← België

Arrest 136379 - - 21/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.379 Rolnummer: A. 75770/VII-15952 Zaak: Arrest 136379 - - 21/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-29 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-04 12:02 Fiche Arrest nr 136.379 van 21 oktober 2004 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.379 van 21 oktober 2004 in de zaak A. 75.770/VII-15.

  1. In zake :
  2. Herman KERKHOVE,
  3. Roberte SPILEERS,
  4. André DUPONT, die woonplaats kiezen bij Advocaat M. DENYS, kantoor houdende te BRUSSEL, Grote Hertstraat 12 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Herman KERKHOVE, Roberte SPILEERS en André DUPONT op 22 september 1997 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 8 juli 1997, waarbij het beroep aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 23 januari 1997 houdende weigering van de vergunning aan de n.v. COMPOBEL, Berkebossenlaan, 9 te 2400 Mol, om in het industriepark "Klein-Frankrijk" te Ronse, op een perceel gekend onder afdeling 2, sectie C, nr. 919 L, een inrichting, omvattende opslag en biologische behandeling van groente- fruit- en tuinafval alsmede aërobe compostering van GFT, te exploiteren, gegrond wordt verklaard en de gevraagde vergunning wordt verleend; Gelet op het arrest nr. 71.628 van 5 februari 1998 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door tweede verzoekster; VII-15.952-1/12 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 16 juni 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 2 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 september 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat Ph. VAN WESEMAEL die, loco Advocaat M. DENYS verschijnt voor de tweede verzoekster, en van Advocaat J. DE CONINCK die, loco Advocaat J. NIJS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  6. De rechtspleging Overwegende dat naar luid van artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding geldt wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest; VII-15.952-2/12 Overwegende dat het arrest nr. 71.628 van 5 februari 1998 de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit heeft verworpen; Overwegende dat de eerste en de derde verzoekende partijen geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging hebben ingediend binnen de termijn van dertig dagen na kennisgeving van het arrest; dat te hunnen aanzien een vermoeden van afstand van het geding wordt vastgesteld;
  7. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.
  8. Verzoekster is omwonende van de composteringsinstallatie waarvoor met de bestreden beslissing een vergunning werd verleend. 2.
  9. Op 23 januari 1997 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen aan de n.v. COMPOBEL een vergunning "om een inrichting te exploiteren, gelegen op de percelen kadastraal bekend onder RONSE Afd. 2, sectie C, percnr(s). 919/l aan de Kasteelstraat 16/18 te Ronse, met als voorwerp : aerobe compostering GFT". De aanvraag wordt geweigerd op basis van volgende overweging : "Overwegende dat de aangevraagde inrichting strijdig is met het sectoraal uitvoeringsplan GFT- en groenafval dat bindende bepalingen bevat omtrent de maximale benutting van de potentiële verwerkingscapaciteit van de bestaande en geplande inrichtingen alsook met betrekking tot de optimale verwerkingscapaciteit van deze installaties; dat de nabijgelegen composteringsinstallatie van de ILVA nog een beschikbare verwerkingscapaci- teit heeft van ca. 20.000 ton; dat deze capaciteit kan aangewend worden om het selectief ingezameld GFT van de omliggende regio's te verwerken". 2.
  10. Met een aangetekend schrijven van 19 februari 1997 stelt de n.v. COMPOBEL bij de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu beroep in tegen het voormelde weigeringsbesluit van de bestendige deputatie. In het beroepschrift staat onder meer te lezen : "In het GFT-masterplan Vlaanderen wordt op geen enkel ogenblik gewag gemaakt van het feit dat de intercommunale naar SCHENDELBEKE en al evenmin naar de VLAR-installatie te GRIMBERGEN zou moeten afvoeren, laat staan dat het GFT-afval vanuit RONSE de restcapaciteit van de installatie te VII-15.952-3/12 SCHENDELBEKE zou moeten opvullen. Als tegenvoorbeeld kan de stad NINOVE worden aangehaald, die momenteel het GFT-afval aanlevert bij de VLAR-installatie. Het zou trouwens bevreemding wekken dat van overheids- wege zou verwezen worden naar installaties die louter als een privé-onder- neming worden uitgebaat. Het lijkt veeleer zo te zijn dat de intercommunale het beginsel dient te hanteren dat zij zo al niet de plicht, dan toch zeker het recht heeft zoveel als mogelijk 2.
  11. Met een aangetekend schrijven van 26 februari 1997 stelt I.Vl.A. (Intercommunale van de Vlaamse Ardennen) eveneens beroep in tegen het weigeringsbesluit van de bestendige deputatie. In dit beroepschrift staat onder meer te lezen : "Nergens in het GFT-Masterplan werd de verplichting tot afvoer van het GFT van I.VL.A naar I.L.V.A. ingebouwd". Het beroep van I.Vl.A. werd blijkbaar onontvankelijk verklaard, en in een aangetekend schrijven van 17 maart 1997 vraagt I.Vl.A. om het beroep alsnog ontvankelijk te verklaren. Opgemerkt zij dat ILVA staat voor Intercommunale Land van Aalst. 2.
  12. In het kader van de beroepsprocedure worden een reeks adviezen uitgebracht. De OVAM, het bestuur Milieuvergunningen, en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseren ongunstig. AROHM, afdeling Stedenbouw- kundige Vergunningen en de administratie Gezondheidszorg adviseren principieel gunstig. In het ongunstige advies van de OVAM staat (onder meer) te lezen wat volgt : "Overwegende dat de composteringsinstallatie van de ILVA te Geraardsbergen reeds voorzien was in het Masterplan GFT- en groenafval

(1991); Overwegende dat punt 4.1.
  1. van het Uitvoeringsplan GFT- en groenafval bepaalt dat de in het Masterplan GFT- en groenafval voorziene installaties verder dienen te worden uitgebouwd en optimaal benut; Overwegende dat het Uitvoeringsplan GFT- en groenafval bepaalt dat de benodigde verwerkingscapaciteit voor GFT-afval voor Oost-Vlaanderen (70.000 ton) dient te worden ingevuld door de bouw en uitbreiding van de GFT- composteringsinstallaties van de ILVA en DDS-IDM; dat de bouw van een GFT-composteringsinstallatie voor de IVLA niet opgenomen is in deze planning; Overwegende dat de composteringsinstallatie van de ILVA, buiten de verwerking van het ingezamelde GFT-afval in haar eigen werkingsgebied, nog beschikt over een beschikbare verwerkingscapaciteit van ca. 20.000 ton; dat deze restcapaciteit volgens de bepalingen van het Uitvoeringsplan GFT- en groenafval moet worden aangewend om selectief ingezameld GFT van de omliggende regio's (waaronder de regio van de IVLA) te verwerken; Overwegende dat door het niet benutten van de beschikbare capaciteit bij de installatie van de ILVA de optimale benutting van deze installatie in het gedrang komt; VII-15.952-4/12 Overwegende dat de beroepindiener stelt dat de bevreemding zou wekken dat van overheidswege zou verwezen worden naar installaties die louter als (...) privé-ondernemingen worden uitgebaat; dat de wijze van uitbating (privaat vs. openbaar) in het plan niet wordt vastgelegd; dat in elk geval de ILVA in rechten en plichten moet beschouwd worden als de exploitant van de installatie te Geraardsbergen aangezien zij houder is van de vergunning; Overwegende dat het Masterplan GFT- en groenafval en het Uitvoeringsplan GFT- en groenafval werden ontworpen in uitvoering van programmapunt 5.2.
  2. van het Afvalstoffenplan, dat dit onderdeel het uitvoeringsprogramma voor wat betreft de organische fractie van huishoudelijke afvalstoffen vastlegt; dat bijgevolg gesteld kan worden dat de nog beschikbare capaciteit bij de composte- ringsinstallatie van de ILVA moet worden voorbehouden voor de verwerking van GFT van huishoudens; Overwegende dat het ontwerpen van het Uitvoeringsplan GFT- en groenafval gebaseerd is op artikel 35 en 36 van het Afvalstoffendecreet; dat paragraaf 7 van artikel 36 bepaalt dat de bepalingen van sectorale uitvoeringsplannen bindend zijn, uitgezonderd waar dit uitdrukkelijk aangegeven is in deze plannen; Overwegende dat artikel 36, § 6 van het Afvalstoffendecreet bepaalt dat de sectorale uitvoeringsplannen gelden, in de mate zoals aangegeven in paragraaf 7 van dat artikel, voor de administratieve overheden van het Vlaamse gewest, de provincies, de gemeenten en de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke instellingen die belast zijn met taken van openbaar nut inzake milieubeleid; dat bijgevolg de Openbare Afvalstoffenmaatschappij de bepalingen van het Uitvoeringsplan GFT- en groenafval dient na te leven; dat bijgevolg ook de in het dossier betrokken intercommunales (IVLA en ILVA) gebonden zijn door de planbepalingen". In de ongunstige adviezen van het bestuur Milieuvergunningen en van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie zijn overwegingen aan te treffen die quasi identiek zijn aan de hiervoren geciteerde overwegingen uit het advies van de OVAM. 2.
  3. Op 8 juli 1997 wordt de thans bestreden beslissing genomen. Het beroep van de n.v. COMPOBEL wordt gegrond verklaard en de vergunning wordt verleend. Geoordeeld wordt dat de verwerking van het binnen de regio van de I.Vl.A. ingezameld GFT-afval in de composteringsinstallatie van de ILVA niet als een verplichting kan worden opgelegd. Verder wordt overwogen "dat op het ogenblik van de vaststelling van het sectoraal Uitvoeringsplan GFT- en groenafval de intercommunale I.VL.A. nog geen plannen had voor de selectieve inzameling van de natte fractie van het huishoudelijk afval; dat in dit plan derhalve nog geen rekening kon gehouden worden met de capaciteit voor het GFT-afval van de intercommunale I.VL.A."; VII-15.952-5/12
  4. De gegrondheid van het beroep 3.
  5. Overwegende dat verzoekster het tweede middel neemt "uit de schending van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 april 1995 tot vaststelling van het uitvoeringsplan voor GFT- en groenafval (melding hiervan werd gemaakt in B.S. 23 mei 1995), uit de schending van de artikelen 36, §§ 6 en 7 van het afvalstoffendecreet van 2 juli 1981, zoals gewijzigd bij decreet van 20 april 1994, en uit de schending van het beginsel Doordat de minister in het bestreden besluit, wat de verenigbaarheid van de aanvraag betreft met het vastgestelde sectorale uitvoeringsplan voor GFT- en groenafval, stelt dat dit plan geen verplichting inhoudt om afval naar een reeds bestaande installatie, die nog beschikt over resterende capaciteit, te brengen. En doordat de minister daarbij erkent (dat) de composteringsinstallatie van de Intercommunale Land van Aalst (ILVA) te Schendelbeke-Geraardsbergen nog een beschikbare verwerkingscapaciteit heeft van 20.000 ton. Terwijl voormeld uitvoeringsplan voor GFT- en groenafval, onder de artikelen 4.1.1.
  6. en 4.1.1.
  7. (sic) stelt dat de bestaande installaties voor compostering van dit afval verder uitgebouwd dienen te worden, minstens optimaal benut dienen te worden, en onder de hoofding van En terwijl de sectorale uitvoeringsplannen conform artikel 36, § 6 van het afvalstoffendecreet gelden voor onder meer En terwijl het meervoudige gebruik van de term En terwijl er een duidelijke contradictie bestaat tussen deze decretale bepaling, en de stelling van de minister in het bestreden besluit dat voormelde bepalingen voor hem En terwijl de bestaande installatie van Schendelbeke, waarvan dus erkend wordt dat deze nog een ruim voldoende beschikbare capaciteit heeft, op zeer korte afstand (ongeveer 20 kilometer) gelegen is, zodat de meerprijs die het vervoer vertegenwoordigt redelijkerwijze miniem is ten opzichte van de grote investering die in Ronse dus nutteloos zou gedaan worden. En terwijl de minister, mede gelet op dit gegeven, niet in het minst motiveert waarom in casu van het sectoraal uitvoeringsplan GFT- en groenafval zou moeten afgeweken worden, en zich integendeel beperkt tot de affirmatie dat dit plan voor hem 3.
  8. Overwegende dat in de memorie van antwoord de verwerende partij volgend verweer voert : "(...) De verzoekende partijen zijn van oordeel dat de overheid de regels die zij zelf heeft uitgevaardigd in het Uitvoeringsplan GFT- en groenafval schendt door aan de N.V. COMPOBEL de gevraagde milieuvergunning te verlenen in strijd met de bindende kracht van de bepalingen van het plan, inzonderheid waar de minister stelt dat de composteringsinstallatie van de I.L.V.A., buiten de verwerking van het ingezameld GFT-afval in haar werkingsgebied, nog beschikt VII-15.952-6/12 over een beschikbare verwerkingscapaciteit van circa 20.000 ton; dat deze restcapaciteit volgens de bepalingen van het uitvoeringsplan GFT- en groenafval kan worden aangewend om selectief ingezameld GFT van de omliggende regio's, waaronder de regio van de I.VL.A. te verwerken; dat dit echter niet als een verplichting kan opgelegd worden en dat van deze bindende regel -maximale benutting van de potentiële verwerkingscapaciteit van de bestaande en reeds voorziene installatie- slechts kan afgeweken worden zo daarvoor gewichtige redenen voorhanden zijn en mits behoorlijke motivering. Luidens artikel 35 van het afvalstoffendecreet dd. 2.7.1981, ontwerpt de OVAM in uitvoering van het geldende afvalstoffenplan sectorale uitvoerings- plannen. De totstandkoming van deze plannen is geregeld in artikel 36 van zelfde decreet. Paragraaf 7 van dit artikel schrijft voor dat de bepalingen van deze uitvoeringsplannen bindend zijn behoudens afwijkingen op grond van behoorlijk gemotiveerde gewichtige redenen. Het Uitvoeringsplan GFT-en groenafval is zo een sectoraal uitvoeringsplan. Het werd bij besluit van 6.4.1995 door de Vlaamse regering vastgesteld en bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Terecht stelt het bestreden besluit dat de (omliggende) gemeenten van de regio I.VL.A. niet verplicht zijn hun GFT-afval te laten verwerken door de inrichting van de I.L.V.A. De desbetreffende bepalingen van het sectoraal uitvoeringsplan (zie pagina 92) maken enkel gewag van de mogelijkheid die voor de omliggende gemeenten van onder meer de regio van de I.VL.A. bestaat om de restcapaciteit van de composteringsinstallatie van de I.L.V.A. voor de verwerking van hun GFT-afval te benutten. Op pagina 95 stelt het uitvoeringsplan GFT- en groenafval dat Op de pagina's 97 en 98 van zelfde plan is de situatieschets compostering van GFT- en groenafval in Vlaanderen medio 1996 en 1997 weergegeven. In beide schetsen wordt de I.VL.A. niet ingedeeld bij het samenwerkingsgebied van de I.L.V.A. Uit dit geheel van vaststellingen is duidelijk af te leiden dat bij de vaststelling van het sectoraal uitvoeringsplan GFT- en groenafval het niet de bedoeling was om de I.V.L.A. te verplichten om GFT selectief in te zamelen en te composteren, laat staan om de I.VL.A. te verplichten het GFT-afval af te voeren naar de I.L.V.A. Terecht stelt het bestreden besluit dan ook dat Bovendien heeft de minister eveneens rekening gehouden met de andere doelstellingen en beleidsvisie's die in het Uitvoeringsplan zijn opgenomen : Zo laat de installatie van de I.VL.A. eveneens toe de capaciteit te verhogen voor het verwerken van organisch-biologisch afval afkomstig uit de industrie. Gelet op het bovenstaande kan alleen besloten worden dat de minister zich gehouden heeft aan de voorschriften van het uitvoeringsplan GFT- en groenaf- val. Om reden dat de minister niet afgeweken is van de bindende bepalingen van het sectoraal uitvoeringsplan moet hij uiteraard evenmin de gewichtige en VII-15.952-7/12 behoorlijk gemotiveerde redenen aanduiden die dergelijke afwijking zou rechtvaardigen. Het tweede middel is niet gegrond"; 3.
  9. Overwegende dat in de memorie van wederantwoord verzoekster als volgt repliceert : "Beroepster heeft een tweede middel afgeleid uit de schending van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 april 1995 tot vaststelling van het uitvoeringsplan voor GFT- en groenafval (melding hiervan werd gemaakt in B.S. 23 mei 1995), uit de schending van de artikelen 36 §§ 6 en 7 van het afvalstoffendecreet van 2 juli 1981, zoals gewijzigd bij decreet van 20 april 1994, en uit de schending van het beginsel 'patere legem quam ipse fecisti' en het continuïteitsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In het bestreden besluit stelt de minister, wat de verenigbaarheid van de aanvraag met het vastgestelde sectorale uitvoeringsplan voor GFT- en groenafval betreft, letterlijk dat dit plan geen verplichting inhoudt om afval te brengen naar een reeds bestaande installatie, die nog beschikt over resterende capaciteit. Tevens erkent de minister in het besluit nog dat de composteringsinstallatie van de Intercommunale Land van Aalst (ILVA) te Schendelbeke- Geraardsbergen nog een beschikbare verwerkingscapaciteit heeft van 20.000 ton. In het beroep tot nietigverklaring had beroepster er op gewezen dat het uitvoeringsplan voor GFT- en groenafval, onder de artikelen 4.1.1.1 en 4.1.2, stelt dat de bestaande installaties voor compostering van dit afval verder uitgebouwd dienen te worden, minstens optimaal benut dienen te worden, en dat onder de hoofding In de memorie van antwoord zwijgt tegenpartij echter in alle talen over deze bepalingen. Wat tegenpartij wel moet beamen, is dat de sectorale uitvoeringsplannen conform artikel 36 §6 van het afvalstoffendecreet gelden voor onder meer Het meervoudige gebruik van de term Er moet dan ook geconcludeerd worden dat er een duidelijke contradictie bestaat tussen deze bepalingen, en de stelling van de minister in het bestreden besluit dat voormelde bepalingen voor hem De bestaande installatie van Schendelbeke, waarvan dus erkend wordt dat deze nog een ruim voldoende beschikbare capaciteit heeft, is daarbij nog op zeer korte afstand gelegen (op ongeveer 20 kilometer, vlakbij Geraardsbergen), zodat de meerprijs die het vervoer vertegenwoordigt redelijkerwijze miniem is ten opzichte van de grote investering die in Ronse dus nutteloos zou gedaan worden. Mede gelet op dit gegeven, motiveert de minister -in het bestreden besluit en evenmin in de memorie van antwoord- niet in het minst waarom in casu van het sectoraal uitvoeringsplan GFT- en groenafval zou moeten afgeweken worden, en beperkt hij zich integendeel enkel tot de affirmatie dat dit plan voor hem VII-15.952-8/12 Waar tegenpartij nu in de memorie van antwoord beweert dat de minister helemaal niet zou afwijken van het plan, lijkt zulks in strijd met wat de minister in het bestreden besluit stelt, dat het plan voor hem 'geen verplichtingen' zou inhouden. Door zulks te stellen, geeft de minister duidelijk zelf aan dat hij met zijn beslissing het plan niet eerbiedigt, en dat hij er dus van afwijkt. Het middel is derhalve gegrond"; 3.
  10. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie herhaalt wat zij reeds in haar memorie van antwoord heeft uiteengezet; dat zij voorts nog stelt dat de selectieve inzameling van huishoudelijk afval door I.Vl.A. een nieuw gegeven is waarop het plan niet toepasselijk is en dat "bovendien (...) met de vergunningverlening aan de I.Vl.A. eveneens (wordt) beoogd de capaciteit te verhogen voor de verwerking van organisch-biologisch afval afkomstig van de industrie en niet enkel van huishoudelijke aard en kadert zulks eveneens in de doelstelling en de beleidsvisie die in het uitvoeringsplan is opgenomen"; 3.5.
  11. Overwegende dat artikel 35, § 1, van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, zoals het gold ten tijde van de bestreden beslissing, bepaalt : "Ter uitvoering van het geldende afvalstoffenplan of milieubeleidsplan ontwerpt de OVAM sectorale uitvoeringsplannen"; dat artikel 36, §§ 5, 6 en 7 van hetzelfde decreet bepaalt : "§
  12. De sectorale uitvoeringsplannen worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Ze liggen ter inzage bij de OVAM, de provincies en de gemeenten. §
  13. De sectorale uitvoeringsplannen gelden, in de mate zoals hierna aangegeven, voor de administratieve overheden van het Vlaamse Gewest, de provincies, de gemeenten en de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke instellingen die belast zijn met taken van openbaar nut inzake milieubeleid. De geldigheidsduur van de sectorale uitvoeringsplannen wordt in ieder geval afzonderlijk bepaald. §
  14. Bepalingen van sectorale uitvoeringsplannen zijn bindend, uitgezonderd waar dit uitdrukkelijk aangegeven is in deze plannen. In die gevallen zijn ze indicatief. Van de bindende bepalingen kan slechts worden afgeweken bij beslissing van de Vlaamse regering, wanneer daarvoor gewichtige redenen zijn en mits behoorlijke motivering. Bepalingen van sectorale uitvoeringsplannen die strijdig zijn met een gewestelijk plan van latere datum met verordenende of verbindende kracht verliezen hun geldigheid"; dat uit die bepalingen duidelijk blijkt dat de sectorale uitvoeringsplannen in principe bindend zijn, tenzij uitdrukkelijk anders zou zijn aangegeven; VII-15.952-9/12 3.5.
  15. Overwegende dat in het uitvoeringsplan GFT- en groenafval, dat op 6 april 1995 door de Vlaamse regering werd goedgekeurd, onder meer wordt gesteld : Onder punt 4.1.
  16. : "Optimalisatie en rationalisatie van de verwerking. De installaties die in het Masterplan GFT- en groenafval van 1991 waren voorzien, dienen verder te worden uitgebouwd en optimaal benut". (p. 84). Onder punt 4.1.
  17. : "De composterings- en vergistingsinrichtingen voor GFT-afval dienen te worden uitgebouwd binnen de bestaande doelstellingen, zijnde de maximale benutting van potentiële verwerkingskapaciteit van de bestaande en reeds voorziene installaties en in funktie van het aanbod van ander organisch afval" (p. 87)". Onder fasering 1995-1996 : "In 1996 voorziet de intercommunale LAND VAN AALST (ILVA) de ingebruikname van een aerobe GFT-composteringsinstallatie met een kapaciteit van bijna 45.000 ton in Geraardsbergen. (...) ILVA heeft een reserve-kapaciteit van ongeveer 20.000 ton GFT-afval ter beschikking, die door de omliggende gemeenten van de regio's IVLA, IVAGO en Haviland-west kan worden benut. (...) Voor eind 1996 wordt verwacht dat 216.000 ton GFT-afval selektief zal worden ingezameld in Vlaanderen. Deze hoeveelheid GFT zal worden verwerkt in 7 installaties met een totale kapaciteit van bijna 250.000 ton. (...) De verwerkingsinrichtingen van ILVA en INTERLEUVEN hebben kapaciteit ter beschikking voor de omliggende regio's/gemeenten". (p. 92-93) Onder de hoofding "fasering 1997" m.b.t. de provincie Oost-Vlaanderen : "De aerobe composteringsinstallatie van het LAND VAN AALST zal in volle exploitatie zijn met een kapaciteit van 45.000 ton GFT, zodat 20.000 ton kapaciteit beschikbaar zal zijn voor de omliggende gemeenten. (...) De totale composteringskapaciteit in Oost-Vlaanderen bedraagt in 1997 70.000 ton GFT, verdeeld over 2 installaties. Ongeveer 570.000 inwoners zullen worden bediend, verspreid over de regio's ILVA, DDS, IDM, IVAGO, IBOGEM en omliggende gemeenten. IVAGO en IBOGEM richten zich voor de verwerking naar de installatie van de VLAR in Grimbergen". (p. 95) Op p. 96 wordt gesteld dat geen bijkomende installaties voor de compostering van GFT-afval worden gepland; VII-15.952-10/12 3.5.
  18. Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de bestaande installaties verder dienen te worden uitgebouwd en optimaal benut, hetgeen het geval is voor de installatie van de ILVA te Geraardsbergen die nog met een restcapaciteit zit, en dat geen nieuwe GFT-installaties worden gepland; 3.5.
  19. Overwegende dat het bestreden besluit ingaat tegen deze bindende opties van het uitvoeringsplan GFT- en groenafval, vermits een vergunning wordt verleend voor een bijkomende composteringsinstallatie, daar waar dit plan bepaalt dat de bestaande installaties optimaal moeten worden benut, hetgeen bij de installatie van de ILVA niet het geval is nu zij nog over een restcapaciteit van 20.000 ton beschikte en het GFT-afval van de regio van de I.Vl.A. in aanmerking kwam om deze restcapaciteit verder op te vullen; dat in het bestreden besluit er ten onrechte wordt van uitgegaan dat ondanks het feit dat de installatie van de ILVA nog over een restcapaciteit van 20.000 ton beschikt, er toch geen verplichting zou bestaan om het GFT-afval van de regio van de I.Vl.A. te verwerken in de composteringsinstallatie van de ILVA; dat de overweging in het bestreden besluit en de argumentatie van de verwerende partij in de laatste memorie "dat op het ogenblik van de vaststelling van het sectoraal Uitvoeringsplan GFT- en groenafval de intercommunale I.VL.A. nog geen plannen had voor de selectieve inzameling van de natte fractie van het huishoudelijk afval; dat in dit plan derhalve nog geen rekening kon gehouden worden met de capaciteit voor de GFT-afval van de intercommunale I.VL.A." niet overtuigt, daar dit plan er juist toe strekt dat in de huidige stand van zaken, gelet op de restcapaciteit van de ILVA-installatie, er geen composteringsinstallatie van de I.Vl.A. mag worden opgericht, ongeacht of er reeds plannen in die richting bestonden; 3.5.
  20. Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat volgt dat het tweede middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  21. De afstand wordt vastgesteld in hoofde van de eerste en de derde verzoekende partij. VII-15.952-11/12 Artikel
  22. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 8 juli 1997, waarbij het beroep aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 23 januari 1997 houdende weigering van de vergunning aan de n.v. COMPOBEL, Berkebossenlaan, 9 te 2400 Mol, om in het industriepark "Klein- Frankrijk" te Ronse, op een perceel gekend onder afdeling 2, sectie C, nr. 919 L, een inrichting, omvattende opslag en biologische behandeling van groente- fruit- en tuinafval alsmede aërobe compostering van GFT, te exploiteren, gegrond wordt verklaard en de gevraagde vergunning wordt verleend. Artikel
  23. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  24. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 520,59 euro, komen voor twee derde ten laste van de eerste en de derde verzoekende partij, elk voor de helft, en voor een derde ten laste van de verwerende partij. De kosten van het annulatieberoep, ingediend door de tweede verzoekster, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig oktober tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-15.952-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.379 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1998:ARR.71.628 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.