← België

Arrest 136314 - - 20/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.314 Rolnummer: A. 111387/VII-24795 Zaak: Arrest 136314 - - 20/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-09 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 11:59 Fiche Arrest nr 136.314 van 20 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 136.314 van 20 oktober 2004 in de zaak A. 111.387/VII-24.795 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat G. MARINUS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 210 A tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door

  1. de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  2. de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Mongoolse nationaliteit, op 28 september 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 30 augustus 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken van 30 november 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden op 30 augustus 2001; Gelet op het verzoek tot voortzetting van de procedure; Gelet op de beschikking van 5 december 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memorie van antwoord van de tweede verwerende partij en de memorie van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; VII-24.795-1/5 Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 17 augustus 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 6 oktober 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. LAUWERS, die, loco advocaat G. MARINUS, verschijnt voor de verzoekende partij, van adjunct-adviseur L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. De verzoekende partij kwam België binnen op 17 september 2000 en verklaarde zich op 18 september 2000 vluchteling. 1.
  5. Op 30 november 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 30 augustus 2001 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag bedrieglijk was en geen verband hield met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "U beweert de Mongoolse nationaliteit te bezitten en zou afkomstig zijn van Ulaan Bataar. Volgens uw verklaringen zou u eind 1997 ontdekt hebben dat het bouwbedrijf waar u zou gewerkt hebben, zich bezighield met illegale wapen- en drugshandel. U zou uw baas daarvan op de hoogte gebracht hebben, doch deze zou u gevraagd hebben daarover niets te vertellen. In de zomer van 1998 zou u ontslagen zijn. In januari 1999 zou u door de politie aangehouden zijn. Uw baas zou u beschuldigd hebben van illegale wapen- en drugstrafiek. Na veertien dagen zou u met de hulp van uw advocaat vrijgekomen zijn. In oktober 1999 zou u om dezelfde redenen voor de tweede maal gearresteerd zijn. U zou opgesloten zijn in de gevangenis van Ulaan Bataar. Na twintig dagen zou u via uw VII-24.795-2/5 advocaat vrijgekomen zijn. Uit vrees om nogmaals te worden aangehouden besloot u op 8 september 2000 om Mongolië te verlaten. Op 17 september 2000 kwam u in België aan en de volgende dag vroeg u hier asiel aan. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat uw opeenvolgende verklaringen niet eensluidend zijn, waardoor de geloofwaardigheid van uw vluchtrelaas in ernstige mate wordt aangetast. Zo beweerde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken in de zomer van 1999 te hebben ontdekt dat uw werkgever zich zou bezighouden met wapen- en drugshandel. U zou uw baas daarover aangesproken hebben en deze zou u zwijggeld hebben willen aanbieden. Omdat u daarmee niet akkoord kon gaan, zou u vrijwillig ontslag genomen hebben. Respectievelijk in oktober 1999 en december 1999 zou u door de politie gearresteerd zijn. Voor het Commissariaat-generaal daarentegen verklaarde u reeds in 1997 de wapen- en drugshandel bij uw werkgever te hebben opgemerkt (zie verhoorverslag p.3). U zou dit toen reeds aan uw baas verteld hebben, waarop deze u in de zomer van 1998 zou ontslagen hebben (zie verhoorverslag p.2). U zou vervolgens tweemaal door de politie aangehouden zijn, respectievelijk In januari 1999 en oktober 1999 (zie verhoorverslag p.3). Bovenstaande vaststellingen die de kern van uw afgelegde verklaringen omvatten, zijn dermate fundamenteel dat er geen geloof kan worden gehecht aan uw vluchtrelaas. Wat er ook van zij, de door u aangehaalde problemen (beschuldigingen van het organiseren van wapen- en drugshandel) zijn van gemeenrechtelijke (strafrechtelijke) aard en ressorteren derhalve niet onder de Vluchtelingenconventie. Uit niets blijkt dat u, om één van de redenen zoals voorzien in de Geneefse Conventie, een partijdig en oneerlijk proces zou moeten vrezen. U was immers politiek niet actief en u werd telkens met de hulp van uw advocaat weer vrijgelaten. Er is geen enkele reden om aan te nemen waarom u voor een bevoegde rechter/rechtsinstantie uw onschuld niet zou kunnen aantonen. Het feit dat uw raadsman u op een eventueel proces niet zou willen verdedigen, kan in casu niet worden aanvaard. Niets weerhoudt er u immers van om een andere advocaat te raadplegen. Tenslotte bent u niet in het bezit van enig reis- en/of identiteitsdocument, waardoor uw reisweg en/of identiteit niet kunnen worden gecontroleerd.". Dit is de bestreden beslissing.
  7. Overwegende dat de minister van Binnenlandse Zaken een exceptie afleidt uit de schending van artikel 20, 4/ van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdenden bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, volgens hetwelk het verzoekschrift tot nietigverklaring de taal dient te vermelden die in artikel 35 van voornoemd koninklijk besluit voor het verhoor wordt bepaald; dat het voorschrift van artikel 20,4/ van voornoemd koninklijk besluit echter niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven en evenmin een substantieel vormvoorschrift uitmaakt, zodat de exceptie dient te worden verworpen; 3.
  8. Overwegende dat in een enig middel de schending wordt ingeroepen van het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève); dat de verzoekende partij de tegenstrijdigheden in de opeenvolgende verklaringen tracht uit te leggen door het feit dat zij voor februari 2001 VII-24.795-3/5 gehoorsproblemen had die na een medische ingreep gevoelig verbeterd zijn, zodat de verklaringen afgelegd op het Commissariaat-generaal de enige correcte versie weergeven; Overwegende dat de Conventie van Genève niet verbiedt dat de verdragsluitende staten een regeling uitwerken waarin de criteria worden vastgelegd voor het in aanmerking nemen van een vluchtelingenverklaring; dat de Belgische Staat dit heeft gedaan in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat niet wordt aangetoond, zelfs niet aangevoerd, dat deze wetsbepaling strijdig zou zijn met enige bepaling van voornoemd verdrag; Overwegende dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen tot de tweevoudige conclusie komt dat de asielaanvraag geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen en dat de aanvraag bedrieglijk is; dat de verzoekende partij de eerste conclusie niet betwist; dat alleen al op basis van dit motief de Commissaris-generaal de beslissing van de Minister kon bevestigen; dat het middel niet gegrond is;
  9. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  10. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-24.795-4/5 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig oktober tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-24.795-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.314 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.