id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.375 Rolnummer: A. 153050/VII-32364 Zaak: Arrest 136375 - - 21/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-28 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 12:01 Fiche Arrest nr 136.375 van 21 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.375 van 21 oktober 2004 in de zaak A. 153.050/VII-32.
(493), 510-511). In dit opzicht is het nadeel onmiskenbaar moeilijk herstelbaar. VII-32.364-4/7 En zèlfs indien na de vernietiging toch herstelmaatregelen zouden worden bekomen, dan nog kunnen deze vanzelfsprekend in geen geval de schade dekken die de eerste verzoekende partij gedurende de periode van de annulatieprocedure heeft geleden (R.v.St., BEDORET, nr. 39.049, 25 maart 1992). Dit alles heeft voor gevolg dat eerste verzoekende partij - bij gebrek aan een schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit - zijn wooncomfort ook in de komende jaren onherstelbaar aangetast ziet en de hiermee gepaard gaande onaanvaardbare hinder lijdzaam (zal) moeten ondergaan, zodat niet kan worden miskend dat het ernstig nadeel dat de eerste verzoekende partij ingevolge de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit lijdt, helemaal niet of in ieder geval bijzonder moeilijk kan worden hersteld. Er is bijgevolg in hoofde van de eerst verzoekende partij eveneens voldaan aan de tweede voorwaarde als bedoeld in artikel 17, § 2 van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State. V.
- MTHEN in hoofde van de tweede verzoekende partij. In hoofde van de tweede verzoekende partij is het nadeel van morele aard. De gemeente heeft zich zeer formeel verzet tegen dit project, wat blijkt uit het uitgesproken negatief advies. De bestreden beslissing doorkruist regelrecht het door haar beoogde ruimtelijk beleid. Bovendien wordt zij door de bestreden vergunningsbeslissing de facto verhinderd om ten aanzien van het gebied conform haar eigen beleidsinzichten en haar beleidsvrijheid, een beslissing te nemen omtrent de ruimtelijke inrichting zoals thans reeds aangegeven werd in haar voorontwerp van gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. In dit verband dient andermaal te worden verwezen dat het behoud van de open ruimte, inzonderheid het gebied rond de proefhoeve, in het richtinggevend gedeelte van haar ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk structuurplan wordt opgenomen. Dit wordt door de gemeente ervaren als een frontale aanslag op haar gemeentelijke bevoegdheden inzake de organisatie en inrichting van de lokale ruimtelijke ordening, hetgeen in het licht van het door wetgever gewilde subsidiariteitsbeginsel onmiskenbaar ook te begrijpen valt. Deze grieven laten zich des te scherper aanvoelen nu zij door de burgers verantwoordelijk geacht wordt voor de gang van zaken, vermits zij ervan uitgaan dat het in haar macht lag en ligt om dit project te voorkomen. Als dusdanig wordt de goede naam van de tweede verzoekende partij, als behoeder van de goede plaatselijke ruimtelijke ordening en lokaal milieubeleid, zwaar bezoedeld. Door dit alles lijdt de tweede verzoekende partij zeer zware morele schade, die niet dan door het meteen onmogelijk van de uitvoering van het project weer kan goedgemaakt worden. Er is bijgevolg eveneens aan de tweede voorwaarde als bedoeld in artikel 17, § 2 van de Gecoördineerde wetten op de Raad van State voldaan"; 3.2.
- Overwegende dat de eerste verzoeker als moeilijk te herstellen ernstig nadeel louter visuele hinder door de aanwezigheid van de windmolens aanvoert; dat de tussenkomende partij terecht opwerpt dat de aangevoerde visuele hinder niet rechtstreeks het gevolg is van de bestreden milieuvergunning, maar van de nog te verlenen of verleende stedenbouwkundige vergunning; dat een milieuvergunning en een stedenbouwkundige vergunning twee afzonderlijke beslissingen, gebaseerd op een eigen dossier, uitmaken, waarvan de hinderaspecten wel degelijk verschillend zijn en die elk het best kunnen worden beoordeeld op basis van respectievelijk het milieuvergunnings- en het bouwvergunningsdossier; dat het gegeven dat overeenkomstig artikel 5 van het milieuvergunningsdecreet de VII-32.364-5/7 bouwvergunning wordt geschorst zolang de desbetreffende milieuvergunning niet is verleend, nog niet inhoudt dat de nadelen die rechtstreeks voortvloeien uit de bouwvergunning ook rechtstreeks voortvloeien uit de milieuvergunning; 3.2.
- Overwegende dat het door de tweede verzoekende partij aangevoerd moreel nadeel, doordat de bestreden beslissing het door haar beoogd ruimtelijk beleid zou doorkruisen, evenmin rechtstreeks voortvloeit uit de bestreden milieuvergunning; dat daarenboven de tweede verzoekende partij wel verwijst naar het vooralsnog niet door de gemeente goedgekeurd ontwerp van gemeentelijk structuurplan, maar dat wordt vastgesteld dat het behoud van de open ruimte op de betrokken site niet eens blijkt te zijn opgenomen onder het verbindend gedeelte van dit ontwerp; dat, tenslotte, het eventuele gebrek aan kennis bij de burgers omtrent de verantwoordelijkheden en de bevoegdheden van de gemeente, met als gevolg dat zij de tweede verzoekende partij zouden verantwoordelijk achten voor de bestreden beslissing, geen nadeel uitmaakt dat aan het bestreden besluit kan worden toe- geschreven; 3.
- Overwegende dat niet is voldaan is aan de tweede voorwaarde gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat de vordering dienvolgens moet worden verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. SPE in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. VII-32.364-6/7 Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig oktober tweeduizend en vier, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-32.364-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.375 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.844 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div