← België

Arrest 136383 - - 21/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.383 Rolnummer: A. 153148/VII-32381 Zaak: Arrest 136383 - - 21/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-28 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 12:04 Fiche Arrest nr 136.383 van 21 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.383 van 21 oktober 2004 in de zaak A. 153.148/VII-32.

  1. In zake : de s.a. FES IMMO, die woonplaats kiest te TEMSE, Italiëstraat 3b tegen : de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM), die woonplaats kiest bij Advocaat B.BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat
  2. ------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de s.a. FES IMMO op 21 juni 2004 heeft ingediend om de vernietiging, “minstens de schorsing” te vorderen van een niet nader gepreciseerde beslissing van OVAM waarbij zij ervan in kennis werd gesteld dat de gronden, gelegen te Temse en waarvan zij eigenaar is, historisch verontreinigde gronden zijn waar bodemsanering moet plaatsvinden; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT, op grond van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State; VII-32.381-1/3 Gelet op de beschikkingen van 17 en 20 september 2004, houdende bevel tot neerlegging van de verslagen en oproeping van de partijen om te verschijnen op 7 oktober 2004; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. BERGÉ die, loco Advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat het verzoekschrift de volgende uiteenzetting bevat : "Via een aangetekend schrijven van OVAM zijn wij op de hoogte gebracht dat er aanwijzingen zijn van historische verontreinigde gronden waar bodemsa- nering moet plaats vinden. Het betreft de gronden : perceel : 46025 Temse 1e afdeling, sie : B nr 0068 C. Wij zijn het er niet mee akkoord dat voornoemde gronden zijn aangewezen als historisch verontreinigde gronden. Wij zouden u dan ook willen verzoeken deze beslissing nietig te verklaren, minstens te schorsen ! Het is echter zo dat wij deze gebouwen gekocht hebben na de mogelijke verontreiniging. Tevens zijn er sinds de aankoop van deze gebouwen, geen activiteiten meer geweest in deze gebouwen. Wij zijn er dan ook van overtuigd dat wij een onschuldig bezitter zijn van deze gronden. In geval het toch verontreinigde gronden zouden zijn, zullen wij genoodzaakt zijn, binnen de 30 dagen na ontvangst van de aanmaning tot bodemsanering, het statuut van onschuldig bezitter aan te vragen"; Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing wordt ingesteld bij een afzonderlijke akte die geen deel uitmaakt van het verzoekschrift tot nietigverklaring; dat de vordering, in zoverre zij “minstens de schorsing” beoogt van de tenuitvoerleg- ging van het bestreden besluit, alleen reeds om die reden onontvankelijk is; VII-32.381-2/3 Overwegende, wat het beroep tot nietigverklaring betreft, dat artikel 2, § 1, 2/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State bepaalt dat het verzoekschrift onder meer een "uiteenzetting van de feiten en middelen" dient te bevatten; dat niet ontvankelijk is het verzoekschrift dat geen middelen bevat; dat onder "middel" moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die regel door de bestreden beslissing wordt geschonden; Overwegende dat geen middelen in het verzoekschrift kunnen worden ontwaard; dat bij gebreke aan middelen het verzoekschrift kennelijk onontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  3. De vordering tot schorsing en het annulatieberoep worden verworpen. Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig oktober tweeduizend en vier, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad Mevr. A. WIJNANTS. griffier De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. E. BREWAEYS. VII-32.381-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.383 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.