← België

Arrest 136076 - - 14/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.076 Rolnummer: A. 137942/XIV-15543 Zaak: Arrest 136076 - - 14/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-19 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-04 11:33 Fiche Arrest nr 136.076 van 14 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.076 van 14 oktober 2004 in de zaak A. 137.942/XIV-15.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. BUYTAERT, kantoor houdende te 9120 BEVEREN, Grote Markt 34 b tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 12 juni 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 24 april 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 3 maart 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 13 mei 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 19 juni 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 1 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 september 2004; XIV-15.543-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. KUSTERS, die loco advocaat P. BUYTAERT verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur K. VEREEKEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 20 februari 2003 en zich op 21 februari 2003 vluchteling verklaart; dat op 3 maart 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 24 april 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u afkomstig uit Afghanistan, meer bepaald uit de provincie Logar. U verklaart, ongeveer acht maanden vóór uw aankomst in België, Afghanistan te hebben verlaten en op 21 februari 2003 vroeg u asiel aan bij de Belgische autoriteiten. Uw vader zou bij de val van Nayibullah zijn vermoord omdat hij voor de regering zou hebben gewerkt. Later zou uw broer zich bij de Taliban hebben aangesloten. Na de val van de Taliban zou uw broer zijn vermoord door zijn vijanden. Deze mensen zouden u ook hebben willen vermoorden uit vrees dat u wraak zou nemen. Daarop besloot u Afghanistan te verlaten. B. Motivering Vooreerst dient te worden opgemerkt dat u niet aannemelijk hebt gemaakt dat u tot ongeveer acht maanden vóór uw aankomst in België in Afghanistan zou hebben verbleven. Zo kan u geen gebruik maken van de in Afghanistan algemeen gebruikte Perzische kalender (zonnekalender) (zie verhoorverslag CGVS 26/03/2003), u kan zelfs niet aangeven in welk jaar we zouden zijn volgens deze kalender. Verder heeft u een zeer beperkte geografische kennis van Afghanistan. U kan geen correcte informatie geven over de topografie van de provincie waar u geboren bent, noch algemeen over Afghanistan (Afghanistan, 1:300 000, Islamabad: Afghanistan, Information management System (AIMS), 2002). U stelt immers, met uitzondering van uw eigen district, geen enkel ander district te kennen van de provincie Logar terwijl u beweert daar toch tot aan uw vertrek uit Afghanistan te hebben gewoond. U kan evenmin, met uitzondering van Logar, een provincie benoemen in Afghanistan (zie verhoorverslag CGVS, 26/03/2003, p 12). Ten slotte geeft u een verkeerde beschrijving van de Taskara, de Afghaanse identiteitskaart. U stelt dat dit een kaart, zijnde één pagina, zou betreffen (zie verhoorverslag CGVS, 26/03/2003, p 5). In werkelijkheid betreft het steeds een boekje met een aantal pagina’s. Daarnaast blijkt u evenmin kennis te hebben van het Afghaanse politieke landschap. Vooreerst beweert u dat uw vader vroeger voor de regering van Nayibullah zou hebben gewerkt. Toch kan u niet zeggen welke functie hij precies had, noch kent u de naam van de partij van Nayibullah. Bovendien herkent u noch de naam van de belangrijke geheime dienst onder het regime van Nayibullah, zijnde de Khad en de naam van de partij van Nayibullah, zijnde de Hezb-e Watan, wanneer u werd gevraagd deze termen toe te lichten (zie gehoorverslag CGVS, 26/03/2003, p 3). Zo kan u verder weinig concrete informatie geven over de periode dat de Taliban aan de macht was. U kent met uitzondering van Mullah Omar en Mullah Borjan geen enkele naam van een belangrijke politieke of militaire leider van de Taliban-beweging (zie verhoorverslag CGVS 26/03/2003, p 7). U weet evenmin wat er gebeurde toen de Taliban Mazar-e Sharif is binnengevallen terwijl dit een gekend feit is in XIV-15.543-2/5 Afghanistan (zie verhoorverslag CGVS 26/03/2003, p 12). Ten slotte hebt u slechts een zéér beperkte kennis betreffende het nieuwe regime in Afghanistan, dit ondanks dat u beweerde nog enkele maanden in Afghanistan te hebben verbleven na de installatie van dat regime. Zo weet u niets van de vermoorde ministers onder de regering van Karzaï, u kent algemeen geen enkele minister van het huidige regime, u weet niet welke functie generaal Dostum nu heeft en hoewel u enkele fracties binnen de Mudjaheddin kent, kent u niet hun respectievelijke leiders (zie verhoorverslag CGVS 26/03/2003, p. 7 en 12). Daarbij dient te worden opgemerkt dat u uitermate vaag en algemeen blijft inzake uw eigenlijke vluchtrelaas in Afghanistan. Zo stelt u dat de vijanden van uw broer ook naar u op zoek zijn. Toch kan u op geen enkele wijze toelichten wie die vijanden zijn en in welke concrete zin ze u benaderd zouden hebben (zie verhoorverslag CGVS, 26/03/2003). Bovenstaande vaststellingen nopen tot de conclusie dat er geen geloof kan gehecht worden aan het feit dat u tot recent in Afghanistan zou hebben verbleven waardoor de geloofwaardigheid van uw asielrelaas teniet wordt gedaan. U legt ook geen enkel identiteit- of reisdocument neer dat toelaat uw identiteit of reisweg te controleren. (...).”; 2.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending opwerpt van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat zij aanvoert dat de commissaris-generaal een diepgaand onderzoek naar beweerde tegenstrijdigheden enkel in de procedure ten gronde en niet in de ontvankelijkheidsfase kan voeren, dat de verzoekende partij een coherent verhaal heeft aangebracht waaruit blijkt dat zij voldoet aan de voorwaarden van de Vluchtelingenconventie van Genève, dat zonder onderzoek ten gronde niet kon worden beslist tot het voorhanden zijn van enkele tegenstrijdigheden, dat de aangebrachte feiten niet zonder meer als “bedrieglijk” konden worden beschouwd, dat in de bestreden beslissing wordt getwijfeld aan de Afghaanse nationaliteit van de verzoekende partij omdat zij gedurende het verhoor niet kon antwoorden op de vragen over Afghanistan, dat bij het stellen van de zelfde vragen echter blijkt dat de verzoekende partij de gestelde vragen wel degelijk kan beantwoorden en dat betreffende de vragen over het politieke landschap moet worden opgemerkt dat de verzoekende partij nog jong was toen de feiten zich voordeden en slechts vier jaar school heeft gelopen; 2.
  4. Overwegende dat de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet de commissaris-generaal de mogelijkheid bieden om een bevestigende beslissing te nemen inzake de onontvankelijkheid van een asielaanvraag op basis van de bedrieglijkheid of de kennelijke ongegrondheid ervan; dat een onderzoek in de ontvankelijkheidsfase door de commissaris-generaal, waarbij wordt besloten tot de bedrieglijkheid en/of de kennelijke ongegrondheid van een asielaanvraag noodzakelijkerwijze een vergelijking inhoudt van de verklaringen van de betrokkene met bekende objectieve criteria die op het specifieke geval van toepassing zijn; dat daarbij dient te worden onderzocht of er redelijkerwijze van uit mag worden gegaan dat de feiten die de asielaanvrager naar voren brengt tijdens zijn asielaanvraag, waarachtig zijn en beantwoorden aan de criteria van de Vluchtelingenconventie van Genève; dat indien uit dit onderzoek blijkt dat de verstrekte gegevens niet met de werkelijkheid overeenstemmen of niet redelijkerwijze onder de criteria van het Vluchtelingenverdrag zijn te brengen, kan XIV-15.543-3/5 worden besloten tot de bedrieglijkheid of de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag; dat de Raad van State niet bevoegd is om zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid doch enkel om na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; dat de verzoekende partij niet eens ingaat op de diverse concrete vaststellingen in de bestreden beslissing en dat zij met de algemene stelling dat een onderzoek ten gronde had moeten worden gevoerd en een algemene verwijzing naar haar jeugdige leeftijd en beperkte schoolse opleiding, niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal met de bestreden beslissing de grenzen van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem krachtens de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is toegekend, heeft overschreden noch dat hij de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze heeft genomen; dat het enige middel ongegrond is;
  5. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  6. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-15.543-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien oktober tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-15.543-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.076 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.