← België

Arrest 136308 - - 20/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.308 Rolnummer: A. 146776/VII-31463 Zaak: Arrest 136308 - - 20/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-03 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 11:58 Fiche Arrest nr 136.308 van 20 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 136.308 van 20 oktober 2004 in de zaak A. 146.776/VII-31.463 In zake : XXX, verblijvende te 3900 OVERPELT, Opvangcentrum voor Vluchtelingen Valkenhof Napoleonweg 51 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 20 januari 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 18 december 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 4 november 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden op vrijdag 19 december 2003; Gelet op het verzoek tot voortzetting van de procedure; Gelet op de beschikking van 26 januari 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; VII-31.463-1/6 Gelet op de beschikking van 17 augustus 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 6 oktober 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. DEKUYPER, die verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 27 september 2003 en verklaarde zich op 29 september 2003 vluchteling. 1.
  3. Op 4 november 2003 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 18 december 2003 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt: "A. Vluchtrelaas U, een Russisch staatsburger van Tsjetsjeense afkomst, werd op 28 november 2003 gehoord op het Commissariaat-generaal in aanwezigheid van uw advocaat, Meester Jochen Anthierens. U bent afkomstig uit Dagestan. U verliet uw land in september 2003 omdat u wegens uw deelname aan de eerste Tsjetsjeense oorlog op een lijst stond van rebellen en hierdoor door uw autoriteiten werd vervolgd. U verliet uw woonplaats Chasavyurt op 10 september 2003 en reisde via Moskou door naar België, waar u op 27 september 2003 aankwam. Op 29 september 2003 diende u een asielaanvraag in bij de Belgische asielinstanties. U bent afkomstig uit Chasavyurt. Nadat de oorlog in Tsjetsjenië uitbrak op 11 december 1994, besloot u uw geloofsbroeders in Tsjetsjenië te gaan helpen. U vertrok naar het district Vedeno in Tsjetsjenië waar u gedurende een week een opleiding volgde. Daarna ging u te voet verder naar Grozny, waar u van half december 1994 tot half januari 1995 deelnam aan de oorlogshandelingen. U keerde nadien te voet terug naar het Vedeno-district en vandaar liep u terug naar huis in Chasavyurt. U ging vervolgens naar uw ouders in het dorp Novolak en herstelde daar tot 2001, toen u terugkeerde naar Chasavyurt. U begon handel te drijven in benzine, die afkomstig was uit Gudermes in Tsjetsjenië. Begin april 2003 reed u samen met uw vriend in een Kamaz-vrachtwagen van Gudermes, waar u benzine had opgehaald, terug naar Chasavyurt. U werd onderweg, voor u Novogrozny bereikte, tegengehouden door OMON-leden. Ze namen uw paspoort af en gingen even aan de kant. Daarna begonnen VII-31.463-2/6 ze u zonder reden te slaan. U kreeg handboeien om en een zak over het hoofd. U werd in een BTR-voertuig geplaatst en werd naar een onbekende plaats gebracht. U kwam in een kelder terecht. Er werd tegen u gezegd dat u op een lijst van rebellen stond. Voordat u iets kon uitleggen, werd u geslagen. U werd aan een haak gehangen. U werd aan de grens tussen Nozjaj-Joert en Sjusjia vrijgelaten nadat uw vader 10.000$ losgeld had betaald. U hoorde later van uw ouders dat u twee weken werd vastgehouden. U ging na uw vrijlating naar uw ouders in Novolak en bleef hier tot augustus
  5. Half augustus 2003 werd u bij u thuis in Chasavyurt opgezocht door Russische militairen, die u meenamen naar de stedelijke politie-afdeling. U werd aangehouden wegens een ontploffing die de stedelijke politieafdeling had geraakt. Er stonden nog veel andere mensen naast het gebouw van de politie die allen in verband met deze ontploffing individueel werden ondervraagd. De rechercheur vroeg of u deze ontploffing had veroorzaakt en zei dat u schuld trof aan deze ontploffing. De rechercheur wilde dat u met hem zou meewerken en zou zeggen waar de andere rebellen zich bevonden. U werd bij gebrek aan bewijzen na twee uur vrijgelaten en besloot hierop Rusland te verlaten. De rechercheur had u bedreigd door te zeggen dat indien nog een ontploffing zou plaatsvinden of iemand zou worden omgebracht, u meteen aan de FSB zou worden overgedragen. U vertrok van Chasavyurt naar Machatsjkala en reisde van hieruit verder door naar Moskou. U vloog vanuit Moskou naar Valencia in Spanje en reisde van daaruit met de trein verder naar Parijs. Na een aantal dagen in Parijs te hebben verbleven, reisde u door naar België. B. Motivering Uit uw verklaringen blijkt dat er om onderstaande redenen geen geloof kan worden gehecht aan uw verklaringen, als zou u in december 1994 naar Tsjetsjenië zijn vertrokken en er een maand in Grozny hebben gevochten. U verklaarde dat u samen met vrienden gedurende twee etmalen vanuit Chasavyurt te voet trok naar het district Vedeno. U bent echter niet in staat te zeggen welke steden, dorpen of nederzettingen u hierbij onderweg passeerde. U verklaarde eveneens niet te weten waar uw opleidingskamp zich precies bevond. U verklaarde verder dat u van het district Vedeno te voet naar Grozny liep, maar u bent niet in staat ons ook maar een dorp of plaats op te noemen die u onderweg gepasseerd zou zijn. Hetzelfde geldt trouwens voor uw terugweg vanuit Grozny naar het district Vedeno. U kunt geen één enkele buitenwijk van Grozny, nederzetting, dorp, stad of district opnoemen die u tijdens deze voettocht zou zijn gepasseerd (CGVS, p.17-19). U verklaarde weliswaar dat er geen dorpen waren en dat u via het bos liep, maar het is niet aannemelijk dat u tijdens uw verplaatsingen van Chasavyurt via het Vedeno-district naar Grozny alsook op de terugweg geen enkel dorp, geen enkele nederzetting of stad zou hebben opgemerkt. Bovendien verklaarde u enkel 's nachts gelopen te hebben, wat een zekere kennis van de regio noodzakelijk maakt. Temeer daar u de terugweg van Grozny naar Dagestan alleen aflegde, is het niet aannemelijk dat u deze weg enkel door bossen kon afleggen, zonder kennis van de regio. U verklaarde een maand in Grozny te hebben gestreden, maar weet niet in welke wijk u zich bevond. U kunt trouwens geen enkele wijk van Grozny opnoemen, noch gebouwen die zich in de stad bevonden. U kunt evenmin een buitenwijk van Grozny opnoemen. U geeft als buitenwijken Chasavyurt, uw woonplaats in Dagestan, en Vedenski-regio, een regio in het zuiden van Tsjetsjenië waar u een opleiding zou gehad hebben, op. U verklaarde verder dat de rivier die door Grozny stroomt de Terek is, terwijl het de Sunza is (CGVS p.19-20). Nochtans verklaarde u op verschillende plaatsen in Grozny geweest te zijn en is het essentieel een minimum aan kennis van de stad te hebben om ze te kunnen verdedigen. Er kan dan ook geen geloof worden gehecht aan uw verklaringen, als zou u van half december 1994 tot half januari 1995 als rebel in Grozny hebben gestreden. Er kan bijgevolg evenmin geloof worden gehecht aan uw verklaringen als zou u door de autoriteiten in Dagestan worden geviseerd omdat u wegens uw deelname aan de oorlogshandelingen in Tsjetsjenië van eind 1994 op een lijst van rebellen zou staan. Indien u daadwerkelijk op een lijst met rebellen zou staan, is het tevens niet aannemelijk dat u bij de grenscontrole bij uw vertrek van Moskou naar Spanje enkel wat problemen kende omwille van een vals visum, maar niet omwille van uw aanwezigheid op zo'n lijst, terwijl u toch onder uw eigen naam reisde. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door u in het kader van uw asielaanvraag voorgelegde documenten VII-31.463-3/6 veranderen hier niets aan. Uw rijbewijs, tickets van uw vliegreis naar Spanje en treinreizen vanuit Spanje naar Parijs evenals uw valse studentenkaart en foto kunnen de geloofwaardigheid van uw verklaringen niet herstellen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2).". Dit is de bestreden beslissing. 2.
  6. Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van de artikelen 1 en 33 van het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève) en van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat de verzoekende partij het volgende uiteenzet: "Door de weigering van het statuut van vluchteling en bevel van het grondgebied te verlaten schenden verweerders het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchteling dd. 28.07.1951, goedgekeurd bij wet van 26.06.
  7. Verzoeker heeft in zijn land van herkomst aan de zijde van de Tsjetsjeense rebellen gevochten van halfweg december 1994 tot half januari
  8. Verzoeker werd in zijn land van herkomst, omdat hij voorkwam op de lijst van de Tsjetsjeense rebellen, gearresteerd, zwaar geslagen en opgesloten. Verzoeker werd beschuldigd van een aanslag op de stedelijke politie in Chasavyurt. Verzoeker heeft gegronde vrees voor vervolging wegens zijn politieke overtuiging. Zijn eigen omstandigheden rechtvaardigen ook deze vrees. Zijn vrees is gegrond. Het is duidelijk dat verzoeker de bescherming van het land waar hij de nationaliteit van bezit (Rusland) niet kan inroepen. De autoriteiten en veiligheidsdiensten in Rusland zijn de Tsjetsjeense zaak volledig vijandelijk gezind. De discriminatie is in die mate ernstig dat verzoeker een gegronde vrees heeft voor zijn leven. Zodat de bestreden beslissingen artikel 1 en 33 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen dd. 28.07.1951 en artikel 52 van de Vreemdelingenwet schenden; Het middel is ernstig."; Overwegende dat luidens artikel 2, § 1, 2/ van het Besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State het verzoekschrift onder meer "een uiteenzetting van de feiten en de middelen" dient te bevatten; dat onder "middel" in de zin van deze bepaling moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die rechtsregel door de bestreden beslissing werd geschonden; VII-31.463-4/6 Overwegende dat de verzoekende partij zich in haar verzoekschrift beperkt tot een overzicht van de feiten van haar asielrelaas en niet verduidelijkt op welke wijze de bestreden beslissing de aangehaalde bepalingen zou hebben geschonden; dat een dergelijke uiteenzetting niet kan worden aanzien als een middel in de zin van artikel 2, § 1, 2/ van voornoemd Regentsbesluit; 2.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij zich in haar tweede middel beroept op de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de materiële motiveringsplicht aangezien de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich gebaseerd heeft op verschillende motieven die in feite niet juist zijn; dat zij eveneens beweert dat het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden is; Overwegende dat tegelijk de schending van de formele én de materiële motiveringsplicht aanvoeren niet mogelijk is; dat een gebrek aan deugdelijke formele motivering het de betrokkene onmogelijk maakt uit te maken of de materiële motiveringsplicht geschonden is; dat omgekeerd dan ook, wanneer men in staat is een schending van de materiële motiveringsplicht aan te voeren, dit betekent dat de verzoekende partij van een schending van de formele motiveringsplicht geen schade heeft ondervonden; dat, nu blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de beslissing kent, het middel, voorzover het gesteund is op de schending van de formele motiveringsplicht, niet dienstig kan worden ingeroepen; Overwegende dat, wat de materiële motiveringsplicht betreft, dient te worden opgemerkt dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat vaststellen; dat dit in de eerste plaats zaak is van de administratieve overheid; dat de Raad enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat de verzoekende partij in wezen vraagt de feiten opnieuw te beoordelen, maar niet aantoont, en zelfs geen poging daartoe onderneemt, dat het oordeel van de commissaris-generaal kennelijk onredelijk zou zijn; Overwegende dat de commissaris-generaal in deze in laatste aanleg uitspraak doet over de feitelijke elementen van de zaak; dat uit de bewoordingen van de bestreden beslissing blijkt dat de commissaris-generaal in het eerste deel van die beslissing op uitgebreide wijze én uiterst gedetailleerd de verklaringen die de verzoekende partij tijdens de diverse verhoren in het kader van de asielprocedure heeft afgelegd, uiteenzet; dat vervolgens de bevindingen worden weergegeven van het onderzoek van deze verklaringen; dat de commissaris-generaal aan de hand van deze vaststellingen ten slotte concludeert dat VII-31.463-5/6 de asielaanvraag van betrokkene bedrieglijk is; dat het oordeel van de commissaris-generaal om de asielaanvraag van de verzoekende partij als bedrieglijk te bestempelen niet kennelijk onredelijk is, gelet op de feitelijke gegevens van het dossier; Overwegende dat, wat betreft de aangevoerde schending van de zorgvuldigheidsplicht, de verzoekende partij in haar verzoekschrift nalaat enige uiteenzetting te geven op welke wijze de bestreden beslissing dit beginsel zou schenden; dat zij in haar memorie van wederantwoord een aantal argumenten aanvoert over de bewijskracht van de verhoorverslagen; dat deze argumenten, vermits zij reeds in het inleidend verzoekschrift hadden kunnen worden ontwikkeld en zij de openbare orde niet raken, niet ontvankelijk zijn; dat het tweede middel niet gegrond is;
  10. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  11. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig oktober tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-31.463-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.308 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.