← België

Arrest 136387 - - 21/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.387 Rolnummer: A. 103596/XIV-3364 Zaak: Arrest 136387 - - 21/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-23 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 12:05 Fiche Arrest nr 136.387 van 21 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.387 van 21 oktober 2004 in de zaak A. 103.596/XIV-3364. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. BAHRAMI, kantoor houdende te 1210 BRUSSEL, Koningsstraat 229 tegen : 1. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, 2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnen- landse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 20 juli 1976 en van XXX nationaliteit, op 19 april 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 19 maart 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 20 september 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij verstuurd op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 21 mei 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-3364-1/8 Gelet op de beschikking van 9 januari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 11 februari 2004 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat A. BAHRAMI verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-adviseur V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 12 september 2000 en verklaart zich vluchteling op 13 september 2000. 1.2. Op 20 september 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 19 maart 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 8 januari 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de P. taal machtig is, en in aanwezigheid van haar advocaat, Mr. Wijnants. Betrokkene, die verklaart de XXX nationaliteit te bezitten, zou afkomstig zijn van S. Vanaf farvardin 1378 (maart-april 1999) zou betrokkene stage hebben gelopen in de educatieve instelling ‘A.’ te S. In aban (oktober-november) van hetzelfde jaar zou de eigenaar van de instelling de directeur ontslagen hebben en zelf de functie van directeur hebben overgenomen. Tijdens de pauze zou hij geregeld met betrokkene komen praten zijn over politiek. Na enkele maanden zou de directeur betrokkene lastig beginnen te vallen zijn. Op 15 farvardin 1379 (4 april 2000) zou betrokkene omwille hiervan haar ontslag hebben ingediend en gevraagd hebben haar documenten die ze had moeten afgeven, terug te krijgen. De directeur zou die echter niet hebben willen teruggeven. Betrokkene zou de maanden daarna nog verscheidene malen teruggegaan zijn, maar de directeur zou telkens geweigerd hebben de documenten terug te geven. Hij zou ook gedreigd hebben dat ze moest doen wat hij wou omdat hij een spion was voor de regering. Vervolgens zou betrokkene, 2 à 3 maanden na indiening van haar ontslag, klacht neergelegd hebben bij de gezondheidsdienst. Daar zouden ze haar niet kunnen helpen hebben omdat de directeur van de instelling gesteund werd door K. Vervolgens zou XIV-3364-2/8 betrokkene, op advies van een advocaat, klacht gaan indienen zijn op het ministerie van Arbeid. De raadgever van dit ministerie zou haar ook niet willen helpen hebben, maar zou haar doorgestuurd hebben naar de ‘dienst Bescherming’ van hetzelfde ministerie. Daar zouden ze haar gezegd hebben dat ze een brief moest schrijven waarin ze haar probleem uitlegde. Nadat men haar zou verzekerd hebben dat de brief geheim zou blijven, zou betrokkene de brief geschreven en afgegeven hebben. Enkele dagen later zou betrokkene, toen ze op straat liep met een vriendin, opgepakt zijn door een man van de informatiedienst van de regering. Betrokkene zou opgesloten zijn op de informatiedienst van S. Daar zou ze ondervraagd zijn waarom ze de regering en de islam niet volgde. Na twee dagen zou betrokkene vrijgelaten zijn nadat haar vader de eigendomsakte van hun huis als borg had gesteld en betrokkene een verklaring had ondertekend dat ze niet meer politiek actief zou zijn en niets meer zou doen dat in strijd was met de wet. Twee dagen later zou betrokkene telefoon hebben gekregen van de directeur om te zeggen dat ze nu wel wist hoeveel macht hij had. Op 5 shahrivar 1379 (26/8/2000) zou betrokkene een politieke bijeenkomst bijgewoond hebben. Toen ze naar huis zou gegaan zijn, zou ze opgepakt zijn en opgesloten op een onbekende plaats. Betrokkene zou geblinddoekt zijn en gedwongen om zo een brief te ondertekenen zonder te weten wat de inhoud was. Vervolgens zouden ze haar terug afgezet hebben op de plaats waar ze gearresteerd werd. Intussen zou er bij betrokkene thuis een huiszoeking gebeurd zijn. Enkele dagen later zou er een convocatie afgegeven zijn voor betrokkene terwijl ze zelf niet thuis was. Nog diezelfde dag zou betrokkene besloten hebben XXX te ontvluchten. Haar vader zou haar die dag met de auto naar B. hebben gebracht. Vervolgens zou ze de grens met T. overgestoken zijn. Dan is ze in vrachtwagen naar S. gegaan. Vandaar zou ze in verschillende auto’s via I. naar B. gereisd zijn. Daar is ze op 12 september 2000 aangekomen en heeft er de volgende dag asiel aangevraagd. Vooreerst dient opgemerkt te worden dat betrokkene, in de loop van haar asielprocedure, een aantal manifest tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd waardoor de oprechtheid van de asielaanvraag ernstig in twijfel kan worden getrokken. Zo verklaart ze tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal dat ze de eerste keer zou vrijgelaten zijn nadat haar vader de eigendomsakte van het huis als borg had gesteld en nadat ze zelf een brief had ondertekend dat ze niet meer politiek actief zou zijn en niets meer zou doen dat in strijd was met de wet (p.7 en 11). Volgens haar verklaring tegenover (

  1. de)Dienst Vreemdelingenzaken zou betrokkene een blanco blad moeten ondertekend hebben, waarna ze zou vrijgelaten zijn (bijlage p.4). Tijdens haar verhoor op het Commissariaat-generaal (p.8) en in haar verzoekschrift in dringend beroep (p.7) beweert betrokkene dat ze bij de tweede opsluiting werd gedwongen om geblinddoekt een verklaring te ondertekenen, waarvan ze de inhoud dus niet kende. Betrokkene zou bovendien niet geweten hebben waar ze opgesloten was. Tegenover (
  2. de)Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde betrokkene echter dat ze was opgesloten in een gebouw achter S., waar ze de eerste keer zou zijn vastgehouden. Voor haar vrijlating zou ze een verklaring moeten ondertekend hebben waarin stond dat ze niet meer naar publieke plaatsen mocht gaan waar veel mensen samen waren (bijlage p.5). Bovendien legde betrokkene tegenstrijdige verklaringen af met betrekking tot de eerste keer dat ze zou zijn opgepakt. Zo verklaart betrokkene tijdens haar verhoor op het Commissariaat- generaal dat ze op 25 of 26 mordad 1379 (15 of 16/8/2000), enkele dagen nadat ze de brief zou afgegeven hebben, door een man van de Informatiedienst werd aangesproken op straat, meer bepaald op het kruispunt Z. (p.6). Tegenover (
  3. de)Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde betrokkene echter dat ze, twee à drie weken na het afgeven van de brief, in een park wandelde met een vriendin toen ze werd aangesproken door de agent (bijlage p.2). Tot slot dient opgemerkt te worden dat de door betrokkene voorgelegde documenten niet van die aard zijn dat ze bovenstaande appreciatie van de asielaanvraag wijzigen. Deze documenten zijn kopies van haar identiteitskaart, de identiteitskaart van haar vader en van haar moeder, een kopie van een vertaling van haar diploma en een document met betrekking tot de cursussen die ze volgde. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegd- heid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 20 september 2000. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstan- digheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. 2.1. Overwegende dat er blijkbaar een betwisting bestaat over de Advocaat die belast is met de zaak; XIV-3364-3/8 Overwegende dat uit het proces-verbaal van de openbare terechtzitting van 11 februari 2004 blijkt dat Advocaat A. HAEGEMAN optreedt loco Advocaat A. BAHRAMI en loco Advocaat D. DE KEUSTER; dat uit de debatten en uit de brief van 20 januari 2004 van Advocaat A. BAHRAMI blijkt dat de verzoekende partij woonplaatskeu- ze doet op het kantooradres van deze Advocaat (Koningsstraat, 229, 1210 Brussel); dat werd genotuleerd in het proces-verbaal van voornoemde openbare terechtzitting dat Advocaat A. HAEGEMAN beide voormelde Advocaten zal aanschrijven teneinde klaarheid te scheppen in de opvolging van de Advocaten; dat Advocaat A. HAEGEMAN tot op heden niets heeft laten weten en dat Advocaat D. DE KEUSTER op 4 mei 2004 een brief schrijft naar de zetelende magistraat waarin hij ondermeer het volgende meedeelt: “(...) Als bijlage treft u kopie aan van de brief die ik heden per zelfde post richt aan confrater Alexandre BAHRAMI. (...)”; Overwegende dat de zetelende magistraat op 14 september 2004 een gemotiveerd schrijven richt naar Advocaat D. DE KEUSTER, waarvan de inhoud als volgt luidt: “(...) Waarde Meester, Desbetreffend verwijs ik naar Uw brief van 4 mei 2004, waarin U ondermeer meedeelt een kopie over te maken van de brief die U per zelfde post verstuurt naar Advocaat A. BAHRAMI. De kopie van voornoemde brief was niet bij Uw schrijven van 4 mei 2004 gevoegd. Mag ik U beleefd verzoeken desbetreffend het nodige te willen doen en mij mee te delen hoe en wanneer Uw confrater heeft gereageerd. Het ontwerp van arrest is al een hele tijd klaar en moet zo vlug mogelijk worden uitgesproken. Mag ik U in dit verband zo vlug mogelijk lezen a.u.b.? (...)”; Overwegende dat tot op heden op dat schrijven niet werd gereageerd, zodat de Raad van State desbetreffend het volgende beslist: 1. De woonplaatskeuze bij Advocaat A. BAHRAMI blijft behouden, vermits tot op heden geen wijziging van woonplaatskeuze werd meege- deeld . 2. Een afschrift van huidig arrest wordt verstuurd door de griffie naar Advocaat D. DE KEUSTER, Brederodestraat 13, 1000 Brussel. 3. Het is ontoelaatbaar dat een probleem tussen Advocaten in verband met een opvolging de rechtsgang vertraagt en belemmert. Het is tevens XIV-3364-4/8 onaanvaardbaar dat een Advocaat die loco verschijnt en belooft ter zitting om klaarheid te scheppen, nadien niets meer van zich laat horen. 2.2. Overwegende dat verzoekster in een enig middel de schending aanvoert van de formele en de materiële motiveringsplicht en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); Overwegende dat, wat de formele motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft de betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiverings- plicht in casu is bereikt; dat verzoekster bijgevolg enkel de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvank- elijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfswei- gering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “bedrieglijkheid” is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op valse of vervalste documenten; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld indien tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoekster geput uit het dossier; dat de Commissaris- generaal in de bestreden beslissing heeft vastgesteld dat “betrokkene (verzoekster), in de loop van haar asielprocedure, een aantal manifest tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd waardoor de oprechtheid van de asielaanvraag ernstig in twijfel kan worden getrokken.”; dat deze tegenstrijdigheden als volgt luiden : - verzoekster verklaarde op het Commissariaat-generaal dat ze de eerste keer werd vrijgelaten nadat haar vader de eigendomsakte van het huis als borg had gesteld en nadat ze een brief met voorwaarden had ondertekend, terwijl ze op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat ze een blanco blad had ondertekend; XIV-3364-5/8 - verzoekster verklaarde in haar dringend beroepschrift en tijdens haar verhoor op het Commissariaat-generaal dat ze bij haar tweede opsluiting geblinddoekt een verklaring diende te ondertekenen om te worden vrijgelaten (ze kende dus de inhoud niet), terwijl ze op de Dienst Vreemdelingenzaken beweerde dat ze een verklaring had ondertekend waarin stond dat ze niet meer naar publieke plaatsen mocht gaan waar veel mensen samenkwamen. Op het Commissariaat-generaal beweerde ze dat ze niet wist waar ze werd opgesloten, terwijl ze op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat ze werd vastgehouden in een gebouw achter “S.”, de plaats waar ze de eerste keer was opgesloten; - uit een vergelijking van verzoeksters verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal blijken tegenstrijdigheden met betrekking tot de plaats en het tijdstip van haar eerste aanhouding; Overwegende dat verzoekster in het enig middel aanvoert dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een grondig onderzoek heeft gevoerd naar haar situatie in XXX en naar het gevaar voor haar persoonlijke integriteit, waarbij zij het jaarverslag van Amnesty International van het jaar 2000 aanhaalt; dat zij opwerpt dat de Commissaris-generaal heeft getracht haar te “pakken” op (de zeer beperkte) tegenstrijdigheden in haar verklaringen en haar geen enkele inhoudelijke vraag over het politieke regime heeft gesteld; dat zij verwijst naar rechtsleer waarin deze werkwijze wordt bekritiseerd; Overwegende dat op de kandidaat-vluchteling de plicht rust om tijdens de asielprocedure de feiten die aan de basis liggen van zijn vlucht uit zijn land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig en op een coherente en geloofwaardige manier weer te geven aan de overheden, die bevoegd zijn om kennis te nemen van zijn asielaanvraag, zodat op grond van dit relaas kan worden nagegaan of er met betrekking tot de kandidaat-vluchteling aanwijzingen bestaan om te besluiten tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat het onderzoek naar tegenstrijdigheden een essentieel onderdeel is van het onderzoek naar de waarachtigheid van het asielrelaas; dat de tegenstrijdigheden die de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing heeft weerhouden, betrekking hebben op de kern van verzoeksters asielrelaas namelijk haar aanhoudingen en opsluitingen; dat verzoekster geen poging onderneemt om deze tegenstrijdigheden, die steun vinden in de gegevens van het administratief dossier, te weerleggen; dat zij enkel de werkwijze van het Commissariaat-generaal betwist die zich zou beperken tot het zoeken naar tegenstrijdigheden in haar vluchtrelaas, zonder rekening te houden met de situatie in haar land van herkomst en het gevaar voor haar persoonlijke integriteit; dat dit argument evenwel geen stand houdt, na de samenlezing van de bestreden beslissing met de gegevens van het administratief dossier, waaruit blijkt dat de Commissaris-generaal zich heeft geïnformeerd over alle objectieve elementen om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen; dat hij beschikte over het omstandige verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken, over de ingevulde vragenlijst van het Commissariaat-generaal, over verzoeksters verzoekschrift tot XIV-3364-6/8 dringend beroep en over de neerslag van haar verklaringen op het Commissariaat-generaal; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal bij het nemen van zijn beslissing rekening hield met alle concrete, relevante gegevens van de zaak; dat in een eerste deel de feiten, die resulteren uit de neerslag van verzoeksters verklaringen tijdens haar verhoor op het Commissariaat-generaal, nauwkeurig worden weergegeven; dat in een tweede deel haar verklaringen afgelegd in de loop van de asielprocedure, op een objectieve wijze worden onderzocht en met elkaar vergeleken, wat zich vertaalt in de motieven van de bestreden beslissing, die worden geconcretiseerd en gestaafd door een aantal precieze voorbeelden; dat de weerhouden tegenstrijdigheden geen details betreffen maar aan de basis liggen van verzoeksters vlucht uit haar land van herkomst; dat het derhalve om essentiële elementen gaat die de geloofwaardigheid van haar asielrelaas ondermijnen, zodat de Commissaris-generaal terecht kon besluiten tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag; dat er derhalve in casu geen geloof meer kan worden gehecht aan een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat een algemene verwijzing naar het rapport van Amnesty International en naar bepaalde rechtsleer niet van aard is om de concrete en gedetailleerde motivering van de bestreden beslissing te ontkrachten; dat uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing steunt op deugdelijke, pertinente en afdoende motieven die draagkrachtig zijn; dat de Commissaris-generaal derhalve in redelijkheid kon vaststellen dat de asielaanvraag van verzoekster bedrieglijk is; dat het enig middel ongegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-3364-7/8 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig oktober tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT , toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-3364-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.387 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.