← België

Arrest 136164 - - 18/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.164 Rolnummer: A. 151375/IX-4511 Zaak: Arrest 136164 - - 18/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-26 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-04 11:47 Fiche Arrest nr 136.164 van 18 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.164 van 18 oktober 2004 in de zaak A. 151.375/IX-

  1. In zake : Herman DE JONGHE, die woonplaats kiest bij advocaat P. CRISPYN, kantoor houdende te MARIAKERKE, Mazestraat 16 tegen : de politiezone KORTRIJK-KUURNE-LENDELEDE, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Herman DE JONGHE op 14 mei 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 23 april 2004 van het politiecollege van de politiezone KORTRIJK/KUURNE/LENDELEDE waarbij hem de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd met ingang van 30 april 2004; Gezien het op 9 juni 2004 ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 11 augustus 2004 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 6 september 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-4511-1/32 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat B. STAELENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
  4. Verzoeker was, vooraleer hem middels de bestreden beslissing het ontslag van ambtswege met ingang van 30 april 2004 werd opgelegd, inspecteur van politie bij de lokale politie van de politiezone Kortrijk-Kuurne-Lendelede (hierna : de politiezone VLAS). 1.
  5. Met een nota van 4 juni 2003 deelt commissaris van politie CREPEL van de politiezone GAVERS aan de politiezone VLAS mee wat volgt : "- Op 17.05.2003 om 04.45 uur is een interventieploeg moeten tussenkomen in Bora Bora (Hulste-Brugsesteenweg) voor nachtlawaai. Op dat ogenblik waren eveneens een aantal collega's van de zone Gavers, buiten dienst, aanwezig. Op het ogenblik dat deze collega's, buiten dienst, toekwamen (ongeveer 04.15 uur) waren er eveneens 2 collega's van de PZ-VLAS in de zaak aanwezig. De collega's van VLAS waren in uniform en hadden hun gordel met dienstwapen aan. Ze dronken pils en één ervan danste met andere aanwezige klanten. Twee aanwezige dames stonden met ontbloot bovenlijf te dansen, samen met een politieagent. Eén van de collega's van VLAS heeft één van de meisjes vastgegre- pen bij de borsten en 'meegedanst'. Omstreeks 05.15 uur kregen de collega's van VLAS een oproep, waarna ze de zaak verlieten. Eén van de collega's herkende een collega van VLAS als Herman DEJONGHE. Zijn collega kenden ze niet, doch achteraf bleek dit hoogst waarschijnlijk DEPREITERE Koen te zijn. Het dienstvoertuig van de patrouille is niet opgemerkt geweest, mogelijks stond dit aan de achterzijde van het gebouw. - Reeds vroeger diezelfde avond (omstreeks 23 uur) werd diezelfde patrouille eveneens opgemerkt te Kortrijk. Zij dienden tussen te komen in de omgeving van de Boerderijstraat te Kortrijk m.b.t. een kapotgeslagen bril van een jongetje. Daarna is deze patrouille binnengegaan in café 'Wielsbeke'. Het slachtoffer werd er samen met zijn moeder aangesproken en terug naar hun wagen begeleid. Daarop zijn ze in hun dienstvoertuig gestapt en hebben een blokje omgereden om bijna onmiddellijk terug aan te komen in hetzelfde café. Ook daar zouden ze bier gedronken hebben en met klanten gedanst hebben. IX-4511-2/32 Ook hier waren de agenten in uniform en drager van hun gordel met dienst- wapen. Achteraf werd vernomen dat deze patrouille gedurende een zeer lange tijd in café 'Wielsbeke' vertoefde om dan naar café Bora Bora te Hulste te gaan. - Ik hield eraan u deze feiten kenbaar te maken, temeer daar na hun vertrek uit 'Bora Bora' aanwezige klanten de aanwezigheid van '... de politie van Harelbeke in uniform ...' en hun gedrag niet erg op prijs stelden". 1.
  6. Met een nota van 4 juni 2003 deelt de hoofdcommissaris van politie, korpschef van de politiezone VLAS (Stefaan EECKHOUT) aan de hoofdcommissaris van politie-directeur personeel Rino DEFOOR (hierna de directeur-personeel) mee wat volgt : "Gelet op art. 831 Gerechtelijk wetboek dat van overeenkomstige toepassing is op tuchtcolleges (Cass. 4 maart 1991, Pas. 1991, I, 628); Overwegende de moeilijkheden uit het verleden tussen HCP EECKHOUT Stefaan en INP DEJONGHE Herman, meer bepaald een klacht aanhangig gemaakt door laatstgenoemde bij het Comité P; Overwegende dat de noodzakelijke sereniteit moet kunnen worden gewaarborgd inzake dossier intern toezicht TU346 ten laste van INP DEJONGHE Herman en INP DEPREYTERE Koenraad; De Zonechef beslist dat de tuchtbevoegdheid, voor wat betreft de integrale toepassing van de tuchtwet, bij uitzondering (inzake dossier intern toezicht TU 346) wordt gedelegeerd aan HCP DEFOOR Rino". 1.
  7. Nog op 4 juni 2003 wordt verzoeker door de directeur-personeel en door commissaris van politie BILLIOUW verhoord over de gebeurtenissen. Verzoeker verklaart, voorafgaand aan zijn verhoor, wat volgt : "Ik neem kennis van het feit dat om reden van moeilijkheden uit het verleden tussen mij en de Zonechef HCP EECKHOUT Stefaan een ad hoc procedure wordt gestart waarbij de tuchtbevoegdheid, voor wat betreft de integrale toepassing van de tuchtwet, bij uitzondering werd gedelegeerd aan HCP DEFOOR Rino. Ik heb hieromtrent geen bezwaren". Na verzoeker te hebben gehoord, beslist de directeur-personeel op 4 juni 2003 verzoeker bij dringende noodzakelijkheid voorlopig te schorsen. 1.
  8. Op 5 juni 2003 deelt de directeur-personeel aan commissaris van politie BILLIOUW en hoofdinspecteur van politie BUYCK mee wat volgt : "In mijn hoedanigheid van tuchtoverheid, behoorlijk gedelegeerd voor deze zaak door de Zonechef, heb ik op datum van 05/06/2003 aangewezen als voorafgaande onderzoekers inzake TU346; Commissaris van politie BILLIOUW Peter Hoofdinspecteur van politie BUYCK Johan". IX-4511-3/32 1.
  9. Op 6 juni 2003 richt de directeur-personeel een nota aan het politiecollege van de politiezone VLAS in verband met de voorlopige schorsing van verzoeker en zijn collega. Als bijlage voegt hij onder meer de in sub 1.
  10. vermelde nota van 4 juni 2003 waarbij de korpschef hem delegeert om de tuchtprocedure te voeren. Dezelfde dag beslist het politiecollege, onder meer "overwegende de beslissing tot delegatie van de bevoegdheden van de gewone tuchtoverheid aan de personeelsdirecteur", de beslissing tot voorlopige schorsing van verzoeker, voor een termijn van vier maanden ingaand op 4 juni 2003 met behoud van wedde, te bekrachtigen. Die voorlopige schorsing wordt nadien verlengd. 1.
  11. Met een brief van 18 juli 2003 wordt verzoeker door de directeur- personeel opgeroepen om op 31 juli 2003 gehoord te worden over de feiten die in de nota van de politiezone GAVERS worden aangehaald. In fine van zijn brief deelt de directeur-personeel mee dat hij in zijn hoedanigheid van gewone tuchtoverheid op 5 juni 2003 commissaris van politie BILLIOUW en hoofdinspecteur van politie BUYCK heeft aangewezen in de hoedanigheid van voorafgaande onderzoekers. 1.
  12. Op 31 juli 2003 wordt verzoeker door de voorafgaande onder- zoekers gehoord. Hij verklaart, voorafgaand aan het eigenlijk verhoor, wat volgt : "Ik heb kennis van uw aanstelling als voorafgaande onderzoekers in de zaak waarin ik als betrokkene word opgeroepen. Ik neem kennis van de bepalingen van art. 25 van de tuchtwet en neem er kennis van dat ik deze verklaring afleg in het raam van een vooronderzoek, dat voorafgaat aan een mogelijke tuchtprocedure en dat deze verklaring in een tuchtprocedure ten mijnen laste zou kunnen worden gebruikt. Ik neem kennis van het feit dat om reden van moeilijkheden uit het verleden tussen mijzelf en de Zonechef HCP EECKHOUT Stefaan een ad hoc procedure werd gestart waarbij de tuchtbevoegdheid, voor wat de integrale toepassing van de tuchtwet betreft, bij uitzondering wordt gedelegeerd aan HCP DEFOOR Rino. Ik heb hieromtrent geen bezwaren". 1.
  13. Met een nota van 21 augustus 2003 brengt commissaris van politie BILLIOUW aan de directeur personeel verslag uit inzake het voorafgaand onderzoek. In de nota wordt een synthese gemaakt van alle afgelegde verklaringen. De verslaggever komt tot het besluit dat : "A/ de patrouille - gedurende ongeveer een vijftal uren zich heeft onttrokken aan de verplichting tot het uitvoeren van politionele activiteiten IX-4511-4/32 - een herbergbezoek heeft gebracht aan twee herbergen/tavernes - met kennis van het terrein en zonder dienstreden de zone heeft verlaten - in één drankgelegenheid minstens twee alcoholische dranken heeft verbruikt (café Wielsbeke) - in de tweede drankgelegenheid alcoholische dranken aangeboden heeft gekregen (Bora-Bora) - dranken heeft getrakteerd aan en getrakteerd gekregen door de aanwezigen en/of uitbaters - in beide drankgelegenheden heeft gedanst met de aanwezige klanten (café Wielsbeke zowel mannen als vrouwen; Bora Bora enkel met vrouwelijke aanwezigen) - actief heeft geparticipeerd aan de gebeurtenissen in een losgelaten sfeer - waarbij - in de gelegenheid Bora Bora - twee vrouwen met ontbloot bovenlichaam aan de dans deelnamen - met dracht van het uniform en de wapengordel - in een niet-besloten drankgelegenheid - in aanwezigheid van burgers en politieambtenaren als dusdanig gekend doch in burger gekleed - zich bewust heeft onttrokken aan de collega's politieambtenaren in uniform gekleed B/ INP Herman DEJONGHE in het bijzonder - heeft genipt aan de aangeboden alcoholische dranken in de tweede drank- gelegenheid (Bora Bora) - bij het dansen in Bora Bora de borsten heeft ontbloot en vastgenomen van één van de dansende dames - prestaties als overwerk heeft laten registreren". De verslaggever oordeelt voorts dat die feiten vaststaan en als bewezen moeten worden beschouwd. Hij zet uiteen welke tuchtvergrijpen deze feiten uitmaken, en stelt in zijn hoedanigheid van vooronderzoeker voor een zware tuchtstraf op te leggen. 1.
  14. Op 28 augustus 2003 stelt de directeur-personeel een "ontwerp inleidend verslag"op ten behoeve van het politiecollege, waarin hij : - de conclusies van het voorafgaand onderzoek integraal onderschrijft; - in navolging van de voorafgaand onderzoek, van mening is dat de feiten de volgende tuchtvergrijpen uitmaken : 1/) in hoofde van beide politieambtenaren : het dienstverzuim door gedurende het grootste gedeelte van de nachtelijke permanentie zich te hebben onttrokken aan de verplichting tot het uitvoeren van politionele activiteiten; het schenden van het principe van de integriteit, onkreukbaarheid en de onafhankelijkheid door alcoholische dranken te hebben verbruikt tijdens de dienst bij het dragen van uniform en dienstwapen en deze dranken in hoofdzaak te zijn aangeboden geworden; het schenden van de waardigheid verbonden aan het ambt door tijdens de dienst bij het dragen van uniform en dienstwapen in een openbare gelegenheid te hebben geparticipeerd aan activiteiten in een losgelaten sfeer IX-4511-5/32 en in het bijzonder gedanst te hebben met zowel vrouwen met ontbloot bovenlichaam als met mannen; 2/) in hoofde van verzoeker in het bijzonder : het schenden van de naam en de faam van het korps en de politieambtenaren en -diensten in het algemeen door in het openbaar seksuele aanrakingen te hebben gesteld ten aanzien van een vrouw in aanwezigheid van burgers en derden of seksueel getinte gedragingen te hebben gesteld in het openbaar; - meedeelt dat de feiten volgens zijn overtuiging moeten gestraft worden met een zware tuchtstraf en dat hij de hogere tuchtoverheid (het politiecollege) heeft gevat. Eveneens op 28 augustus 2003, adieert de directeur-personeel de hogere tuchtoverheid. 1.
  15. Op 29 augustus 2003 beslist het politiecollege : - kennis te nemen van de adiëring van de tuchtoverheid in het dossier van verzoeker en zijn collega en de lagere tuchtoverheid te ontlasten van verder optreden. - in dat dossier geen bijkomend voorafgaand onderzoek meer te bevelen, de feiten te beschouwen als ernstig en te moeten leiden tot het overwegen van een zware tuchtstraf en over te gaan tot de betekening van het inleidend verslag opgesteld door de hogere tuchtoverheid. 1.
  16. In zijn inleidend verslag van 2 september 2003 deelt het politiecol- lege aan verzoeker zijn voornemen mee om hem de zware tuchtstraf van de afzetting op te leggen. Verzoeker stelt daartegen een uitgebreid verweerschrift op, waarin hij aanvoert dat de beslissing van 4 juni 2003 van de korpschef tot bevoegdheids- delegatie aan de directeur-personeel onwettig is en dat alle handelingen die volgen op en gesteund zijn op die onwettige beslissing eveneens als onwettig en nietig moeten worden beschouwd. Hij vraagt tevens dat een aantal getuigen zouden worden opgeroepen voor de geplande hoorzitting. 1.
  17. Op 10 oktober 2003 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn tuchtverdedigers, door het politiecollege gehoord. Nog dezelfde dag beslist het politiecollege het tuchtdossier met betrekking tot verzoeker in staat van wijzen te beoordelen en geen bijkomende voorafgaande onderzoeksverrichtingen meer te beleven, en over te gaan tot de betekening van het voorstel tot de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege. IX-4511-6/32 1.
  18. Op 20 oktober 2003 dient verzoeker tegen dat voorstel van zware straf een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 1.
  19. Op 10 december 2003 worden de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid en verzoeker, bijgestaan door zijn tuchtverdedigers, door de Tuchtraad gehoord. De inspecteur-generaal van de lokale en federale politie stelt in zijn advies dat hij de hoofdlijnen van de stellingnames geformuleerd in het strafvoorstel naar aanleiding van verweerschrift van verzoeker momenteel kan bijtreden, maar dat hij in verband met het verloop van de tuchtprocedure niettemin zeven punten toegelicht of beantwoord wenst te zien. De Tuchtraad beslist de zaak voort te zetten op 29 januari
  20. Met een brief van 16 december 2003 beantwoordt het politie- college de door de Inspecteur-generaal gestelde vragen. Op 28 januari 2004 formuleert de inspecteur-generaal zijn schriftelijke beschouwingen. Hij is van mening dat het opleggen bij tuchtmaatregel van een schorsing van lange duur meer passend zou zijn. 1.
  21. Op 20 februari 2004 geeft de Tuchtraad zijn advies. In het luik "De procedure" : - merkt de Tuchtraad onder punt 3 ("De samenstelling van het dossier") op dat het, ondanks de feitelijke verwevenheid die bestaat in de dossiers lastens verzoeker en zijn collega, tot de opdracht en verplichting van de tuchtoverheid behoorde de afzonderlijke tuchtvorderingen derwijze te voeren dat de individuele rechten op discretie van beide personeelsleden maximaal gevrijwaard bleven, hetgeen in de voorliggende zaak totaal werd miskend, en dat de tuchtoverheid "onduidelijkheid" voorwendt wanneer wordt verzocht een document met vaste datum (18 juli 2003) toe te voegen waarbij door de gewone tuchtoverheid destijds een vooronderzoek werd aangesteld, ingevolge waarvan het document in kwestie door de verdediging zelf moest aangebracht worden; - gaat de Tuchtraad onder punt 4 ("De delegatie") uitgebreid in op de beslissing van 4 juni 2003 van de korpschef waarbij hij zijn tuchtbevoegdheid delegeert aan de directeur personeel; hij stelt vast dat de aanstelling van de directeur personeel geen wettelijke grondslag heeft en daarenboven in strijd is met artikel 46 WGP. Vermits de regels inzake bevoegdheid en delegatie van openbare orde zijn, adviseert de Tuchtraad alle stukken opgesteld naar aanleiding van deze delegatie buiten beschouwing te laten, inclusief de bewijsgaring die onrechtstreeks het gevolg is van IX-4511-7/32 het onregelmatig optreden van de directeur personeel. Hij adviseert dan ook in hoofdorde af te zien van verdere tuchtvervolging. In ondergeschikte orde adviseert de Tuchtraad : - dat het bewezen is dat verzoeker, met dienst belast zijnde gedurende de nacht van 16 op 17 mei 2003 als lid van een interventieploeg, zich gedurende ongeveer 4 uur 30 minuten onttrokken heeft aan de verplichting tot het uitvoeren van politionele activiteiten, tijdens de dienst, drager van uniform en dienstwapen, alcoholische dranken heeft gebruikt, deze dranken in hoofdzaak aangeboden zijnde, en tijdens de dienst, drager van uniform en dienstwapen, in een openbare gelegenheid geparticipeerd heeft aan activiteiten in een losgelaten sfeer en in het bijzonder gedanst heeft met zowel vrouwen met ontbloot bovenlichaam als met mannen; - dat die feiten worden toegerekend aan verzoeker en een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van artikel 3 Tuchtwet; - dat uit hoofde van de ten laste gelegde feiten een schorsing bij tuchtmaatregel zou worden opgelegd voor de duur van drie maanden. 1.
  22. Op 12 maart 2004 beslist het politiecollege het advies van de Tuchtraad te volgen inzake het bestaan van de feiten, de toerekening ervan en de omschrijving van de feiten als tuchtvergrijp, van het advies van de Tuchtraad af te wijken inzake de samenstelling van het dossier, de delegatie en de beteugeling van de feiten, en het voorgenomen ontslag van ambtswege in hoofde van verzoeker te behouden. Met een nota van 15 maart 2004 deelt de hogere tuchtoverheid aan verzoeker haar beslissing mee om, in afwijking van het advies van de Tuchtraad, het voorstel tot zware tuchtstraf houdende het ontslag van ambtswege te behouden. Zij geeft daarvoor een zeer uitgebreide motivering op. 1.
  23. Op 16 maart 2004 dienen de tuchtverdedigers van verzoeker een bijkomend verweerschrift in. 1.
  24. Op 23 april 2004 beslist het politiecollege, na analyse en weerlegging van het bijkomend verweerschrift, aan verzoeker de zware tuchtstraf houdende het ontslag van ambtswege met ingang van 30 april 2004 op te leggen. Verzoeker erkent dat die beslissing, die het voorwerp uitmaakt van de onderhavige vordering tot schorsing hem op 27 april 2004 ter kennis is gebracht. IX-4511-8/32
  25. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
  26. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van artikel 33 van de Grondwet en van de artikelen 19 en 27 van de wet van 23 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de Tuchtwet), daarbij ook wijzend op “bevoegdheidsoverschrijding”; dat hij, samengevat, uiteenzet wat volgt : op 4 juli 2003 heeft de korpschef met verwijzing naar artikel 831 van het Gerechtelijk Wetboek zijn bevoegdheid in de onderhavige tuchtzaak gedelegeerd aan de directeur-personeel; aangezien de korpschef zijn bevoegdheid in tuchtzaken rechtstreeks put uit de wet -artikel 19 van de tuchtwet- zijn delegaties beperkt tot de gevallen die de wet toestaat; artikel 831 van het Gerechtelijk Wetboek kan hier geen toepassing vinden omdat die bepaling betrekking heeft op rechters en omdat de Tuchtwet niets bepaalt over de wraking; verwijzen naar artikel 46 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus (hierna: de WGP) is irrelevant aangezien de korpschef zich voor de delegatie uitdrukkelijk gesteund heeft op artikel 831 van het Gerechtelijk Wetboek en aangezien de korpschef noch verhinderd, noch afwezig was; de plaatsvervangende korpschef heeft zijn aanstelling ook niet gekregen van het politiecollege; met artikel 27 van de Tuchtwet, dat de overheid toelaat een beroep te doen op de Algemene Inspectie van de federale en de lokale politie, heeft het bestuur de mogelijkheid -de enig wettelijke- om een tuchtzaak sereen aan te pakken; de aanwijzing van de directeur-personeel, die een ondergeschikte is van de korpschef, en vervolgens het toevertrouwen van het voorafgaand onderzoek aan “eigen personeel”, vormen geen garantie voor een onpartijdig onderzoek, wat wel het geval is wanneer gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheid voorzien in artikel 27 van de Tuchtwet, aangezien de Algemene Inspectie geen hiërarchische verhouding heeft met de betrokkenen; rekening houdend met de onwettigheid van de verleende delegatie zijn alle handelingen, dossierstukken en beslissingen die nadien tot stand zijn gekomen, onwettig en nietig; 3.
  27. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen uiteenzet wat volgt: verzoeker heeft bij de aanvang van het onderzoek IX-4511-9/32 tegen hem verklaard dat hij geen bezwaar zag tegen het optreden van de directeur- personeel als gewone tuchtoverheid, waardoor hij het recht verbeurd heeft om nadien aan te voeren dat dit optreden onrechtmatig zou zijn; zo artikel 19 van de Tuchtwet bepaalt dat de korpschef de gewone tuchtoverheid is voor verzoeker, dan kan die korpschef toch niet optreden wanneer het beginsel van de onpartijdigheid in zake is, hetgeen verzoeker nooit heeft betwist; artikel 63 van de Tuchtwet geeft aan de gewone tuchtoverheid de bevoegdheid om, vooraleer het politiecollege op enige wijze in de zaak betrokken wordt, een personeelslid voorlopig te schorsen en daarvoor moet in ieder geval een begin van uitvoering gegeven worden aan het tuchtonderzoek; de Tuchtwet voorziet niet in een plaatsvervanging van een korpschef die wegens gevaar voor partijdigheid verhinderd is; artikel 46 WGP biedt geen oplossing voor de problematiek van een voorlopige schorsing en de continuïteit van de openbare dienst vereist dat het tuchtonderzoek wordt gevoerd door de persoon die daarvoor normaliter in aanmerking komt, in dit geval hoofdcommissaris van politie DEFOOR; overigens heeft het politiecollege het optreden van de directeur- personeel zodra mogelijk en expliciet bevestigd; artikel 831 van het Gerechtelijk Wetboek betreft de structurele partijdigheid; 3.3.
  28. Overwegende, wat de opgeworpen exceptie betreft, dat in de huidige stand van de rechtspleging vastgesteld wordt dat de regels inzake de bevoegdheid van openbare orde zijn, dat daar, zelfs met het akkoord van de betrokkene, niet van afgeweken kan worden maar dat integendeel de miskenning van de wettelijke regeling ter zake in elke fase van de procedure ingeroepen kan worden; dat in dit geval ook niet blijkt dat verzoeker, aangezien hij op het ogenblik dat hem gevraagd werd of hij er bezwaar tegen had dat de procedure zou gevoerd worden door de directeur-personeel nog geen bijstand had van een raadsman, met volledige kennis van zaken ingestemd heeft met de verleende delegatie en dat er bijgevolg ook geen reden is om hem op grond van het algemeen rechtsbeginsel ‘fraus omnia corrumpit’ het recht te ontzeggen de bevoegdheidsvraag nadien nog aan de orde te stellen, hetgeen hij overigens gedaan heeft zodra hij zich in de eigenlijke tucht- procedure moest verdedigen; 3.3.
  29. Overwegende dat in het onderhavige geval korpschef S. EECKHOUT onmiddellijk na de ontvangst van de nota waarin hem de feiten ten laste van verzoeker zijn medegedeeld, de tuchtbevoegdheid die hij als korpschef bezat, overgedragen heeft aan hoofdcommissaris van politie R. DEFOOR, onder verwijzing -in rechte- naar artikel 831 van het Gerechtelijk Wetboek en -in feite- naar IX-4511-10/32 “moeilijkheden uit het verleden tussen (hemzelf) en (verzoeker), meer bepaald een klacht aanhangig gemaakt door laatstgenoemde bij het Comité P” en naar de “de noodzakelijke sereniteit” die ter zake vereist is; dat verzoeker zich niet verzet tegen het feit dat de korpschef zich wegens bepaalde antecedenten buiten de zaak wenste te houden -hij betwist met name niet dat, als gevolg van zijn klacht, het optreden van de korpschef met een schijn van partijdigheid omgeven zou kunnen zijn-, maar dat hij wel van oordeel is dat hij de delegatie niet aan zijn directeur-personeel had mogen geven en dat hij het onderzoek niet door zijn hiërarchisch ondergeschikten had mogen laten uitvoeren, aangezien artikel 27 van de Tuchtwet een oplossing bevat voor die problematiek -met name een opdracht aan de Algemene Inspectie van de federale en de lokale politie- en aangezien de delegatie van bevoegdheden door artikel 46 WGP geregeld is; 3.3.3.
  30. Overwegende dat het beginsel van onpartijdigheid, dat in artikel 831 van het Gerechtelijk Wetboek een specifieke toepassing ten aanzien van de rechter heeft gekregen, ook van toepassing is in tuchtzaken, voor zover de toepassing van het beginsel de uitoefening van de tuchtbevoegdheid niet onmogelijk maakt; dat de omstandigheid dat de Tuchtwet terzake geen uitdrukkelijk regeling bevat, niet kan beletten dat binnen het bestuur een oplossing wordt gegeven aan dat probleem; dat die oplossing wel in overeenstemming moet zijn met de onderscheiden bevoegdheden die de Tuchtwet en de WGP aan verschillende bestuursorganen hebben toegekend; Overwegende dat, in de mate aangenomen kan worden dat de korpschef in het kader van de bestaande organisatie van de politiestructuren regelmatig kon besluiten tot de overdracht van zijn bevoegdheid aan de directeur- personeel van zijn politiezone, de omstandigheid dat de korpschef in zijn besluit verkeerdelijk verwijst naar artikel 831 Gerechtelijk Wetboek niet moet leiden tot de onwettigheid van het besluit van 4 juni 2003; 3.3.3.
  31. Overwegende dat overeenkomstig artikel 19, 1/, a, van de Tuchtwet de korpschef de gewone tuchtoverheid is voor verzoeker; dat krachtens artikel 32, eerste lid, van dezelfde wet zijn eerste opdracht bij het voeren van een tuchtactie erin bestaat een inleidend verslag op te stellen “na eventueel een onderzoek te hebben bevolen”; dat artikel 63 van de Tuchtwet hem, binnen het raam van dergelijk tuchtonderzoek, tevens de bevoegdheid toekent om, “in geval van dringende noodzakelijkheid” het betrokken personeelslid voorlopig te schorsen en hem te horen; dat in dit geval de vraag rijst of die toegewezen bevoegdheden door de korpschef IX-4511-11/32 gedelegeerd konden worden aan de directeur-personeel van hetzelfde korps, die zijn hiërarchisch ondergeschikte is; dat te dien aanzien artikel 27 van de Tuchtwet en artikel 46 WGP ter sprake worden gebracht; 3.3.3.
  32. Overwegende dat volgens verzoeker de wet zelf, met name in artikel 27 van de Tuchtwet, een uitkomst biedt om een tuchtprocedure zo correct mogelijk te laten verlopen, onder meer wanneer kan worden gevreesd dat de normaal bevoegde overheid haar opdracht niet onpartijdig zal uitvoeren; dat die bepaling de tuchtoverheid toelaat een beroep te doen op de algemene inspectie van de federale en de lokale politie wanneer zij van oordeel is “dat er ernstige redenen zijn om een onderzoek (in een tuchtaangelegenheid) niet toe te vertrouwen aan de hiërarchische overheid”; dat evenwel die bepaling uitsluitend betrekking heeft op het voeren van het onderzoek bevolen door de wettelijk aangeduide tuchtoverheid en niet op het treffen van beslissingen; dat artikel 27 niet voorziet in de mogelijkheid om de korpschef in zijn hoedanigheid van gewone tuchtoverheid te laten vervangen; 3.3.3.
  33. Overwegende dat, binnen het kader van datzelfde artikel 27, verzoeker ook kritiek heeft op het feit dat het voorafgaand onderzoek toevertrouwd is aan hiërarchisch ondergeschikten van de korpschef; dat evenwel te dien aanzien opgemerkt wordt dat, waar artikel 7, derde lid, van het koninklijk besluit van 26 november 2001 tot uitvoering van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten bepaalt dat het personeels- lid dat ernstige redenen ontwaart die kunnen verantwoorden dat en onderzoek door de algemene inspectie wordt uitgevoerd, die redenen schriftelijk aan de bevoegde tuchtoverheid ter kennis moet brengen”, verzoeker die melding niet heeft gedaan hoewel hij met de brief van 18 juli 2003 van de directeur-personeel in kennis was gesteld van de personeelsleden van het eigen korps die met het vooronderzoek waren belast; dat hij zijn eigen stilzitten niet kan goedmaken door aan de tuchtoverheid -die overigens ook in dat geval nog te oordelen had over het bestaan van “ernstige omstandigheden”- te verwijten dat zij zelf op dat vlak geen initiatief heeft genomen; 3.3.3.
  34. Overwegende, wat betreft de beslissing van de korpschef om zijn bevoegdheid als gewone tuchtoverheid voor verzoeker te delegeren aan de directeur- personeel van de zone, dat het beletsel om het dossier van verzoeker te behandelen wegens het bestaan van een schijn van partijdigheid, voor hem een geval van morele verhindering uitmaakt; dat, overeenkomstig artikel 46 WGP, het derhalve aan het politiecollege hoorde een “vervangende korpschef” aan te duiden “onder de leden van IX-4511-12/32 het politiekorps met de hoogste graad”; dat te dezen vastgesteld wordt dat zulks niet gebeurd is, aangezien de korpschef eigener gezag zijn plaatsvervanger heeft aangewezen; Overwegende dat daar dan wel tegenover staat enerzijds dat de aangelegenheid, gelet op de te nemen beslissing over de voorlopige schorsing van verzoeker, onmiskenbaar een hoogdringend karakter had terwijl niet aannemelijk wordt gemaakt dat het tijdverlies, dat noodzakelijk verbonden is met de samen- roeping van het politiecollege, het onverwijld handelen van de tuchtoverheid niet zou vertragen en anderzijds dat de beslissing van het politiecollege niet anders had kunnen luiden, aangezien -zoals de verwerende partij voor de tuchtraad heeft toegelicht en verzoeker zulks niet betwist- de directeur personeel de enige hoofdcommissaris van politie is die -buiten de korpschef- binnen de zone actief is; dat bovendien uit het verloop van de feiten blijkt dat het politiecollege op 6 juni 2003, toen het zich uitsprak over de vraag tot bekrachtiging van de voorlopige schorsing van verzoeker door de directeur-personeel -en waarbij de verleende delegatie formeel ter sprake was gebracht- impliciet maar zeker de delegatie heeft aanvaard; dat, in die omstandighe- den, de formele tekortkoming aan artikel 46 WGP, het delegatiebesluit van 4 juni 2003 niet vitieert; 3.3.
  35. Overwegende dat, in het licht van wat voorafgaat, de delegatie- beslissing van 4 juni 2003 geen schending inhoudt van de artikelen 19 en 27 van de tuchtwet noch, op een algemener vlak, van artikel 33 van de Grondwet; dat het middel niet ernstig is; 4.
  36. Overwegende dat het tweede middel als volgt wordt aangebracht: “Schending van de rechten van de verdediging en van het recht op een eerlijk proces en schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het achterhouden van stukken en informatie. Onwettige bewijsgaring en bewijsverkrijging. Onrechtmatige bewijs- voering. Nietigheid van het onderzoek.”; dat verzoeker dit middel adstrueert met een verwijzing naar een groot aantal gebrekkigheden die bij de samenstelling van het tuchtdossier en bij de afhandeling van de tuchtprocedure zouden begaan zijn; dat volgens hem die veelheid van gegevens aantonen dat het dossier tendentieus opgebouwd is; 4.
  37. Overwegende dat de verwerende partij daar in haar nota met opmerkingen in wezen op antwoordt dat het onderzoek grondig en correct gevoerd IX-4511-13/32 is, met oog voor de positieve zaken die over verzoeker te vermelden zijn en dat verzoeker zich in feite begeeft aan detailkritiek, zonder de feiten te weerleggen, dat volgens haar er geen nuttige stukken buiten het tuchtdossier gehouden zijn, dat er ook geen stukken toegevoegd zijn die betrekking hebben op de gepleegde feiten en waarover verzoeker zich niet heeft kunnen verdedigen en dat met betrekking tot geen enkele fase van de tuchtprocedure aangetoond wordt dat de redelijke termijn overschreden zou zijn; 4.3.
  38. Overwegende dat verzoeker vooreerst stelt dat de tuchtoverheid de brief van 18 juli 2003, waarbij de directeur-personeel hem opriep voor verhoor en die hem op 22 juli 2003 ter kennis gebracht is, bewust achtergehouden heeft zodat die brief geen deel uitmaakte van het dossier dat aan de tuchtraad overgemaakt is; dat volgens hem die brief een nieuwe aanwijzing bevatte van voorafgaande onderzoekers; Overwegende dat de brief van 18 juli 2003, waarvan verzoeker voorhoudt dat hij “bewust werd achtergehouden”, de oproeping bevat vanwege de directeur-personeel om in het kader van het voorafgaand onderzoek gehoord te worden op 30 juli 2003; dat in die brief melding wordt gemaakt van de klacht die over verzoeker was binnengekomen en dat hem, onder verwijzing naar de toepasselij- ke reglementaire bepalingen en naar het delegatiebesluit van de korpsoverste van 4 juni 2003, medegedeeld wordt dat de directeur-personeel op 5 juni 2003 commissaris van politie BILLIOUW en hoofdinspecteur van politie BUYCK als “voorafgaande onderzoekers” had aangewezen; dat, in tegenstelling met wat verzoeker aanvoert en gelet op zijn inhoud, die brief zeker niet als “een nieuwe beslissing met betrekking tot de aanwijzing van een vooronderzoeker” opgevat kan worden; dat, aangezien hij geen enkel nieuw gegeven bevat, uit de omstandigheid dat hij niet in het tuchtdossier opgenomen zou geworden zijn, niet afgeleid moet worden dat de verwerende partij de zorgvuldigheidsplicht geschonden heeft; dat overigens verzoeker in de uiteenzet- ting van zijn middel uiteindelijk toegeeft dat hij de brief zelf bij de tuchtraad heeft neergelegd; 4.3.
  39. Overwegende dat verzoeker voort aanvoert dat niet ingegaan is op zijn vraag om, bijkomend, bepaalde getuigen te horen, dat allerlei informatie, incluis documenten, achtergehouden werden, dat het onderzoek selectief gevoerd is en bepaalde stukken geen bewijswaarde hebben; IX-4511-14/32 Overwegende dat de hogere tuchtoverheid besloten heeft het advies van de tuchtraad te volgen voor wat betreft het bestaan van de feiten, de toerekening ervan aan verzoeker en de omschrijving ervan als tuchtvergrijp; dat aldus de verwerende partij verzoeker uiteindelijk verantwoordelijk heeft bevonden voor de volgende feiten, gepleegd in de nacht van 16 op 17 mei 2003 als lid van een interventieploeg : "a) (dat hij) zich gedurende ongeveer 4 uur 30 minuten heeft onttrokken aan de verplichting tot het uitvoeren van politionele activiteiten; b) tijdens de dienst, drager van het uniform en dienstwapen, alcoholische dranken verbruikt, deze dranken in hoofdzaak aangeboden zijnde; c) (dat hij) tijdens de dienst, drager van het uniform en dienstwapen, in een openbare gelegenheid geparticipeerd heeft aan activiteiten in een losgelaten sfeer en in het bijzonder gedanst met zowel vrouwen met ontbloot bovenlichaam als met mannen". dat die door de tuchtoverheid in aanmerking genomen feiten de bekentenissen die verzoeker reeds tijdens zijn verhoor van 31 juli 2003 heeft afgelegd niet te buiten gaan; dat niet wordt ingezien op welke wijze de tekortkomingen die hij onder de aandacht van de Raad van State brengt -onvolledig onderzoek; betwistbare bewijswaarde van een aantal stukken- die logische conclusie, die overigens niet getrokken is dan na een omvattend onderzoek waarvan het “tendentieus” karakter zeker niet is aangetoond, aan het wankelen zou moeten brengen; 4.3.
  40. Overwegende dat verzoeker ook nog aanvoert dat de verwerende partij, door in de motivering van het thans bestreden besluit alsnog een aantal nieuwe stukken ter sprake te brengen, haar beslissing baseert op stukken die hem niet bekend waren en die niets met deze zaak te maken hadden; Overwegende dat de eindbeslissing in haar motivering met betrekking tot de bevoegdheidsdelegatie van de korpschef, inderdaad verwijst naar drie bijlagen: vooreerst de notulen van de vergadering van het politiecollege van 6 juni 2003 tot bekrachtiging van de voorlopige schorsing van verzoeker, vervolgens een beslissing van de korpsoverste waarbij hij in gelijkaardige omstandigheden besloten heeft zijn tuchtbevoegdheid te delegeren en tenslotte een stuk waarin een gelijkaardig optreden van directeur-personeel DEFOOR niet werd gecontesteerd maar integendeel gewaardeerd op grond van de objectieve beoordeling; Overwegende, wat het eerste document betreft, dat verzoeker in zijn bemerkingen op het voornemen van de hogere tuchtoverheid om van het advies IX-4511-15/32 van de tuchtraad af te wijken, uitdrukkelijk gevraagd heeft om de notulen van de vergadering van het politiecollege voor te leggen om aldus bewezen te zien dat het politiecollege de delegatiebeslissing van 4 juni 2003 wel degelijk bekrachtigd had; dat die notulen identiek zijn aan de tekst die verzoeker ontvangen heeft bij de kennisge- ving van de bekrachtiging van zijn voorlopige schorsing; dat, gelet op de vraag van verzoeker, de verwerende partij met die toevoeging geen onregelmatigheid heeft begaan die de rechten van verdediging van verzoeker beknot zou kunnen hebben; Overwegende, wat betreft de andere bij de beslissing gevoegde stukken, dat in de intentienota van 15 maart 2004 -beslissing om af te wijken van het advies van de tuchtraad- overwogen was dat “de door de korpschef ingeroepen motieven onlangs in een ander tuchtdossier werden toegepast en hebben aanleiding gegeven tot een wraking op initiatief van de korpschef met overdracht van bevoegdheid in toepassing van de plaatsvervanging tot gevolg, en dit met goed- keuring en uitdrukkelijke schriftelijke appreciatie van inspecteur DEJONGHE”; dat verzoeker in zijn nota met bemerkingen dienaangaande geen opmerkingen heeft gemaakt; dat derhalve te dezen vastgesteld moet worden dat verzoeker niet verduidelijkt op welke wijze het voegen van de desbetreffende bewijsstukken, waaruit inderdaad blijkt dat de korpschef vroeger in een andere zaak zijn tuchtbevoegdheid ten aanzien van verzoeker had gedelegeerd en die hem uiteraard bekend waren, zijn rechten van verdediging zouden hebben beknot; 4.3.
  41. Overwegende dat verzoeker tenslotte erop wijst dat het tuchtonderzoek niet met bekwame spoed gevoerd is, aangezien de feiten dagtekenen van 17 mei 2003 en het eindbesluit slechts is getroffen op 22 april 2004, terwijl hij al die tijd preventief geschorst is geweest; Overwegende dat uit chronologie van de feitelijke gegevens, zoals zij hiervoor sub
  42. zijn samengevat, duidelijk blijkt dat de tuchtzaak tegen verzoeker, in de verschillende stadia van de procedure, met bekwame spoed afgehandeld is; dat geen enkel gegeven doet besluiten dat, in enige fase van de rechtsgang, nodeloos getalmd zou zijn; 4.
  43. Overwegende dat het tweede middel niet ernstig is; 5.
  44. Overwegende dat verzoeker het derde middel als volgt voorstelt : IX-4511-16/32 “Schending van de rechten van verdediging en van het recht op een eerlijk proces. Schending van het onpartijdigheidsbeginsel (fair play-norm) en machtsaf- wending.”; dat hij terzake de volgende aspecten onder de aandacht brengt :

(1)Hij heeft verschillende gerechtelijke procedures tegen de Stad Kortrijk ingediend en het is begrijpelijk dat de overheid hem liefst zo vlug mogelijk uit het politiekorps ziet verdwijnen, waarvoor het tuchtdossier een ideale aanleiding is; ook de omstandigheid dat verzoeker syndicaal afgevaardigde was, is ongetwijfeld niet vreemd aan de wijze waarop zijn dossier aangepakt is; de delegatie van de tuchtbevoegdheid had enkel tot doel een waas van onpartijdigheid te creëren, aangezien de verwerende partij geen toepassing heeft willen maken van artikel 27 van de Tuchtwet en in wezen was de positie van de hogere tuchtoverheid in dit dossier nog delicater dan de positie van de gewone tuchtoverheid, aangezien de burgemeester van Kortrijk over de meerderheid van stemmen in het politiecollege van de zone VLAS beschikt; in de bestreden beslissing wordt ook overwogen dat verzoeker weet dat de grenzen van het toelaatbare manifest overschreden werden;
(2)zowel de directeur-personeel als de voorafgaand onderzoeker BILLIOUW waren reeds in de zaak betrokken vooraleer er een delegatie was verleend doordat zij zich beiden, in de procedure van voorlopige schorsing, reeds een beeld hadden gevormd over de situatie; in ieder geval komt de naam van beiden steeds voor op de documenten, zelfs deze van het politiecollege, moest het dossier steeds geraadpleegd worden in het bureel van de directeur- personeel en hebben de twee vooronderzoekers het dossier van in den beginne gestuurd om redenen die hun eigen waren; ook is de geloofwaardigheid van commissaris van politie BILLIOUW teloorgegaan doordat hij, tijdens of bij het afsluiten van zijn opdracht, zijn persoonlijke visie omtrent de dossiergegevens en omtrent de gewenste afloop van de tuchtzaak heeft veruitwendigd; 5.
  1. Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt wat volgt : het instellen van een vordering tegen een stad belet niet dat de burgemeester van die stad niet meer zou kunnen deelnemen aan de beraadslagingen binnen de organen van de betrokken politiezone; verzoeker heeft in de loop van het onderzoek geen enkele bijkomende onderzoeksdaad gevraagd en het onderzoek heeft zelfs gunstige appreciaties gekregen van de raadsman van de met verzoeker vervolgde collega; uit het advies van de tuchtraad blijkt duidelijk dat er een deugdelijke, afdoende en onpartijdige feitenvinding is nagestreefd, waaraan de verwijzing naar praktische regelingen -over de inzage van het dossier, over de vermeldingen op de stukken, over de afgelegde verklaringen- of het aanhalen van detailkritiek op bevindingen van de onderzoekers niets afdoet; uit het dossier blijkt dat er zeer IX-4511-17/32 uitvoerig verhoord is en dat alle elementen in rekening zijn gebracht zowel de gunstige als de ongunstige; 5.3.
  2. Overwegende dat de omstandigheid dat verzoeker in een aantal processen verwikkeld is met de stad Kortrijk en dat hij als syndicaal afgevaardigde in discussie is gegaan met het bestuur op zich niet aantoont dat de verwerende partij in het tuchtdossier tegen verzoeker een partijdige opstelling heeft aangenomen; dat zulks evenmin afgeleid kan worden uit het feit dat de tuchtoverheid het onderzoek niet opgedragen heeft aan de algemene inspectie -verzoeker heeft overigens zelf ook niet om dergelijk onderzoek gevraagd- of dat de burgemeester van de stad Kortrijk deel uitmaakte van het politiecollege; dat verzoeker geen overeenstemmende gegevens aanbrengt die in redelijkheid aannemelijk maken dat een van de personen die in het tuchtdossier tegen hem een rol vervuld heeft zich partijdig opgesteld zou hebben; dat ook niet wordt ingezien hoe de verwijzing in het bestreden besluit naar het feit dat verzoeker wel wist dat hij manifest de grenzen van het toelaatbare overschreden had als een bewijs van partijdigheid kan worden gezien; 5.3.
  3. Overwegende dat, naar blijkt uit de bespreking van het eerste middel, de korpschef met de delegatie van zijn tuchtbevoegdheid aan de directeur- personeel niet buiten het wettelijk kader getreden is; dat de stelling dat die aanwijzing enkel tot doel zou gehad hebben een zweem van onpartijdigheid te creëren, geenszins aannemelijk wordt gemaakt; dat uit het dossier ook niet blijkt dat de directeur- personeel zich reeds met de zaak heeft beziggehouden alvorens hij door de korpschef als gewone tuchtoverheid aangewezen is; dat de omstandigheid dat de directeur- personeel beslissingen genomen heeft inzake de voorlopige schorsing van verzoeker op zich niet betekent dat hij wegens de schijn van partijdigheid niet meer zou kunnen optreden in de eigenlijke tuchtprocedure; dat de omstandigheid dat verschillende procedurestukken die officieel aan de hogere tuchtoverheid worden toegerekend, in hun hoofding een verwijzing bevatten naar de directeur-personeel, evenmin het bewijs bevatten van een mogelijk partijdige opstelling; Overwegende, wat de aangevoerde partijdigheid van de aange- wezen vooronderzoeker BILLIOUW betreft, dat uit de in het dossier opgenomen processen-verbaal van verhoor niet de minste vooringenomenheid tegen verzoeker kan opgemaakt worden; dat integendeel uit het dossier blijkt dat de onderzoeker tijdens zijn verhoren bijzondere aandacht gehad heeft voor de vraag of de klacht misschien het gevolg zou kunnen zijn van het feit dat leden van de politiezone Gavers IX-4511-18/32 verzoeker in een slecht daglicht wilden stellen of dat er enige conflictsituatie bestond tussen de politiezone Gavers en de herberg Bora Bora; dat er zelfs uit blijkt dat hij oog heeft gehad voor de animositeit die er binnen het korps bestond tussen de korpschef en verzoeker en hij in dat kader de verschillende ongunstige evaluaties van verzoeker buiten zijn onderzoek heeft gehouden, wat onmiskenbaar tot zijn voordeel diende te strekken; dat, gelet op de verschillende gelijklopende getuigenissen betreffende het gebeuren in het café Wielsbeke, ook uit de omstandigheid dat BILLIOUW niet ingegaan is op de vraag om te onderzoeken of er bepaalde benaderingen zijn gebeurd geen partijdige opstelling afgeleid wordt; dat ook de omstandigheid dat de onderzoeker zich in fine van zijn verslag uitspreekt over de tuchtvergrijpen die verzoeker begaan heeft, geenszins het bewijs bevat dat hij zijn onderzoek niet objectief gevoerd heeft; 5.
  4. Overwegende dat de verschillende door verzoeker aangebrachte gegevens, ook wanneer ze globaal worden bekeken, niet aantonen dat de tucht- procedure niet eerlijk zou verlopen zijn of dat het onpartijdigheidsbeginsel op enig ogenblik van de procedure miskend zou zijn; dat het derde middel niet ernstig is; 6.
  5. Overwegende dat verzoeker in het vierde middel, dat ontleend is aan de “schending van de rechten van de verdediging en van het recht op een eerlijk proces en schending van de artikelen 25 en 29 Tuchtwet”, aanvoert dat hij ter gelegenheid van zijn verhoor van 4 juni 2003 niet gewezen is op het bestaan van de artikelen 25 en 29 van de Tuchtwet -zijn recht om niet mee te werken aan het verhoor en de mogelijkheid van bijstand van een verdediger-, terwijl de verschillende personeelsleden die als getuige verhoord zijn wel een mededeling dienaangaande hebben gekregen en zij ook gewezen zijn op hun loyauteitsverplichting; dat naar zijn oordeel hij bij zijn tweede verhoor -op 31 juli 2003- op een andere wijze dan de getuigen ingelicht is, waaruit blijkt dat de tuchtoverheid hem doelbewust wenste te misleiden, terwijl de overheid de verschillende personeelsleden nochtans gelijkwaar- dig moet behandelen; dat hij daarin nog maar een bewijs ziet van een partijdige opstelling van de overheid en van een deloyale bewijsgaring die niet regelmatig in het dossier betrokken kan worden; 6.
  6. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen betoogt dat er geen rechtsplicht bestond om verzoeker voorafgaandelijk aan zijn verhoor te wijzen op de inhoud van artikel 25 of 29 van de Tuchtwet; dat zij IX-4511-19/32 van oordeel is dat de overheid evident een personeelslid dat verhoord wordt in het raam van een tuchtactie niet in dwaling mag laten, maar dat verzoeker reeds bij zijn eerste verhoor goed wist dat hij geen getuige was en dat er slechts reden was om zich te bewegen binnen de artikelen 25 en 29 van de Tuchtwet van zodra de eigenlijke tuchtprocedure was opgestart; 6.3.
  7. Overwegende dat artikel 25 van de Tuchtwet, zoals gewijzigd bij de wet van 31 mei 2001, de loyauteitsverplichting instelt in hoofde van het politiepersoneel dat niet het voorwerp uitmaakt of kan uitmaken van de tucht- rechtelijke onderzoeksdaden waarbij zij worden betrokken; dat artikel 25 dan ook niet op verzoeker van toepassing was en dat de verwerende partij dan ook niet onrechtmatig gehandeld heeft door hem geen mededeling dienaangaande te doen terwijl zij dit wel zou gedaan hebben ten overstaan van het politiepersoneel dat als getuige werd verhoord, laat staan dat daarin het bewijs van enige partijdigheid of poging tot misleiding kan gevonden worden; 6.3.
  8. Overwegende dat artikel 29, eerste lid van de Tuchtwet, zoals gewijzigd bij de wet van 31 mei 2001, aan het politiepersoneel het recht verleent zich in elke stand van de tuchtprocedure te laten bijstaan of vertegenwoordigen door een verdediger; Overwegende dat, binnen het kader van de wettelijke regeling, de eigenlijke tuchtprocedure begint met de betekening van het inleidend verslag aan het betrokken personeelslid; dat in dit inleidend verslag het personeelslid moet gewezen op de rechten die artikel 29 hem toekent (artikel 33, tweede lid, 3/); dat evenwel het verhoor van verzoeker d.d. 4 juni 2003 niet kaderde binnen dergelijke tucht- procedure, maar in een procedure van voorlopige schorsing, die door de wet in een afzonderlijk hoofdstuk VI geregeld is en waarin geen enkele verwijzing naar artikel 29 is opgenomen; dat de verwerende partij dan ook in het kader van het verhoor van 4 juni 2003 niet naar die wetsbepaling moest verwijzen; 6.
  9. Overwegende dat het vierde middel niet ernstig is; 7.
  10. Overwegende dat verzoeker in het vijfde middel, ontleend aan de “schending van de rechten van de verdediging en van het recht op een eerlijk proces en schending van artikel 10 van het uitvoeringsbesluit Tuchtwet”, aanvoert wat volgt : IX-4511-20/32
(1)artikel 10 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 omschrijft de opdrachten van de vooronderzoeker; het document van 5 juni 2003 waarmee voor dit geval de vooronderzoekers zijn aangewezen heeft geen enkele waarde, aangezien het noch de identiteit van de gebeurlijk betrokken personeelsleden vermeldt, noch een omschrijving geeft van de feiten die onderzocht moeten worden en ook geen taakomschrijving geeft aan de onderzoekers; de verwerende partij heeft dan op 18 juli 2003 een nieuwe aanwijzing gedaan die wel rekening houdt met de bepalingen van het vermelde artikel 10, maar die aanwijzing is wegens haar terugwerkende kracht onregelmatig en heeft daarom de nietigheid van alle onderzoeksdaden, gesteld voor 18 juli 2003, tot gevolg;
(2)een van de vooronderzoekers -hoofdinspecteur BUYCK- is in de loop van het onderzoek bij vier verhoren vervangen door hoofdinspecteur SAMYN, die nooit als vooronderzoeker aangewezen was; ook dat leidt tot de nietigheid van de gestelde onderzoeksdaden;
(3)het eindverslag is slechts ondertekend door één vooronderzoeker zonder dat daarvoor een reden wordt opgegeven; het betreft dus een eenzijdig opgesteld verslag, dat overigens de vraag open laat of de andere onderzoeker wel enige inspraak gehad heeft; 7.
  1. Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt wat volgt : P. BILLIOUW en J. BUYCK zijn op 5 juni 2003 aangewezen als vooraf- gaande onderzoekers; van die aanstelling is bevestiging gegeven in de oproepingsbrief van 18 juli 2003 gericht aan verzoeker, zodat er geen sprake is van enige dubbele aanstelling; in de brief van 18 juli 2003 is wel degelijk een omschrijving gegeven van de opdracht van de vooronderzoekers zodat de rechten van verzoeker niet miskend zijn; de omstandigheid dat er twee vooronderzoekers aangewezen zijn houdt niet in dat alle onderzoeksdaden gezamenlijk door de beide personen verricht moeten worden of dat geen andere politieambtenaar bij het onderzoek betrokken zou kunnen worden, maar de aanstelling heeft enkel tot gevolg dat minstens één van de aange- wezenen bij de onderzoeksdaden betrokken moet zijn; 7.3.1.
  2. Overwegende dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat de directeur-personeel op 5 juni 2003 formeel P. BILLIOUW, commissaris van politie en J. BUYCK, hoofdinspecteur van politie, als voorafgaande onderzoekers aangesteld heeft; dat de oproeping aan verzoeker d.d. 18 juli 2003 uitdrukkelijk naar die beslissing verwijst; dat er derhalve geen “nieuwe” aanstelling van de twee vooronderzoekers is gebeurd; IX-4511-21/32 7.3.1.
  3. Overwegende dat, naar luid van artikel 10, tweede lid, van het koninklijk besluit van 26 november 2001 tot uitvoering van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, de voorafgaand onderzoeker “gemachtigd wordt door de tuchtoverheid om (...), binnen de grenzen van artikel 25 van de tuchtwet, een onderzoek te voeren dat onder andere het volgende kan omvatten: 1/ het verhoor van het betrokken personeelslid; 2/ elk verhoor dat nuttig geacht wordt door de voorafgaande onderzoeker; 3/ de vraag tot afgifte van stukken of voorwerpen die nuttig zijn om de waarheid aan het licht te brengen (...)”; Overwegende dat die bepaling zich niet uitspreekt over de vermeldingen die het document waarbij een vooronderzoeker aangewezen wordt, moet bevatten; dat de door verzoeker aangevoerde redenen waarom de beslissing van 5 juni 2003 geen enkele juridische waarde zou hebben, dan ook niet tot die vaststelling kunnen leiden; Overwegende dat het besluit van 5 juni 2003 van de directeur- personeel inderdaad geen uitgewerkte uiteenzetting bevat over de opdracht die de vooronderzoekers moeten volbrengen; dat die opdracht daarom niet onwettig is; dat immers artikel 10 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 de bevoegdheden van de onderzoeker omschrijft en er zich niet tegen verzet dat die onderzoeks- opdracht algemeen is, dwz betrekking heeft op al de punten die in bepaling zijn opgesomd of dat er stilzwijgend een volledige onderzoeksopdracht wordt gegeven; dat aldus het enkele feit dat het opdrachtbesluit die opsomming niet overneemt, dat besluit niet vicieert, maar integendeel betekent dat de vooronderzoeker de ruimst mogelijke bevoegdheid verkrijgt die artikel 10 mogelijk maakt; 7.3.
  4. Overwegende dat verzoeker niet aantoont welke rechtsregel de verwerende partij geschonden zou hebben doordat het voorafgaand onderzoek niet steeds gezamenlijk uitgevoerd is door de twee aangestelde onderzoekers, doordat het eindverslag van dat onderzoek niet door beiden ondertekend is of doordat een derde politieambtenaar een van de twee aangestelde onderzoekers bijgestaan zou hebben gedurende een aantal verhoren; 7.
  5. Overwegende dat het vijfde middel niet ernstig is; IX-4511-22/32 8.
  6. Overwegende dat verzoeker in het zesde middel, ontleend aan de “schending van de rechten van de verdediging. Schending van het recht van verzoeker om getuigen op te roepen. Schending van artikel 38quinquies en 49 Tuchtwet. Schending van de motiveringsplicht.”, aanvoert dat hij van meet af aan, met opgave van redenen, aan de hogere tuchtoverheid gevraagd heeft om getuigen te verhoren, maar dat dit verzoek nooit ingewilligd is; 8.
  7. Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt dat verzoeker de vaststelling van de feiten en hun kwalificatie niet betwist heeft, dat hij in feite detailkritiek uitbrengt die evenwel irrelevant is en de regelmatigheid van het onderzoek niet in het gedrang kan brengen; 8.
  8. Overwegende dat de rechten van verdediging waarover verzoeker in het raam van de tegen hem gevoerde tuchtprocedure beschikt, hem het recht verlenen met getuigen de correctheid van zijn stelling te bewijzen; dat evenwel de tuchtoverheid niet verplicht is in te gaan op elke vraag om getuigen te horen; dat zij te dien aanzien moet uitmaken of, in het kader van een correcte feitenvinding, het voorgestelde getuigenverhoor een meerwaarde aan het onderzoek kan verlenen en dat zij in functie daarvan een aangevraagd getuigenverhoor kan weigeren of toestaan; dat te dezen vastgesteld wordt dat verzoeker reeds bij zijn eerste verhoor de feiten heeft erkend en dat die feiten, met de begeleidende omstandigheden, door de voorafgaande onderzoekers grondig onderzocht zijn; dat de tuchtoverheid op grond van die gegevens de feiten terdege voor bewezen kon houden, wat haar toeliet niet in te gaan op het aanbod van verzoeker om bijkomend nog getuigen te verhoren; dat het middel niet ernstig is; 9.
  9. Overwegende dat verzoeker in het zevende middel de schending aanvoert van het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel; dat hij betoogt wat volgt: er bestaat geen objectieve reden die belet dat verzoeker niet langer binnen het politiekorps kan functioneren; de ernstige verstoring waarop de verwerende partij zich steunt is niets meer dan de verstoring die ervaren wordt door enkele personen die toevallig de dienst uitmaken; zijn collega’s zien geen graten in zijn aanblijven en de houding van de verwerende partij is zelfs hypocriet waar in de gebouwen van het korps zelf een kantine wordt uitgebaat waar alcoholische dranken geserveerd worden; overigens kan de beweerde ordeverstoring op een andere wijze hersteld worden, maar die mogelijkheid is niet onderzocht; zowel uit het advies van de tuchtraad - waaraan een bijzondere betekenis en een groot belang gehecht moet worden- als uit IX-4511-23/32 het advies van de inspecteur-generaal van de algemene inspectie aan de tuchtraad kan opgemaakt worden dat het ontslag van ambtswege kennelijk onredelijk is; bovendien staat de sanctie haaks op de vaststelling dat het korps kampt met een personeelste- kort; in 1990 is een collega van verzoeker voor gelijkwaardige feiten bestraft met een schorsing van acht dagen; er is geen rekening gehouden met zijn onberispelijke staat van dienen; 9.
  10. Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt wat volgt : noch de Raad van State, noch de tuchtraad zijn bevoegd om de strafmaat te bepalen; de toetsingsbevoegdheid van de Raad van State is beperkt tot de vraag naar de kennelijke onredelijkheid van de opgelegde straf en een strenge straf is daarom nog niet kennelijk onredelijk; de feiten die verzoeker als politieambtenaar gepleegd heeft, doet elk vertrouwen van de maatschappij teloor gaan en in het bestreden besluit wordt dat definitief en onherstelbaar verlies van vertrouwen afdoende uiteengezet; er is geen vergelijking mogelijk met feiten die in 1990 gesanctioneerd zijn; 9.3.
  11. Overwegende dat de hogere overheid aan de tuchtraad het voorstel voorgelegd heeft om verzoeker van ambtswege te ontslaan; dat dit voorstel gedragen werd door de volgende motieven : “- de feiten onmiskenbaar meerdere handelingen uitmaken, gesteld binnen de uitvoering van de dienst in een openbare gelegenheid in volledige dienstkledij, die een uiterst ernstige tekortkoming uitmaken aan de beroepsplichten en die van die aard zijn om de waardigheid van het ambt, het korps en de politiediensten in het algemeen op onmiskenbaar heel ernstige wijze in het gedrang te brengen; - de schending van de deontologische principes manifest en uitermate ernstig is; - de uitermate zwaarwichtigheid van en de houding bij de gestelde handelingen, in aanwezigheid van burgers en collega's en de weerklank die deze binnen en buiten het politiekorps hebben gekend, een onvoorwaardelijke breuk hebben teweeggebracht tussen de actuele werkgever, met name de politiezone VLAS en het betrokken personeelslid; - dezelfde vertrouwensbreuk naar ieder burger toe, in het licht van de bekendheid en ruchtbaarheid van de feiten, onmiskenbaar leidt tot het besluit dat de inzet binnen een politiedienst in het algemeen voor de toekomst uitgesloten is; - in het bijzonder het betrokken personeelslid door de integrale hiërarchie op geen enkele manier kan worden ingezet voor eender welke politieopdracht evenals het feit dat het voor actuele en toekomstige collega's onmogelijk is geworden met een personeelslid samen te werken dat op deze wijze de naam en de faam van het ambt van politiefunctionaris heeft geschaad; - de houding van betrokkene binnen de omstandigheden waarbij het zich aan de dienst heeft onttrokken, een onherstelbare vertrouwensbreuk heeft teweegge- bracht in hoofde van de werkgever, zodat een wederopname als politieambtenaar voor de toekomst is uitgesloten; IX-4511-24/32 - de geloofwaardigheid van het betrokken personeelslid in zijn hoedanigheid van lid van de politiediensten integraal is ondermijnd;”. Overwegende dat de Tuchtraad in zijn advies van 20 februari 2004 daarover gesteld heeft wat volgt : “Aangezien de verschillende feiten van de tenlastelegging a, b en c ingegeven zijn door eenzelfde opzet, behoort het ook deze feiten te bestraffen met één enkele sanctie. Zoals de inspecteur-generaal meent ook de tuchtraad dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde strafmaat (ontslag van ambtswege) niet gerecht- vaardigd is, noch door de ernst van de feiten, noch door de weerslag hiervan op de verdere dienstuitvoering. Ondanks de afkeurenswaardige gedraging van INP DE JONGHE kan niet redelijk voorgehouden worden dat hierdoor elke samenwerking onmogelijk wordt gemaakt. Het laakbaar gedrag heeft niet tot gevolg dat geen vertrouwen meer kan gesteld worden in INP DE JONGHE. Zijn misstap kan wel aanleiding geven tot een zware straf en tot bijzonder toezicht op zijn dienstuitvoering, maar rechtvaardigt op zich niet dat bij wijze van tuchtsanctie een einde wordt gesteld aan zijn loopbaan als politieambtenaar. De algemene stellingname door de hogere tuchtoverheid dat het vertrouwen geschonden zou zijn wordt met geen enkel concreet en relevant gegeven ondersteund. Alleen indien onomstotelijk zou blijken dat betrokkene op basis van de tenlasteleggingen niet meer enige taak als politieagent kan uitoefenen, quod non, is een verwijdering uit de dienst gerechtvaardigd. Zoals supra gesteld kan dit niet zonder meer uit de, weliswaar afkeurenswaardige, feiten worden afgeleid. Het wordt niet aangetoond dat een andere zware tuchtsanctie geen voldoende signaal kan zijn voor de betrokkene om dergelijk onaanvaardbaar gedrag te voorkomen. Gelet op zijn blanco strafregister, zijn jarenlange loopbaan bij de politie- diensten en de afwezigheid van negatieve gegevens met betrekking tot de dienstuitvoering, adviseert de tuchtraad, beslissend bij meerderheid van stemmen, dat uit hoofde van de ten laste gelegde feiten sub a, b en c aan INP DE JONGHE een schorsing bij tuchtmaatregel zou worden opgelegd voor de duur van drie maanden.”. 9.3.
  12. Overwegende dat het advies van de tuchtraad voor de tuchtover- heid een belangrijk gegeven vormt voor het treffen van een definitief tuchtstrafbesluit; dat evenwel een tuchtstraf niet buiten verhouding tot de vastgestelde feiten is omdat er afgeweken wordt van het advies van de tuchtraad; dat de wet de tuchtoverheid er in dat geval wel toe verplicht haar afwijkende beslissing te motiveren en de betrokkene de mogelijkheid geven zich daarover te verdedigen; dat in het kader van het hier besproken middel dan de vraag rijst of de hogere tuchtoverheid er in geslaagd is de bemerkingen van de tuchtraad afdoende te weerleggen en aldus het ambtshalve ontslag van verzoeker een degelijke juridische basis te geven; IX-4511-25/32 9.3.
  13. Overwegende dat het bestreden besluit -verzoeker heeft op het inhoudelijk vlak geen wezenlijk verweer geboden op de hem medegedeelde intentie van het bestuur om van het advies van de tuchtraad af te wijken- een uitvoerige motivering bevat; dat zij luidt als volgt : “(dat) met betrekking tot de ernst van de bewezen en toerekenbare tucht- rechtelijke feiten, ten overvloede en bij herhaling, kan worden gesteld dat : - inzake de ernst van de feiten : - op de uiteenzetting door de HTO op de zittingen van de tuchtraad gewezen werd op de maatschappelijke voorbeeldfunctie van de politieambtenaren - ter zitting de vergelijking werd gemaakt met het ontslag om dringende redenen dat - zelfs in de privé-omgeving - voor minder ernstige redenen werd opgelegd; - ter zitting werd gesteld dat dit a fortiori in hoofde van politieambtenaren niet als manifest onredelijk kan worden beschouwd; - inspecteur DE JONGHE onmiddellijk zelf heeft geconcludeerd dat de bedoelde handelingen vermoedelijk tot een ontslag zouden leiden gelet op de vertrouwensbreuk ingevolge de ernst van de misstap; - de collega's van de andere zone, die de feiten aanhangig hebben gemaakt, dermate door de feiten waren geschokt en deze hebben willen kenbaar maken aan hun oversten en aan de politiezone VLAS; - voorgaande démarche was geïnspireerd door het feit dat schande werd gesproken over de personeelsleden van de politiezone GAVERS, waarmee de auteurs van de feiten werden verward; - de jongere politieambtenaren deze feiten als heel ernstig hebben gepercipieerd en bijgevolg in de openbaring van hun verontwaardiging bij wege van inlichting van de hiërarchie symbool staan voor de actuele beoordeling van het gedrag van politieambtenaren; - inzake de ruchtbaarheid : - de gewone tuchtoverheid werd ingelicht door een officier van een andere zone zodat bij evidentie hieromtrent ruchtbaarheid is gegeven; - het aanbrengen van feiten door collega's inzake collega's de uitzondering en bijgevolg slechts gebeurt wanneer deze een zekere weerklank hebben gekregen; - de loutere aanwezigheid van publiek in beide drankgelegenheden bij evidentie zal aanleiding hebben gegeven tot het geven van een commentaar op de gestelde handelingen; - het in hoofde van de overheid bij evidentie niet mogelijk is hiervan het bewijs te leveren. - inzake het geschonden vertrouwen en de onmogelijkheid tot verdere samenwerking : - de hogere tuchtoverheid - tegelijk werkgever - vanaf het eerste moment van de kennisgeving van de feiten de voorlopige schorsing bij hoog- dringendheid heeft bekrachtigd, inclusief de argumenten die hiervoor door de GTO werden aangehaald; - deze argumenten zijn gesteund op volgende overwegingen die wij ten overvloede wensen te herhalen : 'Overwegende de hoogdringendheid om onmiddellijk een beslissing te nemen gelet op het feit dat betrokkenen opgenomen zijn in de normale dienstplanning en -werking en dat de handelingen met onmiddellijke ingang na de kennisgeving op heel ernstige wijze de integrale en toekomstige werking van het korps schaden zodat op grond van een ogenschijnlijk onmiddellijke onverenigbaarheid tussen de gestelde handelingen en de IX-4511-26/32 vereiste waardigheid van het ambt, een verdere inzetbaarheid op heden onmogelijk wordt; Rekening houdende met onderstaande motivering, ben ik van oordeel dat met deze handelingen onmiskenbaar de eer en de waardigheid van het ambt zijn geschonden. In duidelijk herkenbare dienstkledij, met een voertuig dat onmiskenbaar de identiteit van de politiezone VLAS draagt, zijn handeling- en gesteld die de reputatie van de politiezone onherroepelijk schade hebben toegebracht. Deze zijn ook van aard om meteen het vertrouwen van de burgers in het korps in vraag te laten stellen of de gehele houding van de bedoelde pesoneelsleden in vraag te stellen. Het feit dat de gedragingen werden gesteld in publieke gelegenheden in aanwezigheid van derden, tijdens het dragen van het uniform met wapen en daarbij handelingen werden gesteld die ingaan tegen de goede zeden, bevestigt de onverenigbaarheid van de aanwezigheid. Bijgevolg is, in de huidige stand van zaken en indien de feiten ten gronde worden bewezen zoals aangehaald in de bedoelde nota en in de mate dat ze op dit ogenblik inzake de grond van de feiten bij de verhoren werden bevestigd door minstens één van de betrokkenen, de aanwezigheid van het betrokken personeelslid absoluut onverenigbaar met het belang van de dienst. Op dit ogenblik kan geen enkele bediening worden toevertrouwd aan betrokkene, waarbij op geen enkele wijze het extern en intern dienstbelang niet zou worden geschaad gelet op de bedoelde handelingen.' - inspecteur DE JONGHE onmiddellijk zelf heeft geconcludeerd dat de bedoelde handelingen vermoedelijk tot een ontslag zouden leiden gelet op de vertrouwensbreuk ingevolge de ernst van de misstap; - de werkgever, bij bekrachtiging, in voorgaande motivering onmiddellijk heeft duidelijk gemaakt dat er geen plaats meer is voor betrokkene binnen het politiewezen van de politiezone; - de werkgever meent dat personeelsleden die zich - !! tijdens de dienst en herkenbaar als politiemensen gekleed - aan dergelijke uitwassen schuldig maken, op geen enkele credibele wijze nog kunnen optreden ten aanzien van of ten behoeve van de burgers van eender welke zone; - het college ten aanzien van de bevolking van de volledige zone verantwoordelijk zijn voor het aanbieden van politiepersoneel dat steeds en zonder enige voorwaarde respect moet kunnen afdwingen bij de bevolking; - handelingen van een dergelijke aard onvermijdelijk leiden tot de uitsluiting uit een organisatie die er juist op gericht is op basis van de waardigheid van de personeelsleden, het vertrouwen van de burger te verwerven en te behouden; - politiemensen immers gedelegeerde houders zijn van een deel van de openbare macht die hen toegekend wordt om er ten aanzien van gelijken op gepaste wijze gebruik van te maken; - manifest en ongepast gedrag, in een openbare drankgelegenheid in aanwezigheid van publiek, dan ook uitsluit dat aan deze mensen een maatschappelijk mandaat wordt gegeven; - dat betrokkenen - en heel expliciet inspecteur DE JONGHE - echt weten dat de grenzen van het aanvaardbare manifest werden overschreden. - inzake de afwezigheid van negatieve gegevens betreffende het verleden en de disproportie van de maatregel : - de ogenschijnlijk (identiek in beide dossiers) standaardstelling van de tuchtraad inzake de afwezigheid enig gerechtelijk verleden (blanco strafregister, jarenlange loopbaan en afwezigheid van negatieve gegevens), faalt in feite; IX-4511-27/32 - in het dossier wordt verwezen naar een antecedent van betrokkene, meer bepaald een recente werkafspraak; - indien, luidens het advies, door het bestaan van een blanco blad der tuchtstraffen, geen rekening zou mogen worden gehouden met de feiten uit het verleden, ex absurdo, zou moeten worden geconcludeerd dat alle tuchtstraffen, na verjaring van de voorgaande, zouden moeten worden beperkt tot de lichte straffen; - de vermelding van een maatregel (een werkafspraak staat niet op het tuchtblad) voor een feit uit het verleden, procedureel niet een constitutief element vormt voor het maken van een optelsom die finaal moet leiden tot het opleggen van de zwaarste sanctie, doch enkel - maar duidelijk - het bewijs is van het feit dat betrokkene in het recente verleden eerder last heeft gehad van normvervaging; - het in casu ging over een dossier met ernstige feiten aan de basis, dat na grondig onderzoek finaal intern werd afgehandeld, precies in het kader van een constructieve en onpartijdige progressiviteit buiten de tucht om; - precies van de overheid wordt gevraagd een zekere 'progressiviteit' (zie overwegingen infra) in de bestraffing in ogenschouw te nemen die in casu wordt aangetoond door de vermelding van het antecedent; - het verleden - niettegenstaande niet vermeld op een tuchtblad, doch als feit op zich vaststaand, in die context niet tot enige onzorgvuldigheid, laat staan onwettigheid, bij de feitenvinding en appreciatie van de feiten kan leiden; - de HTO bij de uiteenzetting op de tuchtraad de stelling heeft ingenomen dat ook éénmalige feiten doch van een overduidelijke ernstigheidsgraad, aanleiding moeten kunnen geven tot een definitieve vertrouwensbreuk; - hierbij werd overwogen dat, indien dit geldt voor de privé-sector, dit bij evidentie geldt voor politieambtenaren voor wie in toepassing van de wet hogere standaarden gelden inzake integriteit, waardigheid, voorbeeldfunctie en beschikbaarheid; - de vertegenwoordiger van de algemene inspectie bij de hoorzitting van de tuchtraad op 29 januari 2004 wel degelijk noteert dat 'rekening houdend met de progressiviteit in de bestraffing en de proportionaliteit met betrekking tot de feiten die aan de basis van de tuchtprocedure liggen de aard van de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde tuchtstraf evenwel gerechtvaardigd lijkt' en 'bijkomend een schorsing van lange duur' adviseert; - de werkgever bijgevolg, onverminderd de progressiviteit, de ernst van de feiten op zich in ogenschouw heeft genomen en hierbij over een discretionaire bevoegdheid beschikt; - de tuchtwet niet de mogelijkheid in zich houdt om een schorsing langer dan drie maanden op te leggen, zoals voorgesteld door de vertegenwoordiger van de algemene inspectie; Tot slot : - gelet op voorgaande overwegingen niet kan worden gesteld dat de HTO een manifest disproportionele maatregel overweegt in de vorm van een definitief ontslag, zijnde een straf waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige overheid deze voor die fout zou opleggen, voor handelingen, gesteld door politieambtenaren, die, in hoofde van maatschappelijk gemandateerde beleidsverantwoordelijken manifest onaanvaardbaar zijn”. Overwegende dat de verwerende partij met die uiteenzetting op afdoende wijze uiteenzet waarom zij niet meer kan dulden dat verzoeker nog in het politiekorps dient; dat, inhoudelijk, die uiteenzetting ook toelaat te begrijpen waarom IX-4511-28/32 volgens de verwerende partij verzoeker geen politieambtenaar meer kan zijn; dat de Raad van State in dat verband inzonderheid oog heeft voor de overweging dat politieambtenaren die, tijdens de dienst en herkenbaar, feiten als de hier besprokene -en waarvan de ernst onbetwistbaar is- plegen, “op geen enkele credibele wijze nog kunnen optreden ten aanzien van of ten behoeve van de burgers van eender welke zone”, terwijl het personeel “steeds en zonder enige voorwaarde respect moet kunnen afdwingen bij de bevolking”, terwijl het mede door de waardigheid waarvan de politieambtenaren blijk geven, mogelijk wordt dat de politiedienst het vertrouwen van de burger verwerft en behoudt en terwijl een politieman als lid van de openbare macht ook een “maatschappelijk mandaat” ter vervullen heeft; 9.3.
  14. Overwegende dat het middel niet ernstig is; 10.
  15. Overwegende dat verzoeker in het achtste middel de schending aanvoert van het motiveringsbeginsel en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van de bestuurshandelingen, doordat de hogere overheid afwijkt van het advies van de tuchtraad en zich daarvoor beroept op een definitieve vertrouwensbreuk maar dat zij niet aantoont waarom die vertrouwensbreuk definitief genoemd kan worden en de ernst van de feiten daarvoor geen voldoende verantwoording kan vormen; 10.
  16. Overwegende dat dit middel aansluit bij het zevende middel; dat daar is besloten dat de verwerende partij in het bestreden besluit deugdelijke redenen aangeeft waarom zij, in tegenstelling tot de tuchtraad, van oordeel is dat zij geen verdere samenwerking met verzoeker meer wil hebben; dat het middel niet ernstig is; 11.
  17. Overwegende dat verzoeker in het negende middel, ontleend aan “formele gebreken in de beslissing - schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorschriften”, betoogt wat volgt: overeenkomstig artikel 23 WGP wordt het politiecollege gevormd door de burgemeesters van de gemeenten die de meergemeentezone vormen en wordt de burgemeester, die verhinderd is, vervangen overeenkomstig artikel 14 van de nieuwe gemeentewet; in dit geval is de bestreden beslissing niet ondertekend door de burgemeester van Lendelede, die blijkbaar afwezig was op de vergadering van 22 april 2004, maar in de kennisgeving van het bestreden besluit wordt geen melding gemaakt van zijn afwezigheid of verhindering; dezelfde tekortkoming wordt vastgesteld ten aanzien van het besluit van 10 oktober 2003 waarbij het politiecollege besloten heeft IX-4511-29/32 verzoeker van ambtswege te ontslaan; aangezien niet blijkt dat de burgemeester van Lendelede afwezig of verhinderd was, had hij overeenkomstig artikel 23 WGP bij het treffen van die beide beslissingen aanwezig moeten zijn of had iemand in zijn vervanging moeten voorzien; dat de besluitvorming in het politiecollege gebeurt op basis van een stemmenweging doet niets af aan de aldus vastgestelde miskenning van de wet, aangezien de overheid zelf moet instaan voor de controle op de toepassing van de stemmenweging; aangezien het bestreden besluit niet formeel aanduidt dat een lid van het politiecollege wettig verhinderd was en dat er niet in zijn vervanging voorzien kon worden, blijkt niet dat het bestreden besluit wettig tot stand gekomen is en is het aangetast door een vormgebrek; 11.
  18. Overwegende dat de verwerende partij daar in haar nota met opmerkingen tegen inbrengt wat volgt: bij de deliberatie over het bestreden besluit is genotuleerd dat de burgemeester van Lendelede de vergadering verlaat; dat was de eenvoudige toepassing van artikel 30 van de Tuchtwet, dat de leden van het politiecollege verbiedt aan de besluitvorming deel te nemen wanneer zij niet permanent de hoorzitting hebben bijgewoond; aangezien de burgemeester van Lendelede afwezig was op het ogenblik dat de voorlopige schorsing van verzoeker bekrachtigd werd, dient besloten te worden dat hij afwezig was op de eerste zitting die aan het dossier van verzoeker was gewijd en kon hij niet meer deelnemen aan de verdere besluitvorming in de tuchtzaak; er is in dit geval enkel toepassing gemaakt van artikel 30 van de Tuchtwet en dat is steeds genotuleerd geworden; 11.3.
  19. Overwegende dat artikel 30 van de Tuchtwet aan de leden van het politiecollege verbiedt deel te nemen aan de beraadslaging en aan de stemming wanneer zij niet permanent tijdens het geheel van de hoorzittingen aanwezig waren; 11.3.
  20. Overwegende dat het politiecollege van de zone VLAS samen- gesteld is uit de burgemeesters van Kortrijk, Kuurne en Lendelede; Overwegende dat verzoeker door het politiecollege gehoord is op 10 oktober 2003; dat het proces-verbaal van verhoor vermeldt dat het college toen bestond uit de burgemeester van Kortrijk en de burgemeester van Kuurne, die beiden het proces-verbaal ondertekend hebben; dat, wegens zijn afwezigheid bij dat verhoor, de burgemeester van Lendelede overeenkomstig artikel 30 van de Tuchtwet niet meer in het verdere besluitvormingsproces in de tuchtzaak van verzoeker mocht tussenkomen; IX-4511-30/32 11.3.
  21. Overwegende dat artikel 23 WGP bepaalt dat het politiecollege gevormd wordt door de burgemeesters van de verschillende gemeenten die deel uitmaken van de meergemeentezone en dat het afwezige of verhinderde lid vervangen wordt overeenkomstig de bepalingen van artikel 14 van de Nieuwe Gemeentewet; dat artikel 24 WGP voor het politiecollege het beginsel invoert van de gewogen stemmen, evenredig met de inbreng van elke gemeente in de financiering van de politiezone; dat naar luid van artikel 28 WGP het politiecollege slechts kan beraadslagen en beslissingen nemen wanneer de meerderheid van de stemmen, bedoeld in artikel 24, vertegenwoordigd is en dat beslissingen genomen worden met de meerderheid van de vertegenwoordigde stemmen; Overwegende dat uit die bepalingen niet volgt dat de burgemeester van Lendelede aanwezig had moeten zijn bij de hier bestreden besluitvorming, ook niet dat de besluitvorming ongeldig is omdat de burgemeester van Lendelede niet vervangen zou zijn; Overwegende dat te dezen vastgesteld wordt dat verzoeker in zijn derde middel zelf uiteenzet dat de burgemeester van Kortrijk over de meerderheid van stemmen in het politiecollege beschikt, wat betekent dat het college regelmatig kon vergaderen en beslissingen nemen; dat verzoeker overigens nooit geprotesteerd heeft tegen de afwezigheid van de burgemeester van Lendelede of zijn vervanger; dat de vermelding, in de notulen van de vergaderingen of in de kennisgevingen aan de betrokkenen, van de stemmenweging onder de verschillende leden van het politiecollege, geen substantieel vormvoorschrift betreft die de rechtsgeldigheid van de genomen beslissingen aantast; dat geen miskenning wordt vastgesteld van de wettelijke bepalingen die de samenstelling en de werking regelen van het politie- college dat het bestreden besluit getroffen heeft; 11.
  22. Overwegende dat het negende middel niet ernstig is;
  23. Overwegende dat geen van de door verzoeker aangevoerde middelen ernstig wordt bevonden, BESLUIT: Artikel
  24. IX-4511-31/32 De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  25. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien oktober 2000 en vier, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4511-32/32 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.164 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.181 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.277 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.