← België

Arrest 136310 - - 20/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.310 Rolnummer: A. 123480/VII-27159 Zaak: Arrest 136310 - - 20/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-08 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 11:59 Fiche Arrest nr 136.310 van 20 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 136.310 van 20 oktober 2004 in de zaak A. 123.480/VII-27.159 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat V. PUZAJ, kantoor houdende te 4000 LUIK, Rue du Général Bertrand 22 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Georgische nationaliteit, op 4 juli 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 6 juni 2002; Gelet op het verzoek tot voortzetting van de procedure; Gelet op de beschikking van 11 juli 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 17 augustus 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 6 oktober 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-27.159-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat C. VERLEYEN, die, loco advocaat V. PUZAJ, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die, loco advocaat C. DECORDIER, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerst auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. Op 26 januari 2000 heeft de verzoekende partij een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. 1.
  3. De Kamer van de Commissie voor Regularisatie heeft op 28 maart 2002 een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van de verzoekende partij. 1.
  4. De minister van Binnenlandse Zaken heeft de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie. 1.
  5. Op 6 juni 2002 ontving de verzoekende partij een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. "(...) Verblijft langer in het Rijk dan de vastgestelde termijn volgens artikel 6 of kan het bewijs niet leveren dat deze termijn niet overschreden werd (artikel 7, al. 1, 2/ van de wet van 15/12/1980). Motivatie in feite: De regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22/12/1999 werd definitief verworpen door een beslissing van de Minister op 08.04.2002 De asielaanvraag ingediend door betrokkene werd definitief afgesloten. Indien dit bevel niet opgevolgd wordt, loopt betrokkene gevaar, onverminderd rechtsvervolging overeenkomstig artikel 75 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, naar de grens te worden geleid en te dien einde te worden opgesloten gedurende de periode die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de maatregel overeenkomstig artikel 27 van dezelfde wet.". Dit is de bestreden beslissing. VII-27.159-2/5 2.
  6. Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt aangevoerd van het recht van verdediging, het recht op een eerlijk proces en het beginsel van de tegenspraak; dat het middel er op neerkomt dat de verwerende partij geen bevel mocht geven om het grondgebied van het Rijk te verlaten, omdat er nog een annulatieberoep hangende was bij de Raad van State tegen een weigeringsbeslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 18 mei 2000; dat zij staande houdt dat zij bij repatriëring naar haar land van herkomst niet meer naar België zal kunnen terugkeren, zelfs niet wanneer nadat de Raad van State de beslissing van de commissaris-generaal zal hebben vernietigd, een nieuwe, positieve beslissing over de asielaanvraag van de verzoekende partij zal worden genomen; dat zij, bij verwijdering uit het Rijk, niet meer in contact zal kunnen treden met haar raadsman met het oog op voornoemde procedure tot nietigverklaring, te meer daar er in haar land van herkomst geen briefgeheim bestaat; Overwegende dat het annulatieberoep waarover sprake werd verworpen bij arrest nr. 123.417 van 25 september 2003; dat de verzoekende partij niet langer belang heeft bij dit middel; 2.
  7. Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt ingeroepen van artikel 3 van het verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953,van artikel 26 van het internationaal verdrag van 19 december 1966 inzake economische, sociale en culturele rechten, goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981, van artikel 14 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.), van artikel 4 van het vierde protocol bij dit verdrag en van artikel 1 van het twaalfde protocol; dat de verzoekende partij deze bepalingen geschonden acht omdat zij in het kader van haar asielaanvraag zou zijn gediscrimineerd omwille van haar nationaliteit; dat eveneens wordt betoogd dat het bestreden bevel werd genomen op basis van een repatriëringsakkoord met het land van herkomst; Overwegende dat dit middel niet opkomt tegen de bestreden beslissing zelf, maar tegen de beslissing van de commissaris-generaal genomen in het kader van de asielaanvraag van de verzoekende partij; dat het in die mate niet ontvankelijk is; dat niet wordt aangetoond dat het bestreden bevel werd genomen in uitvoering van een “repatriëringsakkoord” met het land van herkomst van de verzoekende partij; maar dat blijkt dat het bevel tot stand kwam omwille van het feit dat ook de regularisatieaanvraag van de verzoekende partij werd verworpen; dat het middel niet gegrond is; 2.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending aanvoert van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen VII-27.159-3/5 (Vreemdelingenwet), van artikel 14 van de universele verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948, van de artikelen 1 en 33 van de Conventie van Genève, van artikel 3 van het E.V.R.M. en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat in dit middel opnieuw kritiek wordt geuit op de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat zij stelt dat zij vreest in haar land van herkomst te worden vervolgd en bestraft, dat artikel 33 van de Conventie van Genève een verbod tot terugleiding inhoudt en dat dergelijke terugleiding een vernederende en onmenselijke behandeling uitmaakt; Overwegende dat dit middel niet tot nietigverklaring kan leiden van de thans bestreden beslissing, namelijk het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat de verzoekende partij niet als vluchteling werd erkend en deze asielprocedure definitief werd afgesloten zodat zij geen aanspraak kan maken op de bescherming van artikel 33 van de Conventie van Genève; dat niet is aangetoond dat er bij terugkeer naar het land van herkomst vrees bestaat voor onmenselijke of onterende behandeling, zeker niet nu de asielaanvraag definitief werd verworpen; dat voor het overige de bestreden beslissing met redenen is omkleed; dat de formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kende, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt; dat de verzoekende partij dan ook geen belang heeft bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht; dat de toetsing van de formele motivering in beginsel niet de beoordeling van de inhoud van de motieven met zich brengt; dat het middel niet gegrond is; 2.
  9. Overwegende dat in een vierde middel de schending wordt aangevoerd van artikel 13 van het E.V.R.M., van artikel 16 van de Conventie van Genève en van het recht om te beschikken over een effectief rechtsmiddel in geval van schending van een fundamenteel recht; Overwegende dat de verzoekende partij niet uiteenzet welke fundamentele rechten zouden zijn geschonden; dat artikel 13 van het E.V.R.M. niet zelfstandig kan worden ingeroepen, maar enkel wanneer is aangetoond dat een fundamenteel recht niet op effectieve wijze kan worden beschermd door beroep te doen op een rechterlijke instantie; dat de verzoekende partij schijnt te vergeten dat zij reeds een beroep heeft kunnen doen op een rechterlijke instantie om de nietigverklaring te vragen van de weigeringsbeslissing van de commissaris-generaal en eveneens nu zij voor de rechter de nietigverklaring vordert van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat VII-27.159-4/5 artikel 16 van de Conventie van Genève alleen betrekking heeft op vreemdelingen die als vluchteling werden erkend, wat te dezen niet het geval is; dat het middel niet gegrond is ;
  10. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  11. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig oktober tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-27.159-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.310 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.