← België

Arrest 136166 - - 18/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.166 Rolnummer: A. 153144/IX-4646 Zaak: Arrest 136166 - - 18/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-27 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 11:47 Fiche Arrest nr 136.166 van 18 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.166 van 18 oktober 2004 in de zaak A. 153.144/IX-

  1. In zake : Hendrik DEJONCKHEERE, die woonplaats kiest bij advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te SINT-PIETERS-LEEUW (RUISBROEK), Kerkstraat 66 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Hendrik DEJONCKHEERE op 24 juni 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken van 23 april 2004 waarbij hem de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 14 september 2004 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 11 oktober 2004; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. GHYSELS, die verschijnt voor verzoeker, en van adjunct-adviseur C. VANDERBORGHT, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-4646-1/12 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. Verzoeker, gewezen RMT-personeelslid, was sinds juni 1997 in dienst van de verwerende partij als statutair arbeider. Sinds april 1998 werkte hij bij het Vast Secretariaat voor Preventiebeleid, Kustactieplan waar hij als veiligheids- beambte werkzaam was in het project “actieplan kustcriminaliteit” te Brugge. 1.
  4. Op 4 juni 2003 heeft hij dienst te Brugge en dient hij tezamen met een personeelslid van de stad Brugge graffiti te verwijderen. Tijdens de diensturen wordt hij in een zelfbedieningszaak betrapt met een niet betaalde fles drank in zijn rugzak. Verzoeker wordt meegenomen door de lokale politie. Hij is volgens de vaststellingen van de lokale politie kennelijk dronken. Bij ministerieel besluit van 4 augustus 2003 wordt hij geschorst in het belang van de dienst met ingang van 26 juni 2003 met inhouding van wedde vanaf juli
  5. 1.
  6. Op 6 augustus 2003 stelt de procureur des Konings verzoeker een minnelijke schikking voor waarop deze ingaat zodat de strafvordering wegens winkeldiefstal is vervallen. 1.
  7. Op 23 oktober 2003 wordt verzoeker in het bijzijn van zijn raadsman gehoord in het kader van een eventuele tuchtprocedure wegens de diefstal, op 4 juni 2003, van een fles alcoholhoudende drank en wegens het feit op dat ogenblik kenmerken te vertonen van gedronken te hebben. Er wordt van dat verhoor een proces-verbaal opgemaakt dat door verzoeker zonder opmerkingen wordt geviseerd. IX-4646-2/12 1.
  8. Op 30 oktober 2003 stelt verzoekers hiërarchische overste voorlopig voor hem te straffen met het ontslag van ambtswege. Dit voorstel is als volgt gemotiveerd : "Dit voorstel is gebaseerd op het feit dat u tijdens de diensturen op 4 juni ll. en in dienstkledij op heterdaad betrapt werd van winkeldiefstal en u tevens, volgens de erbij geroepen politiediensten, in kennelijke staat van dronkenschap verkeerde. Betreffende kenmerken van drankgebruik tijdens de diensturen werden eveneens bevestigd door uw functionele chefs en dit niet alleen naar aanleiding van dit incident, maar tevens naar aanleiding van eerdere voorvallen. Dit niettegenstaande er duidelijke afspraken werden gemaakt tussen u, uw functionele en hiërarchische chefs en de Sociale Diensten van de FOD Binnen- landse Zaken en de Stad Brugge inzake alcohol op het werk. Voornoemd gedrag is totaal in strijd met de opdracht van de veiligheids- beambte in het kustactieplan die naast een voorbeeldfunctie tevens een veiligheidsgevoeloverbrengende functie heeft ten opzichte van de burger door zijn sociale aanwezigheid in het straatbeeld. De wijze waarop u zich gedragen heeft is onaanvaardbaar voor een ambtenaar met een openbare en preventiegerichte functie in het project 'actieplan kustcriminaliteit'." 1.
  9. Verzoeker wordt opgeroepen om op 26 november 2003 gehoord te worden door het directiecomité teneinde een definitief tuchtvoorstel te doen. Op vraag van verzoekers raadsman wordt de zitting uitgesteld tot 10 december
  10. Op 10 december 2003 formuleert het directiecomité na verzoeker en diens raadsman te hebben gehoord dan eenparig als definitief strafvoorstel verzoeker van ambtswege te ontslaan. Dit voorstel wordt als volgt verwoord : “De leden van het Directiecomité delibereren over de zaak. Ze menen dat de opmerking van de verdediging over de opportuniteit om Dejonckheere van de RMT te laten overkomen naar de preventiedienst van het Kustactieplan niets te maken heeft met de hier besproken tuchtzaak. Ze wijzen erop dat hij anderhalf jaar geleden een blaam heeft opgelopen voor gelijkaardige feiten, nl. verbruik van alcoholische drank op het werk. Hij heeft uitdrukkelijk toegestemd tijdens zijn verhoor voor de directieraad van 18 april 2002 dat hij kon instemmen met de door de stad Brugge gestelde voorwaarde om zich te laten bijstaan door een team van hulpverleners van de sociale dienst van de stad, in het kader van het alcohol- en drugsbeleid. De directieraad had deze lichte tuchtstraf opgelegd onder deze uitdrukkelijke voorwaarde. De heer Dejonckheere heeft er blijkbaar nauwelijks gebruik van gemaakt, wat een verzwarende omstandigheid uitmaakt bij de beoordeling van de huidige feiten. De ten laste gelegde feiten in huidig tuchtdossier zijn gelijkaardig maar tezelfdertijd zwaarder aangezien het hier gaat om twee zware feiten: diefstal en kennelijke staat van dronkenschap tijdens de diensturen, in dienstkledij in het openbaar. De feiten zijn een ambtenaar onwaardig zeker een preventieambtenaar wiens voornaamste taak er precies in bestaat het onveiligheidsgevoel bij de burger te verminderen en een belangrijk imago van de functie en de gehele dienst naar buitenuit te verdedigen heeft. Om deze redenen menen de leden dat een zware tuchtstraf, nl. het ontslag van ambtswege, moet opgelegd worden.” IX-4646-3/12 1.
  11. Op 13 januari 2004 tekent hij beroep aan bij de departementale raad van beroep die op 10 maart 2004 verzoekers beroep behandelt. De Raad is van mening, wat de feiten betreft, dat alleen de feiten van diefstal bewezen zijn maar niet de dronkenschap maar dat uit het dossier wel blijkt dat verzoeker reeds sedert lange tijd te kampen heeft met een drankprobleem. Wat de voorgestelde tuchtstraf betreft is hij van mening dat het ontslag van ambtswege buiten verhouding staat tot het gepleegde feit. Rekening houdend met de sociaal zwakkere positie van de betrokkene adviseert hij met 7 stemmen tegen 1 om een lichtere straf op te leggen en met vijf stemmen tegen 2 verzoeker te straffen met de verplaatsing naar een andere dienst mits een degelijke en regelmatige begeleiding van de Sociale Dienst van de FOD Binnenlandse Zaken en mits volledige samenwerking van verzoeker met deze dienst. 1.
  12. Het advies wordt op 29 maart 2004 overgemaakt aan de Minister. De brief vermeldt ook dat de Minister moet beslissen binnen de vijftien dagen vanaf de betekening van het advies van de raad van beroep. 1.
  13. Bij brief van 23 april 2004 laat de Minister dan aan verzoeker weten dat hij niet kan instemmen met het advies van de Departementale raad van beroep en dat hij beslist heeft om de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Hij motiveert zijn beslissing als volgt : “Immers, het feit van de diefstal dat u ten laste wordt gelegd betreft een zwaar feit aangezien het gepleegd werd tijdens de diensturen en in dienstkledij. Deze feiten zijn een ambtenaar onwaardig en zeker een veiligheidsbeambte wier voornaamste taak er in bestaat om het onveiligheidsgevoel bij de burger te verminderen en die een belangrijk imago van de functie en de gehele dienst naar buitenhuis te verdedigen heeft. Als veiligheidsbeambte is het uw taak om een ontradend effect op dieven te hebben en hiervoor en voor de veiligheid in het algemeen van de burger in de shoppingscentra aanwezig te zijn. De feiten die u echter gepleegd hebt zijn precies tegenovergesteld aan wat men van u als veiligheidsbeambte mag verwachten. Bovendien heeft u het feit van de diefstal ontkend. Om deze redenen dient dan ook een zware straf te worden opgelegd aangezien het vertrouwen in u (het is niet de eerste keer dat u zich bezondigt aan diefstal van sterke drank) definitief en onherroepelijk geschonden is”. Dit is de bestreden beslissing.
  14. Over de gegrondheid van de vordering tot schorsing. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden IX-4646-4/12 aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
  15. Overwegende dat verzoeker met betrekking tot de eerste voor- waarde in een eerste middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het evenredigheidsbeginsel; dat hij hierbij in een eerste onderdeel stelt dat de Minister niet afdoende motiveert waarom hij het advies van de raad van beroep niet volgt; dat hij niet ingaat op de overweging van de raad van beroep dat enkel de diefstal is bewezen en dat de voorgestelde sanctie daarmee niet in overeenstemming was, dat rekening moest worden gehouden met zijn sociaal zwakkere positie en dat hij beter verplaatst werd naar een andere dienst; dat hierbij ook niet uitgelegd wordt waarom die overplaatsing geen voldoende bestraffing zou zijn; dat hij in een tweede onderdeel stelt dat de Minister uitgaat van een abstracte omschrijving van de functie van veiligheidsbeambte die niet overeenkomt met verzoekers taak die er in bestond graffiti op te sporen en te verwijderen; dat de Minister dus blijkbaar niet op de hoogte is van verzoekers concrete taken zodat de beslissing op een onzorgvuldige wijze werd voorbereid; dat hij in een derde onderdeel stelt dat de tuchtstraf onevenredig zwaar is; dat het directiecomité die tuchtstraf had voorgesteld omdat er naast diefstal ook dronkenschap binnen de diensturen was vastgesteld terwijl de Minister, zoals de raad van beroep, dronkenschap niet in aanmerking neemt; dat de door de raad van beroep voorgestelde straf ook al een strafverzwaring inhield ten overstaan van de vroeger reeds opgelegde blaam en ook afgestemd was op de problematiek omdat in een andere dienst deze situatie zich niet meer kan voordoen; dat de Minister er blijft van uitgaan dat verzoeker een veiligheidsfunctie zal blijven vervullen, niet motiveert waarom de overplaatsing geen adequate straf zou zijn en niet verantwoordt waarom een drastische strafverzwaring zich nu opdringt ten aanzien van vroegere vergelijkbare feiten noch “waarom de straffen van artikel 77, 5/, 60 en 7/ niet adequaat zouden zijn”; 2.
  16. Overwegende dat de verwerende partij op het eerste onderdeel antwoordt dat de Minister niet elk punt van het advies van de raad van beroep moet weerleggen en dat hij zijn beslissing afdoende heeft gemotiveerd door te wijzen op de verzwarende omstandigheden met name het ontkennen van de feiten, de recidive, het dragen van dienstkledij, het plegen van de feiten tijdens de diensturen; op het tweede onderdeel dat de Minister niet onkundig was van het feit dat verzoeker belast was met het verwijderen van graffiti doch dat een verwijzing naar de taken van de veiligheidsbeambte in het algemeen op zijn plaats was omdat verzoeker, ook al is hij IX-4646-5/12 uitsluitend belast met het verwijderen van graffiti, deel uitmaakt van een korps wier taak er in bestaat het onveiligheidsgevoel van de burger te verminderen en een ontradend effect op dieven te hebben; dat dit korps voor de burger herkenbaar is in het straatbeeld aan de hand van het specifieke uniform; dat op het ogenblik dat verzoeker de feiten pleegde hij niet bezig was met het verwijderen van graffiti maar dat hij tijdens de diensturen en in uniform aanwezig was in een zelfbedieningszaak en precies daardoor vereenzelvigd kon worden met het korps van veiligheidsbeambten en hun specifieke opdracht; dat zij op het derde onderdeel antwoordt dat de Minister gelet op de bepalingen van artikel 94 van het statuut van het Rijkspersoneel alleen nog het feit dat door de raad van beroep bewezen werd geacht vermocht in aanmerking te nemen maar dat hij niet gebonden was door de geadviseerde strafmaat; dat aangezien de bestreden beslissing het ontkennen van de diefstal door verzoeker als verzwarende omstandigheid in aanmerking heeft genomen alsook het feit dat het ging om recidive, dat de feiten werden gepleegd tijdens de diensturen en in dienstkledij, dat verzoeker behoorde tot een korps van veiligheidsbeambten het vertrouwen in verzoeker onherroepelijk en definitief geschonden is; 2.3.
  17. Overwegende dat wat het eerste onderdeel betreft luidens artikel 94, tweede lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van de Rijksambtenaren, de Minister elke met het advies van de raad van beroep niet overeenstemmende beslissing moet motiveren en geen andere feiten ter sprake kan brengen dan die welke het advies van de raad van beroep gemotiveerd hebben; dat een afdoende motivering niet vereist dat de tuchtoverheid alle argumen- ten die door de raad van beroep zijn gehanteerd uitdrukkelijk weerlegt; dat het volstaat dat zij aangeeft om welke omstandigheden en elementen zij meent te moeten afwijken van het advies en met name waarom de elementen die de raad van beroep in aanmerking neemt niet door haar in rekening worden gebracht; dat te dezen de tuchtoverheid ter verantwoording van de strafmaat op diverse verzwarende omstandigheden wijst en vooral op het feit dat aangezien het om een geval van recidive gaat het vertrouwen in de verzoeker definitief en onherroepelijk is geschonden; dat hierdoor de bestreden beslissing afdoende verantwoordt waarom een lichtere straf niet aangewezen was; dat immers wanneer vastgesteld wordt dat het vertrouwen in een werknemer definitief verbroken is het ook logisch voorkomt dat een straf wordt opgelegd die de band tussen de werkgever en de werknemer definitief verbreekt; dat door die overweging dan ook meteen aangegeven is waarom over- plaatsing geen voldoende bestraffing zou zijn en waarom er geen rekening kon worden gehouden met verzoekers zwakke sociale positie; dat het eerste onderdeel niet ernstig is; IX-4646-6/12 2.3.
  18. Overwegende dat de verwerende partij op het tweede onderdeel terecht antwoordt dat de Minister niet onkundig was van het feit dat verzoeker belast was met het verwijderen van graffiti; dat zulks in het administratief dossier herhaalde malen wordt vermeld; dat de verwijzing naar de taken van de veiligheidsbeambte in het algemeen helemaal niet ongepast was omdat verzoeker, ook al was hij uit-sluitend belast met het verwijderen van graffiti, deel uitmaakt van een korps wier taak er in bestaat het onveiligheidsgevoel van de burger te verminderen en een ontradend effect op dieven te hebben; dat dit korps voor de burger herkenbaar is in het straatbeeld omwille van het specifieke uniform; dat de verwerende partij voorts terecht opmerkt dat, op het ogenblik dat verzoeker de feiten pleegde, hij niet bezig was met het verwijderen van graffiti maar dat hij tijdens zijn diensturen en in uniform aanwezig was in een zelfbedieningszaak en dat hij precies daardoor kon vereenzelvigd worden met het korps van veiligheidsbeambten en hun specifieke opdracht; dat ook al was het verzoekers concrete taak niet om bewakingsopdrachten uit te voeren toch behoort hij tot het korps van veiligheidsbeambten en kan er van hem verwacht worden dat hij geen gedragingen heeft die in strijd zijn met de taken van het korps waartoe hij behoort; dat het tweede onderdeel niet ernstig is; 2.3.
  19. Overwegende dat wat het derde onderdeel betreft de Raad van State slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid beschikt bij het beoordelen van de redelijkheid van de strafmaat, dat dit betekent dat zij alleen die straf als strijdig met het evenredigheidsbeginsel kan bevinden die dermate buiten verhouding staat tot de zwaarte van de feiten dat geen enkele in redelijkheid oordelende overheid ze voor die feiten zou opleggen waarbij rekening moet worden gehouden met het feit dat de overheid bij de bepaling van de strafmaat niet alleen rekening dient te houden met de persoonlijke situatie van de betrokken ambtenaar, maar ook en vooral, met het belang van de dienst waarvoor zij instaat; dat te dezen de Minister terecht zwaar heeft getild aan het feit dat verzoeker lid was van een veiligheidskorps dat de feiten werden gepleegd tijdens de diensturen en in uniform en dat hierbij niet uit het oog mag verloren worden dat verzoeker blijkbaar recidiveerde; dat het derde onderdeel evenmin ernstig is; 2.4.
  20. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht en van de artikelen 81 en 94 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel; dat hij zich in een eerste onderdeel erover beklaagt dat de bestreden beslissing geen juridische motivering bevat; dat hij in een tweede onderdeel van dit middel aanvoert dat de Minister zijn bevoegdheid heeft overschreden en artikel 94 van het voornoemde IX-4646-7/12 koninklijk besluit van 2 oktober 1937 heeft geschonden door de straf te steunen op het feit dat verzoeker de diefstal heeft ontkend terwijl hij voor dat feit niet werd vervolgd; dat hij in een derde onderdeel aanvoert dat de Minister zijn beslissing niet heeft genomen binnen de door artikel 94 van voornoemd besluit gestelde termijn van 15 dagen vanaf de betekening van het advies van de raad van beroep; 2.4.
  21. Overwegende dat de verwerende partij als antwoord op het eerste onderdeel verwijst naar haar verweer op het eerste middel; dat wat betreft het tweede onderdeel zij antwoordt dat dit motief in verband staat met de diefstal en dat er nog voldoende andere motieven zijn vermeld die de beslissing kunnen ondersteunen en dat de straf alleen is opgelegd voor het feit van de diefstal terwijl alle andere vermeldingen als verzwarende omstandigheden gelden; dat zij op het derde onder- deel antwoordt dat de termijn van 15 dagen slechts een termijn van orde is en dat aangezien het advies van de raad van beroep op 29 maart 2004 werd overgemaakt aan de Minister en deze zijn beslissing van 23 april 2004 op dezelfde dag nog notificeerde aan verzoeker, de niet op straffe van nietigheid voorgeschreven termijn van 15 dagen, slechts beperkt is overschreden; 2.4.
  22. Overwegende dat het niet vermelden van de juridische grondslag alleen tot nietigverklaring kan leiden indien dit verzoeker zou hebben geschaad; dat te dezen niet blijkt dat dit het geval zou zijn; dat integendeel luidens de termen van zijn verzoekschrift verzoeker duidelijk weet welke rechtsregels van toepassing zijn; dat het eerste onderdeel van het eerste middel niet ernstig is; 2.4.
  23. Overwegende dat wat het tweede onderdeel van het tweede middel betreft, luidens artikel 94, tweede lid, van het reeds genoemde koninklijk besluit van 2 oktober 1937 de Minister geen andere feiten ter sprake kan brengen dan die welke het advies van de raad van beroep gemotiveerd hebben; dat de Minister aldus geen te bestraffen feiten mag toevoegen aan wat verzoeker aanvankelijk ten laste is gelegd en waarover de raad van beroep zich heeft kunnen uitspreken; dat dit niet betekent dat de Minister bij het bepalen van de strafmaat, meer bepaald indien hij wenst af te wijken van het advies van de raad van beroep geen feitelijke gegevens in aanmerking kan nemen als verzwarende elementen; dat die feitelijke gegevens geen nieuwe te bestraffen feiten zijn maar omstandigheden die mede de zwaarte van de straf, die voor de te bestraffen feiten wordt opgelegd, bepalen; dat te dezen de bestreden beslissing het feitelijk gegeven “dat verzoeker de diefstal had ontkend” duidelijk gebruikt is als een verzwarende omstandigheid en niet als een feit dat tuchtrechtelijk wordt bestraft; dat het afleggen van onjuiste verklaringen in een kader van een IX-4646-8/12 tuchtonderzoek als een verzwarende omstandigheid kan worden beschouwd; dat immers van een ambtenaar mag worden verwacht dat hij steeds op een eerlijke wijze zijn gedragingen tegenover zijn hiërarchische oversten verantwoordt; dat het tweede onderdeel van het tweede middel evenmin ernstig is; 2.4.
  24. Overwegende dat wat het derde onderdeel betreft, artikel 94 van het meergenoemd koninklijk besluit van 2 oktober 1937 bepaalt dat de beslissing van de Minister aan de ambtenaar en aan de raad van beroep moet worden medegedeeld “binnen de vijftien dagen vanaf de betekening van het advies van deze laatste aan de minister”; dat noch die bepaling noch enige andere vaststellen welk rechtsgevolg verbonden moet worden aan het verstrijken van de in artikel 94 vastgestelde termijn; dat, bij gebrek aan enige anders luidende bepaling ter zake, de Minister zijn bevoegdheid om over het bij hem ingestelde beroep uitspraak te doen bij het verstrijken van de termijn niet verliest en dat die termijn voorkomt als een termijn van orde wiens overschrijding op zich niet de nietigheid meebrengt van de beslissing; dat het derde onderdeel van het derde middel ook niet ernstig is; 2.5.
  25. Overwegende dat verzoeker in zijn derde middel aanvoert dat er bij de beoordeling van de feiten ten onrechte, want met schending van de bepalingen van artikel 81, §§ 2 en 5 van meergenoemd koninklijk besluit van 2 oktober 1937, rekening werd gehouden met een reeds uitgewiste tuchtsanctie, meer bepaald met de blaam die hem in 2002 werd opgelegd maar die reeds werd doorgehaald; 2.5.
  26. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de tuchtstraf slechts wordt opgelegd omwille van de diefstal die verzoeker op 4 juni 2003 heeft gepleegd; dat het feit van de recidive enkel een verzwarende omstandig- heid uitmaakt; dat de omstandigheid dat de blaam reeds werd uitgewist niet belet dat met de zwaarte van de uitgewiste tuchtstraf rekening mag worden gehouden wanneer aan dezelfde ambtenaar opnieuw een tuchtstraf moet worden opgelegd voor dezelfde feiten; 2.5.
  27. Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat er niet uitdrukkelijk wordt verwezen naar de doorgehaalde tuchtstraf; dat zij weliswaar naar het vroeger gedrag van verzoeker verwijst en dit ter verantwoording van de overweging dat het vertrouwen in verzoeker definitief is geschonden; dat hierbij de volgende bewoordingen worden gebruikt: “het is niet de eerste keer dat u zich bezondigt aan diefstal van sterke drank”; dat dit niet betekent dat er verwezen wordt naar de reeds doorgehaalde straf van de "blaam" die overigens niet werd opgelegd IX-4646-9/12 voor diefstal van drank maar voor drankmisbruik tijdens de dienst; dat het ook niet logisch voorkomt dat een verwijzing naar die tuchtstraf die uitgesproken is wegens dronkenschap zou moeten dienen om recidive voor diefstal als verzwarende omstandigheid te weerhouden; dat derhalve veeleer de verklaring die verzoeker zelf aflegde bij zijn verhoor op 23 oktober 2003, waarbij hij toegegeven heeft dat het niet de eerste keer was dat hij een fles drank ontvreemde de aanzet is geweest om van recidive gewag te maken; dat het middel niet ernstig is; 2.6.
  28. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van artikel 79, §3 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 en van de artikelen 3 en 84 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doordat het definitieve tuchtvoorstel van het directiecomité eerst met brief van 7 januari 2004 aan hem werd meegedeeld terwijl de zaak reeds op 30 oktober 2003, dus meer dan twee maand voordien bij het directiecomité was ingediend en terwijl het directiecomité zijn definitief voorstel moet meedelen binnen een termijn van ten hoogste twee maanden vanaf de dag dat de zaak bij het comité werd ingediend op straffe van verval van de tuchtvordering; dat het koninklijk besluit van 16 november 2001 dat de tekst van artikel 79, § 3, heeft vastgesteld in de versie die van kracht was op het ogenblik van de bestreden beslissing buiten toepassing moet gelaten worden omdat de spoed- behandeling die voor het advies van de Raad van State werd gevraagd niet werd gemotiveerd voor de wijziging die aan dat artikel werd aangebracht; 2.6.
  29. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de argumen- tatie die steunt op de schending van artikel 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet dienstig is aangezien de termijnen van twee maanden waarbinnen het directiecomité zijn voorstel moet doen en van dertig dagen waarbinnen het dat voorstel aan de betrokkene moet betekenen in het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 werden geïntegreerd door het koninklijk besluit van 5 september 2002; dat het tuchtvoorstel aan het directiecomité werd overgemaakt bij nota van 30 oktober 2003, dat dit zijn definitief voorstel uitbracht op 10 december 2003, dus binnen de termijn van twee maanden en het betekend is op 7 januari 2004 en dus binnen de termijn van dertig dagen die door artikel 79, § 3, is voorgeschreven. 2.6.
  30. Overwegende dat artikel 79, § 3, ten tijde van de bestreden beslissing als volgt luidde : IX-4646-10/12 “Binnen een termijn van ten hoogste twee maanden vanaf de dag dat de zaak bij het directie-comité is ingediend, doet deze het definitieve voorstel en betekent het aan de ambtenaar binnen de dertig dagen. Bij ontstentenis van deze betekening binnen de termijn van dertig dagen, wordt het directie-comité geacht af te zien van de procedure voor de feiten die ten laste van de ambtenaar worden gelegd.”; dat deze redactie werd ingevoegd bij artikel 22,2/ van het koninklijk besluit van 16 november 2001 houdende wijziging van diverse bepalingen inzake het statuut van het Rijkspersoneel; die wijziging gewijzigd is door het koninklijk besluit van 5 september 2002 maar alleen de vervanging van de woorden “de directieraad” door “het directiecomité” betreft; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat, zoals de verwerende partij terecht aangeeft, de termijnen die in het nieuwe artikel 79, § 3, zijn gesteld werden nageleefd; dat overigens in de versie die voorheen van kracht was artikel 79, § 3, als volgt luidde : “Binnen een termijn van ten hoogste twee maanden vanaf de dag dat de zaak bij de directie-raad is ingediend, doet de directieraad het definitieve voorstel en betekent het aan de ambtenaar binnen de tien dagen.”; dat in de veronderstelling dat de nieuwe versie van artikel 79, § 3, om de door de verzoeker aangegeven reden buiten toepassing moet worden gelaten, de vorige versie, zijnde deze die hierboven is aangegeven, dan van toepassing zou zijn geweest; dat deze versie evenwel in geen enkele sanctie op de overschrijding van de erin vervatte termijnen voorziet zodat deze termijnen voorkomen als een termijn van orde wiens overschrijding op zich niet de nietigheid meebrengt van de beslissing; dat het vierde middel evenmin ernstig is; Overwegende dat aldus niet is voldaan aan een van de voor- waarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat die vaststelling volstaat om verzoekers vordering af te wijzen; BESLUIT: Artikel
  31. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  32. IX-4646-11/12 De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien oktober 2000 en vier, door : de H. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. L. HELLIN. IX-4646-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.166 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.376 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.