← België

Arrest 136385 - - 21/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.385 Rolnummer: A. 71688/VII-14806 Zaak: Arrest 136385 - - 21/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-28 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 12:04 Fiche Arrest nr 136.385 van 21 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.385 van 21 oktober 2004 in de zaak A. 71.688/VII-14.806. In zake : Jan VAN LOOVEREN, die woonplaats kiest bij Advocaat A. PATYN, kantoor houdende te EVERGEM, Schoonstraat 64 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jan VAN LOOVEREN op 18 oktober 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 1 augustus 1996 waarbij het beroep, ingediend door de Vlaamse Landmaatschappij tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wuustwezel van 11 maart 1996 houdende akteneming, geldend als vergunning, van de melding van Jan VAN LOOVEREN van de exploitatie van een zeugenbedrijf te 2990 Wuustwezel, Noordheuvel 40, gegrond wordt verklaard, het beroepen besluit wordt opgeheven en geen akte, geldend als vergunning, wordt genomen van de melding; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 10 februari 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; VII-14.806-1/14 Gelet op de beschikking van 2 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 september 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. NAEYAERT die, loco Advocaat A. PATYN verschijnt voor verzoeker, en van Bestuurssecretaris M. MICHIELS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de voornaamste feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De n.v. Jozef VAN LOOVEREN exploiteert te Wuustwezel een inrichting, waar kweekvarkens worden gehouden, met stallen gelegen Noordheuvel 34 en 40. Verzoeker is afgevaardigde bestuurder van deze vennootschap. Deze heeft een vergunning voor stallen voor 3.200 varkens. Zij deed in 1991 een aanvraag voor aktename van 6.400 varkens, hetgeen geweigerd werd. Op de bij die aanvraag gevoegde plannen stond de stal die ook het voorwerp uitmaakt van de nu bestreden beslissing. 1.2. Op 31 december1994 doet verzoeker melding van een nieuwe inrichting van klasse 3 (stal), met als voorwerp, wat de dieren betreft, 200 zeugen. Van deze melding wordt akte verleend door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wuustwezel op 14 november1995. De stal is, zoals blijkt uit een handelshuurovereenkomst tussen verzoeker en diens vader Jozef VAN LOOVEREN met ingang van 1 januari 1995, aan eerstgenoemde in huur gegeven. Uit de verklaringen van verzoeker op de zitting van de Provinciale Milieuvergunningscommissie van 9 juli 1996 blijkt dat na de melding van de exploitatie (vanaf 1 januari 1995) "de 200 gemelde zeugen niet meteen werden gehuisvest in de stal omdat er nog aanpassingswerken aan de binneninrichting VII-14.806-2/14 moesten uitgevoerd worden, en dat inmiddels een 100-tal zeugenstandplaatsen in orde zijn en reeds door de dieren bezet worden". 1.3. Op 1 augustus 1995 wordt de indelingslijst van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I) op een aantal punten gewijzigd, waardoor de hierboven vermelde vergunde inrichting vergunningsplichtig wordt. Op grond van artikel 38, § 1, van Vlarem I dient verzoekende partij op 28 december1995 een milieuvergunningsaanvraag in. Deze aanvraag wordt op 2 januari 1996 ontvankelijk en volledig verklaard en het college van burgemeester en schepenen verleent op 11 maart1996 de gevraagde vergunning. 1.4. Tegen deze beslissing wordt op 10 april 1996 door de Vlaamse Landmaatschappij beroep aangetekend bij de bestendige deputatie van de provincie- raad van Antwerpen op grond van de overwegingen, enerzijds dat het college ten onrechte geoordeeld heeft dat de betrokken inrichting een bestaande veeteelt- of landbouwinrichting was, en anderzijds dat er vóór de wijziging van de indelingslijst van 1 augustus 1995 geen melding is gebeurd, zodat de inplantingsregels van Vlarem II integraal moeten toegepast worden op de inrichting . 1.5. Op 1 augustus 1996 beslist de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen het beroep gegrond te verklaren, het collegebesluit op te heffen en de gevraagde vergunning bij wege van aktename te weigeren. Dit is de bestreden beslissing. Deze is, onder meer, gestoeld op volgende overwegingen : "(...) Overwegende dat de elementen aangebracht door de beroeper, gehoord door de PMVC als volgt kunnen geëvalueerd worden : uit de hogervermelde adviezen blijkt duidelijk dat het hier om een niet-bestaande veeteeltinrichting gaat. De milieuvergunningsaanvraag had dan ook betrekking op een nieuw veeteeltbedrijf. Het bestreden collegebesluit schendt dan ook artikel 5.9.1.3., §1 van VLAREM II, artikel 38 van VLAREM I en artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen; (...)"; VII-14.806-3/14 2. Beoordeling 2.1.1. Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt aangevoerd van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en van het beginsel van de niet-retroactiviteit van administratieve rechtshandelingen; dat verzoeker dit middel als volgt uiteenzet : "Doordat de bestreden beslissing gebaseerd is op art. 5.9.3.1 Vlarem II -bis juncto art. 1.1.2 Vlarem II-bis, dat in strijd is met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en het beginsel van niet-retroactiviteit van administratieve rechtshandelingen. Omdat art. 5.9.3.1 Vlarem II - bis de exploitatie en/of de verandering van een inrichting verbiedt voor Dit houdt een verbod in tot exploitatie van inrichtingen die op 1 augustus 1995 reeds enige tijd een vergunning bekomen hebben en/of tot omvorming van inrichtingen die reeds enige tijd in werking zijn, meer bepaald : - veeteeltinrichtingen die na 1 september 1991 een regelmatige bouwvergunning bekomen hebben en/of die pas na 1 januari 1993 regelmatig in exploitatie genomen werden, zodat zij voor het eerst tijdens het aanslagjaar 1994 of later een aangifte moeten indienen hebben bij de mestbank - landbouwinrichtingen die ontstaan zijn na 1 januari 1993 en die dus voor het eerst tijdens het aanslagjaar 1994 of later een aangifte moeten doen hebben bij de mestbank, verboden wordt Dergelijk verbod ontneemt de rechtsonderhorige dus retroactief en op algemene en absolute wijze, tevoren verkregen rechten, nl. het recht om zijn Daardoor is dat verbod in strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en met de principiële niet-retroactiviteit van administratieve rechtshandelingen (...). Verzoeker heeft er belang bij om de onwettigheid van art. 5.9.3.1 Vlarem II- bis juncto art.1.1.2 Vlarem II-bis in te roepen, aangezien dat hij op het ogenblik van de in werking treding van genoemd artikel (01.08.1995), het recht verworven had om een inrichting voor 200 zeugen te exploiteren. Voor het van kracht worden van de wijziging van de indelingslijst van de als hinderlijk beschouwde inrichtingen (art. 7.1.1.1 t/m 7.1.1.6 Besl.Vl.Reg, B.S., 31 juli 1995) was een zeugenhouderij met 200 zeugen in agrarisch gebied, een klasse 3 inrichting (toenmalige rubriek 9.4.C.1/). Volgens art. 4, § 2 Milieuvergunningsdecreet juncto artt. 2 en 4, § 2 Vlarem I, mag de exploitatie van een klasse 3 inrichting worden aangevat daags na de melding. Verzoeker heeft het bestaan van een nieuwe inrichting voor 200 zeugen gemeld op 31.12.1994 (stuk 3a). Bijgevolg had hij volgens de toenmalige wetgeving, vanaf 01.01.1995 het recht verworven een zeugenhouderij te exploiteren voor 200 zeugen. Dit is voor de datum van inwerkingtreding van het gewraakte art.5.9.3.1 Vlarem II-bis juncto art. 1.1.2 Vlarem II-bis (01.08.95). VII-14.806-4/14 Besluit : Zowel het art. 5.9.3.1 Vlarem II-bis juncto art. 1.1.2 Vlarem II-bis, als de bestreden beslissing die genomen is op basis van genoemde artikels, zijn nietig doordat zij in strijd zijn met het rechtszekerheids- en vertouwensbeginsel en met het beginsel van de niet-retroactiviteit van administratieve rechtshandelingen"; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop in haar memorie van antwoord repliceert als volgt : "In dit middel voert verzoeker aan dat artikel 5.9.3.1 van Vlarem II - juncto artikel 1.1.2 van Vlarem II - de rechtsonderhorige retroactief en op algemene wijze tevoren verkregen rechten ontneemt, nl. het recht om zijn inrichting die vergund was (klasse I en II) of die gemeld werd (klasse III), verder te exploiteren. Daardoor is dat verbod, en de bestreden beslissing die genomen is op basis van voornoemde artikelen, in strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en met de principiële niet- retroactiviteit van administratieve rechtshandelingen. Verweerster wijst er op dat zij geen enkel wettelijk toetsingsrecht heeft. Het komt haar dan ook niet toe om na te gaan of de artikelen 5.9.3.1 en 1.1.2 van Vlarem II al dan niet strijdig zijn met de door de verzoeker aangehaalde rechtsbeginselen. Verweerster was in onderhavig dossier verplicht om na te gaan of de inrichting voldeed aan de in beide artikelen gestelde voorwaarden en de vergunning te weigeren indien dit niet het geval was. Dat dit zo was, en verweerster bijgevolg terecht de vergunning heeft geweigerd, zal zij kunnen aantonen bij de weerlegging van de andere middelen. Het eerste middel is niet gegrond"; 2.1.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat de verwerende partij zijn stelling dat artikel 5.9.3.1 Vlarem II-bis juncto artikel 1.1.2 Vlarem II-bis, in strijd is met het rechtszekerheids- en vertrouwens- beginsel en het beginsel van de niet-retroactiviteit van administratieve rechtshande- lingen, niet weerlegt; 2.1.4. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie melding maakt van een loonkweekcontract dat de basis zou gevormd hebben voor de exploitatie van de stal vanaf het jaar 1995; 2.1.5. Overwegende dat dit element, dat voor het eerst naar voor wordt gebracht in de laatste memorie, door geen enkel bewijskrachtig gegeven wordt gestaafd; dat het bestaan van een loonkweekcontract trouwens niet werd vermeld in de "handelshuurovereenkomst" van 1 januari 1995 die als bijlage bij de vergunnings- aanvraag was gevoegd; dat dit nieuw, laattijdig meegedeeld, feitelijk gegeven dan ook niet in aanmerking kan worden genomen, los van de vraag of dit gegeven enige invloed zou hebben gehad op het al dan niet "bestaan" van de inrichting; VII-14.806-5/14 2.1.6. Overwegende dat verzoeker in essentie aanvoert dat het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel geschonden is doordat artikel 1.1.2 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II) een definitie van "bestaande veeteeltinrichting" hanteert op basis van referentiedata die in het verleden liggen, waardoor die bepaling ingrijpt in "verworven rechten"; dat van een schending van het beginsel van de niet-retroactiviteit van administratieve rechtshandelingen op zich evenwel geen sprake is vermits de artikelen 1.1.2 en 5.9.3.1 van Vlarem II niet terugwerken in de tijd maar op 1 augustus 1995 onmiddellijk in werking zijn getreden; 2.1.7. Overwegende dat vergunningen die in het verleden werden verleend -te dezen een vergunning bij akteneming- geen rechtmatig vertrouwen doen ontstaan over de vergunningstoestand in de toekomst; dat het middel niet gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat het tweede, derde en vierde middel alle betrekking hebben op de notie "bestaande inrichting"; dat de bestreden beslissing berust op het decisief motief dat de inrichting geen bestaande, maar een nieuwe inrichting is, zodat deze middelen samen worden onderzocht; dat in een tweede middel wordt gezegd dat de bestreden beslissing een verkeerde toepassing van artikel “5.9.3.1 Vlarem IIbis - juncto artikel 1.1.2 Vlarem IIbis” heeft gemaakt en de motiveringsverplichting heeft geschonden; dat in een derde middel wordt geponeerd dat artikel 38 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I) verkeerd werd toegepast; dat in een vierde middel wordt gesteld dat een verkeerde toepassing werd gemaakt van artikel 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen; dat deze middelen als volgt worden uiteengezet : 2.2.1.1. Wat betreft het tweede middel: "1.Eerste onderdeel Doordat het bestreden besluit de milieuvergunning weigert voor de inrichting van verzoeker, omdat zij geen bestaande veeteeltinrichting is in de zin van art. 1.1.2 Vlarem II-bis. Terwijl dat de inrichting van verzoeker wel een Dat de inrichting van verzoeker immers (

  1. a)beschikt over een bouwvergunning die definitief verleend werd voor 1 september 1991 (nl. in 1985, stuk 5) en (
  2. b)dat deze inrichting in 1992 gebruikt werd door de VII-14.806-6/14 N.V. Jozef Van Looveren, met zetel te 2990 Wuustwezel, Noordheuvel nr. 34, zodat de mestproduktie van deze inrichting voor het aanslagjaar 1993, geacht wordt vervat te zijn in de aangifte aan de mestbank van genoemde vennootschap. Dat de overheid derhalve ten onrechte aanneemt dat de milieuvergunningsaanvraag van verzoeker in strijd is met art.5.9.3.1 Vlarem II- bis juncto art.1.1.2 Vlarem II-bis. Dit impliceert dat het bestreden besluit een verkeerde toepassing gemaakt heeft van art. 5.9.3.1 Vlarem II-bis juncto art. 1.1.2 Vlarem II-bis. Dit is een grond tot nietigverklaring van het bestreden besluit. 2. Tweede onderdeel Het feit dat de overheid daarenboven de argumentatie van verzoeker (
  3. a)dat zijn inrichting beschikt over een bouwvergunning die definitief verleend werd voor 1 september 1991 (nl. in 1985) en (
  4. b)dat deze inrichting in 1992 gebruikt werd door de N.V. Jozef Van Looveren, met zetel te 2990 Wuustwezel, Noordheuvel 34, zodat de mestproduktie van deze inrichting voor het aanslagjaar 1993, geacht wordt vervat te zijn in de aangifte aan de mestbank van genoemde vennootschap, wat impliceert dat er voor deze inrichting wel een aangifte gedaan werd bij de mestbank, niet beantwoordt noch gemotiveerd weerlegt en dat zij er integendeel geen rekening mee blijkt te houden, houdt een schending in van de motiveringsverplichting (schending van een beginsel van behoorlijk bestuur en van art. 2 en 3 wet 29 juli 1991). De formele motiveringsverplichting is geschonden doordat noch het bestreden besluit, noch het voorafgaande advies van de Vlaamse Landmaatschappij de argumentatie van verzoeker, dat zijn inrichting een bestaande veeteeltinrichting is in de zin van art. 1.1.2 Vlarem II-bis, beantwoorden. Nochtans was de argumentatie van verzoeker op dit vlak voorafgaandelijk overgemaakt aan de Vlaamse Landmaatschappij (mestbank) en werd zij mondeling herhaald op de hoorzitting van de Provinciale Milieuvergunningscommissie (cf. p. 5 van het bestreden besluit : Aangezien dat de formele motiveringsverplichting een substantiële vormvereiste is, is de schending daarvan een grond tot nietigverklaring van het bestreden besluit. De materiële motiveringsverplichting is geschonden doordat verzoeker niet weet waarom dat de overheid geen rekening gehouden heeft met zijn argumentatie dat zijn inrichting toch een bestaande veeteeltinrichting is in de zin van art. 1.1.2 Vlarem II-bis. Ook dit onderdeel van het middel is gegrond. Het tweede middel tot nietigverklaring van het bestreden besluit is gegrond". 2.2.1.2 Wat betreft het derde middel : "Doordat het bestreden besluit aanneemt dat verzoeker zijn inrichting niet verenigbaar is met art. 38 Vlarem I, omdat het een nieuwe veeteeltinrichting is. Terwijl dat art. 38 Vlarem I betrekking heeft op Art. 38 Vlarem I bepaalt dus niet dat het slechts van toepassing is op een bestaande (veeteelt-) inrichting in de zin van art. 1.1.2 Vlarem II-bis. Door die voorwaarde te stellen (cf.advies Vlaamse Landmaatschappij) voegt het bestuur een voorwaarde toe aan art. 38 Vlarem I, die er niet in geschreven staat. VII-14.806-7/14 Uiteraard is dit onwettig. Anderzijds blijkt dat verzoeker zijn inrichting (een zeugenhouderij met 200 zeugen in agrarisch gebied) voor het van kracht worden van de wijziging van de indelingslijst van de als hinderlijk beschouwde inrichtingen (art. 7.1.1.1 t.e.m. 7.1.1.6 Besl. Vl. Reg., B.S. 31 juli 1995) een klasse 3 inrichting was (toenmalige rubriek 9.4.C.1/). Verzoeker heeft het bestaan van een nieuwe inrichting voor 200 zeugen gemeld op 31.12.1994. Daags nadien heeft hij de exploitatie aangevat. Tgv. de wijziging van de indelingslijst van de als hinderlijk beschouwde inrichtingen (art. 7.1.1.1 t.e.m. 7.1.1.6 Besl. Vl. Reg., B.S. 31 juli 1995) werd zijn klasse 3 inrichting (toenmalige rubriek 9.4.C.1/) een klasse 2 inrichting (huidige rubriek 9.4.1.C.1/). Bijgevolg verkeerde hij vanaf de inwerking treding van de gewijzigde indelingslijst effectief in de voorwaarden van art. 38 Vlarem I. Door te stellen dat de aanvraag van verzoeker niet verenigbaar was met art. 38 Vlarem I heeft de overheid dus een verkeerde toepassing gemaakt van art. 38 Vlarem I. Dit is een reden tot onwettigheid en nietigverklaring van het bestreden besluit. Het derde middel is gegrond". 2.2.1.3 Wat betreft het vierde middel : "Doordat art. 13 van het uitvoeringsbesluit enkel betrekking heeft op (
  5. a)vergunningsaanvragen tot hernieuwing van een vergunning en (
  6. b)op aanvragen tot verandering, terwijl dat verzoeker zijn vergunningsaanvraag in geen van beide categorieën kan geklasseerd worden aangezien dat ze betrekking heeft op een inrichting die door wijziging van de indelingslijst bij Vlarem I voor het eerst vergunningsplichtig is geworden. De aanvraag tot het bekomen van een vergunning voor een inrichting die nog maar pas vergunningsplichtig geworden is, kan niet beschouwd worden als een hernieuwing van een vergunning, aangezien dat de term Bijgevolg heeft de overheid ten onrechte art. 13 van het uitvoeringsbesluit toegepast op de inrichting van verzoeker"; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij daar tegenover het volgende stelt : "In het eerste onderdeel van het tweede middel voert verzoeker aan dat de artikelen 5.9.3.1 en 1.1.2 van Vlarem II verkeerd werden toegepast, aangezien verzoeker voor de inrichting beschikt over een bouwvergunning die definitief verleend werd voor 1 september 1991 (nl. in 1985) en deze inrichting in 1992 gebruikt werd door de N.V. Jozef Van Looveren, met zetel te 2990 Wuustwezel, Noordheuvel 34, zodat de mestproductie van deze inrichting voor het aanslagjaar geacht wordt vervat te zijn in de aangifte aan de Mestbank van de Vlaamse Landmaatschappij (VLM). Krachtens artikel 1.1.2 van Vlarem II kan als bestaande veeteeltinrichting enkel in aanmerking komen : een inrichting die tenminste één stal omvat met een capaciteit die overeenkomstig titel I van het Vlarem als hinderlijke inrichting is ingedeeld voor de subrubrieken 9.3 tot en met 9.8 van de indelingslijst en waarvoor de definitieve bouwvergunning werd verleend voor 1 september 1991 en waarvan VII-14.806-8/14 de toepassing van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen minstens voor het aanslagjaar 1993 voor 29 september 1993, aangifte werd gedaan bij de Mestbank. In de op de inrichting betrekking hebbende aangifte moeten de dieren zijn aangegeven. Verweerster wijst erop dat aan die voorwaarden cumulatief dient voldaan te worden. Aangezien zowel uit het advies van de Afdeling Milieuvergunningen (AMV) als dat van de VLM blijkt dat geen aangifte geschiedde bij de Mestbank in 1993, werd niet voldaan aan één van de in artikel 1.1.2 van Vlarem II gestelde voorwaarden. De inrichting kon dan ook in geen geval beschouwd worden als een bestaand veeteeltbedrijf en voldeed bijgevolg niet aan de bepalingen van artikel 5.9.3.1 van Vlarem II. Het eerste onderdeel van het tweede middel is niet gegrond. In het tweede onderdeel van het tweede middel voert verzoeker aan dat de formele motiveringsverplichting is geschonden doordat noch het bestreden besluit, noch het voorafgaande advies van de Vlaamse Landmaatschappij de argumentatie van verzoeker, dat zijn inrichting een bestaande veeteeltinrichting is in de zin van artikel 1.1.2 van Vlarem II beantwoorden. De materiële motiveringsverplichting is geschonden doordat verzoeker niet weet waarom de overheid geen rekening gehouden heeft met zijn argumentatie dat zijn inrichting toch een bestaande veeteeltinrichting is in de zin van artikel 1.1.2 van Vlarem II. De argumentatie waar verzoeker naar verwijst is deze dat hij heeft gevoerd toen hij, bijgestaan door meester Patyn, werd gehoord door de Provinciale Milieuvergunningscommissie. In het bestreden besluit worden de elementen weergegeven die verzoeker bij die gelegenheid heeft aangebracht : - de stal die het voorwerp uitmaakt van de voorliggende aanvraag werd in 1985 bouwvergund en werd in den beginne in functie van een ander bedrijf gebruikt; - in januari 1995 werd de exploitatie bij het schepencollege rechtsgeldig gemeld met hetzelfde voorwerp als in huidig dossier dat werd ingediend nadat de inrichting vergunningsplichtig werd; de 200 gemelde zeugen werden niet meteen in de stal gehuisvest omdat er nog aanpassingswerken aan de binneninrichting moesten uitgevoerd worden; een 100-tal zeugenstandplaatsen zijn inmiddels in orde en worden reeds door de dieren bezet; de werken werden gestaakt nadat de VLM beroep had ingesteld; - bij de stal hoort geen woonhuis; de stal is bereikbaar via een voldoende uitgeruste toegangsweg; - de inrichting voldoet aan de geldende afstandsregels. Hieruit blijkt, en verzoeker betwist dit niet, dat wat de toepassing van artikel 1.1.2 van Vlarem II betreft hij enkel heeft aangevoerd dat de betrokken stal reeds bouwvergund werd in 1985 en in het begin in functie van een ander bedrijf werd gebruikt. Over de andere cummulatieve voorwaarde van genoemd artikel, nl. de verplichting om aangifte te doen bij de Mestbank in 1993, werden geen elementen aangebracht. Zoals eerder gezegd bleek uit de adviezen van de AMV én van de VLM dat die aangifte niet was gebeurd voor de inrichting in kwestie. Dit was een voldoende reden om te concluderen tot niet-verenigbaarheid met artikel 1.1.2 van Vlarem II en bijgevolg de vergunning te weigeren. Verweerster diende dan ook de andere argumenten niet meer te beantwoorden. Het tweede onderdeel van het tweede middel is niet gegrond. (...) In het derde middel voert verzoeker aan dat artikel 38 van het Vlarem verkeerd werd toegepast, aangezien dit niet bepaalt dat het enkel van toepassing VII-14.806-9/14 is op een Verweerster heeft bij de weerlegging van het tweede middel aangetoond dat de inrichting niet voldeed aan de bepalingen van artikel 5.9.3.1 en 1.1.2 van Vlarem II. Dit was op zich een afdoende reden om de vergunning in beroep te weigeren aan verzoeker. Het derde middel is dan ook niet relevant. Het derde middel is niet gegrond. (...) In het vierde middel voert verzoeker aan dat artikel 13 van het uitvoeringsbesluit enkel betrekking heeft op vergunningsaanvragen tot hernieuwing van een vergunning en op aanvragen tot verandering, terwijl onderhavige vergunningsaanvraag in geen van beide categorieën kan geklasseerd worden aangezien ze betrekking heeft op een inrichting die door wijziging van de indelingslijst van Vlarem I voor het eerst vergunningsplichtig geworden is. Verweerster acht dit middel eveneens niet relevant om dezelfde redenen die zij heeft aangevoerd bij de weerlegging van het derde middel. Het vierde middel is niet gegrond"; 2.2.3. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord met betrekking tot het eerste onderdeel van het tweede middel, na herneming van de repliek van verwerende partij, stelt dat zij tijdens de hoorzitting voor de Provinciale Milieuvergunningscommissie weerlegd heeft dat er geen aangifte gedaan werd bij de Mestbank in 1993, door er op te wijzen "- dat de stal die het voorwerp is van de bestreden beslissing vanaf 1985 tot 1995 geëxploiteerd werd door de N.V. Jozef Van Looveren, waarvan de zetel gevestigd is te 2990 Wuustwezel, aan de Gooreindbaan nr. 34. - dat de N.V. Jozef Van Looveren naast de stal die het voorwerp is van de bestreden beslissing eveneens het bedrijf Noordheuvel nr. 34 te 2990 Wuustwezel exploiteert, bedrijf dat gelegen is tegenover de kwestieuze stal. - dat in de aangifte van de N.V. Jozef Van Looveren bij de mestbank, tijdens die periode eveneens begrepen waren, de dieren in de stal die het voorwerp is van de bestreden beslissing. Het feit dat N.V. Jozef Van Looveren de stal die het voorwerp is van de bestreden beslissing geëxploiteerd heeft tijdens de periode 1985-1995 als één geheel met haar inrichting Noordheuvel nr. 34, impliceert dat de aangifte aan de Mestbank van het bedrijf Noordheuvel nr. 34 ook de dieren omvat die gehouden werden in de stal die het voorwerp is van de bestreden beslissing (stuk 8). Bijgevolg is er voor het aanslagjaar 1993, voor 29 september 1993 aangifte gedaan bij de Mestbank van de dieren die gehouden werden in de stal die het voorwerp is van de bestreden beslissing. Beide voorwaarden opdat er sprake zou zijn van een Vandaar dat verweerster in het bestreden besluit ten onrechte aangenomen heeft dat verzoeker zijn inrichting geen bestaande inrichting is"; VII-14.806-10/14 dat met betrekking tot het tweede onderdeel van het tweede middel verzoeker het volgende stelt: "Dit stemt niet overeen met de realiteit: - Allereerst heeft verzoeker zijn raadsman nog voor de zitting van de Provincia- le Milieuvergunningscommissie een schrijven gericht aan de Mestbank, waarin expliciet gesteld wordt dat de mestbankaangifte voor de inrichting Noordheu- vel nr. 40 begrepen was in de mestbankaangifte van de inrichting Noordheu- vel nr. 34 die tot 1995 gezamenlijk geëxploiteerd werden door de N.V. Varkensbedrijf Jos Van Looveren en waarin gevraagd wordt daarmee rekening te willen houden om de inrichting toch als een bestaande inrichting te beschouwen (stuk 8, blz. 2, 5de al.). - Bovendien heeft verzoeker bij monde van zijn raadsman op de hoorzitting van de Provinciale Milieuvergunningscommissie nog eens herhaald dat de stal die het voorwerp is van de aanvraag (Noordheuvel nr. 40) vanaf 1985 geëxploi- teerd werd door de N.V. Jos Van Looveren die de inrichting Noordheuvel nr. 34 exploiteert en de dieren die gehouden werden in Noordheuvel nr. 40 dus aangegeven werden in de Mestbankaangifte van de N.V. Varkensbedrijf Jos Van Looveren zodat voldaan is aan de voorwaarde dat er voor het aanslag- jaar 1993, voor 29 september 1993 aangifte moet gedaan zijn bij de Mestbank. Bijgevolg stelt verweerster totaal ten onrechte dat verzoeker geen argumenten aangebracht heeft om aan te tonen dat er voor de inrichting voldaan was aan de tweede voorwaarde van art. 1.1.2 Vlarem II, nl. de verplichting om aangifte te doen bij de Mestbank in 1993. Het feit dat de verweerster de argumentatie van verzoeker terzake desondanks niet beantwoord heeft, houdt in dat de motiveringsverplichting op dat vlak alleszins geschonden werd door de verweerster. Verzoeker verwijst naar zijn verzoekschrift tot nietigverklaring. Besluit : het tweede onderdeel van het tweede middel is gegrond."; dat verzoeker met betrekking tot het derde en het vierde middel verwijst naar het verzoekschrift, stelt dat de verwerende partij de middelen niet weerlegt, en besluit dat deze gegrond zijn; 2.2.4. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie herhaalt dat het zonder belang is of de stal die het voorwerp is van de bestreden beslissing al dan niet milieuvergund was ten tijde van het indienen van de mestbankaangifte voor het aanslagjaar 1993, nu artikel 1.1.2. van Vlarem II deze voorwaarde niet stelt; dat hij zich met betrekking tot het derde en het vierde middel "gedraagt naar de wijsheid van de Raad"; 2.2.5. Overwegende dat in artikel 1.1.2 van Vlarem II, het begrip "bestaande veeteeltinrichting" als volgt gedefinieerd wordt : een inrichting die ten minste één stal omvat met een capaciteit die overeenkomstig titel I van het Vlarem als hinderlijke inrichting is ingedeeld voor de subrubrieken 9.3 tot en met 9.8 van de indelingslijst en waarvoor de definitieve bouwvergunning werd verleend voor VII-14.806-11/14 1 september 1991 en waarvan in toepassing van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen minstens voor het aanslagjaar 1993 voor 29 september 1993, aangifte werd gedaan bij de Mestbank; dat in de op de inrichting betrekking hebbende aangifte de dieren moeten zijn aangegeven; dat artikel 5.9.3.1, § 1, Vlarem II bepaalt dat onverminderd de bijkomende voorwaarden van de afdelingen 5.9.4., 5.9.5. en 5.9.6. het exploiteren en/of veranderen van een inrichting die is ingedeeld in één of meer van de subrubrie- ken 9.3, 9.4, 9.5 en 9.8 uitsluitend toegelaten is indien het een bestaande veeteeltin- richting betreft of het omvormen inhoudt van een bestaande landbouwinrichting tot een inrichting die is ingedeeld in één of meer van de subrubrieken 9.3, 9.4, 9.5 en 9.8. en dat het voldoen aan deze voorwaarden moet blijken uit het advies van de Vlaamse Landmaatschappij; 2.2.6. Overwegende dat het begrip "bestaande" inrichting uiteraard inhoudt dat de betrokken inrichting werd vergund; dat immers een niet-vergunde inrichting niet mag worden geëxploiteerd; dat uit een onwettige situatie in beginsel geen rechten kunnen voortvloeien; 2.2.7. Overwegende dat uit het advies van de afdeling Milieuvergunningen blijkt dat de n.v. Jozef VAN LOOVEREN in 1991 een aanvraag voor akteneming gedaan heeft voor 6.400 varkensplaatsen en dat de stal die ook het voorwerp uitmaakt van de thans bestreden beslissing vermeld werd op het bij die aanvraag gevoegd plan, als deel van dat bedrijf; dat deze vergunning werd geweigerd; dat aangezien de betrokken stal niet voorkwam op de plannen gevoegd bij de aanvragen van de n.v. VAN LOOVEREN van 1969, 1976 en 1978 de afdeling Milieuvergunningen besluit dat de betrokken stal enkel een in 1991 geweigerde stal kan zijn; dat verzoeker deze vaststelling niet tegenspreekt; dat evenmin wordt aangetoond dat voor het aanslagjaar 1993 met betrekking tot de te vergunnen inrichting een aangifte werd gedaan bij de Mestbank; dat de bewering dat deze aangifte gebeurde door de vroegere uitbater, de n.v. VAN LOOVEREN, niet nader wordt gestaafd; dat niet uit het oog mag worden verloren dat Jozef VAN LOOVEREN, en niet de n.v. VAN LOOVEREN, krachtens de handelshuurovereenkomst van 1 januari 1995 de stal aan verzoeker in huur heeft gegeven, wat doet vermoeden dat eerstgenoemde eigenaar was van die stal; dat niet wordt aangetoond dat deze voordien werd uitgebaat door de vennootschap; dat de afdeling Milieuvergunningen terecht stelt dat het niet "strookt met de ratio van Vlarem en het Milieuvergunningsdecreet om delen van een geweigerde inrichting af VII-14.806-12/14 te splitsen om klasseverlaging te bekomen en zo alsnog een vergunning voor een 2.2.8. Overwegende dat de verwerende partij in de bestreden beslissing verwijst naar de daarin in extenso weergegeven adviezen, waarbij zij zich aansluit; dat in die adviezen een duidelijke argumentatie is opgenomen waaruit blijkt waarom de inrichting van verzoeker geen bestaande inrichting is; dat de formele motiveringsplicht niet vereist dat op elk in het beroep afzonderlijk aangebracht argument telkens een afzonderlijk antwoord moet worden geboden; dat het volstaat dat de beslissing duidelijk de redenen doet kennen die haar verantwoorden en waaruit kan worden afgeleid waarom de in beroep verdedigde stellingen niet worden gevolgd; dat de beweerde schending van de materiële motiveringsplicht zoals uiteengezet in het verzoekschrift, eigenlijk neerkomt op een schending van de formele motiveringsplicht; 2.2.9. Overwegende dat de vaststelling dat de inrichting geen bestaande inrichting was te dezen een decisief motief was om de gevraagde vergunning te weigeren; dat het eventueel gegrond bevinden van het derde of het vierde middel niet tot nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; 2.3.1. Overwegende dat verzoeker in een vijfde middel de schending inroept van de materiële motiveringsplicht; dat verzoeker stelt dat "uit de onwettigheid van de aangehaalde artikelen en/of de verkeerde toepassing ervan in het bestreden besluit (cf. de vorige middelen tot nietigverklaring) volgt (...) dat de motivatie niet overeenstemt met de realiteit, minstens dat zij het bestreden besluit niet in rechte verantwoordt"; 2.3.2. Overwegende dat het middel niets toevoegt aan de vorige middelen die hierboven reeds ongegrond werden bevonden, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. VII-14.806-13/14 Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig oktober tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-14.806-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.385 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.