id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.146 Rolnummer: A. 156494/XIV-20856 Zaak: Arrest 136146 - - 15/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-20 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 11:41 Fiche Arrest nr 136.146 van 15 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.146 van 15 oktober 2004 in de zaak A. 156.494/XIV-20.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat L. KAKIESE, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Antwerpsesteenweg 102 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Angolese nationaliteit, op 13 oktober 2004 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing tot terugdrijving van 4 oktober 2004 van de minister van Binnenlandse Zaken; Gelet op de beschikking van 14 oktober 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 14 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 oktober 2004 om 11u30; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. KIWAKANA, die loco advocaat L. KAKIESE, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; XIV-20.856-1/3 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineer- de wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat de verzoekende partij met betrekking tot de derde voorwaarde aanvoert dat op ieder ogenblik een terugdrijving kan tussenkomen, dat een onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ertoe zou leiden dat de verzoekende partij een op persoonlijk en cultureel vlak verrijkende toeristische reis zou moeten derven, dat de verzoekende partij niet zeker is dat zij in de gegeven omstandighe- den een nieuw visum zou verkrijgen en dat de terugdrijving de verzoekende partij in haar eer zou aantasten, dit ten overstaan van zowel de Belgische en Kongolese overheden als haar vrienden en derden; Overwegende dat het aangevoerde nadeel, in zoverre het betrekking heeft op de mogelijkheid om in de toekomst een visum te verkrijgen, zuiver hypothetisch is; dat het morele gemis van een toeristische reis en de aantasting van de eer van de verzoekende partij morele nadelen vormen, waarvoor in principe genoegdoening kan worden gegeven door een vernietigingsarrest; dat de verzoekende partij niet uiteenzet waarom het te dezen anders zou zijn; dat, indien de bestreden beslissing onwettig zou worden bevonden, de verzoekende partij schadevergoeding kan vorderen die een genoegdoening kan vormen voor hetzij de aangevoerde morele schade, hetzij de kosten van een nieuwe reis; dat de verzoekende partij geen andere elementen aanvoert; dat zij aldus niet aannemelijk maakt dat zij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijdt door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing; dat derhalve niet is voldaan aan de derde schorsingsvoorwaarde; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. XIV-20.856-2/3 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien oktober tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-20.856-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.146 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.