← België

Arrest 136091 - - 14/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.091 Rolnummer: A. 128174/XIV-12198 Zaak: Arrest 136091 - - 14/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-10 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 11:35 Fiche Arrest nr 136.091 van 14 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.091 van 14 oktober 2004 in de zaak A. 128.174/XIV-12.

  1. In zake : XXX, wonende te A., O.weg 28 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 31 oktober 1974 en van XXX nationaliteit, op 18 oktober 2002 (datum griffiestempel) heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 25 maart 2002 tot weigering van regularisatie en van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 17 september 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 22 oktober 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 12 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 16 juni 2004 om 14.00 uur; XIV-12.198-1/5 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij, die in persoon verschijnt, en van Advocaat C. DECORDIER, die loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. Verzoeker dient op 28 januari 2000 een regularisatieaanvraag in op basis van artikel 2, 3/, van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk . 1.
  4. Verzoeker wordt door de Commissie voor regularisatie op 28 maart 2001, bijgestaan door een raadsman, gehoord. De zaak wordt uitgesteld tot de zitting van 16 mei
  5. 1.
  6. Verzoeker wordt door de Commissie voor regularisatie op 16 mei 2001, bijgestaan door een tolk, gehoord. De zaak wordt ditmaal uitgesteld tot de zitting van 9 juli
  7. 1.
  8. Verzoeker wordt door de Commissie voor regularisatie op 9 juli 2001, bijgestaan door een tolk, gehoord. Hij breidt zijn regularisatieaanvraag uit tot artikel 2, 4/, van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. De zaak wordt uitgesteld tot de zitting van 17 oktober
  9. 1.
  10. Verzoeker wordt door de Commissie voor regularisatie op 17 oktober 2001, bijgestaan door een tolk, gehoord. 1.
  11. Op 25 februari 2002 verleent de derde Kamer van de Commissie voor regularisatie een ongunstig advies betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies bevat de volgende overwegingen: “(...) XIV-12.198-2/5 Verzoeker diende een aanvraag in ten einde regularisatie van zijn verblijf te bekomen op grond van art 2.3/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. Ter zitting verklaart verzoeker zich tevens te willen beroepen op art. 2.4/ van de regularisatiewet. Verblijf op 01 oktober 1999 Het daadwerkelijk verblijf van verzoeker op datum van 01 oktober 1999 blijkt uit het door verzoeker ter zitting neergelegde bewijs van huurkwijting van dezelfde datum. Art. 2.3/ Verzoeker laat na een medisch attest voor te leggen waaruit een ernstige ziekte zou moeten blijken Art. 2.4/ Verzoeker verblijft sinds 1998 in België hetgeen gelet op art. 9.9/ van de wet op zich niet als een voldoende lange termijn kan worden beschouwd De derde kamer van de regularisatiecommissie oordeelt dat, onder meer in het licht van zijn kort verblijf op Belgisch grondgebied, verzoeker nalaat afdoende humanitaire redenen of duurzame sociale bindingen aan te tonen om tot een regularisatie van zijn verblijf op basis van huidig criterium te kunnen leiden. Om deze redenen Brengt de derde kamer van de Commissie voor Regularisatie een ongunstig advies uit betreffende de aanvraag van verzoeker. (...).”. 1.
  12. Op 25 maart 2002 verwerpt de Minister van Binnenlandse Zaken de regularisatieaanvraag van verzoeker door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie. Dit is de eerste bestreden beslissing. 1.
  13. Op 17 september 2002 wordt aan verzoeker het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten ter kennis gebracht, in uitvoering van voornoemde beslissing. Dit is de tweede bestreden beslissing. 2.
  14. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel aanvoert, omdat de Minister van Binnenlandse Zaken niet de overwegingen van het ongunstig advies van de Commissie voor regularisatie kon overnemen zonder rekening te houden met de bijkomende stukken die verzoeker heeft ingediend per brief van 13 april 2002; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken werd genomen op 25 maart 2002; dat verzoekers brief met de bijkomende stukken ter staving van zijn regularisatieaanvraag, pas dateert van 13 april 2002, zodat de Minister van Binnenlandse Zaken met de desbetreffende stukken geen rekening kon houden; dat het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel derhalve niet werden geschonden; dat het eerste middel ongegrond is; 2.
  15. Overwegende dat verzoeker een tweede middel afleidt uit de schending van de motiveringsplicht omdat hij zijn medische aandoening niet heeft kunnen aantonen op de zitting van de Commissie voor regularisatie daar hij op dat ogenblik enkel beschikte over een onvertaald doktersattest, dat hij niet kon neerleggen; dat hij verder aanvoert dat hij XIV-12.198-3/5 voldoende elementen heeft aangehaald die zijn regularisatieaanvraag op basis van artikel 2, 4/, van de Regularisatiewet kunnen staven; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker vier maal is verschenen voor de Commissie voor regularisatie; dat hij telkens over de mogelijkheid beschikte om het medisch attest en een vertaling ervan neer te leggen; dat hij nagelaten heeft dit te doen; dat de Commissie voor regularisatie derhalve niet kon oordelen over de regularisatieaanvraag op basis van artikel 2, 3/, van de Regularisatiewet bij gebrek aan stavingsstukken vanwege verzoeker; dat het enkel aan verzoeker zelf te wijten is dat hij zijn medische aandoening niet heeft kunnen bewijzen; dat, wat de regularisatieaanvraag op basis van artikel 2, 4/, van de Regularisatiewet betreft, uit de samenlezing van dit artikel en artikel 9, 9/, van voormelde wet blijkt dat de vreemdeling die reeds daadwerkelijk op het grondgebied verbleef op 1 oktober 1999, voorafgaandelijk het bewijs dient te leveren van zijn aanwezigheid in het Rijk overeenkomstig één van de bewijsmogelijkheden voorzien in artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet, alsook dient te bewijzen dat er duurzame sociale bindingen in het land werden ontwikkeld en dat er humanitaire redenen zijn voor regularisatie; dat de eerste bestreden beslissing op afdoende wijze is gemotiveerd indien blijkt dat de aanvrager aan één van deze voorwaarden niet voldoet; dat de aanwezigheid van meer dan zes jaar, vereist door artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet, evenals de aanwezigheid in het Rijk op 1 oktober 1999, een noodzakelijke voorwaarde is opdat de aanvraag zou kunnen worden onderzocht op basis van artikel 2, 4/, van de Regularisatiewet; dat uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat verzoeker op het ogenblik van zijn regularisatieaanvraag op 28 januari 2000 slechts een verblijf in het Rijk kon aantonen van ongeveer twee jaar, namelijk sinds 1998; dat de Commissie voor regularisatie en in navolging hiervan de Minister van Binnenlandse Zaken, derhalve wettig konden vaststellen dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet; dat dit volstaat om de regularisatieaanvraag op grond van de artikelen 2, 4/, en 9, 9/, van de Regularisatiewet af te wijzen; dat het bestreden bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten rechtsgeldig steunt op de eerste bestreden beslissing; dat de motiveringsplicht niet werd geschonden; dat het tweede middel ongegrond is;
  16. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: XIV-12.198-4/5 Artikel
  17. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  18. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien oktober tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-12.198-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.091 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.