← België

Arrest 136294 - - 20/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.294 Rolnummer: A. 101936/VII-23397 Zaak: Arrest 136294 - - 20/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-03 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-04 11:57 Fiche Arrest nr 136.294 van 20 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 136.294 van 20 oktober 2004 in de zaak A. 101.936/VII-23.397 In zake :

  1. XXX,
  2. XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat J. JOCHEMS, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Britselei 76 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door
  3. de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  4. de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van Belarussische nationaliteit, op 19 maart 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 20 februari 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 12 juli 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden op 20 februari 2001; Gelet op het verzoek tot voortzetting van de procedure; Gelet op de beschikking van 12 april 2001 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partijen teneinde te worden gehoord; VII-32.397-1/9 Gelet op de beschikking van 17 augustus 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 6 oktober 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat O. DUBOIS, die, loco advocaat J. JOCHEMS, verschijnt voor de verzoekende partijen, van adjunct-adviseur L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  6. De verzoekende partijen kwamen België binnen op respectievelijk 3 november 1999 en 10 juni 2000 en verklaarden zich op respectievelijk 5 november 1999 en 16 juni 2000 vluchteling. 1.
  7. Op 12 juli 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  8. Op 20 februari 2001 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen letterlijk als volgt: Ten aanzien van de eerste verzoekende partij: "Betrokkene werd verhoord op 25 september 2000 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Russische taal machtig is, en in aanwezigheid van zijn advocaat, Mr. Bart Collin loco Jela Jochems. Betrokkene, een Belarussisch staatsburger, verliet zijn land op 30 oktober
  9. Hij reisde naar België waar hij op 3 oktober 1999 arriveerde en op 5 november 1999 asiel aanvroeg. Betrokkene is niet in het bezit van een internationaal geldig identiteitsdocument. Betrokkene zou in zijn land van herkomst problemen hebben gekend omwille van zijn politiek engagement: betrokkene zou lid geweest zijn van de Belarussische oppositiepartij 'Belaruski Narodni Front' (BNF) sinds oktober
  10. Op 14 maart 1999 zou betrokkene samen met een vriendin -Larissa- handtekeningen verzameld hebben voor de presidentsverkiezingen van 16 mei
  11. Er zou een politiepatrouille VII-32.397-2/9 langsgereden zijn die hen zou opgepakt hebben. Hij zou beschuldigd zijn van de verspreiding van illegaal drukwerk (art. 183.3). Betrokkene zou op 15 maart 1999 's avonds zijn vrijgelaten. Bij zijn thuiskomst zou zijn vrouw verteld hebben dat er een huiszoeking was geweest die ochtend. Een drietal agenten zouden zijn langsgekomen die het huis zouden doorzocht hebben en pamfletten en lijsten in beslag zouden hebben genomen. Ongeveer een week later zou betrokkene een boete ontvangen hebben die hij zou betaald hebben. Een week later zou betrokkene per post een convocatie ontvangen hebben om zich te presenteren bij de politie. Betrokkene zou zich eind maart 1999 naar het politiebureau begeven hebben, waar ze hem waarschuwden zich niet meer met oppositieactiviteiten bezig te houden. Op 26 april 1999 zou betrokkene deelgenomen hebben aan een manifestatie ter herdenking van de Tsjernobyl-ramp. Betrokkene zou opgepakt geweest zijn en gedurende drie uur vastgehouden zijn. Op 25 mei 1999 zou betrokkene een nieuwe convocatie omvangen hebben, waar hij niet op ingegaan zou zijn. Hij zou met zijn vrouw verhuisd zijn naar een nieuw adres omdat ze angst zouden gehad hebben. Op 10 juni 1999 zou de politie naar dit nieuw adres gekomen zijn, betrokkene zou niet thuis geweest zijn, zijn echtgenote wel. De politie zou zijn echtgenote meegenomen hebben naar het politiebureau en haar daar vastgehouden hebben tot 's avonds. Ze zou vrijgekomen zijn via een vriend van haar vader. Diezelfde avond nog zouden betrokkene en zijn echtgenote verhuisd zijn na een vriend, A. K.. Op 17 oktober 1999 zou betrokkene deelgenomen hebben aan de Vrijheidsmars. Het zou tot schermutselingen gekomen zijn met de politie en betrokkene zou opgepakt geweest zijn. Betrokkene zou opgesloten geweest zijn in een kazerne. Hij zou ervan beschuldigd geweest zijn een staatsgreep voor te bereiden en de onderzoeksrechter wou hem een document ter bekentenis laten ondertekenen. Betrokkene zou dit geweigerd hebben, daarop zou hij geslagen en bedreigd geweest zijn. Hij zou twee dagen zijn vastgehouden. De 19e zou hij erin geslaagd zijn tijdens zijn ondervraging te ontsnappen. Betrokkene zou zich daarop verborgen hebben in een bos tot 's avonds. Dan zou hij naar huis gegaan zijn. Vervolgens zou betrokkene zijn vlucht voorbereid hebben. Op 30 oktober 1999 zou hij vertrokken zijn naar België Er dient te worden opgemerkt dat er belangrijke tegenstrijdigheden zijn tussen de diverse verklaringen van betrokkene (interview Dienst Vreemdelingenzaken, interview Commissariaat-generaal) enerzijds en de diverse verklaringen van betrokkenes echtgenote (interview Dienst Vreemdelingenzaken, interview Commissariaat-generaal) anderzijds, die toelaten de oprechtheid van zijn beweringen in twijfel te trekken. Zo verklaart (zie CGVS p. 7) betrokkene dat hij enkel met Larissa handtekeningen verzamelde en dat zijn echtgenote geen handtekeningen verzamelde; terwijl zijn echtgenote beweert (zie DVZ) dat zij eveneens handtekeningen verzamelde. Ook beweert (zie CGVS p.6) betrokkene dat zijn paspoort door de politie werd ingehouden. Betrokkenes echtgenote verklaart (zie CGVS p.4) echter dat het paspoort van haar echtgenoot thuis ligt omdat het te gevaarlijk reizen was met het document. Verder verklaart (zie CGVS p.8) betrokkene dat hij een week nadat hij had vastgezeten omwille van het verzamelen van handtekeningen, een boete van 1.500.000 roebel ontving. Volgens de verklaringen (zie CGVS p.5) van betrokkenes echtgenote werd hij echter reeds bij de politie veroordeeld tot die boete. Bij de Dienst Vreemdelingenzaken verklaart betrokkenes echtgenote dan weer dat de boete werd opgelegd nadat haar echtgenoot bij de politie werd geconvoceerd en er langsging. Verder in haar interview voor het Commissariaat-generaal (p.6) beweert betrokkenes echtgenote dan weer dat ze de boete ontvingen voor de convocaties. Betrokkene verklaart voor het Commissariaat-generaal (p. 10) dat hij op 26 april 1999 deelnam aan cm manifestatie ter herdenking van de Tsjernobyl-ramp. Betrokkenes echtgenote rept hierover niet voor het Commissariaat-generaal. Dit is vreemd, gezien de arrestatie van haar man bij die meeting aanleiding was om te verhuizen. Voor de Dienst Vreemdelingenzaken vermeldt betrokkenes echtgenote de manifestatie van 26 april 1999 wel, ze beweert daar dat haar echtgenoot pas na twee dagen thuiskwam. Betrokkene zelf verklaart (zie CGVS p.10) echter dat hij die dag reeds na drie uur werd vrijgelaten. Betrokkenes echtgenote heeft het verder over een vrijheidsmars die plaatsvond op 26 mei
  12. Dit komt niet ter sprake voor de Dienst Vreemdelingenzaken. Wel hebben betrokkene en zijn echtgenote het over een vrijheidsmars op 17 oktober 1999 (zie resp. p.13 en p.8). Ook beweert (zie CGVS p.10) betrokkene dat hij via vrienden van zijn schoonvader vernam dat zijn vrouw in de gevangenis verbleef, terwijl zijn echtgenote verklaart (zie CGVS p.8) dat haar ouders zelf naar haar echtgenoot hadden gebeld. Betreffende VII-32.397-3/9 betrokkenes ontsnapping uit de gevangenis beweert (zie CGVS p.16) hij dat hij eerst belde naar zijn vrouw alvorens naar huis te komen, terwijl zijn echtgenote dit ontkent (zie CGVS p.9). Daarnaast geeft betrokkene weinig en ook foutieve informatie over de partij BNF. Zo beweert hij dat het BNF geen enkele verandering heeft ondergaan, dat er geen structurele wijzigingen zouden hebben plaatsgevonden en dat de partij dus nog steeds dezelfde zou zijn als in 1994 (CGVS p.4). Bronnen waarover het Commissariaat-generaal beschikt (BBC-SWB dd. 03/08/99, 28/04/00) spreken dit echter tegen: het BNF zou in augustus-september 1999 gesplit zijn in twee groepen. Betrokkene bevond zich toen nog in zijn land van herkomst en nam op 17 oktober 1999 zelfs deel aan een manifestatie die -naar eigen zeggen- georganiseerd werd door het BNF. Het lijkt zeer onwaarschijnlijk dat betrokkene -als lid van het BNF op een manifestatie van het BNF- niet van deze splitsing afwist. Ook beweert (zie CGVS p.14) betrokkene dat aan de Vrijheidsmars van 17 oktober 1999 enkel BNF'ers deelt en dat er geen andere partijen aanwezig waren. Bronnen waarover het Commissariaat-generaal beschikt weerleggen deze gegevens (BBC-SWB 19 oktober 1999). Gezien de omvang en het belang van de Vrijheidsmars lijkt het weinig waarschijnlijk dat betrokkene hiervan niet op de hoogte was. Uit een vergelijking met een originele lidkaart van het BNF, in het bezit van het Commissariaat-generaal blijkt dat het exemplaar dat betrokkene voorlegt duidelijk een valse kleurenkopie betreft. Deze gegevens tonen aan dat geen geloof kan gehecht worden aan betrokkenes beweerde lidmaatschap van het BNF. Bijgevolg kan er evenmin geen geloof worden gehecht aan de problemen die betrokkene beweert te hebben omwille van dit lidmaatschap. De bewering dat dit een tweede lidkaart zou zijn die betrokkene zou ontvangen hebben nadat zijn eerste kaart door de politie in beslag zou zijn genomen verandert niets aan deze feiten. Tenslotte dient te worden opgemerkt dat betrokkene zonder rechtvaardiging zijn asielaanvraag heeft ingediend nadat zijn verblijf in België had opgehouden regelmatig te zijn. Gelet op het voorgaande kan in hoofde van betrokkene geen vermoeden van gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door betrokkene in het kader van zijn asielprocedure neergelegde documenten (lidkaart BNF, attest presidentsverkiezingen van BNF, pamflet, 3 foto's van de Tsjernobyl-herdenking waar betrokkene op staat, rijbewijs, kopie van petitieformulier, kopie van huwelijksakte, kopie van geboorteakte zoon) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 12 juli
  13. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren.". Ten aanzien van de tweede verzoekende partij: "Betrokkene werd verhoord op 25 september 2000 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Russische taal machtig is, en in aanwezigheid van haar advocaat, Mr. Bart Collin loco Jela Jochems. Betrokkene, een Belarussisch staatsburger, verliet haar land op 10 juni
  14. Ze reisde samen met haar minderjarige zoon -XXX- naar België, waar ze op 11 juni 2000 arriveerde en haar echtgenoot -XX- vervoegde. Betrokkene vroeg op 16 juni 2000 asiel aan. Betrokkene was in het bezit van een internationaal paspoort met Schengen-visum. Betrokkene zou in haar land van herkomst problemen hebben gekend omwille van het politieke engagement van haar echtgenoot, een lid van de oppositie partij 'Belaruski VII-32.397-4/9 Narodni Front' (BNF). In april 1999 zou betrokkenes echtgenoot samen met een vriendin -Larissa- handtekeningen verzameld hebben voor de presidentsverkiezingen van 16 mei
  15. Hij zou opgepakt geweest zijn door de politie, twee dagen zijn vastgehouden en een boete hebben moeten betalen. Terwijl hij vastzat zouden er twee agenten een huiszoeking zijn komen verrichten terwijl betrokkene thuis was. Ze zouden pamfletten en lijsten gevonden hebben. Vervolgens zou betrokkenes echtgenoot een convocatie ontvangen hebben om zich op het politiebureau te presenteren, wat hij zou gedaan hebben. Vervolgens zou hij nog een convocatie gekregen hebben, waar hij niet op ingegaan zou zijn. Betrokkene en haar echtgenoot besloten daarop te verhuizen. Daar zou de politie opnieuw zijn komen aanbellen en zouden gevraagd hebben naar haar echtgenoot. Vermits hij niet thuis was zouden de twee agenten besloten hebben betrokkene mee te nemen. Betrokkene zou van op het politiebureau gebeld hebben naar haar vader, die ervoor zorgde dat ze dezelfde dag nog werd vrijgelaten. Daarop zouden betrokkene en haar echtgenoot ingetrokken zijn bij vrienden. Op 17 oktober 1999 zou betrokkenes echtgenoot deelgenomen hebben aan de Vrijheidsmars. Hij zou gearresteerd geweest zijn en beschuldigd van poging tot staatsgreep op basis van art. 61 van het Belarussisch Strafrecht. Betrokkenes echtgenoot zou twee dagen zijn vastgehouden; hij zou geslagen en bedreigd geweest zijn. Hij zou tijdens zijn ondervraging door het raam gevlucht zijn en naar huis gekomen zijn. Daarop zou haar man begin november 1999 uit het land gevlucht zijn. Betrokkene zou niet meegegaan zijn omdat ze meende dat zij geen problemen had en omdat ze bezig was met haar studies. Het instituut waar ze studeerde zou echter een document ontvangen hebben dat stelde dat betrokkene moest uitgesloten worden. De rector zou haar gezegd hebben onder een andere naam deel te nemen aan de examens. Uiteindelijk zou betrokkene toch een officieel diploma op haar officiële naam ontvangen hebben. Op 25 maart 2000 zou er een BNF-mars plaatsgevonden hebben waaraan betrokkene zou deelgenomen hebben. Betrokkene zou daar opgepakt geweest zijn en op het politiebureau beledigd en geslagen geweest zijn. 's Avonds zou betrokkene vrijgelaten zijn. Daarop zou ze beslist hebben te vertrekken, echter niet alvorens haar studies te beëindigen op 30 mei
  16. Er dient te worden opgemerkt dat er belangrijke tegenstrijdigheden zijn tussen de diverse verklaringen van betrokkene (interview Dienst Vreemdelingenzaken, interview Commissariaatgeneraal) enerzijds, en de diverse verklaringen van betrokkenes echtgenoot (interview Dienst Vreemdelingenzaken, interview Commissariaat-generaal) anderzijds, die toelaten de oprechtheid van haar beweringen in twijfel te trekken. Zo verklaart (zie DVZ) betrokkene dat zij handtekeningen verzameld heeft samen met haar man, terwijl haar echtgenoot verklaart (zie CGVS p.7) dat betrokkene geen handtekeningen verzameld heeft. Op het Commissariaat-generaal (p. 5) beweerde betrokkene dan weer dat zij toen niet deelnam aan deze aktie. Ook beweert (zie CGVS p.6) betrokkenes echtgenoot dat zijn paspoort door de politie werd ingehouden. Betrokkene verklaart (zie CGVS p.4) echter dat haar man zijn paspoort niet meenam naar België maar het achterliet in Belarus daar hij het gevaarlijk vond hiermee te reizen. Vervolgens verklaart (zie CGVS p.5) betrokkene dat haar echtgenoot reeds bij de politie tot een boete van 1.500.000 roebel werd veroordeeld. Volgens haar echtgenoot (zie CGVS p.8) ontving hij die boete een week nadat hij het politiebureau had verlaten. Bij de DVZ verklaart betrokkene dan weer dat de boete werd opgelegd nadat haar man bij de politie was gegaan omdat hij was geconvoceerd. Verder in haar interview voor het CGVS (p.6) verklaart betrokkene dan weer dat ze de boete ontvingen voor de convocaties. Betrokkene rept voor het Commissariaat-generaal met geen woord over de Tsjernobyl-manifestatie van 26 april 1999 waaraan haar man deelnam, noch over zijn arrestatie naar aanleiding daarvan. Haar man vermeldt dit in beide interviews (DVZ zowel als CGVS p.10). Dat betrokkene daarover niets zegt is vreemd, gezien de arrestatie van haar man de aanleiding was om te verhuizen. Voor de Dienst Vreemdelingenzaken vermeldt betrokkene de manifestatie van 26 april 1999 wel, ze beween echter dat haar echtgenoot pas na twee dagen thuiskwam. Haar echtgenoot verklaart (Zie CGVS p.10) echter dat hij reeds; na drie uur werd vrijgelaten. Betrokkene heeft het wel over een Vrijheidsmars op 26 mei
  17. Dit komt niet ter sprake bij de Dienst Vreemdelingenzaken, noch in de interviews van haar echtgenoot. Daar hebben ze het wel over een Vrijheidsmars op 17 oktober 1999 (zie resp. p.13 en p. 18). Ook beweert betrokkene (zie CGVS p.8) dat haar ouders zelf uw haar echtgenoot belden toen zij in de gevangenis verbleef, terwijl haar echtgenoot VII-32.397-5/9 verklaart (zie CGVS p.10) dat hij via vrienden van zijn schoonvader vernam dat zijn vrouw in de gevangenis verbleef. Betreffende de ontsnapping van betrokkenes echtgenoot uit de gevangenis verklaart (zie CGVS p.16) haar echtgenoot dat hij eerst naar zijn vrouw telefoneerde, terwijl betrokkene zelf dit ontkent (zie CGVS p.9). Betrokkene verklaart (zie CGVS p.3) dat zij geen reden tot vluchten had toen haar man het land verliet. De motivatie om te vluchten zou daarna gekomen zijn, toen ze werd opgepakt na een betoging. Ze zou zijn vrijgelaten door toedoen van haar vaders invloed. De vraag rijst waarom betrokkene en haar echtgenoot niet eerder op zijn hulp een beroep hebben gedaan. Bovendien geeft betrokkene aan dat zij haar land Pas verlaten heeft nadat zij afstudeerde, dat wil zeggen, drie maanden nadat zij werd aangehouden. Ook betrokkenes echtgenoot geeft aan dat zij pas wou vertrekken nadat zij haar studies had afgewerkt. Dit ondermijnt de ernst van betrokkenes vervolgingsverhaal. Bovendien kan worden getwijfeld aan betrokkenes politieke engagement. Zij was geen lid van een oppositiepartij en nam blijkbaar slechts deel aan betogingen toen haar echtgenoot reeds vertrokken was. Daarenboven was dit een éénmalige deelname, betrokkene geeft zelf aan de laatste twee jaar niet naar vergaderingen of manifestaties te zijn gegaan omwille van haar kind. Het feit dat zij er dan wel deelnam toen haar man vertrokken was en zij alleen was met het kind is eigenaardig. Gezien het feit dat er getwijfeld kan worden aan het BNF-lidmaatschap van betrokkenes echtgenoot, en aangezien ook betrokkenes asielrelaas daarop gesteund is, rijst ook bij betrokkenes asielmotivatie twijfel. Wat betreft betrokkenes problemen met haar studies, dient te worden gesteld dat die uiteindelijk werden opgelost. Betrokkene zou eerst niet hebben mogen deelnemen aan de examens onder de naam van haar echtgenoot, maar uiteindelijk wel. Gelet op het voorgaande kan in hoofde van betrokkene geen vermoeden van gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door betrokkene in het kader van haar asielprocedure neergelegde documenten -betrokkene legt enkel kopies voor van haar documenten- (kopie van huwelijksakte, kopie van diploma, kopie van internationaal paspoort met visum, kopie van geboorteakte zoon, kopie van diploma-vertaling + authenticiteitscertificaat, kopie van referentiebrief, kopie van werkplaats) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 12 juli 2000, De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren.". Dit zijn de bestreden beslissingen. 2.
  18. Overwegende dat de verzoekende partijen in een eerste middel de schending aanvoeren van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), doordat de beweerde tegenstrijdigheden te verklaren zijn door het vervagen van details met verloop van tijd en doordat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen nalaat te specifiëren VII-32.397-6/9 waaruit de beweerde valsheid van de partijlidkaart zou bestaan, noch verwezen heeft naar een deskundig echtheidsonderzoek; Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord opmerkt dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partijen de motieven van de beslissingen wel degelijk kennen, dat de tegenstrijdigheden tussen hun verklaringen en tussen hun eigen opeenvolgende verklaringen geen details betreffen, dat na onderzoek van de partijlidkaart is gebleken dat het een vervalste kleurenkopie betreft en dat dit moet gezien worden in het licht van de overige gegevens die doen twijfelen aan het lidmaatschap; dat de tweede verwerende partij zich hierbij aansluit; Overwegende dat de in artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen neergelegde formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid ze heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; Overwegende dat uit de bewoordingen van de bestreden beslissingen blijkt dat de commissaris-generaal in het eerste deel van die beslissingen op uitgebreide wijze én uiterst gedetailleerd de verklaringen die de verzoekende partijen tijdens de diverse verhoren in het kader van de asielprocedure hebben afgelegd, uiteenzet; dat vervolgens de bevindingen worden weergegeven van het onderzoek van deze verklaringen; dat de commissaris-generaal aan de hand van deze vaststellingen ten slotte concludeert dat de asielaanvragen van betrokkenen bedrieglijk zijn; dat bijgevolg dient te worden besloten dat de bestreden beslissingen blijken te zijn genomen in overeenstemming met de wetsbepalingen betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, aangezien zij de feitelijke en juridische overwegingen vermelden die eraan ten grondslag liggen; dat deze de bestreden beslissingen blijken te kunnen dragen en derhalve afdoende en deugdelijk zijn; Overwegende dat, nu uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partijen de motieven van de beslissingen kennen, het middel, voorzover het gesteund is op de schending van de aangehaalde wetsbepalingen, niet dienstig kan worden ingeroepen; Overwegende dat, wat betreft de tegenstrijdigheden die de commissaris-generaal heeft vastgesteld, van een kandidaat-vluchteling mag verwacht worden dat deze, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, de feiten die de oorzaak waren van zijn vlucht uit het land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig, op een coherente en geloofwaardige manier weergeeft aan de overheden, bevoegd om kennis te nemen van de asielaanvraag, zodat op grond van dit relaas kan worden nagegaan of er in hoofde van de kandidaat-vluchteling aanwijzingen bestaan om te VII-32.397-7/9 besluiten tot het bestaan van een gevaar voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat de commissaris-generaal in het huidige geval op redelijke gronden vaststelt dat een aantal tegenstrijdigheden de geloofwaardigheid van het asielrelaas van de verzoekende partijen ondermijnen; dat deze tegenstrijdigheden, die geput werden uit de verklaringen van de verzoekende partijen, in de bestreden beslissingen werden weergegeven; dat de verzoekende partijen deze (louter) trachten te minimaliseren en er niet in slagen een aannemelijke verklaring te geven voor deze incoherenties; dat de beslissingen van de commissaris-generaal niet kennelijk onredelijk zijn; Overwegende dat de vaststelling van de valsheid van de partijlidkaart samen moet gelezen worden met de overige vaststellingen die doen twijfelen aan verzoekers partijlidmaatschap; dat de bestreden beslissingen in hun geheel moeten gelezen worden en dat het geheel van de motieven de commissaris-generaal heeft doen besluiten tot de bedrieglijkheid van de asielaanvragen; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.
  19. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun tweede middel de schending aanhalen van "de rechten van verdediging" doordat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft nagelaten zijn documentatie toe te voegen aan het dossier en over te leggen aan de verzoekende partijen en doordat de beweerde valsheid van de partijlidkaart niet objectief is vastgesteld; Overwegende dat het recht van verdediging niet van toepassing is in administratieve procedures in het raam van de Vreemdelingenwet; dat het tweede middel niet gegrond is;
  20. Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, VII-32.397-8/9 BESLUIT: Artikel
  21. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  22. De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig oktober tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-32.397-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.294 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.