← België

Arrest 136386 - - 21/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.386 Rolnummer: A. 71233/VII-14711 Zaak: Arrest 136386 - - 21/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-02 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-04 12:05 Fiche Arrest nr 136.386 van 21 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.386 van 21 oktober 2004 in de zaak A. 71.é/VII-14.711. In zake : Antoon BLOMME, die woonplaats kiest bij Advocaat B. NAEYAERT, kantoor houdende te TORHOUT, Aartrijksestraat 38 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Antoon BLOMME op 23 september 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 18 juli 1996 houdende inwilliging van het beroep van de Vlaamse Landmaatschappij tegen het besluit van 7 maart 1996 van het college van burgemeester en schepenen van de stad TORHOUT waarbij vergunning wordt verleend aan verzoeker voor een inrichting gelegen te TORHOUT, Makeveldstraat 30, met als voorwerp een varkens- en rundveefokkerij te veranderen door uitbreiding, en houdende weigering van de gevraagde vergunning; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 19 januari 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; VII-14.711-1/12 Gelet op de beschikking van 2 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 september 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. NAEYAERT, die verschijnt voor verzoeker en van Adjunct-adviseur F. TIMMERMAN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feitelijke gegevens Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Verzoeker exploiteert een gemengde inrichting gelegen te 8820 Torhout, Makeveldstraat 30, bestaande uit, wat de dieren betreft, 160 grote zoogdieren en 149 gespeende varkens ouder dan 10 weken. De inrichting is volgens het bij koninklijk besluit van 5 februari 1979 vastgestelde gewestplan Diksmuide-Torhout gelegen in agrarisch gebied. 1.2. Op 27 december 1995 dient verzoeker bij het gemeentebestuur een milieuvergunningsaanvraag in strekkende tot het veranderen van de vergunde toestand, met name, voor wat de dieren betreft, een vermindering van het aantal grote zoogdieren met 60 runderen (tot nieuw totaal 100) en uitbreiding van het aantal varkens met 1 beer en 350 mestvarkens (tot een nieuw totaal van 500 varkens). Bij aangetekende brief van 8 januari 1996 wordt aan verzoeker meegedeeld dat de aanvraag ontvankelijk en volledig werd bevonden. 1.3. Op 7 maart 1996 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Torhout de gevraagde vergunning volledig te verlenen. VII-14.711-2/12 1.4. Tegen deze beslissing tekent de Vlaamse Landmaatschappij op 26 maart 1996 beroep aan bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West- Vlaanderen, omwille van de onverenigbaarheid van de vergunning met artikel 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (vergunningenbesluit), omwille van het niet weerleggen van haar negatief advies en omwille van onzorgvuldigheid omdat niet nagekeken werd of de vergunde uitbreiding wel voldoet aan de inplantingsregels. Op 8 juli 1996 verklaart de bestendige deputatie dit beroep gegrond en wordt de gevraagde vergunning geweigerd. Dit is de bestreden beslissing. Deze is als volgt gemotiveerd : "(...) Overwegende dat de aanvraag werd ingediend op 27/12/1995; dat het bericht over de ontvankelijkheid en volledigheid van de aanvraag gedateerd is 8/1/1996; dat eveneens op 8/1/1996 de vragen voor advies werden verstuurd; dat in het besluit van het College van Burgemeester en schepenen is vermeld dat het dossier ontvankelijk en volledig is verklaard op 8/1/1996; Overwegende dat de aanvraag valt onder de toepassing van art. 13 van het Besluit van de Vlaamse Regering dd. 20.12.1995 tot uitvoering van art. 33 en 34 van het Mestdecreet; dat er volgens dit art. 13 in 1996 voor vergunningsaan- vragen met betrekking tot de rubrieken 9.3 tot 9.8 van de indelingslijst uitsluitend vergunningen mogen verleend worden voor - hernieuwing van een milieuvergunning van een bestaande veeteeltinrichting waarvan de eindtermijn verstrijkt tussen 1.1.1996 en 1.7.1998, voor een termijn van een jaar; - verandering van de milieuvergunning van een bestaande veeteeltinrichting die voldoet aan de voorwaarden van gezinsveeteeltbedrijf, zonder dat daarbij een stijging van de mestproduktie plaatsgrijpt, eveneens voor een termijn van een jaar; Overwegende dat de aanvraag hier niet aan voldoet vermits de uitbreiding met 351 varkens een bijkomende mestproductie zal meebrengen, zoals reeds in eerste aanleg door de Vlaamse Landmaatschappij werd geadviseerd; dat in tegenstelling tot wat de exploitant verklaart er wel degelijk een stijging is van de P205-productie op de inrichting; dat de aanvraag dus dient geweigerd te worden; Overwegende dat in bijkomende orde wordt vastgesteld dat de inrichting niet voldoet aan de afstandsregels opgelegd in titel II van het Vlarem maar wel aan de uitzonderingsregels op de verbods- en afstandsregels, door de omvorming naar een gesloten varkenshouderij"; 2. Beoordeling 2.1.1. Overwegende dat in een eerste middel het volgende wordt gesteld: VII-14.711-3/12 "De gewraakte beslissing tot weigering van de aangevraagde verandering van inrichting schendt artikel 33 en 34 van het decreet van de Vlaamse Regering dd. 23 januari 1991, zoals gewijzigd door het decreet van de Vlaamse Raad dd. 20 december 1996, en artikel 46 van (

  1. de)gewone wet op de hervorming der instellingen inzoverre ze de bepalingen toepast van het vergunningsbesluit van 20 december 1995 tot uitvoering van artikel 33 en 34 van het mestdecreet, dewelke strijdig zijn met artikel 33 en 34 van het mestdecreet en derhalve ook met het wettigheidsbeginsel en artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 op de hervorming der instellingen; 1. Ingevolge het wettigheidsbeginsel dat op de uitvoerende macht van toepassing is en dat geconcretiseerd wordt in artikel 20 en 78 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 voor de Gemeenschappen en de Gewesten heeft de Vlaamse regering geen andere bevoegdheden dan die welke de Grondwet en de wetten en decreten krachtens de Grondwet uitgevaardigd, haar uitdrukkelijk toekennen en kan de Vlaamse regering bij de uitvoering van de decreten nooit de decreten zelf schorsen of vrijstelling van hun uitvoering (...) verlenen. De Vlaamse regering moet derhalve de hogere rechtsnormen, zoals de internationale verdragen en de Grondwet evenals de decreten zelf eerbiedigen. Zij mag niet in strijd met deze hogere rechtsnormen handelen. Wanneer de werking in de tijd van een decreet uitdrukkelijk en specifiek wordt geregeld in het decreet zelf, kan de Vlaamse regering geen daarmee strijdige uitvoeringsbesluiten nemen. 2. Artikel 33 van het mestdecreet bepaalt in paragraaf 1 : 'De difosforpentoxydeproduktie en de stikstofproduktie in het Vlaamse Gewest, berekend op basis van de volledige veestapel vermenigvuldigd met de produktiehoeveel heden per dier en per jaar overeenkomstig artikel 5, mogen niet groter zijn of worden dan de difosforpentoxideproduktie en de stikstofproduktie van de veestapel zoals deze gekend waren op basis van de gegevens van de land- en tuinbouwtelling van 15 mei 1992. Deze difosforpentoxydeproduktie en stikstofproduktie worden respectievelijk vastgesteld op 75 miljoen kg difosforpentoxyde en 169 miljoen kg stikstof. De Vlaamse Regering stelt vast dat één van de twee van de hierboven vastgestelde maxima bereikt of overschreden zullen worden. Vergunnings- aanvragen, met uitzondering van hernieuwing van vergunning en volledige verplaatsing zoals voorzien in artikel 34, par. 3, 1 en 2°, ingediend in toepassing van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergun- ning na de datum van publikatie van deze vaststelling mogen niet meer verleend worden.' In een katern van het Belgisch Staatsblad van 30 december 1995 wordt in het besluit van 20 december 1995 tot uitvoering van artikel 33, paragraaf 1, van het mestdecreet bepaald in artikel 1 : 'De difosforpentoxideproduktie en de stikstofproduktie van de volledige veestapel in het Vlaamse gewest berekend overeenkomstig artikel 5 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen bedragen - op basis van de gegevens van de land- en tuinbouwtelling van 15 mei 1994 - respectievelijk 76,9 miljoen kg en 171,7 miljoen kg en overschrijden hierdoor de maxima zoals vastgesteld in artikel 33, par. 1 van voormeld decreet.' Het betreffende besluit is ergens tussen 5 en 16 januari 1996 gepubliceerd. In een katern van hetzelfde Belgisch Staatsblad van 30 december 1995, ook ergens tussen 5 januari en 16 januari 1996 gepubliceerd, werd het besluit van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het mestdecreet gepubliceerd. Artikel 3 van het besluit bepaalt nader onder welke voorwaarden er nog vergunningen kunnen afgeleverd worden wanneer de in artikel 33, par. 1 van het mestdecreet vastgestelde maxima overschreden zijn. Artikel 11 van het besluit tot uitvoering van artikel 33 en 34 van het mestdecreet bepaalt verder : VII-14.711-4/12 'Dit besluit is niet van toepassing op de vergunningsaanvragen waarvan de datum van ontvankelijkheid en volledigheidsverklaring ligt voor de inwerkingtreding van dit besluit.' Artikel 12 bepaalt : 'Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1996'. 3. Het besluit van de Vlaamse regering tot uitvoering van artikel 33 en 34 van het mestdecreet gaat dus verder dan hetgeen waartoe zij krachtens artikel 33 en 34 van het mestdecreet is gemachtigd, wat strijdig is met artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. i. Volgens het mestdecreet, artikel 33 en 34, mogen de beperkingen inzake milieuvergunningsaanvragen worden toegepast op milieuvergunningsaanvragen die zijn ingediend ná datum van publikatie van het besluit van de Vlaamse regering dd. 20 december 1995 tot uitvoering van artikel 33, par. 1 van het mestdecreet. Als moment van inwerkingtreding van de beperkingen op de toekenning van aangevraagde milieuvergunningen is dus in artikel 33 van het mestdecreet duidelijk en ondubbelzinnig aangeduid de datum van publikatie in het Belgisch Staatsblad van de vaststelling dat de difosforpentoxideproduktie en de stikstofproduktie in het Vlaamse Gewest de daarin bepaalde norm hebben overschreden. Deze datum valt ergens tussen 5 januari en 16 januari. ii. Volgens het besluit van de Vlaamse regering tot uitvoering van artikel 33 en 34 van het mestdecreet mogen voormelde beperkingen reeds worden toegepast op alle dossiers die niet ontvankelijk en volledig zijn verklaard voor 1 januari 1996. 4. De aanvraag van verzoeker werd ingediend op 27 december 1995. Vo1gens het mestdecreet, artikel 33 en 34, zijn de beperkingen inzake milieuvergunning, zoals daarin bepaald, niet van toepassing nu verzoeker zijn aanvraag heeft ingediend op 27 december 1995, zijnde voor de datum van publikatie van de vaststelling zoals in artikel 33 paragraaf 1 van het mestdecreet bepaalt. Volgens het uitvoeringsbesluit zouden de beperkingen wel van toepassing zijn omdat de aanvraag van konkluant ontvankelijk en volledig werd verklaard na 1januari 1996 namelijk op 8 januari 1996. Wanneer de Bestendige Deputatie aldus de beperkingen inzake de toekenning van (
  2. de)milieuvergunning conform artikel 11 tot en met 13 van het besluit van de Vlaamse regering tot uitvoering van artikel 33 en 34 van het mestdecreet reeds toepast op het dossier van verzoeker, in strijd met artikel 33 en 34 van het mestdecreet, schendt zij artikel 46 van de gewone wet op de hervorming der instellingen dat bepaalt dat de handelingen van de provincies niet mogen in strijd zijn met de decreten en de reglementen van de Gemeenschappen of de Gewesten. Wanneer een uitvoeringsbesluit strijdig is met een decreet moet de Bestendige Deputatie uiteraard het decreet toepassen, en niet het uitvoeringsbesluit, gezien de hierarchie der normen en artikel 20 van de bijzondere wet op de hervorming der instellingen. Decreet én uitvoeringsbesluit toepassen is immers onverenigbaar en leidt tot het tegenovergestelde resultaat. 5. De beslissing van de Bestendige Deputatie is derhalve onwettig"; 2.1.2. Overwegende dat in een tweede, daarmee verband houdend, middel wordt uiteengezet wat volgt : "De gewraakte beslissing is onwettig in zoverre ze is gesteund op artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering dd. 20 december 1995 dat ingevolge artikel 11 en 12 van voormeld besluit van toepassing zou zijn, gezien deze VII-14.711-5/12 artikelen 11 en 12 een schending van het gelijkheidsbeginsel uitmaken en derhalve zelf onwettig zijn; 1. Artikel 11 van het besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van artikel 33 en 34 van het mestdecreet bepaalt : 'Dit besluit is niet van toepassing op de vergunningsaanvragen waarvan de datum van ontvankelijkheid en volledigheidsverklaring ligt voor de inwerking- treding van dit besluit.' Artikel 12 bepaalt : 'Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1996.' Het door artikel 11 van het besluit naar voor gebrachte criterium voor het al dan niet van toepassing zijn van het besluit is geen objectief en redelijk verantwoord criterium. Het biedt geen objectief en relevant criterium om verzoekers vergunningsdossier anders te behandelen dan dit van een rechts- onderhorige die eveneens voor 1 januari een milieuvergunningsaanvraag zou hebben ingediend en wiens dossier wél nog vóór 1 januari 1996 ontvankelijk en volledig werd verklaard. Op die manier wordt het al dan niet van toepassing zijn van het besluit van 20 december 1995, met toch wel erg verregaande consequenties, afhankelijk van de willekeur van en/of de capaciteit van behandeling door de lokale of provinciale instantie die bevoegd is om het milieuvergunningsdossier te behandelen en die overeenkomstig artikel 36.10 van het besluit van de Vlaamse Executieve dd. 6 februari 1991 over veertien kalenderdagen tijd beschikt voor haar onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid. De bedoeling van de Vlaamse regering zal wellicht geweest zijn te vermijden dat nog vlug vóór het inwerkingtreden van het besluit slordige en hoogst onvolledige dossiers zouden zijn ingediend omdat men gehoord had van de in aantocht zijnde uitvoeringsbesluiten, wetende dat ze een verstrenging van het vergunningenbeleid zou inhouden, en men hoopte de toepassing van deze wetgeving te vermijden door nog vlug een aanvraag met weliswaar een onvolledig dossier in te dienen dat men dan naderhand wel zou aanvullen. Dit zou voor de behandelende administratie heel wat niet te verrechtvaardigen werk hebben meegebracht. Er is echter geen enkele verrechtvaardiging om ontvankelijke en volledige dossiers die vóór 1 januari 1996 werden ingediend anders te behandelen naargelang van de datum van ontvankelijkheids- en volledigheidsverklaring. Enkel de datum van indiening op dergelijke wijze dat het dossier ontvankelijk en volledig zou dienen verklaard te worden, kan als objectief en relevant criterium worden weerhouden. Verzoeker heeft zijn dossier ingediend voor 1 januari 1996 en dit dossier was blijkbaar van meetaf aan volledig. Er is geen enkel redelijk, objectief te verantwoorden criterium naar voor te schuiven om reden waarvan de dossiers die vóór de inwerkingtreding van het besluit zijn ingediend op dergelijke wijze dat ze ontvankelijk en volledig dienden verklaard te worden, op ongelijke wijze mogen behandeld worden naar gelang de datum waarop de effectieve ontvankelijkheids- en volledigheidsverklaring is gebeurd. 2. Ook om die reden mocht de Bestendige Deputatie zich niet beroepen op artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van artikel 33 en 34 van het mestdecreet om de vergunning van konkluant te weigeren"; 2.1.3. Overwegende dat de verwerende partij op deze middelen in haar memorie van antwoord als volgt repliceert : VII-14.711-6/12 "De stelling van verzoeker komt erop neer dat de Bestendige Deputatie ten onrechte het Mestactieplan (hierna: MAP) heeft toegepast op de voorliggende aanvraag. Zo zouden volgens verzoeker de bepalingen van art. 11 en 12 van het besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van art. 33 en 34 van het mestdecreet verder gaan dan hetgeen volgens art.33 en 34 van het mestdecreet mogelijk is. Verder stelt verzoeker dat er geen enkele rechtvaardigingsgrond is om ontvankelijke en volledige dossiers die vóór 1/1/1996 werden ingediend anders te behandelen naargelang van de datum van ontvankelijkheids- en volledig- heidsverklaring. Verzoek(
  3. er)beweert dat het betreffende besluit 'ergens' tussen 5 en 16 januari is gepubliceerd. De Bestendige Deputatie kan enkel maar vaststellen dat het Belgisch Staatsblad, waarin zowel de wijzigingen aan het mestdecreet als bijhorende uitvoeringsbesluiten staan, gedateerd is op 30/12/1995. Het uitvoeringsbesluit zelf dateert van 20/12/1995 en art. 12 van dit besluit bepaalt dat het besluit in werking treedt op 1/1/1996, dit is 2 dagen na de datum van het Belgisch Staatsblad. De Bestendige Deputatie kan er in geen geval voor verantwoordelijk gesteld worden dat er met de effectieve verschijning van het Belgisch Staatsblad problemen zijn geweest. Wettelijk is het Belgisch Staatsblad gedateerd op 30/12/1995 en er is de Bestendige Deputatie geen enkele wet of geen enkele uitspraak bekend waaruit zou kunnen afgeleid worden dat er een andere datum in aanmerking moet genomen worden. De bewuste aanvraag is ingediend op woensdag 27/12/1995. Het ontvankelijk en volledig verklaren houdt in dat de bevoegde overheid nagaat of de ingediende aanvraag beantwoordt aan de bepalingen van art.5 van het Vlaams Reglement betreffende de Milieuvergunningen (Vlarem I). Dit houdt een echt onderzoek in; art. 5 §§ 2 en 3 Vlarem 1 sommen immers liefst 25 punten op waaraan de aanvraag moet getoetst worden. Pas als die toetsing is gedaan, kan de bevoegde overheid naar behoren stellen dat de aanvraag daadwerkelijk ontvankelijk en volledig is. Het milieuvergunningsdecreet voorziet dan ook dat de voorziene vergun- ningsprocedure pas begint te lopen van zodra een milieuvergunningsaanvraag ontvankelijk en volledig is. M.a.w. een vergunningsdossier wordt pas vanaf dan als een echt dossier beschouwd. Dossiers die weliswaar al ingekomen zijn vóór 1/1/1996, maar op die datum nog niet onderzocht zijn op hun ontvankelijkheid en volledigheid vallen dan ook onder het MAP volgens art. 11 van het uitvoeringsbesluit. Pas op 8/1/1996 werd de voorliggende milieuvergunningsaanvraag door het College van Burgemeester en Schepenen ontvankelijk en volledig verklaard. M.a.w. volgens het Vlarem is het dossier pas op dat moment een echt dossier geworden. In tegenstelling tot wat verzoeker inroept is het criterium van de ontvankelijk- en volledigheidsverklaring dus helemaal niet willekeurig of discriminerend; het omgekeerde zou pas problematisch zijn: een haastig bij elkaar geraapt milieuver- gunningsdossier dat eind december 1995 vlug wordt binnengebracht zou volgens de redenering van de exploitant nog ontsnappen aan het MAP (m.a.w. beschouwd moeten worden als een dossier anno 1995), terwijl voor ditzelfde dossier redelijkerwijze pas in 1996 de ontvankelijkheid en de volledigheid kan onderzocht zijn (m.a.w. beschouwd moeten worden als een dossier anno 1996). Het bewuste artikel 11 van het uitvoeringsbesluit is dan ook een logisch uitvloeisel van dit systeem: de aanvraag is pas een echt dossier geworden op 8/1/1996; op 8/1/1996 was het MAP reeds van kracht geworden en bijgevolg werd de aanvraag terecht getoetst aan het MAP. Er valt evenmin in te zien waarom deze toepassing een schending zou inhouden van het gewijzigde mestdecreet. VII-14.711-7/12 Deze ingeroepen middelen missen dus elke grond"; 2.1.4. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord omtrent het eerste middel het volgende betoogt : "Verwerende partij ontmoet geenszins dit middel. Er wordt niet ten gronde op geantwoord. Zelfs indien het Belgisch Staatsblad niet geantidateerd was, blijft de situatie nog net eender, gezien de aanvraag van verzoeker in ieder geva1 was ingediend voor 30 december 1995, namelijk op 27 december 1995 zodat de vergunningsbesluiten niet mogen worden toegepast op de aanvraag van verzoeker. Dit overeenkomstig artikel 33, paragraaf 1, tweede lid van het gewijzigde mestdecreet. Verzoeker is overigens niet de enige die ten eerste de antidatering van het Belgisch Staatsblad heeft opgemerkt (zie Van Hoorick, De nieuwe mestwetgeving in het Vlaamse Gewest, T.M.R., 1996, p. 126) en ten tweede ook de discrepantie tussen decreet en uitvoeringsbesluit i.v.m. de toepassing in de tijd heeft opgemerkt (Van Hoorick, l.c., p. 149)"; dat hij omtrent het tweede middel het volgende uiteenzet : "Verwerende partij ontmoet evenmin dit middel. Het is evident dat moest vermeden worden dat 'haastig bij elkaar geraapte milieuvergunningsdossiers' werden binnengebracht om toch voor de datum van inwerkingtreding van het vergunningsbesluit de aanvraag te hebben ingediend. In casu had verzoeker echter een volledig dossier binnengebracht op 27 december 1995.Het is duidelijk dat als toepassingsvoorwaarde in de tijd enkel redelijk en objectief te verantwoorden is dat alle volledige dossiers die werden ingediend voor de publikatie van de vergunningsbesluiten, niet onderworpen zijn aan de in het vergunningsbesluit opgelegde beperkingen. Dit overeenkomstig artikel 33 van het Mestdecreet. Alle later ingediende aanvragen of vroeger ingediende aanvragen met onvolledig dossier vallen onder het vergunningenbe- sluit. Voorzover men dan het Belgisch Staatsblad niet antidateerde had men een volledig sluitende en vanuit de beginselen van behoorlijk bestuur en behoorlijke regelgeving perfect aanvaardbare regeling"; 2.1.5. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie stelt dat "het verbod dat door artikel 11 van het vergunningenbesluit wordt opgelegd verder (teruggaat) in de tijd dan het verbod dat kan opgelegd worden in uitvoering van artikel 33, § 1, tweede lid van het mestdecreet"; dat hij daaruit afleidt dat er geen decretale basis bestaat voor dit verbod wanneer het wordt toegepast op aanvragen die vóór 31 december 1995 zijn ingediend ; dat hij met betrekking tot de ingeroepen schending van het gelijkheidsbeginsel het volgende betoogt : "De vraag is of het criterium van onderscheid tussen aanvragen die vanaf 17 december zijn ingediend en wel ontvankelijk en volledig zijn verklaard voor 1 januari 1996 en dossiers die vanaf 17 december 1995 zijn ingediend en niet ontvankelijk en volledig zijn verklaard een relevant onderscheid is (...). Het is niet pertinent, niet relevant ten aanzien van het doel, namelijk vermijden dat onvolledige en slordige dossiers nog overhaast zouden worden ingediend...."; VII-14.711-8/12 2.1.6. Overwegende dat het voormelde artikel 33, § 1, tweede lid, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (Meststoffendecreet) zoals het gold ten tijde van de bestreden beslissing luidt als volgt : "De Vlaamse regering stelt vast dat één van de twee van de hierboven vastgestelde maxima bereikt of overschreden zullen worden. Vergunningsaan- vragen, met uitzondering van hernieuwing van vergunning en volledige verplaatsing zoals voorzien in art. 34, §§ 3, 1°/ en 2°/, ingediend in toepassing van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning na de datum van publikatie van deze vaststelling mogen niet meer verleend worden"; dat verzoeker zich niet in één van de twee vermelde uitzonderingsgevallen bevindt vermits hij een verandering heeft aangevraagd, terwijl de uitzonderingen enkel betrekking hebben op een hernieuwing of een volledige verplaatsing; dat deze tekst voorts enkel bepaalt dat vergunningen niet meer mogen verleend worden indien ze ingediend zijn na de publicatie van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van artikel 33, § 1, van het Meststoffendecreet (vaststelling maxima difosforpentoxydeproductie en stikstofproductie in het Vlaamse Gewest); dat dit besluit werd bekendgemaakt in het Staatsblad van 30 december 1995; dat hieruit volgt dat er geen vergunningen meer worden verleend indien de aanvragen ingediend zijn ná 30 december 1995; dat dit evenwel niet impliceert dat aanvragen die ingediend werden vóór die datum automatisch zouden ontsnappen aan alle beperkingen ingevolge de gewijzigde mestreglementering, a fortiori dat deze aanvragen automatisch een gunstig gevolg zouden krijgen; dat verzoeker op basis van deze bepaling ook meent te mogen besluiten dat de Vlaamse regering in haar Vergunningenbesluit van 20 december 1995 op onwettige wijze in artikel 11 heeft bepaald dat de beperkingen opgelegd door dat besluit niet van toepassing zijn op aanvragen waarvan de datum van ontvankelijkheids- en volledigheidsverklaring ligt voor de inwerkingtreding van het besluit (d.i. 1 januari 1996), omdat dit in strijd zou zijn met hetgeen in artikel 33, § 1, tweede lid van het Meststoffendecreet is bepaald; dat artikel 33, § 1, tweede lid, van het voormelde decreet een verbod oplegt voor het afleveren van vergunningen indien de aanvragen ingediend zijn ná 30 december 1995; dat artikel 11 van het Vergunningenbesluit enkel bepaalt dat aanvragen die vóór 1 januari 1996 volledig en ontvankelijk zijn verklaard ontsnappen aan de beperkingen opgelegd door dat besluit; dat het ene niet in tegenspraak komt met het andere, zodat niet kan worden aangenomen dat artikel 11 van het Vergunningenbesluit artikel 33, § 1, tweede lid van het Meststoffendecreet miskent; dat verzoeker ook aanvoert dat zowel het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van artikel 33, § 1, tweede lid, van het Meststoffendecreet, als het Vergunningenbe- VII-14.711-9/12 sluit van dezelfde datum weliswaar opgenomen zijn in een katern van het Belgisch Staatsblad van 30 december 1995, maar dat dit katern slechts zou verschenen zijn "ergens tussen 5 en 16 januari 1996"; dat echter alleen kan worden vastgesteld dat beide besluiten opgenomen zijn in het Belgisch Staatsblad van 30 december 1995; dat hierboven is gebleken dat er geen contradictie is tussen artikel 33, § 1, tweede lid, van het Meststoffendecreet en artikel 11 van het Vergunningenbesluit, zodat wat dit aspect betreft niet valt in te zien hoe de beweerde verschijning, "ergens tussen 5 en 16 januari 1996" een ander licht op de aangevoerde onwettigheid zou kunnen werpen; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.1.7. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van het gelijkheidsbeginsel; dat vergelijkingen die betrekking hebben op situaties, geregeld door bepalingen die op verschillende tijdstippen van toepassing zijn, niet moeten worden onderzocht om na te gaan of die bepalingen in overeen- stemming zijn met het gelijkheidsbeginsel; dat anders elke wijziging van de reglementering onmogelijk zou worden; dat een wijziging van de reglementering door het bepalen van het tijdstip waarop zij uitwerking heeft een onderscheid invoert tussen rechtsverhoudingen die onder toepassing van de nieuwe regelgeving vallen en rechtsverhoudingen die er niet onder vallen; dat dit onderscheid op zich geen schending inhoudt van het gelijkheidsbeginsel; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.2. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie afstand doet van het derde middel; 2.3.1. Overwegende dat het vierde middel als volgt is gesteld : "De gewraakte beslissing is onwettig in zoverre ze is gesteund op artikel 13 van het besluit van de Vlaamse regering dd. 20 december 1995 dat ingevolge artikel 11 en 12 van voormeld besluit van toepassing zou zijn, gezien deze artikelen 11 en 12 een schending inhouden van het principe volgens hetwelk de inmenging in het domein van de openbare vrijheden, in casu de vrijheid van handel en nijverheid, een aangelegenheid is die is voorbehouden aan het optreden van de wetgever; (...) In casu wordt door het uitvoeringsbesluit van 20 december 1995 tot uitvoering van artikel 33 en 34 van het mestdecreet de vrijheid van handel en nijverheid beperkt op een wijze die geen steun vindt in een decretale norm en deze norm zelfs tegenspreekt wat betreft de toepassing in de tijd van deze beperking. Ook om deze reden is het vergunningenbesluit onwettig en mocht het in de gewraakte beslissing niet worden toegepast"; VII-14.711-10/12 2.3.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord daar tegenover het volgende stelt: "In dit middel roept verzoeker de veel gehoorde klaagzang in dat de milieuwetgeving in het algemeen, en het MAP in het bijzonder, een schending inhoudt van de vrijheid van handel en nijverheid. Deze algemene kritiek hoort in feite niet thuis in een verzoekschrift tot nietigverklaring van een beslissing inzake een individuele milieuvergunnings- aanvraag. Het is niet de taak van de Bestendige Deputatie in haar hoedanigheid van vergunningverlenende overheid om bij toepassing van de toepasselijke Vlaamse milieuwetgeving te onderzoeken of de Vlaamse overheid soms niet te ver gegaan is in haar regelgeving. Verzoekende partij toont bovendien niet aan of en waarom juist het uitvoeringsbesluit de vrijheid van handel en nijverheid schendt, terwijl het mestdecreet dit niet zou schenden. Volgens de Bestendige Deputatie maken mestdecreet en bijhorende uitvoeringsbesluiten deel uit van één onlosmakelijk geheel (het MAP). Als men het MAP de schending van vrijheid van handel verwijt, dan moet men m.a.w. het eigenlijke decreet aanvechten. Zoals geweten behoort dit laatste enkel tot de bevoegdheid van het Arbitragehof, en niet tot de bevoegdheid van de Raad van State. Trouwens, de milieuvergunningverlenende overheid dient zijn beslissing te steunen op milieutechnische en stedenbouwkundige aspecten, wat in casu gebeurd is"; 2.3.3. Overwegende dat verzoeker evenwel niet aangeeft welke bepalingen van het Vergunningenbesluit de vrijheid van handel en nijverheid beperken zonder dat hiervoor een decretale basis aanwezig is; dat het middel in die mate niet ontvankelijk is; dat voorts uit de bespreking van dat middel is gebleken dat er geen sprake is van enige contradictie tussen artikel 33, § 1, tweede lid, van het Meststof- fendecreet en artikel 11 van het Vergunningenbesluit; dat het middel in die mate ongegrond is; 2.4.1. Overwegende dat in een vijfde middel de schending wordt ingeroepen "van artikel 5.9.4.5, derde alinea Vlarem IIbis, van artikel 2 en 3 van het decreet (sic) van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandeling- en en van artikel 46 van de gewone wet tot hervorming der instellingen"; dat dit middel is gericht tegen de in het bestreden besluit in bijkomende orde gegeven motivering betreffende het aspect van de ruimtelijke scheiding tussen de inrichting en de nabijgelegen woningen; dat het motief betreffende de mestproductie volstond om de aanvraag te weigeren; dat het middel derhalve opkomt tegen een bijkomend motief, zoals in de bestreden beslissing trouwens gesteld; dat het bijgevolg niet tot nietigverklaring kan leiden en niet ontvankelijk is, VII-14.711-11/12 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig oktober tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-14.711-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.386 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.