← België

Arrest 136512 - - 21/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.512 Rolnummer: A. 103600/VII-23485 Zaak: Arrest 136512 - - 21/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-09 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 12:07 Fiche Arrest nr 136.512 van 21 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 136.512 van 21 oktober 2004 in de zaak A. 103.600/VII-23.485 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. VAN HOECKE, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Amerikalei 25-27 tegen :

  1. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- ------ DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van vermeende Wit-Russische nationaliteit, op 19 april 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 19 maart 2001 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 25 januari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij aangetekend verzonden op 20 maart 2001; Gelet op de beschikking van 10 mei 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memorie van antwoord van de tweede verwerende partij, en de memorie van de verzoekende partij, die geldt als een toelichtende memorie ten aanzien van de eerste verwerende partij en als een memorie van wederantwoord ten aanzien van de tweede verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; VII-23.485-1/6 Gelet op de beschikking van 24 juni 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 7 september 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die, loco Advocaat P. VAN HOECKE, verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-adviseur V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat G. COOLSAET, die, loco Advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. De verzoekende partij kwam België binnen op 13 september 2000 en verklaarde zich diezelfde dag vluchteling. 1.
  5. Op 25 januari 2001 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 19 maart 2001 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing als volgt: "Betrokkene werd verhoord op 21 februari 2001 op de zetel van het Commissariaat- generaal, bijgestaan door een tolk, die de Russische taal machtig is. Betrokkene, die beweert het Belarussische staatsburgerschap te bezitten, verliet volgens haar verklaringen voor het Commissariaat-generaal Belarus op 6 september
  7. Twee dagen later zou betrokkene in België zijn aangekomen waar zij een asielverzoek indiende. Betrokkene zou in Belarus problemen hebben gekend omwille van de politieke activiteiten van haar echtgenoot die actief zou zijn geweest in een lerarenvereniging die zou hebben deelgenomen aan manifestaties tegen de Belarussische president Lukashenka. Op 30 augustus 2000 zou betrokkenes echtgenoot, evenals betrokkenes identiteitsdocumenten, door de veiligheidsdienst zijn meegenomen. De volgende dag zou betrokkene hebben vernomen dat ook vrienden van haar echtgenoot werden gearresteerd. Daarop zou betrokkene zich tot een onderzoeksrechter hebben gewend die haar zou hebben beloofd de zaak te onderzoeken. Drie dagen na haar klacht bij de onderzoeksrechter zou zij opnieuw contact met hem hebben opgenomen. Hij zou naar betrokkenes verblijfplaats hebben gevraagd, -betrokkene zou ondertussen zijn ondergedoken bij een vriendin-, maar zij zou hem het adres van de buren van een vriendin hebben opgegeven. Een uur na het contact met de onderzoeksrechter zouden VII-23.485-2/6 agenten het huis van die buren hebben omsingeld en bij de bewoners hebben geïnformeerd naar betrokkene. Later zou ze eveneens hebben vernomen dat ook bij haar buren naar haar werd geïnformeerd. Daarop zou betrokkene Belarus hebben verlaten. Er moet worden vastgesteld dat er op basis van haar gebrekkige kennis van het land en de stad waar zij volgens haar verklaringen zou hebben gewoond geen geloof kan worden gehecht aan betrokkenes beweerde Belarussisch staatsburgerschap. Zo beweerde betrokkene dat de Belarussische nationale vlag bestond uit een rood vlak met een verticale witte band met groene lijnen (verhoorverslag Commissariaat- generaal p. 3). Uit bronnen blijkt evenwel dat de vlag bestaat uit een rode horizontale band bovenaan, een groene onderaan en een witte vertikale streep met het Belarussisch nationaal symbool (CIA, World Factbook2000.Belarus.http:// www.odci.gov/cia /publications/factbook/geos/bo.html). Nog volgens betrokkenes verklaring voor het Commissariaat-generaal zou men door vanuit België de prefix 00 375 te gebruiken in telefonisch contact kunnen komen met Minsk (verhoorverslag Commissariaat-generaal p. 3) en zouden de noodnummers 01 voor de politie, en 02 voor de ziekenwagen zijn (verhoorverslag Commissariaat-generaal p. 3.). Bronnen vermelden evenwel de prefix +375 17 (http://www;belarusguide.com/reference1 /phones.html) en stellen dat de noodnummers 02 en 03 respectievelijk voor politie en ziekenwagen zijn (http:///www;belarusguide.com/reference1/phones.html). Verder kende betrokkene slechts twee, Gomelskaya en Mogilovskaya (verhoorverslag Commissariaat-generaal p. 2), van de zes Belarussische oblasts (CIA, World Factbook2000.Belarus.http:// www.odci.gov/cia/publications/factbook/geos/bo.html). De namen van de buurlanden van Belarus diende betrokkene schuldig te blijven (verhoorverslag Commissariaat- generaal p. 2). Ook betrokkenes kennis van Minsk is te beperkt om haar verblijf daar aannemelijk te maken. Zo beweerde betrokkene dat de Dnjepr door Minsk stroomt (verhoorverslag Commissariaat-generaal p. 4), hetgeen niet het geval is (Arguments and facts international, Atlas, Russia and the Post soviet Republics, 1994, p. 16). Verder stelde betrokkene dat de hoofdstraat van het centrum van Minsk de Gogelstraat is (verhoorverslag Commissariaat-generaal p. 1) terwijl de centrale laan van Minsk de Frantsiska Skorini is (Russia, Ukraine & Belarus. a lonely Planet Travel Survival Kit p. 1141). Het Leninaplein, het Kochirinsovplein en het Kalininaplein zouden volgens betrokkenes verklaringen pleinen in het centrum van Minsk zijn (verhoorverslag Commissariaat-generaal p. 1 en 2). Deze worden evenwel niet vermeld in stratenplannen van Minsk (Russia, Ukraine & Belarus. a lonely Planet Travel Survival Kit. p. 1138-1139). Na al de voorgaande vaststellingen kan er geen geloof meer worden gehecht aan betrokkenes staatsburgerschap en verblijf te Belarus en bij uitbreiding aan de problemen die zij daar zou hebben gekend. Bijgevolg moet worden geconcludeerd dat er in hoofde van betrokkene niet kan worden besloten tot een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overscheden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 25 januari
  8. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren.". Dit is de bestreden beslissing; 2.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt : VII-23.485-3/6 "Schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van een administratieve bestuurshandeling. Schending van art. 57 par. 6, in fine van de vreemdelingenwet van 15.12.1980: "De beslissingen tot weigering van de erkenning of van de bevestiging van de hoedanigheid van vluchteling, zo mede deze tot intrekking van die hoedanigheid, worden met redenen omkleed met vermelding van de omstandigheden van de zaak." In de bestreden beslissing wordt gesteld dat op grond van de gebrekkige kennis van het land en de stad waar verzoekster heeft gewoond geen geloof kan worden gehecht aan het feit dat zij beschikt over het staatsburgerschap van Wit-Rusland. In eerste instantie wordt gesteld dat verzoekster de vlag van Wit-Rusland niet kon benoemen. Het is inderdaad zo dat verzoekster niet de volledige vlag van Wit-Rusland kon weergeven maar zij was in alle geval op de hoogte van de kleuren van de vlag en van het feit dat de vlag verdeeld was in vertikale banden. Bij de beoordeling van dit aspect van het verhaal van verzoekster mag men niet vergeten dat alle onderdanen van de ex-Sovjetlanden steeds geconfronteerd werden met de Russische vlag en dat het pas is nadat de onafhankelijkheid van de ex-Sovjetstaten werd uitgeroepen dat elke staat zijn eigen nationale vlag verkreeg. De onderdanen hebben wel een impressie van de vlag maar zij kunnen deze dikwijls niet in detail benoemen. Een volgend aspect in de bestreden beslissing is het feit dat verzoekster niet op de hoogte was van de prefix om in telefonisch contact te komen vanuit België met Minsk. Verzoekster heeft enkel de nationale code voor Wit-Rusland opgegeven en zij heeft niet vermeld dat de prefix voor Minsk een bijkomend nummer 17 was. Dit werd ook niet uitdrukkelijk aan verzoekster gevraagd zodat zij enkel de nationale code van Wit-Rusland heeft opgegeven. Verder wordt gesteld dat de kennis van verzoekster in verband met Minsk te beperkt is om te geloven dat zij daar werkelijk verbleef. Verzoekster is geboren in Minsk maar zij is op 3-jarige leeftijd verhuisd naar de stad Grodni, gelegen aan de grens met Litouwen. Nadat ze gehuwd was met haar echtgenoot zijn zij opnieuw in Minsk gaan wonen maar zij kent deze stad niet zoals zij Grodni kent."; 2.
  10. Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord niet ingaat op het middel; 2.
  11. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord en toelichtende memorie verwijst naar hetgeen gesteld werd in het verzoekschrift; 2.
  12. Overwegende vooreerst dat artikel 57, § 6, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen hier niet van toepassing is; dat dit artikel immers betrekking heeft op de gegrondheidsfase van de asielaanvraag, terwijl in casu de bevestigende beslissing van weigering van verblijf ten overstaan van verzoekster werd genomen in de ontvankelijkheidsfase van de asielprocedure; dat de schending van deze wetsbepaling dan ook niet dienstig kan worden ingeroepen; dat voorts uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat verzoekster kritiek uitbrengt op de inhoud van de motivering en aldus in wezen een schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert; dat de asielaanvraag van verzoekster onontvankelijk werd verklaard wegens bedrieglijkheid; dat de Commissaris-generaal zich bij het nemen van zijn beslissing heeft gebaseerd op het feit dat verzoekster niet aannemelijk kan maken daadwerkelijk uit Wit-Rusland afkomstig te zijn; dat de door de Commissaris-generaal gestelde vragen dermate algemeen waren dat van VII-23.485-4/6 verzoekster mocht worden verwacht dat zij het antwoord op deze vragen kende; dat naast de vragen naar de nationale vlag en de prefix om in telefonisch contact te komen met Minsk, de Commissaris-generaal ook vroeg naar de noodnummers voor politie en ziekenwagens, naar de Wit-Russische oblasts, naar de namen van de buurlanden van Wit-Rusland, en naar verzoeksters kennis van Minsk; dat verzoekster steeds het correcte antwoord schuldig bleef; dat de verantwoording die verzoekster voor dit gebrek aan kennis geeft niet overtuigend klinkt en geenszins steun vindt in het administratief dossier, zodat de Commissaris-generaal in alle redelijkheid kon twijfelen aan het verhaal van verzoekster; dat uit de analyse van de bestreden beslissing aldus blijkt dat deze in overeenstemming is met de wetsbepalingen betreffende de motivering van de bestuurshandelingen, aangezien zij de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat de gegeven motivering de bestreden beslissing blijkt te kunnen dragen en bijgevolg afdoende en deugdelijk is; dat het enige middel ongegrond is;
  13. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  14. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  15. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig oktober tweeduizend en vier, door: Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, VII-23.485-5/6 de H. C. VERHAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. M.-R. BRACKE. VII-23.485-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.512 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.