← België

Arrest 136069 - - 14/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.069 Rolnummer: A. 137934/XIV-15538 Zaak: Arrest 136069 - - 14/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-19 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-04 11:33 Fiche Arrest nr 136.069 van 14 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.069 van 14 oktober 2004 in de zaak A. 137.934/XIV-15.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. BUYTAERT, kantoor houdende te 9120 BEVEREN, Grote Markt 34 b tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Pakistaanse nationaliteit, op 12 juni 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 6 mei 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 7 maart 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 13 mei 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 19 juni 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 1 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 september 2004; XIV-15.538-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. KUSTERS, die loco advocaat P. BUYTAERT verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 27 januari 2003 en zich op 31 januari 2003 vluchteling verklaart; dat op 7 maart 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 6 mei 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U verklaarde de Pakistaanse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn uit Bara, district ‘Khyber agency’, ‘North West Frontier Province’ (NWFP). Sinds 1993 was u eigenaar van een boekenwinkel in de Cantonment-wijk in Peshawar. Begin juli 2002 vroeg de schrijver Fazal Wahab u zijn boek te verdelen omdat uw winkel veel klanten trok. Het was een controversieel boek over de activiteiten van mullahs. U ging akkoord. Op 15 augustus 2002 werd uw winkel in uw afwezigheid door enkele tientallen mensen onder leiding van een plaatselijke mullah van ‘Jamaat-e-Islami’ (Jel) aangevallen. U vernam dit van uw verkoper en keerde de volgende dag terug. Op 17 augustus 2002 besloot de Pakistaanse regering de verkoop van het boek te verbieden. U stad de overige kopieën in brand. De politie kwam na de aanval uw winkel bekijken maar ondernam geen actie. Rond 20 augustus 2002 sloot u uw winkel uit schrik voor de mullahs. U had sinds enige tijd een conflict met enkele neven omtrent grond in de ‘Khyber agency’. Uw neven raakten op de hoogte van uw problemen met de mullahs en probeerden de situatie te misbruiken om de grond die u van uw grootvader erfde in te palmen. Eind augustus 2002 vernam u dat uw huis in de ‘Khyber agency’ in brand was gestoken. U vermoedt dat uw neven erachter zitten. Op 21 oktober 2002 las u in een plaatselijke krant dat Fazel Wahab door onbekenden vermoord was. De volgende dag kreeg u een dreigtelefoontje waarin naar de moord op Fazel Wahab verwezen werd. U trok op 23 oktober 2002 naar Islamabad waar u bij een vriend verbleef. U hoorde van uw oom dat de politie u op 24 oktober 2002 zocht en dat een onbekende op 25 oktober een granaat in uw huis had gegooid. Op 30 oktober 2002 nam u een vlucht naar Dubai en vandaar naar Istanbul. Na vijf dagen verblijf reisde u per schip naar Italië en per trein naar België. U kwam hier op 24 of 25 november 2002 aan maar werd door de reisagent gedurende twee maanden vastgehouden op een onbekende plek, tot de agent in Pakistan al het geld gekregen had. U werd enkele dagen voor uw asielaanvraag vrijgelaten maar wist niet waar naartoe. U vroeg op 31 januari 2003 asiel aan. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat nergens uit uw opeenvolgende verklaringen op de dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en het commissariaat-generaal (CGVS) blijkt dat u uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie uw land van herkomst diende te ontvluchten. Zo blijkt dat cruciale elementen in uw vluchtrelaas niet overeenstemmen met informatie ter beschikking van het CGVS. U baseerde uw vrees voor vervolging op het feit dat u een ophefmakend boek verkocht van de schrijver Fazel Wahab en dat deze op 21 oktober 2002 vermoord werd in Mingora (CGVS, p. 16). De dag na de moord ontving u een dreigtelefoontje waarin de spreker verwees naar die moord en u zelf met de dood bedreigd werd (CGVS, p. 16). Uit informatie ter beschikking van het CGVS en waarvan een copie aan XIV-15.538-2/5 het administratief dossier werd toegevoegd blijkt dat Fazel Wahab echter op 21 januari 2003 vermoord werd, en niet op 21 oktober 2002 zoals u beweerde. Het gaat duidelijk om dezelfde schrijver: u verklaarde dat hij in Mingora (Swat-district) vermoord werd (CGVS, p. 16), dit wordt bevestigd door de informatie ter beschikking van het CGVS. Het boek ‘Mullah ka Kirdar’, dat u beweerde in uw winkel verkocht te hebben (CGVS, p 10), is zo blijkt uit informatie ter beschikking van het CGVS wel degelijk van Fazel Wahab. Bovendien blijkt uit de informatie ter beschikking van het CGVS, en waarvan een kopie aan het administratief dossier werd toegevoegd, dat dit boek al van 2000 dateert. Het is dan ook bevreemdend te noemen dat de regering het pas in augustus 2002 zou verboden hebben (CGVS, p 11). Het feit dat u een andere datum opgaf voor de moord is uiterst bevreemdend, te meer daar u er uw eigen vrees voor vervolging op baseerde. Direct na de moord kreeg u immers in oktober 2002 van een onbekende een dreigtelefoontje (CGVS, p. 16). Bovendien blijkt uit uw verklaringen dat u op het moment van de moord, 21 januari 2003, al in België was. U was al rond 24 à 25 november 2002 in België aangekomen, maar kon pas op 31 januari 2003 asiel aanvragen omdat u door de reisagent werd vastgehouden (CGVS, p 3). U kan dus onmogelijk uw vrees voor vervolging door de daders van of medeplichtigen aan deze moord en de gebeurtenissen erna in oktober 2002 situeren. Er kan gezien bovenstaande opmerkingen dan ook geen geloof worden gehecht aan uw vrees voor vervolging in Pakistan. De problemen die u met uw neven had en door wie u vreesde vervolgd te worden van lokale en interpersoonlijke aard. Bovendien hebben ze geen band met één van de criteria van de Vluchtelingenconventie. Het conflict draait immers rond een erfenis (CGVS, p 13). De documenten die u ter staving van uw vluchtrelaas voorlegde zijn niet van die aard dat ze de appreciatie van de commissaris-generaal inzake uw asielaanvraag in positieve zin kunnen wijzigen. Het gaan om volgende documenten: uw identiteitskaart, een naamkaartje van uw winkel, een briefhoofd van uw winkel, een krantenartikel dd. 22 oktober 2002 rond de moord op Fazel Wahab en een artikel dd 16 augustus 2002 rond de aanval op uw boekenwinkel. De authenticiteit van deze krantenartikels kan door bovenstaande opmerkingen in twijfel worden getrokken. Bovendien is het bevreemdend dat u niet de hele pagina’s van de krant met de bewuste artikels voorlegde maar een collage bestaande uit de hoofding van de krant waarop de datum van publicatie vermeld staat en het artikel zelf. Dit doet nog meer twijfels rijzen omtrent de authenticiteit van de artikels. (...).”; 2.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending opwerpt van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat zij aanvoert dat de commissaris-generaal een diepgaand onderzoek naar beweerde tegenstrijdigheden enkel in de procedure ten gronde en niet in de ontvankelijkheidsfase kan voeren, dat de verzoekende partij een coherent verhaal heeft aangebracht waaruit blijkt dat zij voldoet aan de voorwaarden van de Vluchtelingenconventie van Genève, dat zonder onderzoek ten gronde niet kon worden beslist tot het voorhanden zijn van enkele tegenstrijdigheden, dat de aangebrachte feiten niet zonder meer als “bedrieglijk” konden worden beschouwd, dat de verzoekende partij haar asielrelaas naar waarheid heeft verteld en het niet kan helpen dat de auteur van het befaamde boek pas later zou zijn vermoord dan door haar aangegeven; 2.
  4. Overwegende dat de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet de commissaris-generaal de mogelijkheid bieden om een bevestigende beslissing te nemen inzake de onontvankelijkheid van een asielaanvraag op basis van de bedrieglijkheid of de kennelijke ongegrondheid ervan; dat een onderzoek in de ontvankelijkheidsfase door de commissaris-generaal, waarbij wordt besloten tot de bedrieglijkheid en/of de kennelijke ongegrondheid van een asielaanvraag noodzakelijkerwijze een vergelijking inhoudt van de verklaringen van de betrokkene met XIV-15.538-3/5 bekende objectieve criteria die op het specifieke geval van toepassing zijn; dat daarbij dient te worden onderzocht of er redelijkerwijze van uit mag worden gegaan dat de feiten die de asielaanvrager naar voren brengt tijdens zijn asielaanvraag, waarachtig zijn en beantwoorden aan de criteria van de Vluchtelingenconventie van Genève; dat indien uit dit onderzoek blijkt dat de verstrekte gegevens niet met de werkelijkheid overeenstemmen of niet redelijkerwijze onder de criteria van het Vluchtelingenverdrag zijn te brengen, kan worden besloten tot de bedrieglijkheid of de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag; dat de Raad van State niet bevoegd is om zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid doch enkel om na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; dat de verzoekende partij niet eens ingaat op de concrete motieven van de bestreden beslissing en dat zij met de algemene stelling dat een onderzoek ten gronde had moeten worden gevoerd en dat zij het niet kan helpen dat de vernoemde auteur pas later is vermoord dan door haar werd vermeld, niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal met de bestreden beslissing de grenzen van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem krachtens de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is toegekend, heeft overschreden noch dat hij de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze heeft genomen; dat het enige middel ongegrond is;
  5. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  6. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-15.538-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien oktober tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-15.538-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.069 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.