgevoerde veiligheidsstudie dezelfde zijn dan deze bij vorige aanvragen; dat de aannames en berekeningen geldig blijven voor dit project; dat het immers windturbines van hetzelfde type, merk en vermogen betreft; dat de karakteristieken van de omgeving vergelijk- baar zijn (rand industriegebied met naastgelegen dun bevolkt agrarisch gebied); dat de resultaten van de individuele risicocontouren aantonen dat het risico voor de directe omgeving beperkt wordt tot een aanvaardbaar niveau; dat er overeenkomsten zijn met de eigenaars voor de gronden waarop de windturbines komen te staan, en waarover de wieken komen; dat tengevolge van deze overeenkomst deze eigenaars niet meer als derden te beschouwen zijn; Overwegende dat er van direct groepsrisico slechts sprake is vanaf een ongeval met 10 doden of meer; dat het gebied schaars bevolkt is en een ongeval normaal geen aanleiding zal geven tot een ongeval met meer dan 10 doden bij de omwonenden; dat er dus geen direct groepsrisico is; Overwegende dat de veiligheidsstudie aantoont dat er geen probleem is i.v.m. het direct individueel passanten risico en verwachtingswaarde, noch met de indirecte risico's t.g.v. bedrijven in de nabijheid; Overwegende dat er voldaan kan worden aan de richtlijnen van de omzend- brief EME/2000.01; dat er af en toe overschrijdingen kunnen zijn vooral gedurende de nachtperiode zonder monitoring, afhankelijk van de windrichting en de windsnelheid; dat een monitoring noodzakelijk is en het aangewezen is dat er een verslag wordt opgemaakt van deze monitoring gedurende de eerste twee jaar van de exploitatie, waarin aangetoond wordt dat er effectief altijd kan worden voldaan aan het streefdoel van de Omzendbrief; dat bij het naleven van de Omzendbrief ook de milieukwaliteitsdoelstellingen zullen worden gerespec- teerd; dat de exploitant een overeenkomst heeft met de dichtstbijgelegen bewoner; Overwegende dat er een schaduwstudie is uitgevoerd; dat de conclusies van het rapport als volgt kunnen worden samengevat : VII-32.107-3/17 S dat bij 1 bedrijfswoning er een beperkte overschrijding is (nl. 35 uur) tegenover de internationaal aanvaarde norm van 30 uur; dat voor deze woning een hoge haag en begroeiing staat die de zon (en dus ook de slagschaduw) deels afschermt; dat de limiet van 30 uur slagschaduw dus normaal niet bereikt zal worden; S dat er nog 2 bedrijfsgebouwen zijn ten noorden van de windturbine 1 die 37 en 38 uren slagschaduw per jaar zullen ondervinden; dat rekening houdend met de niet permanente aanwezigheid (weekends, verlof) de hinder tengevol- ge van slagschaduw beneden de 30 uur zal blijven; dat het toch is aangewezen dat de exploitant een monitoring opstelt, waarbij gedurende de 2 eerste exploitatiejaren, de effectieve uren aan slagschaduw worden geregistreerd; dat op basis van dit verslag later een monitoring van de windturbines kan opgelegd worden indien zou blijken dat de exploitatie teveel hinder onder de vorm van slagschaduw met zich zou meebrengen; Overwegende dat voor het beperken van het flikkereffect de windturbines met een matte grijze verf zullen worden bedekt; Overwegende dat de elementen aangebracht door de aanvrager, gehoord door de Provinciale Milieuvergunningscommissie als volgt kunnen weergegeven worden : 'Het type is al geplaatst in Eeklo en Zedelgem. Dus het kan op land. We hebben een uitgebreide geluidsstudie gemaakt n.a.v. het beroep. Er is een overeenkomst met de dichtstbijgelegen bewoner die akkoord gaat met de exploitatie. Er is een veiligheidsstudie gebeurd door de deskundige dhr. Bergman en het risico blijft aanvaardbaar. De rotor is slechts 70m i.p.v. 80 zodat slagschaduw vermindert met 19 à 20 %. Het geluidsvermogen is 105,5 dB(A).'; Overwegende dat deze elementen niets afdoen aan de hierboven vermelde overwegingen en vaststellingen. Overwegende dat de exploitatie van het toelaatbare deel van de inrichting verenigbaar moet gemaakt worden met de omgeving, zowel wat betreft de risico's voor de externe veiligheid als wat betreft de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting; Dat het daarom noodzakelijk is vergunningsvoorwaarden op te leggen die technisch haalbaar zijn en voldoen aan de vereiste van best beschikbare schone technologie zonder overmatig hoge kosten; dat de technische criteria en de van toepassing zijnde normen vanuit dit uitgangspunt gehanteerd worden; dat deze voorwaarden kunnen worden geconcretiseerd als omschreven in bijlage; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde verande- ring/exploitatie, mits naleving van de in onderhavig besluit opgelegde milieuver- gunningsvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat bijgevolg aanleiding toe bestaat de gevraagde vergunning toe te staan";
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; VII-32.107-4/17 3.
- Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partijen uiteenzetten wat volgt : "
- De eerste verzoekende partij baat op haar maatschappelijke zetel een garagebedrijf uit (BMW) (perceel 31/1 van het WVI - bedrijventerrein plan). Zij draagt de verantwoordelijkheid voor de gezonde en aangename werkomgeving van 15 arbeidskrachten. Benevens de bedrijfsgebouwen, is er ook een bedrijfs- woning. Een en ander bevindt zich op een afstand van 204 tot 208 meter van de inplantingsplaats van turbine II.
- De tweede verzoekende partij is als bediende tewerkgesteld bij de eerste verzoekende partij, waarvan zijn ouders de verantwoordelijke bestuurders zijn. Hij bewoont de bedrijfswoning en heeft er zijn vast domicilie.
- De familie LE COUTER is, via de patrimoniumvennootschap n.v. Lecova, ook eigenares van wat het lot A is genoemd op het plan, gehecht aan de akte van 15 maart
- Dit lot A is ingevolge de gewestplanwijziging van 23 november 1994 bestemd tot regionaal bedrijventerrein. Vermits het bedrijventerrein echter onder het beheer van de overheid werd gesteld, was het alsnog niet mogelijk de bestemming ervan zelf te realiseren. Een concrete realisatie is maar mogelijk geworden na de aankoop door o.m. de eerste verzoekende partij, samen met de n.v. Lecova, aan de WVI (terreinbeheerder) op 15 maart 2000 van wat op het aangehecht plan de loten B1 en B2 wordt genoemd (de nrs. 31/2 van het globaal WVI-plan). Blijkens die akte is toen door de verzoekende partij aan de terreinbeheerder WVI een bedrag betaald van 2.139.150 BEF voor het bouwrijp maken van het lot A.
- Het is de bedoeling van de eerste verzoekende partij haar bedrijf op die loten A, B1 en B2 aanzienlijk uit te breiden. De studie daarvan is volop lopende. Er is sprake van investeringen ten belope van 2.500.
- Vermits die percelen echter palen aan het bedrijf van de NV Liberty Trading (nr. 64 op het WVl-plan) waar de turbine II is voorzien, worden die investeringen thans in vraag gesteld. In elk geval zullen de plannen en voorzieningen zeer gevoelig moeten aangepast worden, vermits de inplantingsplaats van de turbine tot op ca 50 meter van de perceelsgrens genaderd is. De daardoor te verwachten geluidsoverlast zal eerste verzoekster verplichten haar uitbreidingsplannen grondig te herzien.
- Derde verzoekende partij is eigenares van het lot 26/1 van het bedrijventer- rein Noord. Zij exploiteert er een vrachtwagenhandel, wat een grote binnenpar- king vereist en veel activiteit op het terrein in open lucht. Vandaar dat zij in haar bezwaarschrift aanvoert : '
- De woning, burelen, werkplaats en onze buitenparking die dienst doet als openluchtshowroom, zullen ernstige nadelen hebben door onder andere schaduw, lawaai, enz...
- Wij voeren veel verkoops- en onderhandelingsgesprekken op het terrein. De geluids- en schaduwhinder zal zeer storend werken'. Benevens de eigenaars, de echtgenoten De Brabander-Vromman, zijn er vijf arbeidskrachten. Er is een afzonderlijk staande bedrijfswoning aan verbonden, die overdag voltijds benut wordt, ook sedert de bedrijfsleiders hun burgerrechtelijke woonplaats overgebracht hebben naar de Wielmakerstraat,
- De bedrijfsafdeling bevindt zich op 158 meter van de inplantingsplaats van turbine II. De bedrijfswoning op 177 meter. Eén van de foto's is genomen vanop het terras van de woning. Men kijkt rechtstreeks op de koer van het bedrijf n.v. Liberty Trading, waar de turbine zal komen. Via de patrimoniumvennootschap n.v. Velcovar zal de derde verzoekende partij binnenkort de beschikking hebben over totaal nieuwe bedrijfsgebouwen, VII-32.107-5/17 die opgetrokken worden langs de Szamotulystraat, 7, op het perceel nr. 573b, zijnde het lot 62 van het terreinplan WVI. Dit perceel kon aangekocht worden op 18 oktober 2000 en de n.v. Velcovar bekwam een bouwvergunning op 10 september
- Blijkens de stukken is op 16 april 2004 opdracht tot bouwen gegeven aan de n.v. Valcke Prefab Beton. Het lot 62 van het bedrijventerrein is 160 meter diep en paalt direct aan het lot 64, inplantingsplaats van windturbine II. Tussen de uiterste hoek van het geplande nieuw gebouw en de inplantingsplaats van de turbine zal slechts 48 meter zijn ! De n.v. Velcovar, patrimoniumvennootschap van de echtgenoten De Brabandere-Vromman, zal de grond en de nieuwbouw ter beschikking stellen van de derde verzoekende partij, die aldaar een tweede bedrijfsafdeling zal openen. Er wordt verwacht dat vijf arbeidskrachten zullen kunnen aangeworven worden. Zij zullen derhalve verplicht zijn te werken in de zeer dichte nabijheid van een belangrijke omzeggens continue geluidsbron.
- De vierde verzoekende partij exploiteert op het terreinlot nr. 67 een Toyotagarage die, benevens aan de eigenaars Van Wanseele-Maes, werk verschaft aan vier arbeidskrachten. Het gebouw bevat een bedrijfswoning, bewoond door de vijfde verzoekende partij, samen met zijn echtgenote. Bedrijf en bedrijfswoning vallen in de onmiddellijke invloedsfeer van de beide turbines! De afstand van de turbine is 245 meter en van de turbine 1 slechts 138 meter. De hindereffecten zullen, wat hen en hun personeel betreft, gecumuleerd worden !
- Uit dit overzicht blijkt onmiskenbaar dat de inrichting van de litigieuze windturbines de verzoekers allen een zeer ernstig en moeilijk te herstellen nadeel zal bezorgen dat van die aard zal zijn dat het niet meer door een later komend arrest zal kunnen ongedaan gemaakt worden. Ondergaan bederf van een aangenaam en gezond werk-, woon- en leefklimaat, kan immers niet meer terug gegeven worden.
- Reeds bij de bespreking van meerdere middelen is gewezen op de kennelijke onderschatting van de geluidsproblematiek, uitgaande van de onterechte opvatting dat wie woont en werkt op een bedrijventerrein om het even welk geluid, verbonden aan om het even welke industriële activiteit, moet dulden. Zoals aangestipt, hebben de ontwerpers en de verwerende partij in geen enkel opzicht rekening gehouden met de wettige mede-aanwezigheid van verzoekers op die site, die hen niet rechteloos maakt omdat ze bestemd is voor milieubelastende industrie, ofschoon dit blijkens het eerste middel alsnog formeel juridisch niet het geval is. Dit gegeven heeft trouwens voor gevolg dat de exploitant, daarin gevolgd door de verwerende partij, zich t.a.v. verzoekers niet op wettige wijze op de bestemming van de site als bedrijventerrein mag/kan beroepen om van hen een grotere dan de doorsnee-tolerantiegraad te vergen. Uit de stukken blijkt dat volgens de eigen becijferingen van de exploitant de turbines aan de bron een lawaai zullen produceren van 102 dB(A). Voorgehou- den wordt dat de geluidsproductie, minstens middels nog te beproeven monitoringprogramma's, ter hoogte van de hoeve Defauw (251 m), uiteraard reeds deel uitmakend van het naastliggend agrarisch gebied, tot redelijke proporties zal herleid zijn. Dat de exploitant redenen had om daaraan ernstig te twijfelen, blijkt alleen reeds hieruit dat hij met die landbouwer dan toch een financiële regeling heeft getroffen om bezwaar van die kant te voorkomen! Waarom financiële compensaties geven als er intrinsiek niets te compenseren valt en geen ongemakken te verwachten vallen?! In elk geval staat vast dat naarmate de afstand tussen de geluidszender en de geluidsontvanger vermindert, de geluidsimpact aanzienlijker wordt. De bedrijfswoning van de tweede verzoeker is gelegen op 208 meter, deze van de derde verzoeker op 177 meter en deze van de vijfde verzoeker op slechts ca 50 meter, waarbij uiteraard ook de externe woonomgeving moet betrokken worden, VII-32.107-6/17 vermits mensen niet alleen tussen muren leven, maar ook er buiten. Zoals uit de reeds meermaals ter sprake gebrachte studie 'De geluidsschaal' blijkt, moeten verzoekers zich, naar gelang de windrichting en de windsterkte, verwachten aan geluidsbelevingen die zullen fluctueren tussen storend, alover hinderlijk en, vooral voor de vijfde verzoeker, bij wijlen zelfs zeer hinderlijk. Voor de nieuwbouw van de derde verzoekende partij op het lot 62, mag ervan uitgegaan worden dat de geluidsoverlast bestendig zeer hinderlijk zal zijn. Die hinder zal zich niet alleen tijdens de werkuren voordoen, maar ook daarbuiten, ook bij zomeravonden en 's nachts. Het vrijwel permanent karakter van de hinder maakt hem des te zwaarder om dragen. De verwachting dat het lawaai ook na de zware dagtaak niet zal ophouden, beangstigt tweede en vijfde verzoekende partij zeer erg. Aanhoudende geluidsoverlast is onmiskenbaar schadelijk voor de menselijke gezondheid en zijn psychisch en fysisch welzijn, wat verband houdt met de door art. 23 van de Grondwet te garanderen grondrechten. M.b.t. de nachtvluchten boven Zaventem besliste Uw Raad nog recent in het arrest nr. 126.669 dd. 19 december 03 (J.L.M.B., 04, 465) een door de verzoekers als ernstig omschreven nadeel 'parce qu'il porte atteinte à des droits fondamentaux, à savoir le droit l'environnement sain protégé par l'article 23 de la Constitution et le droit au respect de la vie privée et familiale consacré par l'article 22 de la Constitution et par l'article 8.
- de la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertées fondamentales; qu'à leur estime, une telle atteinte est par nature difficilement réparable' als terecht te weerhouden.
- Het geluidsnadeel is evenzeer ernstig en moeilijk te herstellen voor de eerste, derde en vierde verzoekende partij, al gaat het om rechtspersonen. In een zaak waar bleek dat een openluchtactiviteit de voorgeschreven norm van 50 dB(A) ten opzichte van een aanpalend natuurgebied niet kon halen, nam Uw Raad een MTHEN in hoofde van een natuurvereniging (toch ook een rechtspersoon), die opkwam voor de in het natuurgebied aanwezige fauna, aan (R.v.St., nr. 97.242, 28 juni 01, T. Gem., 02, 244). Te dezen gaat het inderdaad niet om een natuurgebied, maar om een (onwettig) bedrijventerrein. Desalniette- min gaat het om mensen die er werken en wonen en niet louter om fauna! Eerste, derde en vierde verzoekende partijen zijn immers ook werkgevers en mitsdien ook organisatoren en verantwoordelijk voor een micro-gemeenschap van samenwerkende mensen van vlees en bloed. Die werknemers ondergaan bij rechtstreekse weerkaatsing de weerslag van die geluidshinder gezien hun contractueel en wettelijk verplichte arbeidsplaats. Van meet af aan heeft Uw Raad aangenomen dat precies het objectief karakter van het beroep bij Uw Raad met zich brengt dat het MTHEN niet uitsluitend de verzoekende partij zelf moet raken (R.v.St., 31 oktober en 4 november 1991, J.L.M.B., 1992, 13 e.v. : het verbod een bepaalde manifestatie te laten doorgaan is niet alleen nadelig voor de naam en faam van de organisator, maar ook, bij weerkaatsing, voor de kunstenaarsgroep zelf en de amateurs ervan; R.v.St., 9 april 1992, J.L.M.B., 1992, 220 e.v.: niet alleen de morele belangen van de VZW die de belangen behartigt van een categorie belastingsplichtigen is aan de orde, maar ook het belang van de belastingsplichten zelf (sic); R.v.St., nr. 75.271, Graulich en Colson, 16 juli 1998 : de hinder verbonden aan een kippenkwekerij kan terugvallen op hen die in de omgeving van de verzoeker wonen; R.v.St., nr. 66.742, VZW La Tramontaine, 11 juni 1997: het nadeel van de vereniging die een opvangtehuis voor kinderen exploiteert, reflecteert ook op de kinderen zelf die er verblijven; R.v.St., nr. 67.439, VZWCopain Park, 4 juli 1997: het onmogelijk maken van de activiteit van een vereniging die zich inlaat met begeleiding van jongeren in moeilijkheden, heeft noodzakelijk een terugslag op de jongeren zelf). VII-32.107-7/17 Omgekeerd straalt de psychische en fysische graad van welzijn van de werknemers eveneens af op de werkgever, verzoekers. Niet alleen is een klimaat van welbehagen bevorderend voor de arbeidsprestaties, doch bovendien verschaft het de onderneming een goede naam en faam. Omgekeerd wordt een onderneming, waar het niet prettig werken is, al vlug als te mijden gestigmati- seerd. Bovendien staat de onderneming totaal machteloos tegenover zulke externe hinder wat betreft de door haar na te leven wettelijke plichten op het stuk van werknemerswelzijn en het voorkomen van arbeidsongevallen en beroepsziekten. Aldus bepaalt art. 148 decies, 1, 1.a. ARAB dat alle maatregelen dienen getroffen te worden 'ten einde de bescherming van de werknemers te verzekeren tegen de gevaren voor hun gehoor en voor hun gezondheid en veiligheid alsmede deze gevaren, die voortvloeien of kunnen voortvloeien uit blootstelling aan geluid op het werk, te voorkomen'. Verzoekers zijn krachtens art. 4 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van het werk ertoe gehouden alle maatregelen te nemen die door de talloze uitvoeringsbesluiten worden voorgeschreven met het oog op de bescherming van de gezondheid van de werknemers op het werk en de vermindering van de psychische belasting. Zij zijn nochtans niet in de mogelijkheid om zelf externe geluidsbronnen in radice te bestrijden en aan te pakken, waardoor zij op het stuk van de naleving van die plichten in een veel nadeliger en mogelijks bij wijlen zelfs machteloze positie zullen komen te staan dan andere concurrenten en onderne- mingen die niet of veel minder met continue geluidsoverlast, geproduceerd door derden, te maken hebben. Zij zullen meer beroep moeten doen op het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen (K.B. dd. 7 augustus 1995 betreffende het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen). Het langdurig blootgesteld worden aan geluidsoverlast veroorzaakt beroepshardhorigheid en zelfs beroepsdoofheid, opgenomen op de lijst van de erkende beroepsziekten (K.B. dd. 28 maart 1969, herhaaldelijk gewijzigd).
- Daarnaast is er, en niet in het minst, de bijzonder grote visuele pollutie die de verzoekende partijen - rechtstreeks omdat zij er wonen, bij weerkaatsing omdat zij er werken en op verantwoordelijke wijze mensen tewerk stellen - zullen ondergaan eenmaal in hun onmiddellijke omgeving twee windturbines omzeggens bestendig in werking zullen zijn. Men moet zich daarbij realiseren dat het gaat om molens van het grootste type dat ooit is neergezet. In werking bereiken zij een tiphoogte van niet minder dan 140 meter, de mast op zich reeds 100 meter hoog zijnde. Ze zijn derhalve, zeker in molenwiekende bezigheid, gewoon nooit uit het gezichtsveld te bannen. Ook wie woont en werkt in een (overigens onwettig; zie eerste middel) industriegebied moet niet om het even welke visuele hinder ondergaan, ook niet van andere industriële bouwwerken (quod non). Door hun aard en constructie zijn de beide windmolens met geen enkel bedrijfsgebouw op het ganse bedrijventerrein ook maar enigszins te vergelijken. Ze vallen gewoon wegens hun specificiteit, en vooral hun immense hoogte, totaal uit de toon. Ze zijn zelfs in geen enkel opzicht te vergelijken met het 35-meter hoog torengebouw van de n.v. LT.G. op het bedrijvenlot 14/10 langs de Zegerstraat. Overigens zijn de torens 4 keer zo hoog als dit gebouw, dat het hoogste is van het ganse bedrijventerrein. Uw Raad aanvaardt in de regel dat belangrijke visuele hinder een MTHEN uitmaakt. (R.v.St., nr. 76.973 dd. 18 november 1998 en nr. 77.
- dd. 3 december 1998, T. Gem., 2000, blz. 100 en blz. 103). In zijn rapport in de zaken A. 82.082 en 82.083 (huisvuilverbrandingsinstal- latie Drogenbos) heeft de eerste auditeur-afdelingshoofd die visuele hinder, nl. de opstijgende rookpluim, voldoende ernstig geacht in volgende termen: VII-32.107-8/17 'Het 'voortdurend (...) moeten uitkijken op de oven in werking', hoe minimaal de visuele impact van deze oven ook mag zijn, kan in casu dan ook beschouwd worden als een ernstig nadeel(...)'. In het arrest nr. 99.794 dd. 15 oktober 200l heeft Uw Raad die visie gevolgd. Ook te dezen is het vooral het aspect 'voortdurend' dat de hinder een bijzonder ernstig en moeilijk te dragen karakter geeft en dat, eenmaal ondergaan, niet meer kan goedgemaakt worden. Nutteloos zou men voorhouden dat de visuele werkingshinder, veroorzaakt door aanhoudend in beweging zijnde windmolens, zeer verscheiden kan beleefd worden en mitsdien van subjectieve aard is. Uw Raad verwerpt zulk argument als niet-relevant, zoals o.m. blijkt uit het arrest nr.74.105 Rondelez, dd. 3 juni1998, dat o.m. overweegt : '(...) dat, aangezien iemands leefklimaat bestaat uit het geheel van subjectief te waarderen omstandigheden waarin men moet leven, de elementen die worden aangevoerd ter adstructie van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, subjectief kunnen overkomen; dat artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet vereist dat het nadeel door iedereen in gelijke omstandigheden op gelijke wijze wordt ervaren; dat in voorliggend geval het nadeel tevens een objectief element inhoudt, gelet op wat hiervoor werd overwogen en op het niet betwistbare feit dat het rechtstreeks uitzicht van verzoeker aanzienlijk zal worden beperkt door de uitvoering van de verleende bouwvergunning'; In Jabbeke werd de bouwvergunning van een funerarium geschorst, niet omwille van het gebouw op zich, maar omwille van de omstandigheid dat de buur niet zou kunnen leven met de gedachte bestendig naast opgebaarde lijken te moeten leven (Rv.St., nr. 59.077, Van nest, 15 april 1996). Dit is uiteraard een subjectieve beleving. Ook in het recente arrest DEBACKER nr. 112.680 dd. 19 november 2002 oordeelde Uw Raad dat de daar bestreden vergunning voor drie windmolens van 104 m (dus heel wat minder hoog dan thans) een MTHEN zou veroorzaken : 'Overwegende dat, gelet op de aard en inzonderheid de hoogte en omvang van de vergunde windturbines die elk een maximale hoogte hebben van 104 m en een wiekdiameter van 46 m, het aannemelijk lijkt dat eerste verzoeker, waarvan niet wordt betwist dat hij woont op 250 m van de vergunde constructies, een rechtstreeks zicht heeft op de vergunde constructies en de werking ervan, zelfs zonder zich te moeten begeven naar eerder ongebruikelijke plaatsen van zijn eigendom of de plaatsgesteldheid te wijzigen; dat gelet op deze, in casu korte afstand tussen de woning van eerste verzoeker en de inplantingsplaats van de vergunde windturbines, -uit de bestreden beslissing blijkt overigens de aldaar geciteerde omzendbrief de minimumafstand tot een woning ten minste 150 m dient te bedragen- de door de vergunde constructies veroorzaakte 'visuele pollutie' een voldoen- de persoonlijk en ernstig nadeel is in hoofde van eerste verzoeker [. ..] dat de omstandigheid dat de windturbines worden vergund in een omgeving waarin reeds andere industriële gebouwen zijn gevestigd, niet tot gevolg heeft dat verzoeker zich dient neer te leggen bij om het even welke stedenbouwkundige vergunning voor een inrichting met industrieel karakter'. In de onderhavige casus bevinden de bedrijfswoningen en de bedrijfsgebou- wen van de verzoekers zich allen op een (vaak veel aanzienlijk) mindere afstand dan 250 meter. Alleen zijn ze, anders dan het geval was in de zaak Debacker, ook zelf in het industrieterrein gelegen. Verzoekers hebben echter reeds hoger de irrelevantie van dit element aangetoond. Bovendien was in de zaak Debacker tussen de woning van die verzoeker en de vestigingsplaats, de autostrade E40 gelegen, wat op zich reeds voor een polluerend uitzicht zorgt, hetgeen echter voor Uw Raad geen afdoende reden is geweest om het MTHEN af te wijzen. Te VII-32.107-9/17 dezen sluiten de gebouwen en woningen vloeiend aan op de site waar de turbines voorzien worden. Uw Raad heeft reeds een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aangenomen erin bestaande te moeten uitkijken op een GSM-mast van 23 meter. Weliswaar werd hij opgesteld op slechts enkele meters van de perceelsgrens, wat te dezen uiteraard niet het geval is, maar hier betreft het niet één mast van 23 meter maar wel vier draaiende torens van 133 meter ( R.v.St., nr. 118.573, Van Herck, dd. 24 april 03; Rv.St., nr. 106.155 dd. 29 april 02 dat een GSM-project van 20 meter betreft; het arrest nr. 100.514 dd. 31 oktober 01 verwerpt de schorsings- vraag tegen een stedenbouwkundige vergunning voor een zendinstallatie met drie antennes tegen het gevelvlak van de kerktoren van Zwalm omdat de middelen niet ernstig bevonden werden, hetgeen erop wijst dat de Raad wel een MTHEN bewezen achtte; R.v.St. nr. 87.875, Lorent, 7 juni 2000; ook de rechtbank van eerste aanleg van Gent achtte de visuele stoornissen van een GSM zendmast een buitensporige burenlast: T.M.R., 03, 154).
- Bovendien, gezien de woningen en de gebouwen op zulke geringe afstand gelegen zijn, zullen verzoekers, hun gezinsgenoten en personeelsleden, gezien de grote hoogte van de turbines, de slagschaduwen, het flikkereffect ervan moeten ondergaan. Studies hebben uitgewezen dat dit flikkereffect bijzonder irriterend werkt en bij daarvoor gevoelige mensen zelfs epileptische aanvallen kan uitlokken. De omstandigheid dat dit effect zich slechts enkele tientallen uren per jaar voordoet (afhankelijk van de seizoenen en de zonnestand doet het zich gedurende een aantal weken na mekaar een aantal minuten per dag voor) doet daar niet aan af.
- Nadelen van die aard, eenmaal ondergaan, zijn bij bepaling onherstelbaar. Na een later komend annulatiearrest zal de toestand van de verzoekers, alleenstaande particulieren, ook bijzonder moeilijk te keren zijn"; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt wat volgt : "Verzoekende partijen gaan hier uitgebreid op in. Een aantal van de aangevoerde nadelen zijn evenwel louter potentieel, en kunnen geenszins een schorsingsverzoek schragen. Zo is de verwijzing naar eventuele uitbreidingsplannen van het garagebedrijf vandaag niet aan de orde. Verder moet opgemerkt worden dat verzoekers aan of bij de Deinsesteenweg wonen en werken. Dit is één van de drukste wegen in en rond Tielt. Daarnaast palen zij aan het industrieterrein Noord, dat in volle ontwikkeling is. Op dit industrieterrein bevinden zich tal van grote bedrijven. Bijlage 3 bij huidig administratief dossier bevat een overzicht van de door de Bestendige Deputatie vergunde klasse 1-bedrijven. Hieruit blijkt dat er reeds heel wat grote bedrijven gevestigd zijn in de directe omgeving, en er nog plaats is voor bijkomende industrie. De 2 windmolens (met geel omcirkeld) vallen daarbij zeker niet uit de toon. Zeggen dat de huidige werking en ontwikkelingen van verzoekers zullen bemoeilijkt worden louter en alleen door de komst van die 2 molens is dan ook de waarheid (sic) aandoen. Overal tussen de Kanegemstraat en de Deinsesteen- weg zijn er al diverse grote industriële activiteiten (waarvan een groot aantal in ontwikkeling en reeds vergund, cfr. milieuvergunning dd. 11(12/2003 waarbij NV Verhelle - nr. 19 op de lijst - op 11/12/2003 van de Bestendige Deputatie toestemming kreeg om gevoelig uit te breiden - zie bijl. 4), die allemaal wel voor enige hinder zullen zorgen. VII-32.107-10/17 Voor zover bekend hebben verzoekende partijen nooit de diverse gewestplan- wijzigingen bestreden, en dus de omschakeling naar industrieterrein aanvaard. Ze wisten en weten dus dat er zich in hun omgeving tal van industriële ontwikkelingen zouden voordoen. Het is dan ook niet ernstig om nu (gratuit) te beweren dat louter en alleen 2 windmolens zouden zorgen voor alle mogelijke hinder. Verzoekers verwijzen ook naar de te verwachten bijzonder grote visuele pollutie. Ook hier weer worden ten onrechte alleen de windmolens met alle zonden van Israël beladen. De windmolens zijn zoals gezegd voorzien in gebied voor milieubelastende industrie waar visuele schoonheid niet meteen een relevante factor is bij beoordeling van vergunningsaanvragen. In ditzelfde industriegebied bevindt zich trouwens enige honderden meters verder een reusachtige loods van een textiefbedrijf (nr.6 op de lijst), waarvoor Tielt eerder de stedenbouwkundige vergunning heeft verleend. Die loods ligt op de heuveltop, en is van heel ver zichtbaar (zie vb. foto's 4 en 7 bij bijlage 9 van het eerder aanvraagdossier gevoegd bij het eerste administratief dossier). Geen van de verzoekers heeft voor zover bekend ooit geprotesteerd tegen dergelijke visuele 'zichttrekkers' (zoals de gemeentelijke milieu-ambtenaar het plastisch omschrijft) in het industriege- bied; De visuele impact hiervan is minstens even groot als van de thans bestreden windmolens (zie vb. visualisatie 5 bij sub bijlage 4 van bijlage 11 bij het aanvraagdossier - gevoegd bij het eerste administratief dossier). Uit het milieutechnisch onderzoek door afdeling Milieuvergunningen is gebleken dat de exploitant afdoende garanties kan bieden om de uitbating veilig en milieutechnisch aanvaardbaar te houden. Dit wordt trouwens beaamd door de stedelijke milieudienst van Tielt (zie bijl. 4 van het vorig administratief dossier). Uit het onderzoek door het Instituut voor Natuurbehoud blijkt dat geen natuurwaarden in de omgeving zouden geschonden worden door deze molens. Gelet op dit alles kan de Bestendige Deputatie dus wel degelijk verzekeren dat verzoekers geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel zullen ondervinden van de vergunde windmolens"; 3.
- Overwegende dat de tussenkomende partij volgende repliek geeft : "Onder voorbehoud van de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de vordering (zie sub. III), dient benadrukt te worden dat het verzoekschrift geen enkele uitsplitsing maakt naar de vijf verzoekende partijen toe wat het beweerde MTHEN betreft. De rechten van verdediging worden dan ook manifest geschonden en onder voorbehoud hiervan beantwoordt tussenkomende partij hierna de grieven die kriskras door elkaar worden geponeerd.
- Een collectief verzoekschrift is enkel ontvankelijk wanneer alle verzoekers hetzelfde MTHEN ondergaan en éénzelfde belang hebben bij de middelen. Welnu, in casu is het vermeende MTHEN in hoofde van elk van de verzoekende partijen verschillend, de één is verder gelegen dan de andere, de één produceert zelf meer geluid dan de andere, enzovoorts. Daarenboven hebben de verzoekende partijen ook niet hetzelfde belang bij de middelen. Voorliggend collectief verzoekschrift is dan ook rechtens niet aanvaardbaar, eens te meer verzoekende partijen nalaten om elk precies te omschrijven welke de impact zou kunnen zijn van de exploitatie ten aanzien van elk van de verzoekende partijen, doch zich beperken tot een chaotische opsomming van VII-32.107-11/17 vermeende nadelen, waarbij het niet steeds duidelijk is wie precies getroffen wordt door het vermeende nadeel.
- Verzoekende partijen beroepen zich allen op een vermeend bederf van een aangenaam en gezond werk-, woon en leefklimaat. 2.
- Welnu, dienaangaande dient in eerste instantie vastgesteld te worden dat drie van de vijf verzoekende partijen rechtspersonen zijn, wat maakt dat zij de bedoelde nadelen van nature niet kunnen inroepen, zelfs niet in naam van hun werknemers. 2.
- Voor zover Uw Raad desalniettemin zou besluiten dat in casu rekening kan worden gehouden met de belangen van de werknemers, dient vastgesteld te worden dat de verzoekers nalaten te omschrijven wat hun bedrijfsactiviteiten zijn, in welke omstandigheden de werknemers tewerk gesteld zijn, en hoe zij mogelijkerwijze hinder zouden kunnen ondergaan. Dat uit de rechtspraak van Uw Raad blijkt dat precieze informatie over deze elementen thans essentieel is om te kunnen oordelen of de werknemers al dan niet een nadeel kunnen ondergaan (R.v.St. 127.548, 29 januari 2004). Dat de ontstentenis aan deze concrete beoordelingselementen sowieso dient te leiden tot een afwijzing van het vermeende doch niet gepreciseerde en niet gestaafde nadeel. 2.
- Dat de vermeende aantasting van het beweerde aangenaam en gezond werk-, woon en leefklimaat, is gegrond op een vermeende bovenmatige geluidshinder. Welnu, de voorstelling van feiten dienaangaande is volkomen verkeerd. Dat verzoekers voorhouden dat er in casu een geluidshinder zou zijn van 102 dB (A), wat niet zoveel zou verschillen van een opstijgend lichter vliegtuig. Dat verzoekers de cijfergegevens van de bedoelde milieunota evenwel volkomen verkeerd beoordelen. Dat verzoekers emissie verwarren met immissie. Dat er weliswaar een emissie is van 102 db (A) (dit is het brongeluid), doch de immissie gemeten op grondniveau (dit is het geluid dat voor ons waarneembaar is) ligt onder de nachtelijke 55dB(A) milieukwaliteitsnorm van Vlarem II. Dat uit de geluidsstudie bijlage 10 (Rapport A.0208.1816F) immers blijkt dat de geluidshinder in alle gemeten punten (inclusief de metingspunten in het industriegebied) steeds beneden de Vlarem II norm blijft (alhoewel er in rechte geen specifieke geluidsnormen bestaan; zie hoger betreffende het vijfde middel). Dat deze vaststelling reeds volstaat om in casu te besluiten dat er geen sprake kan zijn van geluidshinder als MTHEN (R.v.St., nr. 127.083, 15 januari 2004). Dat in de milieunota tevens werd vastgesteld dat de te verwachten geluidshin- der voor de woningen langs de Deinsesteenweg, niet meer zou bedragen dan: immissie: 45,9 dB(A) en 45,6 dB (A), bij emissie 102 dB(A) op Sm/s op 10 m hoogte (zie pagina 19 milieunota d.d. 24 februari 2003). Waarbij weze benadrukt dat ook de 'bedrijfswoning' van tweede verzoeker is gelegen op deze steenweg. Dat zodoende ook uit de correcte voorstelling van feiten blijkt dat de leefkwaliteit op elk ogenblik gegarandeerd is, niet enkel buiten het industriege- bied, doch ook binnen het industriegebied (minstens voor wat betreft de meetpunten, te weten de Deinsesteenweg).
- Dat de eerste en derde verzoeker tevens aanvoeren dat zij een geplande investering zullen moeten herzien ingevolge de exploitatie van de windturbines. Welnu, in de mate dat dit al het geval zou zijn - verzoeker brengt immers geen enkel stuk aan dat deze bewering staaft - is dit nadeel in hoofde van een NV in ieder geval louter financieel, en dus herstelbaar.
- Dat verzoekende partijen voorts beweren dat zij visuele pollutie zouden ondergaan (punt 10 van het MTHEN in de vordering tot schorsing). Dat in eerste instantie dient opgemerkt te worden dat de vermeende visuele hinder in hoofde van de werknemers van sommige van de verzoekende partijen geenszins in aanmerking kan genomen worden, en wel omdat deze personen niet VII-32.107-12/17 in zake zijn (R.v.St., nr. 115.655, 11 februari 2003; R.v.St. nr. 110.759, 30 september 2002). Dat de vermeende visuele hinder in hoofde van de rechtspersonen van nature niet kan aangenomen worden. Dat de vermeende visuele hinder in hoofde van de tweede en vijfde verzoekende partij dient verworpen te worden als zijnde niet ernstig. Dat immers dient benadrukt te worden dat deze verzoekende partijen er 'bewust' voor gekozen hebben om te wonen binnen het bedoelde industriegebied. Wat maakt dat de visuele hinder dan ook concreet dient beoordeeld te worden in functie van de inplanting ervan in het industriegebied. Dat een industriegebied per definitie bestaat uit bedrijfsgebouwen met een volkomen gedifferentieerd uitzicht, en wel omdat de bedrijfsgebouwen worden gebouwd in functie van de productie, de efficiëntie, de marktevolutie, de conjunctuur, ... Dat de inplanting van de twee windturbines dan ook geen afbreuk doet aan het reeds gedifferentieerd uitzicht van een industriegebied. Dat in de mate dat er al 'sprake zou kunnen zijn van enige visuele hinder', deze hinder geenszins abnormaal is voor een industriegebied. Dat van de tweede en vijfde verzoeker dan ook een grotere tolerantie mag worden verwacht, nu deze partijen vanaf het begin konden weten dat een industriegebied wordt gekenmerkt door een gedifferentieerd uitzicht. Dat Uw Raad dienaangaande in het arrest 125.815 d.d. 28 november 2003 uitdrukkelijk heeft gesteld dat : 'wie in een gebied van milieubelastende industrie woont, of in de rand daarvan, kan en moet verwachten dat hij zal moeten uitkijken op industriële constructies en exploitaties, dat er van hem ter zake een grotere tolerantie mag worden verwacht dan van bewoners van gebieden waar dergelijke constructies niet thuishoren'. Dat deze rechtspraak inmiddels werd bevestigd in het arrest 127.083 dd. 15 januari
- Dat verzoekers dan ook volkomen onterecht beweren op pagina 45 van hun verzoek tot schorsing dat het feit dat zij wonenbinnen het industriegebied irrelevant zou zijn voor de beoordeling van het MTHEN. Dat precies het feit dat verzoekers in casu wonen in het industriegebied impliceert dat verzoekers niet langer een vermeende visuele hinder kunnen opwerpen als ware het een MTHEN, nu deze hinder eenmaal eigen is aan een industriegebied. Dat precies het feit dat verzoekers in casu wonen in het industriegebied maakt dat de in het verzoek tot schorsing geciteerde rechtspraak in casu niet mutatis mutandis kan worden toegepast, nu precies in die arresten wél sprake kon zijn van visuele hinder, gezien het ongerept karakter van de omgeving.
- Dat verzoekende partijen ten slotte beweren dat zij, hun gezinsleden en personeelsleden de slagschaduw en het flikkereffect van de turbines zullen moeten ondergaan (punt 11 van het MTHEN in de vordering tot schorsing) Dat verzoekers evenwel geen enkel stuk voegen waaruit zou blijken dat zij inderdaad slagschaduw of flikkereffecten zouden ondergaan. Laat staan dat verzoekers individueel aannemelijk maken in welke mate zij persoonlijk het vermeende nadeel ondergaan. Dat vage en algemene beweringen of al te summiere uiteenzettingen niet kunnen leiden tot het aanvaarden van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel (R. v. St., nr. 37.431, 4 juli 1991;R.v.St., nr. 37.392, 28 juni 1991). Dat Uw Raad zeer recent, in het kader van een vordering tot schorsing van een milieuvergunning, heeft geoordeeld dat er geen sprake kan zijn van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in hoofde van omwonenden wanneer deze omwonenden zich beroepen op een flikkereffect, doch geen enkele toelichting verschaffen hieromtrent (R. v. St., nr. 125.815, van 28 november 2003). VII-32.107-13/17 Dat deze rechtspraak in casu mutatis mutandis kan worden toegepast. Dat andermaal dient te worden benadrukt dat in de omzendbrief in algemene termen wordt gesteld dat de mogelijke invloed van slagschaduw, lichtreflecties en ijsafzetting, op meer dan 150 meter naar de menselijke leefmilieu verwaar- loosbaar is of niet van toepassing (zie de omzendbrief EME/2000.0l d.d. 17 juli 2000, BS 1 september 2000, 4.
- Afwegingselementen voor locatiekeuze, onder de subtitel slagschaduw, lichtreflecties en ijsafzetting, alinea 3). En verder dat aangepaste verf lichtreflectie voorkomt. Dat in casu (zie stuk 4) :
- het bedrijfsgebouw van eerste verzoekende partij is gelegen op 245 meter van WT2 (dichtst gelegen turbine) S dat de bedrijfswoning van tweede verzoeker is gelegen op 250 meter van WT2 (dichtst gelegen turbine) S de bedrijfswoning (zonder verblijf) van derde verzoeker is gelegen op 215 meter S het bedrijfsgebouw van derde verzoeker is gelegen op 195 meter van WT2 S het bedrijfsgebouw van vierde verzoeker is gelegen op 180 meter van WT1 en 280 meter van WT2 S de bedrijfswoning van vijfde verzoeker is gelegen op circa 220 meter van WT1 en circa 305 meter van WT
- Dat alle verzoekers dus zijn gelegen op veel méér dan 150 m van de dichtstbijzijnde turbine, zodat van enige impact inzake slagschaduw of lichtreflecties geen sprake kan zijn. Dat verzoekers zich geenszins kunnen beroepen op het vermeende nadeel dat de derde bewoners van de meer nabij gelegen bedrijfswoningen mogelijkerwijze zouden kunnen ondergaan, noch op het vermeende nadeel in hoofde van hun gezinsleden of personeelsleden (R. v. St., nr. 115.655, 11 februari 2003; R.v.St. nr. 110.759, 30 september 2002).
- Dat om al deze redenen het beweerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel noch in rechte, noch in feite aanvaardbaar is"; 3.4.
- Overwegende, vooreerst, dat de door de verzoekende partijen opgegeven afstanden van hun bedrijven en bedrijfswoningen t.o.v. de windturbines verschillend zijn van deze door de tussenkomende partij opgegeven; dat binnen het kader van een administratief kort geding de Raad van State niet op voldoende zekere wijze kan uitmaken welke in casu de juiste afstand is; dat in elk geval op het eerste gezicht duidelijk kan worden opgemaakt -en dit aan de hand van stukken neergelegd door alle partijen- dat het bedrijfsgebouw van de vierde verzoekende partij met inbegrip van bedrijfswoning die de vijfde verzoeker betrekt niet op ca 50 meter van één van de windturbines is gelegen, maar op minstens 138 meter van de buitenste rand van de windturbine 1; 3.4.
- Overwegende dat de eerste, derde en vierde verzoekende partijen als rechtspersonen noch visuele hinder, noch geluidsoverlast kunnen ondergaan evenmin als hinder van eventuele slagschaduw en flikkereffect; dat die verzoekende partijen zich niet kunnen beroepen op het nadeel dat hun arbeiders, i.e. derden, VII-32.107-14/17 mogelijk van de exploitatie van de windmolens zouden kunnen ondervinden; dat bezwaarlijk kan worden aangenomen dat de goede naam en faam van een onderne- ming wordt bepaald door aanwezigheid en de exploitatie van twee windmolens gelegen binnen hetzelfde industriegebied en dat de arbeiders om die reden zullen afhaken; dat de overige aspecten qua nadeel die de eerste, tweede en vierde verzoekende partijen aanvoeren louter van financiële aard zijn; dat dergelijk nadeel in principe niet moeilijk te herstellen is; dat niet wordt aangetoond dat in casu dit principe niet geldt; 3.4.
- Overwegende, wat de door tweede en vijfde verzoeker aangevoer- de visuele hinder betreft, dat dergelijk eventueel nadeel niet rechtstreeks voortvloeit uit de bestreden beslissing, maar uit de voor de windturbines verleende of nog te verlenen bouwvergunning; dat overigens wie in een gebied voor milieubelastende industrie woont kan verwachten dat hij zal moeten uitkijken op industriële constructies en exploitaties, die om reden van de evolutie van de technologie verschillend kunnen zijn van wat in het verleden doorging als typische industriële constructies; dat de verzoekende partijen onder impliciete verwijzing naar het eerste middel in hun betoog wel stellen dat de verwerende en de tussenkomende partijen zich niet op wettige wijze kunnen beroepen op de bestemming van de site als bedrijventerrein om van de verzoekende partijen "een grotere tolerantie dan de doorsnee tolerantie te vergen"; dat evenwel de verzoekende partijen eraan voorbijgaan dat ook zij een industriële activiteit op het bedrijventerrein uitoefenen of een bedrijfswoning, i.e. een woning die hoort bij een bedrijf betrekken, terwijl vóór de gewestplanwijzigingen van respectievelijk 15 december 1998 en 23 november 1994 de gewestplanbestemming van het huidige bedrijventerrein agrarisch gebied was, waarbinnen industrie niet thuishoort; dat de verzoekende partijen dan ook niet goed geplaatst zijn om wat hen betreft enkel die hinder als aannemelijk te beschou- wen die zou voortvloeien uit of gelijkgesteld zou kunnen worden met hinder veroorzaakt door agrarische of para-agrarische activiteiten; 3.4.
- Overwegende, wat de door de tweede en vijfde verzoeker aangevoerde geluidshinder betreft, dat zij daartoe het brongeluid van 102 dB(A) in aanmerking nemen en dat zij in hun toelichting bij het vijfde middel die geluidshinder vergelijkbaar achten met de hinder veroorzaakt door een opstijgend licht vliegtuig; dat evenwel de tussenkomende partij terecht opwerpt dat het brongeluid van 102 dB(A) niet in aanmerking kan worden genomen, vermits dit het emissiegeluid is, terwijl voor de beoordeling van de geluidshinder, het immissiegeluid, zijnde het VII-32.107-15/17 geluid dat waarneembaar is op grondniveau, moet in aanmerking worden genomen; dat van wie in een industriegebied woonachtig is of aldaar werkzaam is, op het vlak van de geluidshinder een grotere tolerantie mag worden verwacht dan van diegenen die in woon- of landelijke gebieden woonachtig of werkzaam zijn; dat aldus voor industriegebieden, met inbegrip van bedrijfswoningen, de in Vlarem II algemeen vastgelegde grens-geluidsnormen hoger liggen dan voor andere gebieden; dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de geluidshinder veroorzaakt door de exploitatie van de windturbines deze grens-geluidsnormen zal overschrijden en aldus de perken te buiten gaat van wat in het algemeen als normaal kan worden beschouwd voor een gebied dat bestemd is voor milieubelastende industrie, terwijl uit het door de tussenkomende partij neergelegd rapport A.O 208.1816F prima facie kan worden opgemaakt dat op het industrieterrein die normen niet zullen worden overschreden; dat ook nog kan worden opgemerkt dat de in de omzendbrief EME/2000.01 vooropgestelde maximumgeluidsnorm van LA 95, 1 h min 5 dB (A) expliciet geldt voor "landelijke zones" waartoe prima facie het betrokken industrieterrein bezwaarlijk kan worden gerekend; 3.4.
- Overwegende dat de tweede en vijfde verzoeker niet op afdoende concrete wijze aannemelijk maken dat zij omwille van de exploitatie van de windturbines ernstige hinder zullen moeten ondergaan, qua slagschaduw of flikkereffecten door de wieken van de windmolens, die dienen te worden voorzien van een matgrijze of een vergelijkbare kleur; 3.4.
- Overwegende dat niet voldaan is aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, zonder dat de door de tussenkomende partij opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid van de vordering moet worden onderzocht, BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. ASPIRAVI in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
- VII-32.107-16/17 De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien oktober tweeduizend en vier, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-32.107-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.039 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.191 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.