← België

Arrest 136298 - - 20/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.298 Rolnummer: A. 113852/VII-25246 Zaak: Arrest 136298 - - 20/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-03 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 11:58 Fiche Arrest nr 136.298 van 20 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 136.298 van 20 oktober 2004 in de zaak A. 113.852/VII-25.246 In zake :

  1. XXX,
  2. XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat V. VAN AELST, kantoor houdende te 1090 BRUSSEL, De Smet de Naeyerlaan 2, bus 3 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 9 november 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 oktober 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 4 april 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op het verzoek tot voortzetting van de procedure; Gelet op de beschikking van 29 januari 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memorie van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partijen teneinde te worden gehoord; VII-25.246-1/7 Gelet op de beschikking van 17 augustus 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 6 oktober 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. WERST, die, loco advocaat V. VAN AELST, verschijnt voor de verzoekende partijen en van adjunct-adviseur L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. De verzoekende partijen kwamen België binnen op 12 januari 2000 en verklaarden zich op 14 januari 2000 vluchteling. 1.
  5. Op 4 april 2001 nam de minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 29 oktober 2001 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvragen bedrieglijk waren en bevestigde hij de beslissingen van de minister letterlijk als volgt: Ten aanzien van de eerste verzoekende partij: "(...) Uit uw opeenvolgende verklaringen blijkt dat u een Rom-zigeuner bent, afkomstig uit Joegoslavië, meerbepaald uit Titov Vrbas. U zou gehuwd zijn met een Servische vrouw. Op 13 november 1999 zou de postbode u een oproepingsbrief voor militaire oefeningen bezorgd hebben. U zou op dat moment echter niet aanwezig geweest zijn. U zou zich niet aangemeld hebben omdat een eventuele strijd volgens u geen voordeel zou opleveren voor de Roma en omdat de vrouwen in uw familie in 1991 - toen u wel had deelgenomen aan militaire oefeningen - misbruikt zouden zijn. In plaats van u aan te melden, zou u samen met uw vrouw en kinderen naar familie van haar in Kutsura, Servië, gegaan zijn. Daar zou u echter vijandig bejegend zijn door de bevolking zodat u genoodzaakt was samen met uw familie terug te keren naar Vrbas. U zou niet naar uw woning teruggekeerd zijn, maar een aantal nachten in een leegstaande hangar verbleven hebben. Daarna zou u met uw gezin doorgereisd zijn naar Montenegro waar u zou zijn opgevangen door een humanitaire organisatie. In Titograd zou u ook uw VII-25.246-2/7 ouders, uw broer en uw zus ontmoet hebben. U zou zich echter in het opvangcentrum slecht bekeken gevoeld hebben door de aanwezige Serviërs en Albanezen en daarom besloten hebben om Montenegro te verlaten en met uw familie richting België te vertrekken. Op 14 januari 2000 vroeg u hier asiel aan. U zegt niet naar uw land van herkomst te kunnen terugkeren omdat u gedeserteerd bent en omdat u een Roma bent. Ter staving van uw asielaanvraag legde u uw Joegoslavisch paspoort, afgeleverd op 30 augustus 1985 te Titov Vrbas en eenmalig verlengd tot 30.08.1995, neer. Er moet worden opgemerkt dat u op de Dienst Vreemdelingenzaken uitdrukkelijk ontkend heeft elders in Europa een asielaanvraag te hebben ingediend. Uit informatie van de Duitse autoriteiten blijkt echter dat u al sinds 14 juli 1991 gekend bent in Duitsland. Bovendien zou u er op 13 maart 1995 een tweede asielaanvraag ingediend hebben waarvoor op 31 mei 1995 door de Duitse autoriteiten een negatieve beslissing genomen werd die op 12 maart 1999 bevestigd werd in beroep. Bijgevolg heeft u op duidelijk intentionele wijze getracht om de Belgische autoriteiten te misleiden. Wat er ook van zij, opgemerkt moet worden dat uw vrees om bij een eventuele terugkeer naar uw land van herkomst door uw autoriteiten vervolgd te zullen worden omwille van uw beweerde desertie/dienstweigering momenteel niet (meer) beantwoordt aan een objectief, juridisch gegeven. Immers, op 26 februari 2001 werd door het Joegoslavische parlement een amnestie wet goedgekeurd die van kracht werd op 3 maart
  7. Luidens artikel 1 van deze wet wordt onder meer amnestie toegekend aan alle personen die voor 7 oktober 2000 geweigerd hebben hun militaire verplichtingen na te komen (Officiële mededeling van de Federatieve Republiek Joegoslavië Nr 9/01 van 02/03/2001). Aangezien uit uw verklaringen geenszins blijkt dat u niet zou beantwoorden aan de wettelijk voorziene voorwaarden om van amnestie te kunnen genieten, moet vastgesteld worden dat ten aanzien van u, als gevolg van deze wetgeving, niet langer kan besloten worden tot het bestaan van een gefundeerde en actuele vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève van 28 juli
  8. De door u neergelegde identiteitsdocumenten doen geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen. Aangezien uit uw opeenvolgende verklaringen voldoende blijkt dat uw asielmotieven kennelijk ongegrond en bedrieglijk zijn, meen ik dat het in de gegeven omstandigheden niet noodzakelijk is u te horen. Ten slotte kan hier nog aan toegevoegd worden dat ook in hoofde van uw echtgenote, XXX, door mij een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen werd.". Ten aanzien van de tweede verzoekende partij: "(...) Volgens uw opeenvolgende verklaringen bent u een Servische afkomstig uit Titov Vrbas, Joegoslavië. U bent gehuwd met een Roma-zigeuner. U zou uw land van herkomst verlaten hebben omwille van de problemen die uw echtgenoot er ondervonden zou hebben. Omwille van zijn origine zou hij regelmatig door de Serviërs lastiggevallen en geslagen zijn. Daarenboven zou hij in 1999 drie of vier convocaties voor het leger ontvangen hebben. Hij zou hierop echter niet zijn ingegaan en zou zich verborgen hebben in Kutsura, Na de vierde oproepingsbrief zou u besloten hebben om met uw gezin Servië te verlaten. U zou eerst naar Montenegro getrokken zijn waar u zou zijn opgevangen in een vluchtelingencentrum. Toen daar bleek dat veel vluchtelingen doorreisden naar Italië, zou u ook besloten hebben naar Italië te gaan. U zou er een week in een opvangcentrum verbleven hebben maar aangezien het leven er niet goed zou geweest zijn, zou u met uw gezin verder gereisd zijn naar België. Op 14 januari 2000 vroeg u hier asiel aan. Ter staving van uw asielaanvraag legde u uw (vervallen) Joegoslavisch paspoort afgeleverd te Titov Vrbas op 10 juni 1991, neer. Er moet worden opgemerkt dat u op de Dienst Vreemdelingenzaken uitdrukkelijk ontkend heeft elders in Europa een asielaanvraag te hebben ingediend. Uit informatie van de Duitse autoriteiten blijkt echter dat u al sinds 14 juli 1991 gekend bent in Duitsland. Bovendien hebt u er op 13 maart 1995 een tweede asielaanvraag ingediend waarvoor op 31 mei 1995 door de Duitse autoriteiten een negatieve beslissing genomen werd die op 12 maart 1999 bevestigd werd in beroep. Bijgevolg heeft u op duidelijk intentionele wijze getracht de Belgische autoriteiten te misleiden. VII-25.246-3/7 Daarenboven moet gewezen worden op twee tegenstrijdigheden tussen uw relaas en dat van uw echtgenoot, waardoor de geloofwaardigheid van uw verklaringen bijkomend ondermijnd wordt. Zo verklaarde uw echtgenoot op de Dienst Vreemdelingenzaken dat hij slechts één convocatie ontvangen heeft terwijl u er gewag maakte van vier oproepingen. Hij beweerde bovendien samen met u en de kinderen ondergedoken te zijn in Kutsura terwijl u beweerde dat hij er alleen naartoe ging. Ten slotte kan hier nog aan toegevoegd worden dat ook in hoofde van uw echtgenoot, XXX, door mij een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen werd. Aangezien uit uw opeenvolgende verklaringen voldoende blijkt dat uw asielmotieven bedrieglijk zijn, meen ik dat het in de gegeven omstandigheden niet noodzakelijk is u te horen.". Dit zijn de bestreden beslissingen. 2.
  9. Overwegende dat de verzoekende partijen in een eerste middel de schending inroepen van artikel 3.4 van de Conventie van Dublin van 15 juni 1980, goedgekeurd bij wet van 11 mei 1995, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de artikelen 51/5, § 1 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat de verzoekende partijen beweren dat zij het bestaan van een eerdere asielaanvraag in Duitsland niet hebben vermeld omdat zij ervan uitgingen dat deze onbestaande was; Overwegende dat de formele motiveringsplicht, zoals opgelegd door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partijen de motieven van de bestreden beslissing kenden, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpen; dat zij dan ook geen belang hebben bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht; dat de toetsing van de formele motivering in beginsel niet de beoordeling van de inhoud van de motieven met zich brengt; Overwegende dat, in de mate dat de verzoekende partijen de materiële motiveringsplicht geschonden achten, zij er niet in slagen aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, en de gevolgtrekkingen die hij daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn; dat een verder onderzoek van het middel de Raad van State zou verplichten de feitelijke toedracht van de zaak te beoordelen, wat de taak is van de overheid; dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat vaststellen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane VII-25.246-4/7 vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat in het kader van een marginale toetsing de aangeklaagde onwettigheid slechts dan wordt gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is; dat de verzoekende partijen niet aantonen dat dit het geval is; dat uit de stukken van het administratief dossier en meer bepaald uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de verzoekende partijen op de vraag “heeft de asielzoeker in het land van verblijf of in een ander land reeds eerder een verzoek om asiel of erkenning als vluchteling ingediend?”, “neen” hebben geantwoord; dat eveneens uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat zij bij de beschrijving van de landen en plaatsen van doorreis geen melding hebben gemaakt van hun verblijf in Duitsland; dat het pas in hun verzoekschrift voor de Raad van State is dat de verzoekende partijen erkennen dat ze een asielaanvraag in Duitsland hebben ingediend; dat de in het kader van de administratieve procedure gestelde vraag echter duidelijk was; dat het niet aan de verzoekende partijen toekwam om een eigen interpretatie aan het lot van hun eerdere asielaanvraag te geven; dat het middel niet gegrond is; 2.
  10. Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt aangevoerd van artikel 8 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); dat de verzoekende partijen stellen dat de bestreden beslissingen geen rekening houden met de door hun ouders, broers en schoonzusters ingediende asielaanvragen; Overwegende dat de familieleden waarover sprake reeds een bevestigende beslissing hebben gekregen, alsook een bevel om het grondgebied te verlaten; dat bijgevolg niet kan worden ingezien hoe de bestreden beslissingen als een inmenging in het gezinsleven dient te worden beschouwd; dat het middel niet gegrond is; 2.
  11. Overwegende dat in een derde middel de verzoekende partijen de schending aanvoeren van de zorgvuldigheidsplicht; dat zij menen dat de zorgvuldigheidsplicht geschonden werd doordat de asielaanvragen van hun familieleden niet samen met de hunne behandeld werden; Overwegende dat het beginsel van de zorgvuldigheidsplicht betekent dat de commissaris-generaal zijn beslissing moet steunen op een correcte feitenvinding; dat uit het administratief dossier blijkt dat de commissaris-generaal zich heeft gebaseerd op de verklaringen van de verzoekende partijen; dat deze niet aannemelijk maken dat de commissaris-generaal zijn besluit heeft gesteund op onjuiste gegevens; dat het middel niet gegrond is; 2.
  12. Overwegende dat in hun vierde middel verzoekers de schending aanvoeren van artikel 1, (A), 2 van het verdrag betreffende de status van vluchtelingen, VII-25.246-5/7 ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953; van artikel 48 van de Vreemdelingenwet en van het principe “dat de twijfel in het voordeel van de asielaanvrager moet zijn en dat de beslissing gebaseerd moet zijn op bestaande bewijselementen om de genomen beslissingen te wijzigen”; dat zij in wezen stellen dat zij, bij terugkeer naar hun land van herkomst, gevaar lopen voor vervolging en wraakacties; Overwegende dat de Conventie van Genève niet verbiedt dat de verdragsluitende staten een regeling uitwerken waarin de criteria worden vastgelegd voor het in aanmerking nemen van een vluchtelingenverklaring; dat de Belgische Staat dit heeft gedaan in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat niet wordt aangetoond, zelfs niet aangevoerd, dat deze wetsbepaling strijdig zou zijn met voornoemde verdragsbepaling; dat niet nader wordt uiteengezet hoe het door de verzoekende partijen ingeroepen beginsel te dezen zou zijn geschonden; dat het middel niet gegrond is;
  13. Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  14. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  15. De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig oktober tweeduizend en vier, door VII-25.246-6/7 de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-25.246-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.298 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.