← België

Arrest 136296 - - 20/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.296 Rolnummer: A. 101078/VII-32330 Zaak: Arrest 136296 - - 20/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-03 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 11:57 Fiche Arrest nr 136.296 van 20 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing 1 RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 136.296 van 20 oktober 2004 in de zaak A. 101.078/VII-32.330 In zake : XXX, verblijvende te G., tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door

  1. de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  2. de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Tsjechische nationaliteit, op 28 februari 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 19 februari 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 10 juli 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op het verzoek tot voortzetting van de procedure; Gelet op de beschikking van 3 april 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memorie van antwoord van de tweede verwerende partij en de memorie van en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; VII-32.330-1/7 2 Gelet op de beschikking van 17 augustus 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 6 oktober 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij, die in persoon verschijnt, van adjunct-adviseur L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. De verzoekende partij kwam België binnen op 23 maart 2000 en verklaarde zich op dezelfde dag vluchteling. 1.
  5. Op 10 juli 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 19 februari 2001 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt: "Betrokkene werd verhoord op 5 september 2000 en op 8 januari 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Tsjechische taal machtig is. Betrokkene, die het Tsjechisch staatsburgerschap bezit en die van Roma-origine is, verklaarde dat hij problemen zou gekend hebben omwille van zijn origine. Betrokkene zou in 1997 door skinheads zijn aangevallen, waartegen hij een klacht indiende bij de politie. Na eerst een procesverbaal opgesteld te hebben zou de politie de klacht niet verder behandeld hebben, omdat betrokkene de originele medische attesten niet wou geven. De skinheads zouden in 1997 ook bij betrokkene thuis binnengevallen zijn en ook zijn vrouw zou in dat jaar een keer geslagen zijn door skinheads. In de zomer van 1998 zou betrokkene in Nederland asiel hebben aangevraagd, maar er na ongeveer een maand een negatieve beslissing gekregen hebben en per vliegtuig gerepatrieerd zijn. Op 4 maart 2000 zou betrokkene in een ruzie beland zijn met een andere man toen zijn dochter Diana per ongeluk op diens voet zou gesprongen zijn. Hij had daarop betrokkenes dochter een klets gegeven, waardoor ze op de grond viel. Tijdens de ruzie zou hij ook betrokkene geslagen hebben. De politie zou erbij geroepen zijn en die zou VII-32.330-2/7 3 betrokkene gevraagd hebben met hen mee te gaan, aangezien hij klacht wilde indienen. Betrokkene zou echter geweigerd hebben omdat de andere man, tegen wie betrokkene klacht wou indienen, niet werd meegenomen. Uiteindelijk zou betrokkene met geweld zijn meegenomen naar het politiebureau, waar hem gezegd zou zijn dat hij de klacht beter liet vallen, aangezien de man waartegen hij klacht wou indienen, de zoon was van iemand die bij de criminele politie werkte en de broer was van iemand die op de sociale dienst werkte. Betrokkene zou echter volgehouden hebben dat hij klacht wilde indienen, waarop de agenten hem beginnen slaan zijn. Toen betrokkene zei geen klacht in te dienen zouden ze opgehouden zijn en hem vrijgelaten hebben. Betrokkene zou zich in het hospitaal laten verzorgen hebben. De dag erna zou betrokkene naar Emil Balaz, de plaatselijk voorzitter van ROI, gegaan zijn en samen met hem zou hij naar de burgemeester van Nachod gegaan zijn, waar hij alles uitgelegd zou hebben en waarbij de burgemeester zou beloofd hebben betrokkene te helpen. Op 10 maart 2000 zouden twee sociaal assistenten bij betrokkene thuis gekomen zijn en gezegd hebben dat ze hun dochter Diana moesten inschrijven in een school. Indien ze dit niet deden, zouden de sociaal assistenten betrokkenes kinderen in een weeshuis plaatsen. Er zou echter in geen enkele school plaats geweest zijn voor betrokkenes dochter. Vier dagen later zou de politie bij betrokkene thuis gekomen zijn. Ze zouden betrokkene op de grond geworpen hebben en een geweer tegen zijn hoofd gezet hebben. Ze bedreigden betrokkene dat ze hem zouden doodschieten indien hij niet tegen de burgemeester zou gaan zeggen dat het niet waar was wat hij hem had verteld. Daarna zou betrokkene besloten hebben om Tsjechië te verlaten en naar België te komen, waar hij op 23 maart 2000 asiel heeft aangevraagd. Betrokkene is in het bezit van een internationaal paspoort, een lidkaart van ROI, artikels over de algemene situatie van Roma in Tsjechië, twee brieven van zijn ouders, een kopie van twee medische attesten uit 1997 en een attest dat betrokkene toelaat als zelfstandige te werken. Uit voorgaande verklaringen blijkt dat betrokkene onvoldoende beroep heeft proberen te doen op de plaatselijk overheid om bescherming te krijgen tegen het geweld dat door enkele politieagenten tegen hen zou zijn gebruikt. Betrokkene zou een keer naar de burgemeester gestapt zijn, samen met de plaatselijke voorzitter van ROI. De burgemeester zou inderdaad contact opgenomen hebben met de politie, wat echter tot een wraakactie zou hebben geleid. Betrokkene zou echter nagelaten hebben om na deze actie van de politie ergens klacht in te dienen of iemand op de hoogte te brengen, hetzij de plaatselijke voorzitter van ROI, hetzij een hoger rechtsorgaan, hetzij de burgemeester, hoewel deze laatste duidelijk bereid was om iets aan de situatie te doen. Niets wijst erop dat de burgemeester betrokkene niet op een meer efficiënte wijze zou willen helpen, wanneer hij op de hoogte zou gebracht zijn van het feit dat het geweld van de agenten geëscaleerd was. Noch betrokkene, noch zijn vrouw zouden echter iemand op de hoogte gebracht hebben van het geweld dat de politie bij hen thuis gepleegd zou hebben. Uit bronnen waarover het Commissariaat-generaal beschikt blijkt ook dat de Tsjechische autoriteiten initiatieven nemen om voor alle Tsjechische staatsburgers bescherming te waarborgen en de algemene situatie van de Roma in het land te verbeteren (BBC=SWB dd. 14 december 1998; Ministerie van Buitenlandse Zaken Nederland, De positie van de Roma in Tsjechië, dd. maart 1999). Uit persberichten blijkt tevens dat de autoriteiten tegenwoordig optreden tegen geweld door skinheads (BBC-SWB, dd.3 december 1998; 11 mei 1998; 25 maart 1998; 11 januari 2000). Bovendien moet worden gesteld dat het een zeer lokaal probleem betreft, aangezien betrokkenes probleem voortspruit uit één specifiek incident, namelijk een banale ruzie in een winkel, en dat ze specifiek met die ene man in de winkel en met de agenten die hij zou aangesproken hebben, VII-32.330-3/7 4 problemen hadden. Sinds 1997, toen betrokkene enkele incidenten met skinheads zou gekend hebben, zou betrokkene of zijn familie geen andere problemen gekend hebben. Er is dan ook niets dat erop wijst dat betrokkene zich niet elders in Tsjechië zou kunnen vestigen. Gelet op het voorgaande kan in hoofde van betrokkene geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door betrokkene in het kader van zijn asielprocedure neergelegde documenten (een internationaal paspoort, een lidkaart van ROI, artikels over de algemene situatie van Roma in Tsjechië, twee brieven van zijn ouders, een kopie van twee medische attesten uit 1997 en een attest dat betrokkene toelaat als zelfstandige te werken) wijzigen hetgeen hiervoor gezegd niet. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Conunissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 10 juli
  7. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren.". Dit is de bestreden beslissing. 2.
  8. Overwegende dat in een eerste middel de verzoekende partij het volgende aanvoert: "Middel van machtsoverschrijding afgeleid uit de schending van art. 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf , de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Dat conform art. 62 van de vreemdelingenwet de administratieve beslissingen met redenen omkleed dienen te worden; Dat uit de rechtspraak van de Raad van State volgt dat liet de wil van wet-ever is geweest te eisen dat een individuele bestuurshandeling duidelijk, nauwkeurig en rechtsgeldig zou worden gemotiveerd: Dat geen rekening gehouden werd niet al de grieven van verzoeker en hierop niet geantwoord werd: Dat hieruit zeer duidelijk blijkt dat de beslissing op onvoldoende wijze gemotiveerd is: Dat de feiten gewoon als onvoldoende zwaarwichtig beschouwd worden zonder echt rekening te houden met de problemen van verzoeker; Dat verschillende mensenrechtenrapporten het bestaan bevestigen van gevallen waarbij Romazigeuners het slachtoffer waren van gewelddadig optreden van de politie- of ordediensten of van racistische aanvallen uitgaande van skinheads. waarbij zij in menig geval niet konden rekenen op de autoriteiten om vervolging in te stellen tegen de verantwoordelijken van de racistische aanvallen of om bescherming te bek-omen: VII-32.330-4/7 5 Dat die rapporten tevens het bestaan bevestigen van discriminatie ten nadele van de Romazigeuners, waarbij in bepaalde situaties sprake kan zijn van een zeer ingrijpende discriminatoire behandeling."; Overwegende dat de in artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) neergelegde formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid ze heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; Overwegende dat uit de bewoordingen van de bestreden beslissing blijkt dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in het eerste deel van die beslissing op uitgebreide wijze én uiterst gedetailleerd de verklaringen die de verzoekende partij tijdens de diverse verhoren in het kader van de asielprocedure heeft afgelegd, uiteenzet; dat vervolgens de bevindingen worden weergegeven van het onderzoek van deze verklaringen; dat de commissaris-generaal aan de hand van deze vaststellingen ten slotte concludeert dat de asielaanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is; dat bijgevolg dient te worden besloten dat de bestreden beslissing blijkt te zijn genomen in overeenstemming met de wetsbepalingen betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, aangezien zij de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat deze de bestreden beslissing blijken te kunnen dragen en derhalve afdoende en deugdelijk zijn; Overwegende dat de verzoekende partij zich beperkt tot algemene affirmaties zonder deze in concreto op haar persoonlijke situatie te betrekken; dat zij verwijst naar mensenrechtenrapporten zonder te specifiëren om welke rapporten het gaat; dat het middel niet gegrond is; 2.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel woordelijk stelt hetgeen volgt: "Middel van machtsafwending en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dat de rechtsleer van oordeel is dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur veronderstellen dat het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen bij het uitoefenen van enige weigeringsbevoegdheid, zorgvuldig en redelijk te werk moet gaan; Deze zorgvuldigheidsplicht houdt in dat het bestuursorgaan alle rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen moet afwegen; Dat de voor een belanghebbende nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen;"; Overwegende dat de verzoekende partij zich beperkt tot een vage en summiere uiteenzetting over de betekenis van het zorgvuldigheids- en VII-32.330-5/7 6 redelijkheidsbeginsel; dat zij nalaat aan te tonen op welke manier de bestreden beslissing deze wetsbepalingen zou schenden; dat het middel niet tot nietigverklaring kan leiden; 2.
  10. Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending uiteenzet van de Conventie van Genève zoals volgt: "Het komt verzoeker voor dat zowel op grond van de omstandigheden waarvan de Commissaris-generaal op het ogenblik van het nemen van de omstreden beslissing kennis had, als op grond van de overige omstandigheden die verzoeker thans laat gelden, tot de kennelijk en volkomen en kennelijke onredelijkheid minstens onwettigheid van de weigeringsbeslissing dient te worden besloten en dit wegens schending van de ingeroepen wetsartikelen en algemene rechtsbeginselen; Dat alle toepassingsvoorwaarden van art. 1 van het Verdrag van Genève vervuld zijn; Dat er een subjectieve vrees in hoofde van verzoeker aanwezig is voor zijn leven en zijn fysieke integriteit in het land van herkomst; Dat indien het bevel om België te verlaten uitgevoerd zou worden zulks een moeilijk te herstellen nadeel zou teweegbrengen. Dat verzoeker niet wenst terug te keren Tsjechië, daar hij niet opgewassen is tegen de vernederingen en de mishandelingen van de Rom;"; Overwegende dat de Conventie van Genève niet verbiedt dat de verdragsluitende staten een regeling uitwerken waarin de criteria worden vastgelegd voor het in aanmerking nemen van een vluchtelingenverklaring; dat de Belgische Staat dit heeft gedaan in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat niet wordt aangetoond, zelfs niet aangevoerd, dat deze wetsbepaling strijdig zou zijn met enige bepaling van voornoemd verdrag; dat het derde middel niet gegrond is;
  11. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  12. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-32.330-6/7 7 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig oktober tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-32.330-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.296 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.