id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.305 Rolnummer: A. 115668/VII-25530 Zaak: Arrest 136305 - - 20/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-03 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-04 11:58 Fiche Arrest nr 136.305 van 20 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing 1 RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 136.305 van 20 oktober 2004 in de zaak A. 115.668/VII-25.530 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat D. MONFILS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Eedgenotenstraat 51 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Albanese nationaliteit, op 17 januari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 21 december 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 27 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op het verzoek tot voortzetting van de procedure; Gelet op de beschikking van 1 februari 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; VII-25.530-1/5 2 Gelet op de beschikking van 17 augustus 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 6 oktober 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. HAEGEMANS, die, loco advocaat D. MONFILS, verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 10 december 2000 en verklaarde zich op 13 december 2000 vluchteling. 1.
- Op 27 december 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 21 december 2001 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "(...) Volgens uw verklaringen bezit u de Albanese nationaliteit en bent u afkomstig uit Shkodër, Albanië. Bij de lokale verkiezingen van 1 oktober 2000 zou uw echtgenoot door de monarchistische partij "Legalitetit" (P.L.L.) afgevaardigd zijn om als observator in stembureau nr. 10 in Shkodër te zetelen. U zou samen met uw drie zonen het stembureau zijn binnengegaan. Toen uw echtgenoot een paar woorden wisselde met zijn zonen, zou een onbekende kiezer hierop kritiek geuit hebben. Hij zou gezegd hebben dat uw echtgenoot geen uitleg mocht geven. Uw echtgenoot zou niets hebben teruggezegd en u en uw zonen zouden het kiesbureau hebben verlaten. De volgende dag zou uw man teruggegaan zijn naar het stemlokaal omdat er nog enkele zaken dienden afgehandeld te worden. Hij zou 's avonds ongerust zijn teruggekeerd maar zou hierover niets gezegd hebben. Op 7 oktober 2000 zou uw echtgenoot, toen hij met zijn fiets op weg was naar huis, door vier onbekenden doodgeschoten zijn. De politie VII-25.530-2/5 3 zou een onderzoek zijn opgestart maar dit zou nergens toe geleid hebben. De avond van zijn begrafenis zou uw oudste zoon XXX in het openbaar verklaard hebben dat hij diegenen die de moord op zijn vader op hun geweten hadden, op zijn beurt zou vermoorden. Van toen af zou uw familie telefonisch met de dood bedreigd zijn. XXX zou op 8 oktober 2000 naar Griekenland gevlucht zijn. Ook u besloot samen met uw twee andere zonen te vertrekken. Op 7 december 2000 verliet u Albanië. In Italië zouden uw zonen door de politie onderschept en vervolgens teruggestuurd zijn naar Albanië. U zette alleen uw vlucht voort naar België. Op 13 december 2000 diende u hier een asielaanvraag in. Ter staving van uw asielaanvraag legde u volgend document neer: een attest van familiesamenstelling, afgeleverd op 9 maart 2001 te Shkodër. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat de geloofwaardigheid van uw asielaanvraag ondermijnd wordt door een belangrijke tegenstrijdigheid tussen uw verklaringen en die van uw zoon, XXX (O.V. 5.137.696). Zo beweerde uw zoon dat de man die in het kiesbureau bedreigingen geuit heeft aan het adres van uw echtgenoot, een lid was van de kiescommissie en dat uw echtgenoot die man kende (verhoorverslag Commissariaat-generaal zoon, p. 4, 5 en 6). U daarentegen verklaarde dat die man een onbekende toevallige kiezer was die zijn stem kwam uitbrengen (verhoorverslag Commissariaat-generaal, p. 4 en 7). Aangezien u zich voor het overige volledig beroept op de door uw zoon aangehaalde motieven en aangezien in hoofde van deze laatste door mij een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen werd, kan ten aanzien van u evenmin besloten worden tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie.". Dit is de bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat in een eerste middel de verzoekende partij de schending inroept van de motiveringsplicht, zoals deze voortvloeit uit de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat de verzoekende partij de motivering betwist en stelt dat het administratief dossier niet toelaat deze te controleren, omdat de bestreden beslissing verwijst naar gegevens betreffende de asielaanvraag van haar zoon; Overwegende dat de formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kende, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt; dat de verzoekende partij dan ook geen belang heeft bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht; dat de toetsing van de formele motivering in beginsel niet de beoordeling van de inhoud van de motieven met zich brengt; Overwegende dat, zo het middel dusdanig geïnterpreteerd wordt dat de verzoekende partij de materiële motiveringsplicht geschonden acht, zij er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en VII-25.530-3/5 4 de staatlozen, en de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn; dat een verder onderzoek van het middel de Raad van State zou verplichten de feitelijke toedracht van de asielaanvraag te beoordelen, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid; dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat vaststellen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat in het kader van een marginale toetsing de aangeklaagde onwettigheid slechts dan wordt gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is; dat de verzoekende partij niet aanvoert, en bijgevolg evenmin aantoont, dat de motieven onredelijk zouden zijn; dat het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de appreciatie van de commissaris-generaal op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uitmaakt; dat de gegevens betreffende de asielaanvraag van de zoon kunnen worden gecontroleerd door inzage van de beslissing die terzake werd genomen en van het desbetreffende administratief dossier; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt ingeroepen van het recht van verdediging; Overwegende dat dit beginsel als dusdanig niet van toepassing is in de administratieve procedure zoals voorzien door de artikelen 52 en 63/2 van de Vreemdelingenwet; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat in het derde middel de verzoekende partij de schending aanvoert van “het principe van de individualiteit van het onderzoek van de erkenningsaanvraag” zoals afgeleid uit het verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953 en uit het verdrag van Dublin van 15 juni 1990; dat zij meent dat hieruit dient te worden afgeleid dat de commissaris-generaal haar asielaanvraag niet eenvoudigweg kon weigeren door het gezag van gewijsde van de bevestigende beslissing van haar zoon in te roepen en door naar deze beslissing te verwijzen; Overwegende dat samen met de verwerende partij dient te worden opgemerkt dat het feit dat de commissaris-generaal een bevestigende beslissing heeft genomen ten aanzien van de verzoekende partij niet het gevolg is van de negatieve beoordeling van de asielaanvraag van haar zoon, maar steunt op het feit dat de motieven die de verzoekende partij heeft aangebracht onvoldoende zijn om te vrezen voor systematische vervolging in de zin van de Conventie van Genève en in casu dezelfde zijn als die van haar zoon; dat de asielaanvraag van de verzoekende partij wel degelijk individueel werd behandeld; dat door te verwijzen naar de VII-25.530-4/5 5 beslissing die werd genomen ten aanzien van de zoon, de commissaris-generaal zijn plicht tot een individueel onderzoek van de asielaanvraag niet heeft geschonden; dat het middel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig oktober tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-25.530-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.305 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div