id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.231 Rolnummer: A. 156343/VII-37468 Zaak: Arrest 136231 - Dierenwelzijn - 18/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-20 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-04 11:52 Fiche Arrest nr 136.231 van 18 oktober 2004 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.231 van 18 oktober 2004 in de zaak A. 156.343/IX-
- In zake :
- de vzw VLAAMSE DIERENARTSEN-VERENIGING,
- Marc JANSSENS, die woonplaats kiezen bij advocaat R. GIELEN, kantoor houdende te KASTERLEE, Isschot 20 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaat J.-F. DE BOCK, kantoor houdende te BRUSSEL, Tasson-Snelstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de vzw VLAAMSE DIEREN- ARTSENVERENIGING en Marc JANSSENS op 8 oktober 2004 hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van het koninklijk besluit van 21 september 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 februari 1967 houdende reglement van de diergenees- kundige politie op de hondsdolheid en om dringende en voorlopige maatregelen te bevelen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 8 oktober 2004 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 14 oktober 2004, om 9.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. GIELEN, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat J.-F. DE BOCK, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-4675-1/5 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. STEVENS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat het bestreden besluit artikel 14 van het koninklijk besluit van 10 februari 1967 vervangt; dat de wezenlijke wijziging waartegen de verzoekende partijen zich verzetten erin bestaat dat de verplichting wordt ingevoerd om de inenting tegen rabiës te vermelden in een gezelschapsdierenpaspoort dat voldoet aan de voorwaarden gesteld in het koninklijk besluit van 5 mei 2004 houdende het model en de modaliteiten voor de uitgave van het paspoort voor het intracommunautair verkeer van katten en fretten of aan de voorwaarden gesteld in het koninklijk besluit van 28 mei 2004 betreffende de identificatie en registratie van honden; dat aldus § 2 van het nieuwe artikel 14 luidt als volgt : “§
- Voor een hond, kat of fret die een leesbare tatoeage of microchip draagt of die geïdentificeerd wordt op het moment van de vaccinatie levert de erkende dierenarts een paspoort af dat, al naargelang het geval, verdeeld werd door een rechtspersoon erkend overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 5 mei 2004 houdende het model en de modaliteiten voor de uitgave van het paspoort voor het intracommunautair verkeer van katten en fretten of door de beheerder van het centrale register voor identificatie van honden, aangeduid ter uitvoering van artikel 27 van het koninklijk besluit van 28 mei 2004 betreffende de identificatie en registratie van honden. Na de identificatie of controle van de identificatie vermeldt de erkende dierenarts de door hem uitgevoerde inenting in hoger bedoeld paspoort. Echter, indien de hond, kat of fret reeds in het bezit is van een paspoort zoals bedoeld in het eerste lid vervolledigt de erkende dierenarts die de inenting heeft uitgevoerd dit paspoort met de noodzakelijke gegevens aangaande de uitgevoer- de inenting en dit na controle van de identificatiegegevens. ” Overwegende dat het bestreden besluit bekendgemaakt is in het Belgisch Staatsblad van 24 september 2004; dat het overeenkomstig artikel 3 in werking treedt op 1 oktober 2004;
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is; IX-4675-2/5 3.
- Overwegende dat de schorsing bij hoogdringendheid een uitzonderingsprocedure is die het verloop van de rechtspleging voor de Raad van State ernstig verstoort en de rechten van de verdediging in belangrijke mate beperkt, zodat van die procedure slechts gebruik kan worden gemaakt in de enkele gevallen dat het spoedeisend karakter van de zaak hetzij voor iedereen duidelijk is, hetzij door de verzoeker duidelijk wordt gemaakt doordat hij aantoont dat een schorsing, afgehandeld volgens de gewone schorsingsprocedure, onmiskenbaar te laat zal komen om het door hem ingeroepen nadeel, waarvan het ernstig en moeilijk te herstellen karakter aangetoond wordt, te keren; dat zulks voor de gevallen waarin het nadeel zich meteen volledig realiseert, betekent dat, wanneer dat nadeel slechts op het ogenblik van de schorsing volgens de gewone procedure ophoudt, het dan reeds niet meer te herstellen diepe sporen nagelaten zal hebben; 3.
- Overwegende dat de verzoekende partijen het hoogdringend karakter van hun vordering als volgt verantwoorden : - zolang er geen schorsing wordt uitgesproken worden “de litigieuze BVIRH paspoorten onder de gezelschapsdiereneigenaars verspreid” terwijl de latere opvraging van die paspoorten quasi onmogelijk is, de dierenartsen moeten nu de wet overtreden om hun cliënten zorgeloos binnen Europa te kunnen laten reizen en wegens de onjuiste informatie die de verwerende partij verschaft krijgt eerste verzoekster de schuld voor de verwarring; - vanaf 1 oktober 2004 is het Europees gezelschapsdierenpaspoort verplicht voor het intracommunautair verkeer; het gaat om een belangrijke “sanitaire attestatie”; en toch wordt de attestatie van de rabiësvaccinatie nog mogelijk gemaakt met een afzonderlijk formulier; - dierenartsen worden langs verschillende kanten met tegenstrijdige informatie bestookt; - hoe langer een schorsing uitblijft, hoe meer BVIRH-paspoorten verspreid zullen worden welke in het buitenland moeilijkheden opleveren (Nederland, Duitsland, Verenigd Koninkrijk); - er kan gemakkelijk fraude gepleegd worden met de BVIHR-paspoorten, die overigens niet beantwoorden aan de Europese regelgeving; - diereneigenaars worden op dubbele kosten gejaagd (een Europees paspoort dat voldoet aan de Europese regelgeving; een Belgisch paspoort om de inentingen in te attesteren) zolang “de illegaliteit zal aanhouden”; IX-4675-3/5 - eerste verzoekster heeft reeds veel van de door haar verspreide paspoorten, die voldoen aan de Europese regelgeving, moeten terugnemen en zij moet zich daarbij verdedigen tegen foutieve overheidsmededelingen; - de raad van beheer van de eerste verzoekende partij heeft zich over de zaak moeten beraden en daarom zijn er “een kleine 14 dagen” verstreken alvorens de procedure kon worden ingeleid; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt dat de verzoekende partijen het beroep op de hoogdringendheid steunen “op elementen die reeds in het kader van de vorige UDN procedures zonder succes werden ingeroepen”; 3.
- Overwegende dat de verzoekende partijen hun vordering enten op hun onvrede met de recente reglementering aangaande het -Europees vastgestelde- paspoort voor gezelschapsdieren; dat hun argumentatie in essentie samenvalt met deze ontwikkeld in de vordering die zij bij hoogdringendheid hebben ingediend tegen het koninklijk besluit van 28 mei 2004 betreffende de identificatie en de registratie van honden (de zaak 152.611/IX-4553), en, voordien in de vordering van de eerste verzoekende partij tegen het koninklijk besluit van 5 mei 2004 houdende het model en de modaliteiten voor de uitgave van het paspoort voor het intracommunautair verkeer van katten en fretten (de zaak 152.109/IX-4539); dat te dien aanzien het antwoord dat in de arresten nr. 132.059 van 4 juni 2004 (overweging 4.
- tot 4.8) en nr. 132.730 van 21 juni 2004 (overweging 3.5.
- tot 3.5.4) is uiteengezet, voor de onderhavige zaak overgenomen wordt; dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de situaties die zij beschrijven zich nu anders aandienen dan ten tijde van die vorderingen; dat de andere klemtonen die nu in hun uiteenzetting zou kunnen ontwaard worden (moeilijkheden in het buitenland; moeilijkheden bij het terughalen van de paspoorten; veelvoud van documenten, met bijhorende kosten waarvan het reizen met honden afhankelijk wordt) zeker niet aantonen -of men ze afzonderlijk bekijkt dan wel in het globaal kader- dat het nadeel dat zij aanvoeren, in zoverre het ernstig en moeilijk te herstellen karakter ervan kan worden aangenomen, het beroep op de procedure bij hoogdringendheid rechtvaardigt;
- Overwegende dat, aangezien de verzoekende partijen niet aantonen dat het beroep op de procedure bij hoogdringendheid verantwoord is, niet voldaan is aan een van de grondvoorwaarden om de vordering te kunnen inwilligen; IX-4675-4/5
- Overwegende dat de verzoekende partijen in fine van hun verzoekschrift ook vragen om dringende maatregelen te bevelen; dat, wegens de verwerping van de hoofdvordering, die vraag verworpen wordt; dat die vraag overigens ook niet voldoet aan de vormvoorschriften die voor dergelijke vordering zijn vermeld in de artikelen 25 en 26 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en tot voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien oktober 2000 en vier, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4675-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.231 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.781 ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.484 ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.218.729 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.