id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.162 Rolnummer: Zaak: Arrest 136162 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 18/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-20 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-04 11:46 Fiche Arrest nr 136.162 van 18 oktober 2004 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.162 van 18 oktober 2004 in de zaken A. 83.047/IX-1740 88.536/IX-2157. In zake : Edgard VANDEPUTTE, die woonplaats kiest bij advocaat G. VAN GRIEKEN, kantoor houdende te BRUSSEL, Vossendreef 4, bus 29 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Edgard VANDEPUTTE op 19 maart 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de weigering van zijn aanvraag van 15 juni 1998 tot vrijwillige indisponibiliteitstelling vanaf 1 juli 1998 (de zaak G/A 83.047/IX-1740); Gezien het verzoekschrift dat Edgard VANDEPUTTE op 20 december 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van: "1/ (De) beslissing van 16 juni 1999 (van de Minister van Landsverdediging) om de administratieve en pecuniaire situatie van betrokkene, zoals bepaald met de nota JSP-A/AFFEC/O-1998 28893 van 9 september 1998, te herzien - minstens te laten herzien - in de zin zoals werd aangegeven t.t.z. betrokkene moet geacht worden nooit terug opgenomen geweest te zijn in de Luchtmacht; 2/ (De) beslissingen (van generaal-majoor J.B. BOVY (JSP)) - opgenomen in de nota 26271 van 13 juli 1999 aan o.m. JSP-s/J de "considérer les notes en ref 1 (V/S1 Pers - 98-088640 du 03 Aou 98) et 2 (JSP-A/AFFEC/O- 1998-28893 du 03 Sep 88) comme nulles et de régulariser la situation de l'intéressé durant la période du 15 au 30 jul 98, en le considérant comme: IX-1740-1/17 - non repris en force - placé hors budget (code 1)"; 3/ voor zover ze niet (volledig) inbegrepen zijn in de beslissingen n/ 1 en 2 supra, de beslissing(
- en)van onbepaalde data - mogelijkerwijze op of omstreeks 16 juni 1999 en 13 juli 1999 - om verzoeker voor de periode 15 juni 1998 - 30 juni 1998 (retroactief) buiten getalsterkte te plaatsen en buiten budget te plaatsen; 4/ de beslissing(-en), opgenomen in een nota van 13 oktober 1999 (JSB- AFAR) om "(verzoekers) geldelijke toestand te regelen" en om "ovk. de bepalingen van ref 3 (nota MLV 16 juni 99) derhalve uw geldelijke rechten voor de periode van 15 juni 1998 tot 30 juni 1998 door JSB-AFAR (
- te)herzien" (de zaak G/A. 88.536/IX-2157); Gelet op het arrest nr. 81.349 van 28 juni 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit in de zaak A. 83.047/IX-1740 wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 23 juli 1999 door verzoeker; Gezien de "memorie van antwoord" en van wederantwoord in de zaak A.83.047/IX-1740; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord in de zaak A. 88.536/IX-2157; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur R. AERTGEERTS; Gelet op de beschikking van 31 maart 2003 tot voeging van de zaken; Gelet op de beschikking van 31 maart 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-1740-2/17 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 6 september 2004 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 4 oktober 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VAN GRIEKEN, die verschijnt voor verzoeker, en van majoor administrateur-militair A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. AERTGEERTS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.1. Verzoeker, geboren op 14 april 1949, neemt op 14 april 1965 dienst bij de Krijgsmacht. Hij bouwt een carrière uit in het kader van de beroeps- officieren van de luchtmacht en wordt op 26 juni 1990 benoemd tot kolonel-vlieger. 1.2. Met een nota van 4 september 1992 meldt de chef van de Divisie Personeel aan de Divisie Begroting van de Generale Staf dat verzoeker op 12 juni 1992 overgegaan is naar 20 SP W, dat hij ter beschikking gesteld is van de NAVO - "Burgerbetrekking NUCLEAR WEAPONS PROTECTION ADVISOR" - , dat hij op 15 juni 1992 "buiten begroting" wordt geplaatst en dat het departement de betaling van de bezoldigingen waarop verzoeker aanspraak kan maken zal stopzetten. IX-1740-3/17 1.3. Met een brief van 27 januari 1995 meldt de kabinetschef van de minister van Landsverdediging aan de permanent vertegenwoordiger van België bij de NAVO dat "er geen bezwaar is tegen een nieuw contract (voor verzoeker) met ingang van 15 juni 1995" en dat hij voor een nieuwe periode van drie jaar buiten begroting kan geplaatst worden en gedetacheerd bij de Internationale Staf van de NAVO. 1.4. Op 4 november 1997 doet verzoeker een aanvraag tot "in disponibiliteit stelling zoals voorzien in Art. 1 van het KB van 24 juli 1997 betreffende het in disponibiliteit stellen van bepaalde militairen van het actief kader van de Krijgsmacht, met toepassing van artikel 3, § 1, 1/, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie" met als gewenste aanvangsdatum 1 juli 1998. Hij vermeldt als normale datum van oppensioenstelling door leeftijdslimiet 1 juli 2003. Hij vraagt een beroepsactiviteit uit te oefenen tijdens de indisponibiliteits- telling en vermeldt als aard van de beroepsactiviteit: "waarschijnlijk in een internatio- nale organisatie". 1.5. Met een brief van 29 december 1997 meldt de minister van Landsverdediging aan verzoeker dat hij akte heeft genomen van zijn aanvraag tot in vrijwillige disponibiliteitstelling. Hij stelt vast dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in het koninklijk besluit van 24 juli 1997, artikel 1, 2/ : hij "bekleedt immers een functie waarvan de bezoldiging niet door het ministerie van Landsverdediging gedragen wordt". De minister besluit dat de aanvraag van verzoeker niet kan worden ingewilligd. 1.6. Op 5 maart 1998 zendt verzoeker de volgende brief naar de personeelsdienst van de luchtmacht : "Hiermede wens ik te bevestigen dat ik op 15 juni 1998 naar de Luchtmacht zal terugkeren teneinde opnieuw mijn aanvraag tot in disponibiliteit stelling in te dienen met als gewenste aanvangsdatum 1 juli 1998. IX-1740-4/17 Ik heb reeds zulke aanvraag naar het kabinet verstuurd in november verleden jaar. In bijlage heb ik de nodige bewijsstukken gevoegd. NB : JS, het kabinet van Landsverdediging en Milrep zijn hiervan op de hoogte." 1.7. Op 15 juni 1998 dient verzoeker een nieuwe aanvraag in tot indisponibiliteitstelling vanaf 1 juli 1998. 1.8. Met een brief van 26 juni 1998 meldt de kabinetschef van de minister van Landsverdediging aan de permanent vertegenwoordiger van België bij de NAVO dat er geen bezwaar is tegen een nieuw contract voor verzoeker bij de Internationale Staf van de NAVO ingaande op 1 juli 1998, en dat hij voor een bijkomende periode van drie jaar buiten begroting geplaatst kan worden en gedetacheerd worden bij de Internationale Staf van de NAVO. 1.9. Op 3 augustus 1998 zendt de Staf van de Luchtmacht naar het kabinet van de minister van Landsverdediging het volgende bericht : "FROM : VS1/PERS ONDERWERP :MUTATIE HOGER OFFR VP - HEROPNAME IN DE GETALSTERKTE REF : 1. NOTA KAB MLV VAN 27 JAN 95 2. NOTA MLV/SAT/CV/NR 98348 VAN 26 JUN 98. NAAM : E. VANDEPUTTE GRAAD : KOL VL STAMNR : 9054939 BETROKKENE WORDT VAN 15 JUN 98 TOT EN MET 30 JUN 98 HEROPGENOMEN IN DE GETALSTERKTE. HIJ BLIJFT GEAFFECTEERD IN 20 SP W (NO) BEVESTIGING OP BP" 1.10. Op 9 september 1998 zendt de chef van de Divisie Personeel aan verschillende militaire autoriteiten de volgende nota : "ONDERWERP: Officier met officiële opdracht bij een internationale instelling IX-1740-5/17 Ref : 1. Instr JSP-A/AFFEC-114C van 16 Mar 90. 2. JSP-A/02 - 73182 van 04 Sep 92. 3. Kab MLV - 3/HC/0554-5257 van 27 Jan 95. 4. MLV/SAT/CV - 98348 van 26 Jun 98. 5. VS1/Pers - 98-088640 van 03 Aou 98. 1. Kol Vl VANDEPUTTE, E. (O/54939) werd gedetacheerd bij de Internationale Staf (IS) van de NAVO op 15 Jun 92 (Ref 2 en 3). 2. De administratieve situatie van deze officier is de volgende : a. Heropgenomen in de getalsterkte van 15 Jun 98 tot en met 30 Jun 98, blijft geaffecteerd in 20 SP W (NO). b. Houdt vanaf 15 Jun 98 tot en met 30 Jun 98 op buiten begroting (code 1) geplaatst te zijn. c. Gedetacheerd bij de NAVO-IS wegens officiële opdracht op 01 Jul 98, blijft geaffecteerd in 20 SP W (NO). d. Buiten begroting (code 1) geplaatst op 01 Jul 98 (bezoldiging gedragen door NAVO). 3. De pecuniaire situatie van betrokkene zal geregeld worden volgens artikel 16 van het Koninklijk Besluit van 07 Jul 94 betreffende het pecuniair statuut van de militairen van alle rangen en het regime van de dienstpres- taties van de militairen van het actief kader beneden de rang van officier (B.S. van 01 Jul 94). 4. Bevestiging op Bulletin van het Personeel." 1.11. Op 29 september 1998 weigert de minister van Landsverdediging de aanvraag van verzoeker tot indisponibiliteitstelling van 15 juni 1998 als volgt : "Aanvraag Disponibiliteit Betreft : Kol Vl VANDEPUTTE E. - 9054939 BESLISSING : GEWEIGERD Motivering in rechte :Artikelen 1, 2 en 3 van het KB van 24 juli 1997 betreffende het in disponibiliteit stellen van bepaalde militairen van het actief kader van de krijgsmacht, met toepassing van artikel 3, § 1, 1/, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese economische en monetaire unie. (Reg A16 - Y20) Artikel 4 van het koninklijk besluit van 29 juli 1997 betreffende de procedure van in disponibiliteit stellen van bepaalde militairen van het actief kader van de krijgsmacht. (Reg A16 - Y21) Motivering in feite : Kol Vl VANDEPUTTE heeft op 15 juni 1998 een aanvraag tot in disponi- biliteit stellen ingediend met 01 juli 1998 als gewenste aanvangsdatum. Gelet op de uiterst korte termijnen (minder dan 14 kalenderdagen) tussen de datum waarop de aanvraag werd ingediend en de aangevraagde datum van vertrek, termijnen die niet in overeenstemming zijn met de termijnen bepaald in de voor- IX-1740-6/17 geschreven aanvraagprocedure, kon niet gunstig gereageerd worden te meer daar er geen duidelijkheid bestond betreffende de administratieve situatie van betrokkene op de datum waarop hij zijn aanvraag ingediend heeft en het al dan niet voldoen van betrokkene aan de voorwaarde bepaald in het basisbesluit, namelijk het niet bekleden van een functie waarvan de bezoldiging niet gedragen wordt door de begroting van het ministerie van Landsverdediging (artikel 1, eerste lid, 2/). Door een bericht van VS1, gedateerd op 03 Aug 98, werd uiteindelijk de situatie van betrokkene op de datum van indiening van zijn aanvraag (en voor de periode van 15 juni tot en met 30 juni 1998) geregulariseerd. Dit had voor gevolg dat pas op 3 augustus 1998 kon worden vastgesteld dat Kol Vl VANDEPUTTE op het ogenblik van de indiening van zijn aanvraag (15 juni 1998) niet meer buiten begroting (en in NAVO-dienst) was en derhalve aan de voorwaarden voldeed om een geldige aanvraag in te dienen. Dit wordt bevestigd door de wedderegularisatie die hem op 02 september 98 voor de periode van 15 juni tot 30 juni 98 door JSB-AFAR werd uitbetaald. Sedert 01 juli 1998 is Kol Vl VANDEPUTTE terug volwaardige NAVO- ambtenaar geworden (hetgeen weer eens bevestigd wordt door zijn pecuniair statuut) en kan hij bijgevolg op 01 oktober 98, eerstkomende "normale" datum van in disponibiliteit stelling, niet meer voldoen aan diezelfde voorwaarde (niet een functie bekleden waarvan de bezoldiging niet gedragen wordt door de begroting van het ministerie van Landsverdediging) zoals voorgeschreven in artikel 3 van het basisbesluit. Betrokkene kan derhalve enkel een disponibiliteit bekomen voor zover hij in zijn huidige functie kan vervangen worden door een andere Belgische hoofdoffi- cier zodat er geen negatieve weerslag is op de begroting van het departement en er derhalve voldaan wordt aan de voorwaarde bedoeld in artikel 1, tweede lid van het basisbesluit." Deze weigeringsbeslissing van 29 september 1998 bestrijdt verzoeker in de zaak A. 83.047/IX-1740. Zij is op 18 februari 1999 ter kennis van verzoeker gebracht. 1.12. Op 16 juni 1999 zendt de minister van Landsverdediging de volgende nota aan de chef van de Divisie Personeel (JSP), de Chef van de Divisie Begroting (JSB) en de Stafchef van de Luchtmacht (VS) : "ONDERWERP : In disponibiliteitstelling Kol Vl VANDEPUTTE. Naar aanleiding van de zaak aanhangig bij de Raad van State m.b.t. de weigering van de in disponibiliteitstelling van kolonel vlieger VANDEPUTTE (O54939), tewerkgesteld bij de NAVO, stel ik vast dat ondanks mijn verzet IX-1740-7/17 tegen zijn heropname met terugwerkende kracht in de getalsterkte van de Luchtmacht voor de periode van 15 juni 1998 tot 30 juni 1998 (Msg VS1 162015 van 3 augustus 1998), nog niet werd overgegaan tot de terug- vordering van de op 2 september 1998 door JSB-AFFAR ten onrechte uitbetaalde wedde voor die periode. Het is immers duidelijk dat een heropname van betrokkene in de Luchtmacht enkel door mijzelf kon voorgeschreven worden (cfr. Art 67, § 2, van het KB van 7 april 1959 -Reg A16, B3). Bovendien blijkt dat deze officier in de geviseerde periode met verlof zonder wedde was bij de NAVO zonder dat aan zijn contract bij deze instelling op enigerlei wijze een einde werd gemaakt. Het bestaan van dit contract, dat door betrokkene niet wordt betwist, is fundamenteel tegen- strijdig met, en verhindert volkomen, zijn reïntegratie in de Luchtmacht van 15 juni 1998 tot 30 juni 1998. Ik vraag u dan ook het nodige te doen om de administratieve en pecuniaire situatie van betrokkene, zoals bepaald met de nota JSP-A/AFFEC/O-1998 28893 van 9 september 1998, te herzien in de zin zoals hiervoor werd aangege- ven t.t.z. betrokkene moet geacht worden nooit terug opgenomen geweest te zijn in de Luchtmacht." Dit is de eerste bestreden beslissing in de zaak A. 88.536/IX-2157. 1.13. Op 13 juli 1999 zendt de chef van de Divisie Personeel de volgende nota aan een aantal diensten van de Generale Staf teneinde uitvoering te geven aan de richtlijn van de minister van Landsverdediging van 16 juni 1999 : "OBJET : Officier en mission officielle auprès d'une institution internationale. Ref : 1. VS1/Pers - 98-088640 du 03 Aou 98 2. JSP-A/AFFEC/O - 1998-28893 du 03 Sep 98 3. MLV-4694 du 16 Jun 99 1. Le Colonel Avi VANDEPUTTE, E (O/54939) fut détaché auprès de l'OTAN le 15 Jun 92. 2. Du 15 au 30 Jun 98, il fut repris en force et cessait d'être placé hors budget (Ref 1 en 2). Les directives relatives à la régularisation de sa situation administrative et pécuniaire furent prescrites par la note en Ref 2. 3. La reprise en force NE pouvait, en réalité, PAS se faire (Ref 3). 4. En conséquence, il vous est demandé de considérer les notes en Ref 1 et 2 comme nulles et de régulariser la situation de l'intéressé durant la période du 15 au 30 Jul 98, en le considérant comme - non repris en force - placé hors budget (code 1) 5. Confirmation par BP." IX-1740-8/17 Dit is de tweede bestreden beslissing in de zaak A. 88.536/IX-2157. 1.14. Op 13 oktober 1999 zendt majoor MAB HEYENS van de Divisie Begroting van de Generale Staf de volgende aangetekende brief aan verzoeker : "Onderwerp : Onrechtmatige betaling Referte : 1. Wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen (Belgisch Staatsblad van 21 juni 1994) 2. Koninklijk Besluit van 4 juli 1994 betreffende de bezoldigings- regeling van de militairen (Belgisch Staatsblad van 21 juli 1994) en gewijzigd bij verscheidene Koninklijke Besluiten 3. Beslissing van de Heer Minister van Landsverdediging (nota MLV 4694 van 16 juni 1999 - afschrift in Bijl) 1. Uit een onderzoek van Uw weddedossier is gebleken dat het Bureau Militairen U een som van 106.646 F (Honderdenzesduizend zeshonderd zesenveertig frank) ten onrechte betaald heeft. 2. Overeenkomstig de bepalingen van Art 1235 en 1376 van het Burgerlijk Wetboek, kan hetgeen betaald is zonder verschuldigd te zijn, worden teruggevorderd en is hij (zij) die bij vergissing of met zijn (haar) weten iets ontvangen heeft dat hem (haar) niet verschuldigd was, verplicht het terug te geven. 3. Overeenkomstig de bepalingen van Ref 3 werden derhalve uw geldelijke rechten voor de periode van 15 Juni 1998 tot 30 juni 1998 door JSB- AFAR herzien. 4. In Bijl vindt U de afrekening met betrekking tot Uw geldelijke rechten, alsook de sommen U uitbetaald door het Ministerie van Landsverdediging. 5. Om Uw geldelijke toestand te regelen, verzoek ik U het bedrag van i 106.647 F (2643,71 ) via bijgevoegd overschrijvingsformulier binnen een termijn van 2 maand, ingaand op de verzendingsdatum van deze nota, te storten op rekeningnummer (...) van JSB/AFAB/CCB Bezoldigingen, 1140 brussel met als referte (...). Zoniet kunt U mij binnen dezelfde termijn een redelijk voorstel tot terugbetaling overmaken. 6. Wat de teruggevorderde bedragen met betrekking tot het voorgaand fiscaal jaar betreft, zullen mijn diensten eind oktober 1999 het fiscaal attest 281.25 (afschrift in bijlage) overmaken aan het Ministerie van Financiën - Controle der Directe Belastingen, met het oog op de regularisatie van uw dossier door de belastingscontroleur." Dit is de vierde bestreden beslissing in de zaak A. 88.536/IX-2157. IX-1740-9/17 1.15. Op 22 december 1999 antwoordt de raadsman van verzoeker aan de Divisie Begroting dat verzoeker geen gevolg zal geven aan de oproep tot terugbetaling van de "onverschuldigde" betaling. Hij noemt het uitermate bedenkelijk de bruto-wedde terug te vorderen voor de periode 15 juni 1998 tot 30 juni 1998. Hij stelt dat verzoeker niet meer buiten budget was, dat hij die wedde rechtmatig heeft verkregen, dat hij twee verzoekschriften heeft ingediend bij de Raad van State, dat de niet-uitbetaling van verschuldigde wedde een strafrechtelijke inbreuk uitmaakt en dat hij die onrechtmatig wedde terugvordert zich blootstelt aan analoge vervolgingen. 2. Overwegende dat de verwerende partij haar memorie van antwoord in de zaak G/A 83.047/IX-1740 niet tijdig ingestuurd heeft; dat overeen- komstig artikel 21, vijfde lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die memorie ambtshalve uit de debatten wordt geweerd; 3.1.1. Overwegende dat de verwerende partij de annulatieberoepen onontvankelijk acht omdat verzoeker beoogt een onwettige toestand te bevestigen; dat zij betoogt dat verzoeker van de Raad van State de goedkeuring wenst te krijgen van een opgezette constructie -met name een louter formele wederopname, voor een korte duur, in de getalsterkte teneinde aldus te voldoen aan de voorwaarde van het "in werkelijke dienst zijn"- die verzoeker, zonder dat het algemeen belang daarbij betrokken is, een verrijking van 5 100 000 BEF oplevert en die neerkomt op rechtsmisbruik die hem onwaardig maakt om zijn gelijk te halen bij de Raad van State; 3.1.2. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat hij de toepassing wenst van een reglementering die "gegund (
- is)aan alle officieren", dat hij steeds "in alle transparantie opgetreden is" en dat, aangezien zijn detachering naar de NAVO steeds betrekking had op "een beperkte periode van drie jaren", hij na 14 juni 1998 niet meer buiten budget was maar opnieuw tot de getalsterkte van het leger behoorde zodat de verwerende partij het ten onrechte heeft over zijn retroactieve wederopname in de Krijgsmacht; IX-1740-10/17 3.1.3. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie het wettig belang van verzoeker blijft betwisten; dat zij herhaalt dat, nadat de minister van Landsverdediging op 29 december 1997 een eerste aanvraag van verzoeker om vrijwillige in disponibiliteit te verkrijgen geweigerd had omdat hij op het ogenblik van zijn aanvraag een functie bekleedde waarvan de bezoldiging niet door het ministerie van Landsverdediging werd gedragen, hij op 5 maart 1998 aan de verwerende partij medegedeeld heeft dat hij "op 15 juni 1998 naar de Luchtmacht zal terugkeren teneinde opnieuw zijn aanvraag tot in disponibiliteit in te dienen met als gewenste aanvangsdatum 1 juli 1998"; dat volgens haar verzoeker daarmee toegeeft een kunstgreep te willen hanteren door hem "van 15 tot 30 juni 1998 op papier (te laten opnemen) in de getalsterkte van de Luchtmacht" om aldus in de toepassingsvoor- waarden te komen voor de vrijwillige indisponibiliteitstelling; dat zij betoogt dat verzoeker "nooit enige effectieve dienstprestatie geleverd heeft in de Luchtmacht in deze periode", dat er dan ook toepassing gemaakt moet worden van het beginsel "fraus omnia corrumpit" en dat zijn belang "ongeoorloofd" is; Overwegende dat de verwerende partij daar nu, onder overlegging van briefwisseling, aan toevoegt dat uit "navraag bij de NAVO naar verzoekers administratieve situatie op 15 juni 1998" gebleken is dat zijn "contract bij deze instelling van 15 juni 1998 tot 30 juni 1998 ‘tijdelijk opgeschort’ (‘temporairement suspendu’) was op eigen aanvraag [en dat] hetzelfde contract ‘van rechtswege uitwerking herkregen heeft op 1 juli 1998' (‘a repris effet de plein droit le 1 juillet 1998')"; dat zij daaruit afleidt dat verzoeker op 15 juli 1998 geen recht op wedde bezat ten laste van de begroting van het ministerie van Landsverdediging, aangezien hij op eigen verzoek bij de NAVO in de stand verlof zonder wedde geplaatst was; dat volgens haar ook de beslissing van 3 augustus 1999 van de verwerende partij om hem met terugwerkende kracht terug op te nemen in de getalsterkte en de 9 september 1999 gedagtekende bevestiging van die wederopname "nooit hebben kunnen leiden tot een recht op wedde op 15 juni 1999 ten laste van Defensie", aangezien verzoeker in die periode geen prestaties verricht heeft voor het ministerie van Landsverdedi- ging; dat zij op grond van die redenering tot het besluit komt dat de verwerende partij "geen toepassing (kon maken) van artikel 2, eerste lid, 2/ van het koninklijk IX-1740-11/17 besluit van 24 juli 1997" en ook niet van het tweede lid van artikel 2, aangezien de indisponibiliteitstelling geen negatieve weerslag mag hebben op de begroting van het ministerie van Defensie, hetgeen in het geval van verzoeker zeker het geval geweest zou zijn aangezien hij, zonder in zijn betrekking vervangen te worden, tot aan zijn oppensioenstelling een wedde van 75% van zijn normale bezoldiging zou hebben genoten en dat bijgevolg de minister na een vernietiging "slechts één wettige beslissing kan nemen (...) met name de weigering op basis van artikel 2, eerste lid, 2/ van de wet van 25 mei 2000"; 3.1.4.1. Overwegende dat uit het -ten tijde van het bestreden besluit toe- passelijke, maar inmiddels door de wet van 25 mei 2000 betreffende het in disponibiliteit stellen van bepaalde militairen van het actief kader van de Krijgsmacht retroactief vervangen- koninklijk besluit van 24 juli 1997 betreffende het in disponibiliteit stellen van bepaalde militairen van het actief kader van de Krijgsmacht, met toepassing van artikel 3, § 1, 1/, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, blijkt dat de beroepsmilitairen, die voldoen aan de in artikel 1 gestelde voorwaarden, een vrijwillige indisponibiliteitstelling kunnen verkrijgen die loopt tot aan hun oppensioenstelling; dat één van de voorwaarden is dat de aanvrager "in werkelijke dienst is op het ogenblik dat hij zijn aanvraag indient, zonder (...) een functie te bekleden waarvan de bezoldiging niet gedragen wordt door de begroting van het ministerie van Landsverdediging" (artikel 1, eerste lid, 2/), tenzij deze indisponibiliteitstelling "geen negatieve weerslag heeft op de begroting van het ministerie van Landsverdediging" (artikel 1, tweede lid); dat het onderhavige geding de vraag betreft of verzoeker deze voorwaarde vervult en dat hij daarin een wettig belang vindt om de beslissingen, die hem van die indisponibiliteitstelling uitsluiten, te bestrijden; dat uit de omstandigheid dat een positieve beslissing over zijn aanvraag tot vrijwillige disponibiliteit -waar hij met zijn beroepen op aanstuurt- hem een financiële bonus oplevert -hij ontvangt dan immers overeenkomstig artikel 7 van het besluit van 24 juli 1997 een wedde ten bedrage van 80 of 75% van de bezoldiging die hij zou ontvangen hebben indien hij niet in disponibiliteit gesteld zou zijn geweest- niet mag afgeleid worden dat verzoeker een onwettig belang op het oog heeft IX-1740-12/17 wanneer hij daarmee gewoon de erkenning nastreeft van de rechten die statutaire bepalingen hem verlenen; dat de eerste exceptie niet gegrond is; 3.1.4.2. Overwegende dat wel de vraag rijst, zoals de verwerende partij in haar laatste memorie opmerkt, of de verwerende partij er hoe dan ook niet toe gehouden is aan verzoeker de vrijwillige indisponibiliteitstelling te weigeren omdat hij de reglementaire voorwaarden niet vervult; dat in dat geval verzoeker immers geen enkel voordeel kan halen uit een vernietigingsarrest en hij het rechtens vereiste belang bij zijn annulatieberoep ontbeert; dat daarvoor uitgemaakt moet worden of verzoeker op 15 juni 1998 -de dag waarop hij zijn aanvraag bij het bestuur heeft ingediend- in werkelijke dienst was, meer bepaald of hij op dat ogenblik een functie bekleedde waarvan de bezoldiging gedragen werd door de begroting van het ministerie van Landsverdediging; dat alleen in dat geval de verwerende partij na een vernietigingsarrest een voor verzoeker gunstige beslissing kan treffen; dat dan ook voorafgaandelijk uitgemaakt moet worden of verzoeker op 15 juni 1998 in werkelijke dienst en niet buiten budget geplaatst was; dat in het auditoraatsverslag die vraag niet als zodanig onderzocht is; 3.1.4.3. Overwegende dat het dossier geen enkel gegeven bevat waaruit met zekerheid opgemaakt kan worden onder welk juridisch statuut verzoeker, na zijn terbeschikkingstelling door de Belgische overheid met buiten begroting stelling vanaf 15 juni 1992, bij de NAVO tewerkgesteld is geworden en welke gevolgen die tewerkstelling heeft op zijn relatie met het ministerie van Landsverdediging; Overwegende dat verzoeker betoogt dat die tewerkstelling opeenvolgende periodes van drie jaar betrof en dat op 14 juni 1998 een dergelijke periode ten einde liep zodat hij vanaf 15 juni 1998 automatisch terugviel op zijn ambt binnen de Krijgsmacht; dat hij daarvan geen bewijsstukken voorlegt; dat hij enkel verwijst naar twee brieven van de kabinetschef van de minister van Landsverdediging aan de permanent vertegenwoordiger van België bij de NAVO waarin deze bevestigde "dat er geen bezwaar is tegen een nieuw contract" -een eerste keer met ingang vanaf 15 juni 1995, een tweede keer met ingang van 1 juli 1998-, en waarin IX-1740-13/17 hij telkens mededeelde dat de mogelijkheid bestond verzoeker "voor een nieuwe periode van drie jaar buiten begroting (te plaatsen) en te detacheren bij de Internatio- nale Staf van de NAVO"; dat evenwel uit die brieven niet onontkoombaar volgt dat zijn relatie met de NAVO om de drie jaar afliep en dat er bijgevolg op 14 juni 1998 automatisch een einde kwam aan die opdracht; Overwegende dat ook de verwerende partij er niet toe gekomen is in haar administratief dossier stukken op te nemen die het bewijs bevatten dat verzoeker op 15 juni 1998 geen functie vervulde waarvan de bezoldiging gedragen werd door het ministerie van Landsverdediging; dat in de "nota voor de heer minister" -stuk 19 van het administratief dossier- wel aangegeven wordt dat de "Budget & Treasuring Service van de NAVO" bevestigt dat verzoeker bij de NAVO "verlof zonder wedde" heeft gekregen en dat hij "sedert 1 juli terug voor de NAVO werkt als burgerambtenaar", maar dat die bewering door geen enkel bewijsgegeven wordt gestaafd; Overwegende dat de verwerende partij met haar laatste memorie nieuwe stukken aan de Raad van State bezorgd heeft, inzonderheid een brief van 22 november 2002 van het diensthoofd Personeel van de NAVO aan de verwerende partij; dat daarin het volgende is vermeld : "(...) J ‘ai l’honneur de vous confirmer que Monsieur Edgard VANDEPUTTE a en effet pris un congé sans salaire pendant la période du 15 au 30 juni 1998. Pendant cette période, son contrat a été temporairement suspendu à sa demande et a repris effet de plein droit le 1 juillet 1998. M. VANDEPUTTE occupe le poste de Chef de la Section Gestion des crises auprès la Direction de la gestion des crises et des opérations, Division des plans de défense et des opérations à l’OTAN." Overwegende dat die inlichtingen er lijken op te wijzen dat de juridische relatie tussen verzoeker en de NAVO op 15 juni 1998 niet beëindigd was en dat hij derhalve op dat ogenblik nog steeds een functie bekleedde waarvan de bezoldiging niet gedragen wordt door de begroting van het ministerie van Landsver- dediging; dat in dat geval verzoeker de reglementaire voorwaarden voor de IX-1740-14/17 vrijwillige indisponibiliteitstelling niet vervulde en de verwerende partij dan ook na een vernietigingsarrest, niet anders zal kunnen dan de aanvraag weigeren, wat, betrokken op de ontvankelijkheid van de onderhavige beroepen, betekent dat verzoeker geen belang heeft bij het geding; Overwegende dat de door de verwerende partij met haar laatste memorie voorgelegde gegevens niet toelaten met zekerheid vast te stellen dat verzoeker op 15 juni 1998 een functie bekleedde waarvan de bezoldiging niet door het ministerie van Landsverdediging werd gedragen; dat nader onderzoek moet worden verricht naar de juridische situatie waarin verzoeker zich op 15 juni 1998 bevond zowel ten overstaan van de NAVO als ten overstaan van de Belgische Staat om vervolgens uit te maken of hij aldus op die dag in werkelijke dienst was zonder een functie te bekleden waarvan de bezoldiging niet gedragen werd door de begroting van het ministerie van Landsverdediging; dat te dien einde de debatten worden heropend; 3.2. Overwegende dat ter terechtzitting ook de vraag aan de orde gesteld is of verzoeker nog blijk geeft van het vereiste actueel belang, aangezien hij met het koninklijk besluit nr. 4303 van 23 december 2002 (Belgisch Staatsblad 19 maart 2003) met ingang van 1 juli 2003 gepensioneerd is; dat ook op dat vlak het onderzoek van de zaak voortgezet moet worden, nadat de partijen de mogelijkheid hebben gekregen om hun standpunt ten aanzien van dat nieuw gegeven ter kennis van de Raad van State te brengen, IX-1740-15/17 BESLUIT: Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2. De verzoekende partij en na haar de verwerende partij beschikken over een termijn van veertien dagen om hun standpunt betreffende het actueel belang van verzoeker ter kennis van de Raad van State te brengen. Artikel 3. Het door de auditeur-generaal aan te wijzen lid van het auditoraat wordt ermede belast het onderzoek van de zaak voort te zetten. Artikel 4. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. IX-1740-16/17 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien oktober 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-1740-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.162 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div