id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.276 Rolnummer: A. 110517/XIV-6651 Zaak: Arrest 136276 - - 19/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-10 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 11:53 Fiche Arrest nr 136.276 van 19 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.276 van 19 oktober 2004 in de zaak A. 110.517/XIV-
- In zake :
- XXX,
- XXX,
- XXX, wonende te D., K.straat 2 (1ste verdiep.) tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnen- landse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 9 juli 1967, XXX, geboren op 14 september 1966, en XXX, geboren op 19 november 1982, allen van XXX nationaliteit, op 20 september 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 21 augustus 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van respectievelijk 11 mei 2001 (eerste en tweede verzoekende partij) en 9 mei 2001 (derde verzoekende partij) tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partijen aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 11 oktober 2001 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; XIV-6651-1/11 Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 27 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 30 juni 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J.-P. DOCQUIR, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Adjunct-adviseur D. HANOULLE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partijen komen België binnen op 18 december 2000 en verklaren zich vluchteling op 19 december
- 1.
- Op 9 mei 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken ten aanzien van de derde verzoekende partij een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Op 11 mei 2001 neemt hij ten aanzien van de eerste en tweede verzoekende partij een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 21 augustus 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal ten aanzien van XXX, die de eerste bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. XIV-6651-2/11 Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk en kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina's. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een XXX staatsburger van XXX origine, verklaart verscheidene problemen te hebben gehad in de XXX Federatie omwille van uw deelname aan een betoging. Op 16 december 2000 verliet u XXX, vergezeld van uw echtgenote, XXX (O.V. 5.052.797), haar dochter XXX (O.V. 5.051.952) en jullie minderjarige dochter D. Op 18 december 2000 kwam u in België aan waar u op 19 december 2000 asiel aanvroeg. U bent niet in het bezit van een geldig XXX intern of internationaal paspoort maar beschikt wel over een rijbewijs. Volgens de verklaringen die u aflegde voor het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen op 23 juli 2001, nam u op 12 juni 2000 in N. samen met uw ouders deel aan een betoging tegen het niet uitbetalen van pensioenen en ambtenarenlonen. Tijdens die betoging werden verschillende jonge mensen door de O.-brigade opgepakt, waaronder u. U werd naar de districtsafdeling van de politie gebracht waar u gedurende 15 dagen werd opgesloten in een cel wegens verstoring van de openbare orde. Tijdens uw gevangenschap werd u vernederd door de medewerkers van de politie. Na uw vrijlating hebt u klacht ingediend bij de procureur van de stad. U ging daar later informeren naar de stand van zaken maar kreeg geen antwoord. Pas in augustus 2000 kreeg u een brief die een weigering van de klacht bevatte. U diende later nog klacht in bij de lokale politie maar ook zij aanvaardden die niet. Ongeveer een week nadat u de klacht had ingediend bij de procureur kreeg u dreigtelefoontjes met de boodschap dat u uw klacht moest intrekken. Begin augustus 2000 ging u weer naar een betoging in N. Toen u hierna weer naar huis ging, werd u vlakbij uw woning opgewacht door een viertal mannen. U moest in hun auto gaan zitten en ze zeiden dat u met uw klacht mensen raakte die u niet mocht raken. Ze eisten uw paspoort en toen u dat weigerde te geven, sloegen ze u. Daarna lieten ze u achter. U ging deze feiten melden aan het lokale politiebureau maar daar zei men u dat u beter geen klacht kon indienen omdat u er zelf de dupe van zou worden. Begin september 2000 werd u gedurende 3 weken opgenomen in het ziekenhuis voor een operatie aan uw been. Uw been was vermoedelijk ontstoken door de slechte omstandigheden in uw cel. Tijdens uw verblijf in het ziekenhuis werd uw vrouw aangesproken door mannen die haar zegden geen klacht meer in te dienen. Begin december 2000 besloot u met uw gezin bij uw schoonouders te gaan wonen. Ook daar kreeg u een dreigtelefoontje. Ook uw oudste dochter werd op school opgebeld. Omwille van al deze problemen besloot u met uw gezin XXX te verlaten. Er dienen vooreerst ernstige tegenstrijdigheden te worden opgemerkt, enerzijds tussen uw opeenvolgende verklaringen (DVZ, CGVS) en anderzijds tussen uw verklaringen en die van uw echtgenote. Hierdoor wordt de geloofwaardigheid van uw asielrelaas ernstig ondermijnd. Zo verklaarde u voor de DVZ dat u na de betoging naar het politiebureau in de L.straat werd gebracht en daarna in het politiekantoor in de P.straat werd opgesloten (zie DVZ, nr.42). Voor het CGVS verklaarde u echter dat u na de betoging naar de districtsafdeling van de politie in de P.straat werd gebracht waar u ook gedurende 15 dagen werd opgesloten (zie CGVS, p.3). Vervolgens verklaarde u voor de DVZ dat u door een officier verhoord werd (zie DVZ, nr.42). Voor het CGVS verklaarde u echter niet verhoord te zijn (zie CGVS, p.3). Verder verklaarde u voor de DVZ dat u tijdens uw gevangenschap elke dag door de politie werd geslagen (zie DVZ, nr.42 en 45). Voor het CGVS verklaarde u echter dat u tijdens uw gevangenschap niet echt geslagen werd maar wel vernederd (zie CGVS, p.3). Bovendien verklaarde u voor de DVZ dat u pas in augustus 2000 last begon te krijgen van dreigtelefoontjes (zie DVZ, nr.42). Voor het CGVS verklaarde u echter ongeveer een week na uw klacht in juni 2000 de eerste dreigtelefoontjes te hebben ontvangen (zie CGVS, p. 4). Ook verklaarde u voor de DVZ na uw ontslag uit het ziekenhuis naar het parket gegaan te zijn maar er niet binnengelaten te zijn (zie DVZ, nr.42). Voor het CGVS verklaarde u hier echter niets over, wat merkwaardig is. Nog verklaarde u voor het CGVS dat de betoging van 12 juni 2000 toegelaten was en dat u na de betoging werd opgepakt omwille van verstoring van de openbare orde (zie CGVS, p.2). Uw vrouw verklaarde echter dat u en andere mensen toen werden opgepakt omdat men u ervan verdacht deze betoging georganiseerd te hebben wat impliceert dat ze verboden zou zijn geweest (zie CGVS vrouw, p.2). Bovendien verklaarde u dat u de dreigtelefoontjes ooit meldde aan de politie (zie CGVS, p.6). Uw echtgenote verklaarde echter dat de dreigtelefoontjes nooit gemeld werden aan de politie omdat dat geen zin had (zie CGVS vrouw, p.3). XIV-6651-3/11 Ten slotte verklaarde u dat uw oudste dochter geen problemen kreeg door het telefoontje van de politie aan de rector (zie CGVS, p.6 en 7). Uw vrouw verklaarde echter dat uw oudste dochter hierdoor wel degelijk problemen kreeg met de rector (zie CGVS vrouw, p.4). Al deze elementen tasten de geloofwaardigheid van uw verklaringen op fundamentele wijze aan. Verder haalt u onvoldoende elementen aan die erop wijzen dat u omwille van één van de redenen zoals voorzien in de Conventie van Genève, niet op bescherming kan of zou kunnen rekenen van de hogere XXX autoriteiten. Uit uw verklaringen blijkt immers dat u enkel bij de lokale autoriteiten van N. bescherming zocht, maar u niet richtte tot hogere instanties. Er is echter geen enkel element voorhanden dat aantoont dat U, omwille van één van de criteria van het vluchtelingenverdrag, geen rechtvaardige hulp of bescherming zou krijgen van uw hogere autoriteiten. Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat u de beschermingsmogelijkheden in uw land niet hebt uitgeput. Ten slotte dient te worden opgemerkt dat de door u ingeroepen feiten, indien deze waarachtig zouden zijn, quod non, plaatselijk van aard zijn en dat er geen aanwijzingen zijn dat u zich niet elders in het land zonder problemen zou kunnen vestigen. U blijkt immers enkel problemen te hebben omwille van uw deelname aan een betoging in N. met de autoriteiten van dezelfde stad. Niets wijst erop dat deze mensen U ook elders in de XXX Federatie zouden blijven lastig vallen. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. Het medisch attest dat u voorlegt wijzigt hier niets aan, gezien het wel vermeldt dat u werd geopereerd aan uw been, maar niets zegt over de oorzaak waardoor of de omstandigheden waarin uw letsel werd opgelopen. De overige door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde documenten (rijbewijs, geboorteaktes kinderen, wetboekje, huwelijksakte) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet omdat ze enkel persoonsgegevens van u en uw gezin bevatten, waar niet aan wordt getwijfeld. (...).”. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal ten aanzien van XXX, die de tweede bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd: “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk en kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina's. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een XXX staatsburger van half XXX, half Joods-Duitse origine, verklaart verscheidene problemen te hebben gehad in de XXX Federatie omwille van de deelname van uw man aan een betoging. Op 16 december 2000 verliet u XXX, vergezeld van uw echtgenoot, XXX (O.V. 5.052.797), uw dochter XXX (O.V. 5.051.952) en uw minderjarige dochter D. Op 18 december 2000 kwam u in België aan waar u op 19 december 2000 asiel aanvroeg. U bent in het bezit van een ex- U. intern paspoort. Volgens de verklaringen die u aflegde op het Commissariaat-Generaal voor de Vluchte- lingen en de Staatlozen op 23 juli 2001, werd uw man op 12 juni 2000 tijdens een betoging opgepakt door de O. Uw man werd gedurende 15 dagen vastgehouden bij de politie. Meteen na zijn vrijlating, diende uw man tegen de politie een klacht in bij de procureur. Hierop kreeg uw man echter een negatief antwoord. Nadat uw man deze klacht indiende, kreeg u dreigtelefoontjes. In augustus 2000 ging uw man weer naar een betoging. Op zijn terugweg naar huis werd hij aangesproken door enkele vreemde mannen en moest hij plaatsnemen in hun auto. Ze vroegen het paspoort van uw man en toen hij die weigerde af te geven, werd hij geslagen. Na dit incident kreeg u nog altijd dreigtelefoontjes. Van 13 september 2000 tot eind september 2000 werd uw man opgenomen in het ziekenhuis voor een operatie aan zijn been. Het been was ontstoken door de slagen die hij gekregen had. Tijdens het verblijf van uw man in het ziekenhuis werd u aangesproken door twee personen die u zegden dat u moest oppassen voor de gevolgen van uw daden. Ze verwezen ook naar uw J. origine. U had reeds eerder op school en op uw werk problemen gehad omwille van uw Duitse afkomst en omwille van het feit dat u geen lid was van de C. XIV-6651-4/11 Partij. De politie stelde aan de rector van de school van uw dochter vragen over haar persoon. Hierdoor kreeg uw dochter problemen. Begin december 2000 besloot u met uw gezin bij uw moeder te gaan wonen. Ook daar kreeg u telefoontjes. Hierna besloot u met uw gezin XXX te verlaten. Er dienen vooreerst enkele ernstige tegenstrijdigheden te worden opgemerkt tussen uw verklaringen en die van uw echtgenoot. Hierdoor wordt de geloofwaardigheid van uw asielrelaas ernstig ondermijnd. Zo verklaarde u voor het CGVS dat uw man en andere mensen tijdens de betoging van 12 juni werden opgepakt omdat men hen ervan verdacht deze betoging georganiseerd te hebben wat impliceert dat deze verboden was (zie CGVS, p. 2). Uw man verklaarde echter dat die betoging toegelaten was en dat hij na de betoging werd opgepakt omwille van de verstoring van de openbare orde (zie CGVS man, p. 2). Verder verklaarde u dat uw man tijdens zijn gevangenschap erg geslagen werd (zie CGVS, p. 2). Uw man verklaarde echter dat hij toen niet echt geslagen werd, enkel vernederd (zie CGVS, p. 3). Bovendien verklaarde u dat u de dreigtelefoontjes nooit meldde aan de politie omdat dat geen zin had (zie CGVS, p. 3). Uw echtgenoot verklaarde echter dat de dreigtelefoontjes ooit gemeld werden aan de politie (zie CGVS man, p. 6). Ten slotte verklaarde u dat uw oudste dochter problemen kreeg door het telefoontje van de politie aan de rector (zie CGVS, p. 4). Uw man verklaarde echter dat uw oudste dochter hierdoor geen problemen kreeg met de rector (zie CGVS vrouw, p.6 en 7). Al deze elementen tasten de geloofwaardigheid van uw verklaringen op fundamentele wijze aan. Daarnaast haalt u onvoldoende elementen aan die erop wijzen dat u omwille van één van de redenen zoals voorzien in de Conventie van Genève, niet op bescherming kan of zou kunnen rekenen van de hogere XXX autoriteiten. Uit uw verklaringen en die van uw man blijkt immers dat uw man enkel bij de lokale autoriteiten van N. bescherming zocht, maar zich niet richtte tot hogere instanties. Bovendien verklaart u nooit de dreigtelefoontjes gemeld te hebben aan de politie. Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat u de beschermingsmogelijkhe- den in uw land niet hebt uitgeput. Ten slotte dient te worden opgemerkt dat de door u ingeroepen feiten plaatselijk van aard zijn en dat er geen aanwijzingen zijn dat u zich niet elders in het land zonder problemen zou kunnen vestigen. U zou immers enkel problemen hebben gehad omwille van de deelname van uw man aan een betoging in N. met de autoriteiten van dezelfde stad. Niets wijst erop dat deze U ook elders in de XXX Federatie zouden vervolgen. Wat betreft uw problemen omwille van uw origine en omwille van het feit dat u geen lid was van de C. partij, deze zijn te ver verwijderd in de tijd om in aanmerking te worden genomen voor uw asielaanvraag. Bovendien vermeldde u hier niets over op de Dienst Vreemdelingenzaken. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde documenten (paspoort, geboorteakte, huwelijksakte, geboorteaktes van de kinderen, werkboekje, certificaat van kokschool,) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet omdat ze enkel bio-en persoonsgegevens van u en uw gezin bevatten, waar niet aan wordt getwijfeld. (...).”. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal ten aanzien van XXX, die de derde bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd: “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina's. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een XXX staatsburger van XXX origine, verklaart verscheidene problemen te hebben gehad in XXX omwille van de deelname van uw vader aan een meeting. Op 16 december 2000 verliet u XXX, vergezeld van uw moeder, XXX (O.V. 5.052.797) en uw stiefvader XXX (O.V. 5.052.797) en uw minderjarige zus D. Op 18 december 2000 kwam u aan in België waar u op 19 december 2000 asiel aanvroeg. U bent enkel in het bezit van een geboorteakte. Volgens de verklaringen die u aflegde voor het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op 24 juli 2001, werd uw vader tijdens een betoging in N. door XIV-6651-5/11 de O. opgepakt en daarna gedurende 15 dagen opgesloten. U woonde toen reeds bij uw grootmoeder omdat die dichter bij het instituut woonde waar u een cursus volgde. Na zijn vrijlating diende uw vader een klacht in bij de procureur, maar dat had geen resultaat. Nadat uw vader de klacht had ingediend, begon uw gezin dreigtelefoontjes te krijgen opdat de klacht zou ingetrokken worden. Begin augustus 2000 werd uw vader thuis opgewacht door enkele personen die hem in een auto deden stappen. Ze brachten hem naar een bos waar ze hem geslagen hebben. Op 13 september 2000 werd uw vader gehospitaliseerd voor een operatie aan zijn been. In november 2000 zou de politie naar de rector van uw school gebeld hebben om informatie over u te vragen. De rector vroeg u wat er gaande was maar u hebt haar niets gezegd. In december kwamen uw ouders bij uw grootmoeder wonen. Daar kregen ze echter ook een dreigtelefoontje en daarna besloten jullie XXX te verlaten. Uit uw verklaring blijkt dat u uw asielaanvraag volledig steunt op de motieven aangebracht door uw vader ter staving van zijn asielrelaas. U verklaarde persoonlijk nooit problemen te hebben gekend en vooral gevlucht te zijn omwille van de problemen van uw ouders (zie CGVS p.3). Wat betreft het door hen ingestelde dringende beroep werd een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen op basis van het bedrieglijke en ongegronde karakter van hun asielrelaas. Een uitgebreide en gedetailleerde motivering van deze beslissing werd opgenomen in hun beslissingen. Bijgevolg dient ook voor u een bevestigende beslissing te worden genomen. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. Het door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde document (geboorteakte) wijzigt hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet omdat het enkel identiteitsgege- vens van u bevat, waar niet aan wordt getwijfeld. (...).”.
- Overwegende dat verzoekers een enig middel afleiden uit de schending van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelin-gen; dat zij daaraan toevoegen dat een manifeste appreciatiefout werd begaan; 2.
- Overwegende dat, wat de formele motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft de betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekers de motieven van de bestreden beslissingen kennen, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoekers bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat, wat de materiële motiveringsplicht betreft, de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op basis van zijn in artikel 52 van de Vreemdelingenwet vervatte appreciatiebevoegdheid heeft vastgesteld dat de asielaanvragen van verzoekers kennelijk ongegrond zijn; dat hij tevens heeft besloten dat de asielaanvragen van eerste en tweede verzoeker bedrieglijk zijn; dat hij zijn besluit steunt op het geheel van motieven, die integraal worden weergegeven in de bestreden beslissingen onder punt 1.
- van huidig arrest; dat de motieven van de eerste bestreden beslissing samengevat als volgt luiden: - de geloofwaardigheid van verzoekers asielrelaas wordt ernstig ondermijnd enerzijds door tegenstrijdigheden tussen verzoekers opeenvolgende verklaringen op de Dienst Vreemdelingen- XIV-6651-6/11 zaken en het Commissariaat-generaal, en anderzijds door tegenstrijdigheden tussen verzoekers verklaringen en die van zijn echtgenote XXX; - verzoeker haalt onvoldoende elementen aan die erop wijzen dat hij wegens één van de redenen voorzien in het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 niet op de bescherming kan of zou kunnen rekenen van de hogere XXX autoriteiten; - de door verzoeker ingeroepen feiten, zelfs indien ze waar zouden zijn, quod non, zijn plaatselijk van aard en er zijn geen aanwijzingen dat verzoeker zich niet zonder problemen elders in het land zou kunnen vestigen; - noch het medisch attest noch de andere neergelegde documenten wijzigen iets aan bovenstaande vaststellingen; Overwegende dat de motieven van de tweede bestreden beslissing samengevat als volgt luiden: - ernstige tegenstrijdigheden tussen verzoeksters verklaringen en die van haar echtgenoot XXX ondermijnen de geloofwaardigheid van haar asielrelaas; - verzoekster haalt onvoldoende elementen aan die erop wijzen dat zij wegens één van de redenen voorzien in de Vluchtelingenconventie niet op de bescherming kan of zou kunnen rekenen van de hogere XXX autoriteiten; - de door verzoekster ingeroepen feiten zijn plaatselijk van aard en er zijn geen aanwijzin-gen dat verzoekster zich niet zonder problemen elders in het land zou kunnen vestigen; - de problemen wegens verzoeksters origine en wegens het feit dat zij geen lid was van de C. partij, zijn te ver verwijderd in de tijd om in aanmerking te worden genomen voor haar asielaanvraag. Bovendien vermeldde zij ze niet op de Dienst Vreemdelingenzaken; - de neergelegde documenten wijzigen niets aan bovenstaande vaststellingen; Overwegende dat de motieven van de derde bestreden beslissing samengevat als volgt luiden: - verzoeksters asielaanvraag steunt volledig op de motieven aangebracht door haar vader XXX in het kader van diens asielaanvraag. Verzoekster verklaarde nooit persoonlijke problemen te hebben gekend en vooral te zijn gevlucht wegens de problemen van haar ouders. Aangezien ten aanzien van hun asielaanvragen telkens een bevestigende beslissing werd genomen, dient ook ten aanzien van verzoekster een bevestigende beslissing te worden genomen; - de neergelegde geboorteakte wijzigt niets aan bovenstaande vaststellingen; 2.
- Overwegende dat verzoekers aanvoeren dat hun vluchtverhaal complex is aangezien er drie familieleden bij betrokken zijn, dat uit een grondige analyse van het administratief dossier blijkt dat hun vluchtverhaal coherent is en dat de tegenstrijdigheden, die al te gemakkelijk werden weerhouden, niet zwaarwichtig zijn; dat verzoekers hun betoog ondersteunen met verwijzingen naar passussen uit hun interviews op de Dienst Vreemdelingen- zaken en het Commissariaat-generaal; XIV-6651-7/11 Overwegende dat de tegenstrijdigheden die de Commissaris-generaal uit de opeenvolgende verklaringen van de heer XXX (hierna: eerste verzoeker) heeft weerhouden, betrekking hebben op de kern van zijn asielrelaas namelijk het politiekantoor waar hij werd heengebracht na de betoging, de gebeurtenissen op het politiekantoor, de dreigtelefoons en zijn vruchteloos bezoek aan het parket (wat hij niet vermeldde op het Commissariaat-generaal); dat de Commissaris-generaal uit een vergelijking van de asielrelazen van eerste verzoeker en zijn echtgenote XXX tegenstrijdigheden heeft weerhouden die eveneens behoren tot de kern van hun asielrelazen namelijk de reden waarom eerste verzoeker werd opgepakt tijdens de betoging en het al dan niet verboden karakter ervan, het al dan niet inlichten van de politie over de dreigtelefoons, het feit of hij werd geslagen door de politie dan wel enkel vernederd, en de beweerde problemen van hun dochter XXX met de rector van de school; dat deze tegenstrijdig- heden geen details betreffen maar betrekking hebben op feiten die aan de basis liggen van de vlucht van verzoekers uit hun land van herkomst; dat verzoekers in hun verzoekschrift enkele van hun verklaringen citeren waaruit volgens hen blijkt dat er geen sprake is van “tegenstrijdig- heden” maar veeleer van “kleine anomalieën”; dat verzoekers evenwel hun verklaringen met betrekking tot de eventuele problemen van XXX met de rector van de school gedeeltelijk of foutief citeren: eerste verzoeker zou hebben verklaard: “ze hebben gebeld op hogeschool. Ze stelde ze voor problemen. (laatste woord onleesbaar)”, terwijl zijn echtgenote zou hebben gezegd: “ik weet niet of het groot probleem was.”; dat eerste verzoeker evenwel verklaarde dat de politie naar de school belde (“ze stelde(n) z(ich) voor als pol(itie)”) en dat hij hieraan toevoegde dat er daar “geen echte problemen” waren (verhoorverslag CGVS, p. 6) en verder dat zijn dochter “daar echter geen problemen mee gehad” heeft (verhoorverslag CGVS, p. 7); dat uit het verhoorverslag van zijn echtgenote op het Commissariaat-generaal daarentegen blijkt dat haar werd gevraagd of haar kinderen ooit problemen kenden; dat zij met betrekking tot haar oudste dochter stelde dat ze niet wist of het een groot probleem was en hieraan toevoegde dat ze haar dochter niet langer naar school liet gaan omdat de rector werd opgebeld door de politie; dat haar daarop uitdrukkelijk werd gevraagd of haar dochter problemen kreeg met de rector en dat zij dit bevestigde (“Ja; Concreet? Ze picked on her”: verhoorverslag CGVS, p. 4); dat deze tegenstrijdigheid derhalve steun vindt in het administratief dossier en door verzoekers niet wordt weerlegd; dat verzoekers vervolgens aanvoeren dat de Commissaris-generaal ten onrechte uit hun verklaringen afleidt dat de betoging verboden was en dat een tegenstrijdigheid expliciet dient te zijn, “quod non in casu”; dat uit het administra- tief dossier blijkt dat eerste verzoeker verklaarde dat de demonstratie toegelaten was en dat hij werd opgepakt wegens verstoring van de openbare orde (verhoorverslag CGVS, p. 2); dat zijn echtgenote daarentegen verklaarde dat de politie alle jongeren oppakte en tevens dat er “werd vanuit gegaan dat zij die betoging georg(aniseerd) hadden; onze reg(ering) is als de dood v(oor) zo’n betogingen” (verhoorverslag CGVS, p. 2); dat verzoekers enkel aanvoeren dat de Commissaris-generaal hieruit ten onrechte afleidt dat de betoging verboden was, maar nalaten hun grief te staven met tegenargumenten; dat zij bijgevolg niet aantonen dat de deductie van de Commissaris-generaal onjuist is; dat verzoekers in verband met het melden van de dreigtelefoons aan de politie stellen dat mevrouw XXX heeft verklaard dat ze “denkt dat ze XIV-6651-8/11 geen zekerheid heeft over haar echtgenoot”; dat deze uitspraak geen steun vindt in de gegevens van het administratief dossier, waaruit wel blijkt dat zij verklaarde dat de dreigtelefoons niet werden gemeld aan de politie omdat het geen zin had, terwijl eerste verzoeker het tegendeel beweerde; dat verzoekers met betrekking tot het motief over het verhoor op het politiekantoor aanvoeren dat eerste verzoeker op het Commissariaat-generaal verklaarde dat hij “gewoon een gesprek” had maar hiermee bedoelde dat het verhoor niet officieel was; dat de argumentatie van verzoekers niet overtuigt aangezien eerste verzoeker op het Commissariaat-generaal ontkennend antwoordde toen hem expliciet werd gevraagd of hij werd verhoord (“nee, gewoon een gesprek”: verhoorverslag CGVS, p. 3); dat verzoekers met betrekking tot de slagen dan wel vernederingen tijdens de gevangenschap van eerste verzoeker aanvoeren dat het ook mogelijk is dat laatstgenoemde geslagen werd “buiten de cel”; dat uit het administratief dossier evenwel blijkt dat eerste verzoeker op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat hij tijdens zijn opsluiting “elke dag (werd) geslagen door de politie” (verhoorverslag DVZ, vraag 42), terwijl hij op het Commissariaat-generaal beweerde dat hij “niet echt” werd geslagen maar wel vernederd (“Toen u in de cel zat nog geslagen? Niet echt, wel vernederingen”: verhoorverslag CGVS, p. 3); dat verzoekers niet aantonen dat de vaststelling van de Commissaris-generaal onjuist is; dat verzoekers nalaten de overige tegenstrijdigheden die werden weerhouden in de eerste bestreden beslissing (het politiebureau waar eerste verzoeker werd opgesloten, de aanvang van de dreigtelefoons en zijn bezoek aan het parket) aan te vechten, zodat wordt aangenomen dat zij ze niet betwisten; dat de bestreden beslissingen ten slotte dienen te worden gelezen als een geheel en niet als van elkaar losstaande onderdelen; dat het geheel van motieven de Commissaris-generaal ertoe heeft gebracht te besluiten tot de onontvankelijkheid van de asielaanvragen van verzoekers; dat de tegenstrijdigheden steun vinden in het administratief dossier en door verzoekers niet worden weerlegd; 2.
- Overwegende dat verzoekers het motief betwisten met betrekking tot het interne vluchtalternatief en het niet uitputten van de rechtsmiddelen in hun land, maar geen elementen aanbrengen die aantonen dat de vaststellingen desbetreffend van de Commissaris- generaal onjuist zijn; 2.
- Overwegende dat verzoekers ten slotte aanvoeren dat de neergelegde stukken een begin van bewijs vormen, maar dit niet staven; dat zij tevens stellen dat hun het voordeel van de twijfel moet worden verleend; dat het door verzoekers aangevoerde principe van het voordeel van de twijfel in casu feitelijke grondslag mist, vermits uit de analyse van het enig middel blijkt dat de talrijke motieven van de bestreden beslissingen steun vinden in het administratief dossier en in de verklaringen van verzoekers, en deugdelijk zijn; dat de Commissaris-generaal derhalve terecht de bevestigende beslissingen tot weigering van verblijf heeft genomen; dat de motieven, die de bestreden beslissingen dragen, deugdelijk, afdoende en pertinent zijn; dat de Commissaris-generaal geen appreciatiefout heeft begaan, dat het enig middel ongegrond is; XIV-6651-9/11
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 520,58 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor een derde. XIV-6651-10/11 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien oktober tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-6651-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.276 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.