← België

Arrest 136167 - - 18/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.167 Rolnummer: A. 152668/IX-4554 Zaak: Arrest 136167 - - 18/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-26 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 11:48 Fiche Arrest nr 136.167 van 18 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.167 van 18 oktober 2004 in de zaak A. 152.668/IX-4554. In zake : Alfons VAN DEN ABBEELE, wonende te TERVUREN, Varenberg 37 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Alfons VAN DEN ABBEELE op 4 augustus 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van het ministerieel besluit van 7 juni 2004 waardoor hij met ingang van dezelfde datum in het belang van de dienst wordt geschorst; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gelet op het arrest nr. 133.159 van 28 juni 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 14 september 2004 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 11 oktober 2004; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; IX-4554-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. GOIRIS, die verschijnt voor verzoeker, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat met betrekking tot de gegevens van de zaak er wordt verwezen naar het arrest nr. 133.159 van 28 juni 2004; 2. Over de vordering tot schorsing. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat verzoeker met betrekking tot de tweede voorwaarde een aantal nadelen aanvoert die volgens hem ernstig zijn en moeilijk te herstellen; dat de Raad van State in zijn arrest nr. 133.159 van 28 juni 2004 met betrekking tot het door verzoeker aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel het volgende heeft overwogen : “ 2.1. Overwegende dat verzoeker met betrekking tot de derde voorwaarde aanvoert dat hij houder is van de managementfunctie-2 en in die hoedanigheid een operationeel plan heeft ingediend waarvoor hij op de verwezenlijking ervan twee jaar na het begin van zijn mandaat zal worden geëvalueerd; dat die evaluatie betrekking heeft op het bereiken van de “prestatiedoelstellingen” en dat indien die evaluatie leidt tot de vermelding 'onvoldoende' er vroegtijdig een einde zal worden gesteld aan zijn mandaat; dat opdat verzoeker zijn beheersopdrachten zou kunnen uitvoeren en 'zijn strategische en operationele doelstellingen die hij moet bereiken en zijn verplichtingen terzake kan nakomen' tegen mei 2005, hij zijn taak zonder onderbreking moet kunnen voortzetten met het risico anders een evaluatie 'onvoldoende' te krijgen; dat tijdens IX-4554-2/7 zijn schorsing een aantal belangrijke projecten in hun uitvoering gehypothekeerd worden 'of stop gezet'; dat de functie van manager een voltijdse functie is die geen recht geeft op verloven of afwezigheden; dat de schorsing hem ook een zeer ernstige morele schade heeft toegebracht aangezien de bestreden beslissing 'zijn goede naam onherroepelijk kan vernietigen' en dat nadeel niet kan worden hersteld door een vernietigingsarrest dat slechts na enkele jaren zal worden uitgesproken; dat ten slotte verzoeker houder is van de 'derde hoogste managementfunctie' bij de federale overheidsdienst Financiën zodat de schande die gepaard gaat met de bestreden beslissing 'in de praktijk een voorbode (

  1. is)van een vroegtijdige beëindiging van zijn mandaat en een reaffectatie naar een lagere functie' en dat dit niet louter door een annulatiearrest kan worden ongedaan gemaakt; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen antwoordt dat een schorsing in het belang van de dienst een tijdelijke niet-tuchtrechtelijke maatregel is die in de regel geen nadeel kan veroorzaken dat niet naar behoren hersteld kan worden door een vernietigingsarrest tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die het tegendeel doen blijken; dat de invloed van de bestreden ordemaatregel 'op een na twee jaar functioneren uit te brengen evaluatie niet alleen op dit ogenblik louter hypothetisch is' en dat het aangevoerde nadeel niet voortvloeit uit de bestreden beslissing zelf; dat de evaluatie pas in mei 2005 aan de orde komt en een afzonderlijke administratieve rechts- handeling is; dat wanneer twee jaar na de aanvang van het mandaat de houder van de managementfunctie geëvalueerd wordt nopens de prestatiedoelstellingen en de concrete uitwerking ervan zoals vervat in zijn managementplan daarbij vanzelfsprekend rekening zal moeten gehouden worden 'met de omstandigheden waaronder (een betrok- kene) zijn mandaat heeft uitgeoefend zoals bijvoorbeeld het feit dat de houder van de managementfunctie gedurende een bepaalde periode van zijn mandaat niet heeft kunnen verderwerken aan de realisatie van zijn managementplan omdat hij te weinig middelen ter beschikking heeft of een tijd afwezig was wegens ziekte of omdat hij in het belang van de dienst werd geschorst'; dat aangezien 'de schor-sing in belang van de dienst geen sanctionerend karakter heeft deze schorsing hem als dusdanig niet ten kwade (kan) worden geduid bij zijn evaluatie'; dat de stelling van verzoeker dat de bestreden beslissing 'een voorbode is van een vroegtijdige beëindiging van zijn man-daat en van een reaffectatie naar een lagere functie' een loutere bewering is die geen steun vindt in de feitelijke omstandigheden van de zaak; dat een schorsing in het belang van de dienst een maatregel is die wordt genomen in het belang van de dienst zonder dat die maatregel een disciplinair karakter heeft en dat het karakter van de maatregel trouwens door verzoeker niet in vraag wordt gesteld; dat verzoeker ook niet duidelijk maakt waarom deze schorsing zich zou opdringen om zijn eer te redden; dat, steeds volgens de verwerende partij, de ordemaatregel op zich geen veroorde- lend karakter heeft waardoor de eer van verzoeker kan worden aangetast de evaluatie van zijn functioneren niet negatief kan beïnvloe- den; dat de omstandigheid dat verzoeker in een negatief daglicht werd gesteld in persberichten en dat hij daardoor op professioneel gebied in diskrediet wordt gebracht niet volgt uit de bestreden beslissing maar wel uit die aanvankelijke persberichten waarin de journalisten zich ook de vraag stellen waarom er nog geen administratieve maatregelen zijn genomen ten aanzien van verzoeker; dat er ook geen redenen zijn om aan te nemen dat de projecten waarmee verzoeker is belast zouden stopgezet worden tijdens zijn afwezigheid en dat verzoeker zelf IX-4554-3/7 aangeeft dat hij werkt aan omvangrijke projecten waaraan meerdere ambtenaren hun medewerking verlenen; 2.3. Overwegende dat indien verzoeker in de maand mei 2005 zal worden geëvalueerd op zicht van zijn prestaties en het al dan niet behalen van vooropgestelde objectieven, er niet kan aangenomen worden dat zijn evaluatoren geen rekening zullen moeten houden met het bestaan van de bestreden beslissing waardoor verzoeker buiten zijn toedoen tijdelijk uit de dienst is verwijderd; dat immers bij die evaluatie zal moeten worden onderzocht of de al dan niet permanente aanwezigheid van verzoeker effect heeft gehad op het behaalde resultaat; dat de verwerende partij ook zelf aangeeft dat bij de evaluatie 'vanzelf- sprekend rekening (zal) moeten gehouden worden met de omstandig- heden waaronder hij zijn mandaat heeft uitgeoefend zoals bijvoorbeeld het feit dat de houder van de managementfunctie gedurende een bepaalde periode van zijn mandaat niet heeft kunnen verderwerken aan de realisatie van zijn managementplan omdat hij te weinig middelen ter beschikking heeft of een tijd afwezig was wegens ziekte of omdat hij in het belang van de dienst werd geschorst'; dat de verwerende partij te dezen voor de Raad van State ook op zeer duidelijke wijze stelt dat 'de schorsing in belang van de dienst geen sanctionerend karakter heeft deze schorsing hem als dusdanig niet ten kwade (kan) worden geduid bij zijn evaluatie'; dat bijgevolg indien zou blijken dat de prestatiedoel- stelling en de concrete uitwerking ervan zoals opgenomen in het managementplan van verzoeker niet zouden zijn bereikt, de evalueren- de overheid op een precieze wijze zal moeten aangeven welk objectief falen aan de grondslag ligt van het niet of niet volledig behalen van de doelstellingen en dat indien een van die elementen betrekking zou hebben op een of andere vorm van ontbreken van een permanente opvolging vanwege de houder van de managementfunctie, dit gegeven niet aan verzoeker ten kwade zal mogen worden geduid; dat die zekerheid die hem thans, openlijk en in een duidelijke taal wordt gegeven derhalve van aard is om hem op dat vlak volledig gerust te stellen en om te besluiten dat de bestreden beslissing geen enkele invloed zal en mag hebben op zijn evaluatie; dat voorts wanneer verzoeker gewag maakt van het feit dat door de aanvaarding van zijn managementfunctie hij voor de duur van die opdracht geen bijzonder verlof kan genieten, het evenwel niet aannemelijk is dat hij, zoals elke werknemer, geen normale vakantie zou kunnen genieten en derhalve ook voor een relatief korte periode niet afwezig is geweest en in de toekomst niet zou kunnen zijn; dat in die omstandigheden, zelf indien zou blijken dat de raad van beroep geen zitting houdt tijdens de vakantiemaanden, op de verwerende partij nochtans de verplichting rust om alles in het werk te stellen om verzoeker de mogelijkheid te bieden om, binnen een redelijke termijn, die moet bekeken worden in het licht van de termijn van artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende de schorsing van rijksambtenaren in het belang van de dienst, zijn rechten hem toegekend bij voornoemd artikel 2, volledig te kunnen laten uitoefenen; dat de Raad van State er bijgevolg van uitgaat verzoeker binnen een relatief korte termijn, die een normale vakantietermijn nauwelijks kan overschrijden, in de gelegenheid zal gesteld zijn om zijn rechten ten volle uit te oefenen; 2.4. Overwegende dat het door verzoeker aangevoerde moreel nadeel een nadeel is dat voornamelijk zijn oorzaak vindt, niet in de bestreden beslissing zelf, maar in de persberichten die aan de bestreden beslissing zijn voorafgegaan zodat er geen rechtstreeks causaal verband lijkt te bestaan tussen dat nadeel en de bestreden beslissing; dat de verweren- IX-4554-4/7 de partij terecht stelt dat een schorsing in het belang van de dienst 'een tijdelijke en niet-tuchtrechtelijke maatregel' is; dat in de regel een schorsing in het belang van de dienst geen moreel nadeel als zodanig kan opleveren; dat hierop te dezen geen uitzondering kan worden gemaakt; dat immers de bestreden beslissing verzoeker niet aanwijst als een 'oplichter, fraudeur, omkoper en dief' doch alleen wijst op een aantal persberichten waarbij 'gewag gemaakt' wordt van een aantal misdrijven waarvoor 'een gerechtelijk onderzoek werd geopend tegen' verzoeker; dat hiermee in de bestreden beslissing geen waardeoordeel over verzoeker is uitgesproken, doch alleen een vaststelling dat verzoeker het voorwerp is van geruchten in de pers zodat dergelijke vaststelling voor hem bezwaarlijk als een ernstig moreel nadeel kan worden beschouwd;” dat uit die bewoordingen ondubbelzinnig blijkt dat verzoekers vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterste dringende noodzaak is verworpen wegens de ontstentenis van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel; dat het gezag van gewijsde verbonden aan dit arrest thans belet dat verzoeker opnieuw diezelfde nadelen op een ontvankelijke wijze zou kunnen aanvoeren; dat hij evenmin nieuwe nadelen vermag aan te voeren die hij reeds had kunnen aanvoeren in de voorgaande procedure; dat, derhalve, indien hij thans nadelen aanvoert met betrekking tot elementen die hij reeds kende of redelijkerwijze moest kennen toen hij zijn eerste verzoekschrift indiende hij zulks thans niet meer op een ontvankelijke wijze kan doen; Overwegende, in deze, dat verzoeker aanvoert, samengevat, dat hij niet binnen een relatief korte termijn in staat zal worden gesteld om het beroep dat hij tegen de bestreden maatregel indiende behandeld te zien door de raad van beroep; dat hij zich hierbij steunt op het feit dat hij, hoewel hij reeds op 8 juli 2004 beroep aantekende, nog geen enkel bericht heeft gekregen over een datum van behandeling; dat indien de bestreden maatregel niet wordt geschorst, de verwerende partij zich bij elke vraag tot heroverweging van de betwiste maatregel zal blijven verschuilen achter het gegeven dat een procedure hangende is bij de Raad van State en zal beslissen om een afwachtende houding aan te nemen; dat hij zijn managementplan en zijn opera- tioneel plan niet zal kunnen verwezenlijken en als mandaathouder na twee jaar als onvoldoende zal worden geëvalueerd wat zal leiden tot een vroegtijdige beëindiging van zijn mandaat en een reaffectatie in een lagere functie; dat hij geen tussentijdse evaluatie zal kunnen bekomen en ook geen eindevaluatie zodat hij de kans verliest om een eindevaluatie "zeer goed" te bekomen wat tot gevolg zal hebben dat hij niet zal vrijgesteld zijn van de vergelijkende selectie indien hij zich kandidaat stelt voor een vernieuwing van zijn mandaat of voor een ander mandaat; dat de bestreden beslissing hem een moreel nadeel toebrengt aangezien zij zijn reputatie schaadt bij de IX-4554-5/7 personeelsleden van de FOD en bij de publieke opinie doordat zij de idee accrediteert dat hij zijn ambt niet mag uitoefenen omdat hij strafbare feiten heeft gepleegd; dat zijn schorsing tenslotte nadelig is voor de goede werking van de dienst daar ten gevolge daarvan de projecten die door hem zijn opgestart en begeleid zijn stilgeval- len; Overwegende dat de aangevoerde nadelen met betrekking tot de evaluatie van verzoekers management- en operationeel plan en met betrekking tot zijn reputatie reeds aan de orde waren tijdens de voorgaande procedure; dat de raad van beroep voor opperambtenaren zich inmiddels op 27 september 2004 heeft uitge- sproken, zodat zijn argumentatie daaromtrent niet meer dienstig is; dat bovendien de vrees van verzoeker voor een weigering vanwege de heroverweging van de getroffen maatregel, indien dit als een nadeel zou kunnen worden beschouwd, een element is dat verzoeker reeds kon aanvoeren tijdens de vorige procedure; dat dezelfde vaststelling zich opdringt voor zijn vrees met betrekking tot het ontbreken van tussentijdse evaluaties en een eindevaluatie en het eraan verbonden gevolg en evenzeer voor zijn argumentatie met betrekking tot de goede werking van de dienst, wat overigens geen persoonlijk nadeel is van verzoeker en om die reden niet in aanmerking zou kunnen worden genomen; BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-4554-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien oktober 2000 en vier, door : de H. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. L. HELLIN. IX-4554-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.167 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.159 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.735 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.