← België

Arrest 136382 - - 21/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.382 Rolnummer: A. 86229/VII-24180 Zaak: Arrest 136382 - - 21/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-28 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 12:03 Fiche Arrest nr 136.382 van 21 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.382 van 21 oktober 2004 in de zaak A. 86.229/VII-24.

  1. In zake : het VERBOND DER BELGISCHE BEROEPSVERENIGINGEN VAN GENEESHEREN-SPECIALISTEN, dat woonplaats kiest bij advocaten W. GONTHIER en D. DHAENENS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 12, bus 13 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaat P. SIFFERT, kantoor houdende te LEUVEN, Vaartstraat
  2. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat het Verbond der Belgische Beroepsverenigingen van Geneesheren-specialisten op 20 augustus 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vragen van het koninklijk besluit van 16 maart 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren-specialisten en van huisartsen (Belgisch Staatsblad van 21 juni 1999) "en meer in het bijzonder de bepalingen vervat sub artikel 3 en artikel 4"; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de beschikking van 4 september 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; VII-24.180-1/6 Gelet op de beschikking van 2 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 september 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. KAMERS die, loco advocaten W. GONTHIER en D. DHAENENS verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat P. SIFFERT die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De feitelijke en juridische context Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. De verzoekende partij is een erkende beroepsvereniging. De bekrachtiging van haar statuten werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 juli
  5. 1.
  6. Het bestreden koninklijk besluit strekt ertoe met toepassing van artikel 35sexies van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies, wijzigingen aan te brengen in het koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren-specialisten en van huisartsen. Deze wijzigingen betreffen onder meer de formaliteiten voor de toelating tot de stage en voor de erkenning als geneesheer-specialist of als huisarts en de erkenning van stagemeesters en stagediensten voor de opleiding van geneesheren-specialisten en van huisartsen. Vóór hun wijziging door het bestreden besluit luidden de artikelen 10 en 21 van het koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren-specialisten en van huisartsen, als volgt : VII-24.180-2/6 "Art.
  7. De kandidaat, gemachtigd de geneeskunde in België uit te oefenen, moet uiterlijk binnen de eerste drie maanden van de aanvang van zijn opleiding, bij aangetekend schrijven, aan de Minister een plan ter goedkeuring toesturen met opgave van de stages die hij wenst te verrichten". "Art.
  8. De aanvraag om erkenning als geneesheer-specialist of als huisarts wordt, na het beëindigen van de stage bij een aangetekende brief, bij de Minister ingediend door de belanghebbende door middel van een formulier dat door het bestuur wordt bezorgd en waarvan het model door de Minister wordt bepaald. De aanvraag is vergezeld van: 1/ de attesten van de stagemeesters; 2/ het laatste stageboekje, alsmede elk ander document dat de kamer in staat stelt over de waarde van de kandidaat te oordelen; 3/ een attest niet ouder dan drie maanden waaruit blijkt dat de kandidaat ingeschreven is op de lijst van de Orde der Geneesheren. De Minister kan de betrokkene verzoeken hem de bescheiden te laten geworden die voor het onderzoek van de aanvraag vereist zijn. De Minister zendt het aanvraagdossier voor advies door naar de bevoegde kamer van de erkenningscommissie". De artikelen 3 en 4 van het bestreden besluit, die het voorwerp uitmaken van het voorliggend annulatieberoep, wijzigen deze bepalingen en luiden als volgt : "Art.
  9. Artikel 10 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met het volgende lid : "Art.
  10. Artikel 21, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt aangevuld met een punt 4/, luidend als volgt : specialisten moet deze opleiding gelijktijdig hebben plaatsgevonden met de eerste twee jaar van hun opleiding' ". Blijkens de aanhef van het bestreden besluit wordt als rechtsgrond voor dat besluit artikel 35sexies van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies, aangevoerd. VII-24.180-3/6 Die bepaling luidt als volgt : "Art. 35sexies. De erkenning bepaald in artikel 35quater wordt toegekend overeenkomstig de door de Koning vastgestelde procedure en voor zover is voldaan aan de erkenningscriteria die zijn vastgesteld door de Minister tot wiens bevoegdheden de Volksgezondheid behoort, op advies, wanneer zij bestaan, van de Raden waaraan deze bevoegdheid is toegewezen". Artikel 35quater van hetzelfde besluit luidde ten tijde van de afkondiging van het bestreden besluit als volgt : "Art. 35quater. Niemand kan een bijzondere beroepstitel dragen of zich beroepen op een bijzondere beroepsbekwaming, dan na door de Minister tot wiens bevoegdheden de Volksgezondheid behoort hiertoe te zijn erkend";
  11. De ontvankelijkheid van de vordering 2.1.
  12. Overwegende dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift stelt dat zij tot doel heeft de beroepsbelangen van haar leden te verdedigen en te verzekeren, en dat tot die belangen ?onbetwistbaar de regeling betreffende zowel de procedure als de erkenningscriteria tot het bekomen van een erkenning als geneesheer-specialist (behoort)”; 2.1.
  13. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord bij wege van exceptie opwerpt dat hetgeen de verzoekende partij aanvoert niet automatisch betekent dat de verzoekende partij ook een belang heeft bij de gevraagde vernietiging, dat zij volledig nalaat om concreet aan te tonen in welk opzicht de bestreden artikelen deze beroepsbelangen zouden kunnen schaden, en dat de verzoekende partij niet toelicht welk voordeel zij zou halen uit die nietigverklaring, daar waar de bewijslast bij deze laatste partij ligt; 2.1.
  14. Overwegende dat de verzoekende partij hierop als volgt repliceert in haar memorie van wederantwoord : ?Verwerende partij betwist niet dat verzoekende partij de beroepsbelangen van haar leden kan verdedigen, en erkent tevens te aanvaarden : ‘Dat een regeling omtrent de procedure en criteria tot erkenning als geneesheer-specialist verband kan houden met deze beroepsbelangen’. Als dusdanig heeft verzoekende partij wel degelijk een belang bij het instellen van de huidige vordering. VII-24.180-4/6 Het volstaat in dit opzicht te verwijzen naar de middelen door verzoekende partij in haar verzoekschrift ontwikkeld. Zo verzet verzoekende partij zich er ondermeer tegen dat binnen het kader van de procedureregeling weerhouden in het KB dd. 21-04-83 in werkelijkheid nieuwe erkenningscriteria worden ingevoegd, welke erkenningscriteria niet voorzien zijn in het MB dd. 30-08-78, vervangen door het MB 30-04-99, dit terwijl het weerhouden van de erkenningscriteria krachtens de bepalingen van het artikel 35 sexies van het KB 78 behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de terzake bevoegde Minister. Als dusdanig heeft verzoekende partij dan ook wel degelijk een belang tot het instellen van de voorliggende vordering”; 2.
  15. Overwegende dat met de verwerende partij moet worden vastgesteld dat de verzoekende partij geen enkel concreet voordeel aantoont dat haar leden, met name de geneesheren-specialisten, wier beroepsbelangen zij behartigt, zouden hebben bij de vernietiging van de bestreden regeling, welke inhoudt, enerzijds, dat de kandidaat-geneesheer-specialist een attest moet voorleggen waaruit blijkt dat hij door een faculteit geneeskunde aanvaard is voor de discipline waarin hij wil opgeleid worden, en, anderzijds, dat de belanghebbende bij zijn aanvraag tot erkenning als geneesheer-specialist een attest moet voegen dat aantoont dat hij met vrucht een specifieke universitaire opleiding heeft gevolgd tijdens de eerste twee jaren van zijn opleiding; dat de verzoekende partij dus ook niet concreet aangeeft in welk opzicht de beroepsbelangen van haar leden geneesheren-specialisten door die regeling zouden geschaad zijn; Overwegende dat de enige repliek van de verzoekende partij op deze vaststelling bestaat in de verwijzing naar een middel waarin zij stelt dat de nieuwe erkenningscriteria niet mochten worden opgelegd door de Koning, maar dat dit door de minister moest gebeuren; dat dit in geen enkel opzicht verduidelijkt welke beroepsbelangen van de geneesheren-specialisten door de bestreden regeling in het gedrang worden gebracht, en in welk opzicht dit het geval zou zijn; dat de verwerende partij derhalve niet aantoont dat de nieuwe regeling voor de geneesheren-specialisten grief houdend is; dat de exceptie gegrond is, BESLUIT: Artikel
  16. Het beroep wordt verworpen. VII-24.180-5/6 Artikel
  17. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig oktober tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-24.180-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.382 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.