id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.522 Rolnummer: A. 116930/VII-25801 Zaak: Arrest 136522 - - 21/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-09 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 12:07 Fiche Arrest nr 136.522 van 21 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 136.522 van 21 oktober 2004 in de zaak A. 116.930/VII-25.801 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. HINNEKENS, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Louis Pasteurlaan 24 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- ---- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van XXX nationaliteit, op 15 februari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 31 januari 2002 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 18 juli 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 25 februari 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de toelichtende memorie van de verzoekende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 24 juni 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 7 september 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; VII-25.801-1/8 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die, loco Advocaat K. HINNEKENS, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct-adviseur V. HOEFNAGELS , die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 10 juli 2000 en verklaarde zich diezelfde dag vluchteling. 1.
- Op 18 juli 2000 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 31 januari 2002 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing als volgt: “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. (...) Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05:1993: artikel 17, par 2 al. 2). (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Volgens uw verklaringen bent u afkomstig uit S. en hebt u de XXX nationaliteit. Uw familie zou vervolgd geweest zijn onder het communistisch bewind van H. en uzelf zou in 1991 lid geworden zijn van de Democratische Partij (DP). Op 1 april 1991 zou u deelgenomen hebben aan een protestmanifestatie tegen de toenmalige machthebbers. Op 2 april 1991 zou u opnieuw aanwezig geweest zijn op een gelijkaardige bijeenkomst, de politie zou de manifestanten uiteen gedreven hebben, en u zou hierbij gewond geraakt zijn. Tot 1992 zou u vergaderingen georganiseerd hebben voor jongeren. U zou geen andere politieke activiteiten hebben gehad. Zolang de DP aan de macht was zou u geen problemen hebben gekend. Na de overwinning van de socialistische Partij (SP) zou u via R.- een vriend die onder het communisme lid was van de veiligheidsdienst - vernomen hebben dat er een video-opname gemaakt was van de manifestatie van 2 april
- Achtendertig personen zouden geviseerd worden, en u zou hierbij zijn. Men zou u ervan verdacht hebben één van de organisatoren te zijn. U zou gevlucht zijn, eind 1997 of begin
- U zou in Griekenland, Macedonië en Turkije verbleven hebben. U zou wel nog verschillende keren naar XXX zijn terugge- keerd, u weet niet hoe vaak of hoe lang u in elk land verbleef. De politie zou af en toe VII-25.801-2/8 uw woning gecontroleerd hebben maar ze zouden uw echtgenote niet hebben lastiggeval- len. Een paar maanden voor uw vertrek naar België zou u naar huis teruggekeerd zijn en samen met uw echtgenote hebt u in België asiel aangevraagd op 10 juli
- U bent in het bezit van een identiteitskaart; de geboorteakte van uw zoon en een attest van de DP dat uw familie onder het communisme vervolgd werd en dat u zich hebt ingezet tijdens de democratische hervormingen in
- Er dient te worden opgemerkt dat u geen feiten of elementen hebt aangebracht die er op wijzen dat u uw land van herkomst verlaten hebt omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of dat u alsnog bij een eventuele terugkeer naar XXX een dergelijke vrees zou dienen te koesteren. Volgens uw verklaringen zou u reeds sinds de laatste keer dat de SP aan de macht kwam, d.i. in 1997, op de hoogte zijn van het feit dat u door de XXX autoriteiten gezocht zou zijn. U zou naar het buitenland gevlucht zijn, maar u zou er nooit asiel aangevraagd hebben. Bovendien zou u volgens uw verklaringen 12 of 13 keer naar XXX teruggekeerd zijn om er uw familie te zien. Het feit dat u nooit eerder in het buitenland een poging deed om asiel aan te vragen en het feit dat u meer dan tien keer naar XXX terugkeerde, is geenszins in overeenstemming te brengen met een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Geneefse Conventie. Ten slotte kan nog worden opgemerkt dat u zeer vaag bleef over uw verblijf in het buitenland. Gevraagd naar de periode gedurende dewelke u in bepaalde landen verbleef, herhaalde u verschillende keren dat u van niets wist. Van een kandidaat-vluchteling kan echter verwacht worden dat hij alle vragen die relevant zijn om zijn vluchtrelaas vast te stellen zo goed mogelijk beantwoordt (Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status, p.48-49 januari 1992, Genève). Het door u neergelegde document van de DP doet geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen, aangezien hieruit geenszins blijkt dat u anno 2002 nog vervolging zou dienen te vrezen.”. Dit is de bestreden beslissing;
- Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie een aantal opmerkingen formuleert aangaande “het ontbreken van elke memorie van antwoord”; dat hierbij vooreerst kan worden vastgesteld dat er wel een administratief dossier werd neergelegd door de verwerende partij, het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, waarin alle relevante informatie aanwezig is; dat daarnaast dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij eist dat artikel 21 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State zou worden toegepast in haar voordeel, met name dat het ingediende verzoekschrift ontvankelijk en gegrond zou worden bevonden gelet op het ontbreken van enig verweer door de verwerende partij, en dat subsidiair in casu een prejudiciële vraag zou worden gesteld aan het Arbitragehof met betrekking tot de schending van het gelijkheidsbegin- sel door deze bepaling omwille van het verschillend behandelen van de diverse partijen in het geding; dat omtrent het ontbreken van een gelijkwaardige sanctie als het verlies van belang ingeval de verwerende partij geen memorie van antwoord indient, het Arbitragehof in arrest nr. 94/94 van 15 juli 1994 (BS 14 december 1999) het volgende heeft gesteld : "B.6.
- Het onderscheid tussen de maatregel die geldt ten aanzien van een verzoekende partij die de termijnen voor het indienen van een memorie van wederant- woord niet respecteert en de maatregel die geldt ten aanzien van de verwerende partij die nalaat binnen de gestelde termijn een memorie van antwoord in te dienen, is objectief en redelijk verantwoord, rekening houdend met de verschillende uitgangspunten die aan de onderscheiden maatregelen ten grondslag liggen. Artikel 21, tweede lid houdt een regel in die de voortzetting van het onderzoek van een beroep afhankelijk stelt van de uiting, door de verzoekende partij, van de voortzet- VII-25.801-3/8 ting van haar belang. Die maatregel draagt bij tot de beoogde inperking van de achterstand doordat hij voorkomt dat verder onderzoek wordt gewijd aan zaken waarin de verzoekende partij geacht wordt geen interesse meer te hebben. Krachtens artikel 21, vijfde lid wordt een laattijdige memorie van de verwerende partij ambtshalve uit de debatten geweerd. De objectief onderscheiden situaties van de verzoekende partij, die moet doen blijken van een volgehouden belang, en van de verwerende partij, ten aanzien van wie de belangvereiste niet bestaat, verantwoorden op redelijke wijze dat onderscheiden maatregelen worden genomen bij niet nakoming van die respectieve verplichtingen."; dat, gelet op de nieuwe paragraaf 2, 2/, van artikel 26 van de Bijzondere wet op het Arbitragehof en gelet op het duidelijke antwoord van het Arbitragehof op een eerdere identieke prejudiciële vraag, zoals hierboven geciteerd, niet op het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag dient te worden ingegaan; dat de draagwijdte van de rechtspraak van het Arbitragehof betreffende de grondwettigheid van het genoemde artikel 21 immers volkomen duidelijk en eenduidig is, terwijl de verzoekende partij geen enkel relevant juridisch element aanhaalt dat het Arbitragehof niet in de beantwoording van de gestelde grondwettig- heidsvraag heeft kunnen betrekken; dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie ten slotte nog stelt subsidiair te volharden in hetgeen gesteld werd in het verzoekschrift; 3.1.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondge- bied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), doordat een tolk XXX-Frans werd aangewend bij het verhoor voor het Commissariaat- generaal, terwijl het een Nederlandstalige procedure betreft, dat aldus een tolk XXX- Nederlands of een bijkomende tolk Frans-Nederlands had moeten worden ingeschakeld, dat de ambtenaar die het verhoor afnam niet over een aantoonbare kennis van het Frans beschikt, dat verzoeker aldus werd benadeeld wanneer deze ambtenaar in verzoekers verklaringen niet de nodige nuances heeft kunnen onderkennen, dat een interpretatie van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet in de zin dat het verhoor niet dient vertaald te worden naar de taal van de onderzoeker een schending van het gelijkheidsbeginsel uitmaakt en dat dienaangaande een prejudiciële vraag moet worden gesteld aan het Arbitragehof, dat ten slotte de vaststellingen in de bestreden beslissing te wijten zijn aan de gebreken in de vertaling; Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 39, §1, 17, §1, 57 en 58 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, doordat er in een Nederlandstalige procedure gebruik werd gemaakt van een tolk XXX-Frans, dat verzoeker in Vlaanderen woont, dat de zaak lokaliseerbaar is in het Nederlandse taalgebied; Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet, doordat het verhoor niet vertaald werd in de taal van de onderzoeker, dat dit een discriminatie uitmaakt van verzoeker ten opzichte van asielzoekers wiens verklaringen wel in de taal van VII-25.801-4/8 de onderzoeker werden vertaald, dat dienaangaande een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof moet worden gesteld; Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en van de artikelen 39, §1, 17, §1, 57 en 58 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, dat het verhoor immers diende te worden vertaald naar de taal van de onderzoeker, dat zulks een schending van het gelijkheidsbeginsel inhoudt; Overwegende dat verzoeker in een vijfde middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht, omdat een beslissing niet kan steunen op deugdelijke motieven wanneer deze gebaseerd zijn op verhoren afgenomen in omstandigheden waarbij de tolk niet voldoet aan de vereiste taalkennis en de taal van de procedure niet gebruikt heeft; 3.1.
- Overwegende dat deze vijf middelen alle betrekking hebben op de vraag of er naar aanleiding van het onderzoek op het Commissariaat-generaal een tolk mag worden aangewend die vertaalt naar een andere landstaal dan die waarin het onderzoek wordt gevoerd, zonder dat er een bijkomende vertaling wordt gemaakt naar de taal van het onderzoek; dat het taalgebruik in het kader van de asielprocedure wordt geregeld door artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet; dat dienvolgens de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken in casu niet toepasselijk zijn; dat het aangevoerd artikel 51/4 nergens bepaalt dat de tolk die de verklaring van de kandidaat-vluchteling vertaalt, dat rechtstreeks moet doen in de taal van het onderzoek; dat dienvolgens de door verzoeker gewraakte praktijk niet voortvloeit uit evengenoemde wetsbepalingen, zodat desbetreffend geen prejudiciële vraag aan het Arbitragehof moet worden gesteld; dat verzoeker overigens wel beweert, maar niet bewijst dat de tolk tijdens het verhoor zijn verklaringen van het XXX naar het Frans heeft vertaald; dat de verhoorverslagen immers in het Nederlands zijn opgesteld; dat, voorts, verzoeker nergens in concreto aanduidt op welke wijze deze beweerde aanwending van een tolk XXX-Frans hem in zijn belangen zou hebben geschaad; dat de bestreden beslissing immers uitdrukkelijk de concrete motieven vermeldt waarom verzoekers asielaanvraag als kennelijk ongegrond werd bestempeld; dat verzoeker dient aan te tonen in welke mate deze motieven niet deugdelijk zijn en of deze hun oorsprong vinden in een slechte perceptie van het Frans in een Nederlandstalige procedure; dat verzoeker geen poging doet om in concreto aan te tonen dat het beweerde gebruik van een tolk XXX-Frans de beslissing hem in een voor hem nadelige zin zou hebben beïnvloed; dat de eerste vijf middelen, die dezelfde grondslag hebben, derhalve niet gegrond zijn; 3.2.
- Overwegende dat verzoeker, blijkbaar de nummering van de veelvuldig door hem ingeroepen middelen uit het oog verloren, meteen overgaat tot een zevende middel, waarin hij de schending aanvoert van de motiveringsplicht; dat verzoeker doet gelden dat geen rekening werd gehouden met het feit dat hij een zwervend bestaan heeft gekend, zodat hij voor VII-25.801-5/8 iedereen ongrijpbaar is en er ter zake moeilijk kan worden voorgehouden dat zijn situatie incompatibel zou zijn met een toestand van gegronde vrees, dat de laatste keer dat hij terugkeerde er sprake was van een actuele gegronde vrees daar hij ter plekke vernam dat hij nog steeds gezocht werd, dat de communisten thans aan de macht zijn in XXX, en dat zijn broer hem vertelde dat er vier tot vijf maal naar hem gezocht werd; dat verzoeker, met betrekking tot de vaststelling in de bestreden beslissing dat hij zeer vaag bleef over zijn verblijf in het buitenland, opnieuw opmerkt dat hij een zwervend bestaan heeft gekend, “zonder vaste structuratie”, en dat het absoluut normaal is dat men in zo’n situatie niet kan opgeven waar men zich juist op welk tijdstip bevindt; dat hij meent dat deze aspecten niet goed of onvoldoende begrepen werden of zijn doorgedrongen en dat dit te verklaren is door de reeds eerder aangekaarte vertaalproblemen; 3.2.
- Overwegende dat uit de motivering van de bestreden beslissing duidelijk blijkt dat het hoofdmotief gelegen is in de onwaarschijnlijkheid van verzoekers vluchtmotieven en dan met name betreffende de omstandigheid dat verzoeker meerdere keren naar het buitenland is gegaan, zonder er ooit een poging te doen asiel aan te vragen, en toch meer dan tien keer is teruggekeerd naar XXX, ondanks de beweerde vrees voor vervolging die hij koesterde; dat de vaagheid die hem nog wordt verweten slechts als een bijkomend motief te beschouwen is die de kennelijke ongegrondheid van het geheel nog versterkt; dat wordt vastgesteld dat verzoeker het doorslaggevende motief niet betwist in dit middel; dat verzoeker er alleszins niet in slaagt de vaststellingen die tot de bestreden beslissing hebben geleid te ontkrachten; dat een schending van de van de motiveringsplicht derhalve niet wordt aangetoond; dat, wat de vermeende vertaalproblemen betreft, kan worden verwezen naar de bespreking van de vorige middelen; dat het zevende middel niet gegrond is; 3.3.
- Overwegende dat verzoeker in een achtste middel de schending aanvoert van artikel 52, juncto artikel 63/2 en 63/3 van de Vreemdelingenwet; dat verzoeker in wezen stelt dat de Commissaris-generaal, optredend in dringend beroep, geen beslissing ten gronde mag nemen, vermits de asielaanvraag nog in het stadium van de ontvankelijkheid verkeert; 3.3.
- Overwegende dat de Commissaris-generaal in het kader van het dringend beroep de opdracht heeft na te gaan of een verder onderzoek van de erkenningsaanvraag noodzakelijk is en of de asielaanvrager voorlopig wordt toegelaten tot het verblijf in de hoedanigheid van kandidaat-vluchteling; dat de Commissaris-generaal, na de onontvankelijk- heidsbeslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken, onderzoekt of de asielaanvrager gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat te dezen de Commissaris-generaal in redelijkheid de aanvraag kennelijk ongegrond kon verklaren, nu de ernst van de vervolgingsvrees gerelativeerd dient te worden aangezien verzoeker nog meerdere keren is teruggekeerd naar XXX, en er bovendien werd vastgesteld dat verzoeker reeds eerder naar het buitenland gevlucht is, zonder er ooit asiel te hebben aangevraagd, zodat verzoekers VII-25.801-6/8 asielrelaas niet aannemelijk werd bevonden; dat een dergelijk onderzoek niet kan worden beschouwd als een onderzoek in de gegrondheidsfase; dat het achtste middel niet gegrond is; 3.4.
- Overwegende dat verzoeker in een negende middel de schending aanvoert van artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet, doordat de bestreden beslissing niet genomen is binnen de 30 dagen na het indienen van het dringend beroep, dat voormeld artikel een dwingende termijn heeft ingevoerd en dat voorts verwezen wordt naar het arrest Allewaert; dat verzoeker nog aanvoert dat voorzover artikel 63/2, § 2, van de Vreemde- lingenwet een dwingende termijn heeft ingevoerd, dit ook moet gelden voor de termijn van artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet, dat de termijnen voor alle partijen in de Vreemdeling- enwet op een gelijkaardige wijze geïnterpreteerd dienen te worden, daar er anders een ongelijkheid bestaat in de aard van de termijnen voorzien in de Vreemdelingenwet, dat een dergelijk onderscheid een ongeoorloofde discriminatie uitmaakt, en dat aldus een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof dient te worden gesteld, met name of artikel 63/2, § 2, van de Vreemdelingenwet het gelijkheidsbeginsel schendt in zoverre het voor de asielzoeker een dwingende termijn van drie dagen invoert daar waar voor de Commissaris-generaal geen dwingende termijn van 30 dagen zou worden opgelegd overeenkomstig artikel 63/3 van diezelfde wet; 3.4.
- Overwegende dat de termijn bepaald in artikel 63/3 van de Vreemdeling- enwet een termijn van orde is en geen vervaltermijn; dat het overschrijden van een termijn van orde de wettigheid van de bestreden beslissing niet in het gedrang brengt; dat voorts niet valt in te zien welk belang verzoeker heeft bij het aanvoeren dat de bestreden beslissing eerder had moeten worden genomen, nu hij al die tijd in België tegen de beweerde vervolging een veilig toevluchtsoord vond en hij ondertussen de nodige tijd kreeg om ter staving van zijn asielaanvraag bewijsstukken naar voren te brengen; dat dan ook het nut van het stellen van de gesuggereerde prejudiciële vraag in de huidige procedure niet wordt ingezien, te meer daar het beroepschrift door verzoeker tijdig werd ingediend en de aldus geviseerde sanctie, met name de onontvankelijkheid van het dringend beroep omwille van laattijdige indiening, in casu niet werd toegepast in het nadeel van verzoeker; dat het negende middel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- VII-25.801-7/8 Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig oktober tweeduizend en vier, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. C. VERHAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. M.-R. BRACKE. VII-25.801-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.522 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div