id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.292 Rolnummer: A. 119681/VII-26337 Zaak: Arrest 136292 - - 20/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-03 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 11:57 Fiche Arrest nr 136.292 van 20 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 136.292 van 20 oktober 2004 in de zaak A. 119.681/VII-26.337 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat K. HINNEKENS, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Louis Pasteurlaan 24 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kazakse nationaliteit, op 15 april 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 8 april 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 22 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op het verzoek tot voortzetting van de procedure; Gelet op de beschikking van 29 april 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 17 augustus 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 6 oktober 2004; VII-26.337-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die, loco advocaat K. HINNEKENS, verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij in het verzoekschrift stelt dat “zij opteert voor een kamer met drie Raadsheren”; dat zij nochtans zonder enig voorbehoud te formuleren is verschenen voor een kamer samengesteld uit één staatsraad overeenkomstig artikel 90, § 1, tweede lid, 1/ van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat zij bijgevolg geacht wordt afstand te doen van haar verzoek, dat overigens niet werd gemotiveerd; Overwegende dat de verzoekende partij ter terechtzitting verklaard heeft afstand te doen van de prejudiciële vragen die zij aan het Arbitragehof wil laten stellen;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 22 juni 2000 en verklaarde zich op 23 juni 2000 vluchteling. 1.
- Op 22 december 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 8 april 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "(...) U, een Kazachs staatsburger van Russische origine, verklaarde op de Dienst Vreemdelingenzaken en in uw verzoekschrift tot dringend beroep omwille van de volgende redenen Kazachstan te hebben verlaten. Uw problemen zijn begonnen met de problemen van uw echtgenoot XXX. U was de enige getuige van een incident waarbij een zekere XXX een mes stak in de buik van uw echtgenoot. Uw persoonlijke problemen begonnen op 28 maart 2000, toen u door een Kazach met een mes werd bedreigd in de lift. Hij verwees naar de Russische origine van u en uw echtgenoot en beroofde u van uw portefeuille. U begreep dat dit VII-26.337-2/6 verbonden was met de dreigtelefoons die jullie eerder hadden ontvangen. Op 31 maart 2000 werd u door 4 Kazachse politieagenten, waaronder de zoon van XXX, meegenomen en geslagen. U verbleef tot 19 april 2000 in het hospitaal. De klacht die uw moeder indiende bij de politie bleef zonder gevolg. De politie oordeelde immers dat u waarschijnlijk een prostitué was en problemen kreeg met een klant. Op 30 mei 2000, s' nachts, werd de kantoorruimte waar u uw universiteitswerk verrichtte, in brand gestoken. De volgende nacht kregen uw schoonouders een dreigtelefoon. Op 2 juni 2000 werd uw echtgenoot ontslagen. Op 5 juni 2000 meldde ook de decaan dat u niet meer welkom was op de universiteit. Uw broer organiseerde jullie vertrek. Op 15 juni 2000 heeft u Kazachstan in het gezelschap van uw echtgenoot, XXX per trein verlaten richting Moskou (Russische Federatie). Op 22 juni 2000 bent u in België aangekomen, waar u op 23 juni 2000 een asielaanvraag heeft ingediend bij de Belgische autoriteiten. U bent in het bezit van een rijbewijs, een geldige Kazachse identiteitskaart en een geboorteakte. Uit uw verklaringen blijkt dat u uw asielaanvraag baseert op dezelfde feiten als aangehaald door uw echtgenoot, XXX, bij de weergave van zijn asielrelaas. Omwille van diverse redenen, uitgebreid weergegeven in de beslissing van uw echtgenoot, werd overgegaan tot een bevestigende beslissing. Derhalve kan in het kader van uw asielaanvraag evenmin besloten worden tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Gezien het voorafgaande kan in uw hoofde geen vermoeden tot het bestaan van een gegronde vrees van vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden weerhouden. Ik meen derhalve dat niet moet worden overgegaan tot een oproeping van uw persoon voor een verhoor in Dringend Beroep, aangezien uit uw verklaringen, afgelegd op de Dienst Vreemdelingenzaken en in uw verzoekschrift voldoende duidelijk blijkt dat uw aanvraag kennelijk ongegrond is. De door u in het kader van uw asielaanvraag neergelegde documenten (een attest van hospitalisatie, een bewijs van uw professionele activiteit, een journalistenbatch, een studentenkaart, diverse diploma's en getuigschriften) doen op geen enkele wijze afbreuk aan bovenstaande beslissing.". Dit is de bestreden beslissing.
- Overwegende dat de door de verwerende partij opgeworpen exceptie, dat het verzoekschrift nietig is omdat het geen feitelijke uiteenzetting bevat elke ernst mist; dat dergelijke uiteenzetting niet voorgeschreven is op straffe van nietigheid; dat de feiten trouwens blijken uit de bestreden beslissing; dat de exceptie, die klaarblijkelijk alleen tot doel heeft de behandeling van de zaak te vertragen, wordt verworpen; 3.
- Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt aangevoerd van artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet omdat de beslissing niet werd genomen binnen de door deze wetsbepaling gestelde termijn van 30 dagen; dat de verzoekende partij letterlijk beweert: “dat voormeld artikel een dwingende termijn ingevoerd heeft en geen termijn invoert”; dat zij voorts, zonder verdere uitleg, verwijst naar een arrest nr. 73.717 van 18 mei 1998; Overwegende dat artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet wel gewag maakt van een termijn van 30 werkdagen om tot een beslissing te komen in het dringend beroep bij de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, doch dat hieraan geen sanctie verbonden is; dat de genoemde termijn bijgevolg als een termijn van orde is te VII-26.337-3/6 beschouwen; dat men zich trouwens de vraag kan stellen welk belang de verzoekende partij in casu heeft bij het inroepen van een eventuele schending van deze bepaling, aangezien zij, zolang er geen uitspraak is gedaan over haar dringend beroep, gerechtigd is op het grondgebied te verblijven; dat het middel niet gegrond is; 3.
- Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt aangevoerd van “het motiveringsvereiste”; dat de verzoekende partij op zeer omstandige wijze inhoudelijke kritiek geeft op de motivering van de bestreden beslissing; Overwegende dat de formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kende, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt; dat de verzoekende partij dan ook geen belang heeft bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht; dat de toetsing van de formele motivering in beginsel niet de beoordeling van de inhoud van de motieven met zich brengt; Overwegende dat de verzoekende partij, wat de materiële motiveringsplicht betreft, er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, en de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn; dat een verder onderzoek van het middel de Raad van State zou verplichten kennis te nemen van de feitelijke toedracht van de zaak, en deze in feite te beoordelen, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid; dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat vaststellen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat in het kader van een marginale toetsing de aangeklaagde onwettigheid slechts dan wordt gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is; dat zij wel beweert maar niet bewijst dat er vertaalmoeilijkheden zouden zijn geweest; dat de commissaris-generaal in de verklaringen van de verzoekende partij een niet onbelangrijk aantal tegenstrijdigheden en onnauwkeurigheden heeft vastgesteld; dat deze opgesomd worden in de bestreden beslissing; dat de verzoekende partij er niet in slaagt aan te tonen dat die vaststellingen feitelijk onjuist zijn noch dat de gevolgtrekkingen die de commissaris-generaal daaruit afleidt kennelijk onredelijk zijn; dat het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de appreciatie van de commissaris-generaal op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uitmaakt; dat het middel niet gegrond is; VII-26.337-4/6 3.
- Overwegende dat in een derde middel de schending wordt aangevoerd van de artikelen 52, juncto 63/2 en 63/3 van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partij in wezen stelt dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, optredend in dringend beroep, geen beslissing ten gronde mag nemen, vermits de asielaanvraag nog in het stadium van de ontvankelijkheid verkeert; Overwegende dat de commissaris-generaal in het kader van het dringend beroep de opdracht heeft na te gaan of een verder onderzoek van de erkenningsaanvraag noodzakelijk is en of de asielaanvrager voorlopig wordt toegelaten tot het verblijf in de hoedanigheid van kandidaat-vluchteling; dat de commissaris-generaal, na de onontvankelijkheidsbeslissing van de minister van Binnenlandse Zaken, onderzoekt of de asielaanvrager gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat te dezen de commissaris-generaal in redelijkheid de aanvraag kennelijk ongegrond kon verklaren, nu rekening werd gehouden met controleerbare informatie over het land van herkomst, welke in de bestreden beslissing werd aangehaald; dat het middel niet gegrond is; 3.
- Overwegende dat in een vierde middel de schending wordt ingeroepen van de “redelijke termijneis”; dat de verzoekende partij erop wijst dat het dringend beroep werd ingediend op 27 december 2000 en de bestreden beslissing dateert van 8 april 2002; Overwegende dat, indien dit middel gegrond zou worden bevonden, de in eerste aanleg door de minister van Binnenlandse Zaken uitgesproken weigeringsbeslissing zou herleven; dat de verzoekende partij dan ook geen belang heeft bij het inroepen van dit middel; dat het niet ontvankelijk is; 3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een vijfde middel de schending inroept van artikel 1 van het verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953 en van de artikelen 52, 57/6, 63/2 en 63/3 van de Vreemdelingenwet; dat zij de argumentatie herneemt die reeds werd uiteengezet bij het tweede middel; Overwegende dat hierboven reeds is uiteengezet dat dit middel ongegrond is; 3.
- Overwegende dat in het zesde middel de schending wordt ingeroepen van het recht van verdediging en het recht te worden gehoord; Overwegende dat deze beginselen als dusdanig niet van toepassing zijn in een administratieve procedure zoals deze; dat het middel niet gegrond is; VII-26.337-5/6
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig oktober tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-26.337-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.292 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div