← België

Arrest 136524 - - 21/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.524 Rolnummer: Zaak: Arrest 136524 - - 21/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-09 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 12:07 Fiche Arrest nr 136.524 van 21 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 136.524 van 21 oktober 2004 in de zaken A. 117.775/VII-25.965 A. 117.773/VII-25.963 In zake :

  1. XXX,
  2. XXX, wonende te T., tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 6 maart 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 12 februari 2002 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 juni 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 6 maart 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 12 februari 2002 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 juni 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikkingen van 11 maart 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien de verslagen opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; VII-25.965 & VII-25.963-1/14 Gelet op de kennisgeving van deze verslagen aan de partijen en gelet op de verzoekschriften tot voortzetting van de verzoekende partijen teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 24 juni 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 7 september 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partijen, die persoonlijk verschijnen, en van Adjunct-adviseur V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Over de samenvoeging van de beroepen. Overwegende dat de echtgenoten XXX en XXX ieder in een afzonderlijk verzoekschrift de vernietiging vragen van hun bevestigende beslissing van weigering van verblijf; dat de beslissing die ten aanzien van de vrouw werd genomen, steunt op de bevestigende beslissing van weigering van verblijf ten aanzien van haar echtgenoot; dat, in het belang van een goede rechtsbedeling, het aangewezen is beide beroepen wegens verknochtheid samen te behandelen en te berechten;
  4. Over de gegevens van de zaken. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaken als volgt kunnen worden samengevat: 2.
  5. De verzoekende partijen kwamen België binnen op 3 augustus 2000 en verklaarden zich op 4 augustus 2000 vluchteling. 2.
  6. Op 6 juni 2001 nam de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. VII-25.965 & VII-25.963-2/14 2.
  7. Op 12 februari 2002 nam de Commissaris-generaal voor de vluchteling- en en de staatlozen de bevestigende beslissingen van weigering van verblijf. Deze beslissingen luiden als volgt: Voor de eerste verzoekende partij : “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. (...) Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2). (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Russisch staatsburger van Armeense origine, verklaart in Azerbeidzjan en Rusland problemen te hebben gekend omwille van uw etnische origine. U heeft op 30 juli 2000 het land verlaten. Samen met uw vrouw en minderjarige zoon, en bent op 3 augustus 2000 in België aangekomen, waar u op 4 augustus 2000 asiel heeft aangevraagd. U verklaart dat de familie van uw vrouw, die van Belarussische origine is, tegen jullie huwelijk was. Omwille van de vijandigheid die u in Rusland door de familie van uw vrouw ondervond, vertrok u naar Bakoe. Later vervoegde uw vrouw u in Azerbeidzjan. In 1989 stierf uw vader na aangevallen te zijn door Azeri’s. Toen in 1990 in Bakoe pogroms uitbraken tegen de Armeense bevolking vluchtte u met uw gezin naar Rusland, waar u het statuut van vluchteling verkreeg. U vestigde zich in de stad Zelenograd, nabij Moskou. Aanvankelijk werd u er omwille van uw origine regelmatig door de politie tegengehouden voor identiteitscontroles. Zwaardere problemen kende u in Moskou, waar u op een markt werkte. U werd er vaak door de politie opgepakt voor identiteitscontroles, werd regelmatig gedurende enkele uren vastgehouden en soms geslagen. In maart 1996 vertrok u op verzoek van uw schoonvader samen met uw gezin naar Kislovodsk (Zuid-Rusland). Aanvankelijk kende u er geen problemen, al duurde het wel tot december 1996 voordat u via een gerechtelijke procedure erin slaagde u te registreren en het Russisch staatsburgerschap te bekomen. U werkte als autotechnieker. In juli 1999 begon u een succesvolle autogarage. Eind augustus, begin september 1999 kreeg u bezoek van een zekere Islam, die eiste dat u 100$ zou betalen aan een Wahhabitische organisatie. U werd geblind- doekt naar het hoofdkwartier van de organisatie gebracht, waar u op het hart gedrukt werd dat u net als alle anderen moest betalen indien u rustig verder wilde leven. Daarna betaalde u maandelijks 100$ aan de organisatie. In november of december 1999 begon de organisatie 300$ te eisen. U vond dit teveel en weigerde nog langer te betalen, waarna u bedreigd werd. Op 5 januari 2000 werd uw vrouw thuis aangevallen door drie gemaskerde personen. Ze werd bijna gewurgd en al het geld en juwelen werden gestolen. Na dit incident lichtte u de politie in over de afpersing door wahhabieten. In februari 2000 ging u klacht indienen bij het parket omdat de politie de daders nog niet gevonden had. Ondertussen kreeg u voortdurend dreigtelefoons waarin u aangemaand werd het geld te betalen. Rond 6 april 2000 werd u door twee of drie personen aangevallen op uw werk omdat u nog steeds weigerde te betalen. Op 10 mei 2000, na een controle door de wegenpolitie, werd u door twee mannen ontvoerd, en op een plaats in de bergen gemolesteerd en achtergelaten. U slaagde erin een ziekenhuis te bereiken, waar u bezoek kreeg van een onderzoeksrechter. De onderzoeksrechter raadde u aan de stad te verlaten, aangezien u hem geen concrete gegevens kon verschaffen die het onderzoek konden vooruithelpen en hij u geen constante politiebescherming kon garanderen. Daarop besloot u het land te verlaten. U ging met het vliegtuig naar Spanje, van waaruit u met het vliegtuig naar België kwam. VII-25.965 & VII-25.963-3/14 Vooreerst dient te worden opgemerkt dat u in december 1996 het Russisch staatsburgerschap verkreeg. Gezien bij de behandeling van de asielaanvraag enkel uw vrees met betrekking tot het land waarvan u het staatsburgerschap bezit, dient beoordeeld te worden, kunnen de problemen die u beweert gekend te hebben in Azerbeidzjan, niet in aanmerking worden genomen. Wat betreft de problemen met uw schoonfamilie, deze zijn van persoonlijke aard en kunnen niet als een vorm van vervolging in de zin van de Conventie van Genève weerhouden worden. Verder dient opgemerkt te worden dat ook de identiteitscontroles in Zelenograd en Moskou niet kunnen beschouwd worden als een persoonsgerichte vervolging. U werd weliswaar net zoals bijna alle personen van Kaukasische origine onderworpen aan identiteitscontro- les, en werd in Moskou soms kortstondig vastgehouden en geslagen wanneer u weerstand boord, doch u werd hierbij niet persoonlijk geviseerd. U werd nooit langer dan drie uur vastgehouden op het politiekantoor en werd nooit officieel in beschuldi- ging gesteld. Bovendien wordt de ernst van deze problemen enigszins gerelativeerd door het feit dat u tot 1996 in Zelenograd bleef wonen en dat uw uiteindelijke beslissing om te verhuizen niet ingegeven werd door deze problemen, maar door het feit dat u niet langer in het appartement in Zelenograd kon blijven wonen en dat uw schoonvader u uitnodigde naar Kislovodsk te komen (CGVS, p. 5). Er moet hierbij ook worden opgemerkt dat deze problemen ophielden toen u naar Kislovodsk verhuisde. Deze feiten liggen te ver in het verleden, om er nog een actuele vrees op te baseren. U bleef immers nog enkele jaren in de Russische Federatie wonen. In Kislovodsk slaagde u erin zich te registreren en het Russisch staatsburgerschap te bekomen. Tot eind augustus 1999 kende u er geen problemen. Vanaf eind augustus 1999 werd u afgeperst door een Wahhabitische organisatie en kreeg u problemen omdat u weigerde te betalen. Afpersing is geen geldig vluchtmotief in de zin van de Vluchtelingenconventie. Uit niets blijkt dat de problemen die u kende in Kislovodsk op enige manier verbonden zijn met één van de criteria zoals bepaald in de Conventie van Genève, met name ras, nationaliteit, politieke of religieuze overtuiging of het behoren tot een sociale groep. Uit uw verklaringen en deze van uw vrouw blijkt immers dat u door de Wahhabieten werd benaderd omdat ze wisten dat u geld had en dat ook andere ondernemers door de organisatie werden afgeperst (CGVS, p. 6; CGVS vrouw, p.4), wat betekent dat louter financiële motieven aan de grondslag van de afpersing liggen. Ook kan u niet aannemelijk maken dat de autoriteiten geweigerd hebben uw zaak te behandelen omwille van uw origine. Hoewel u enerzijds verklaart voor het Commissariaat-generaal dat de politie niets gedaan heeft om u te helpen, blijkt anderzijds uit uw verklaringen dat de politie wel degelijk een onderzoek gevoerd heeft, dat naar aanleiding van het indicent van 5 januari 2000 uw verklaringen werden gehoord en een robotfoto werd opgesteld van Islam. Uit het feit dat de politie op basis van de luttele gegevens die u kon verstrekken over de Wahhabitische organisatie de identiteit van de daders niet kon vaststellen, kan niet zonder meer worden afgeleid dat de politie inert bleef. Ook na de aanval op 6 april 2000 werd u verhoord door een onderzoeksrechter. U verklaart zelf voor het Commissariaat-generaal dat u echter geen concrete informatie kon verstrekken over het uiterlijk of de identiteit van uw aanvallers (CGVS, p. 9). Ten slotte dient opgemerkt te worden dat het niet aannemelijk is dat u overal in Rusland problemen zou kennen met de Wahhabieten, een groep die door de Russische autoriteiten scherp geviseerd wordt omwille van de oorlog in Tsjetsjenië. Gelet op het voorgaande kan wat u betreft geen vermoeden van gegronde vrees voor vervolging zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde documenten (geboorteakten, huwelijksakte, attest middelbaar onderwijs zoon, rijbewijzen, medische attesten) zijn niet van die aard dat zij hetgeen hiervoor werd uiteengezet, kunnen wijzigen.”. Voor de tweede verzoekende partij : “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. (...) Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar VII-25.965 & VII-25.963-4/14 volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2). (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Russisch staatsburger van Belarussische origine, verklaart in Azerbeidzjan en Rusland problemen te hebben gekend omwille van de Armeense origine. U heeft op 30 juli 2000 het land verlaten. Samen met uw man en minderjarige zoon bent op 3 augustus 2000 in België aangekomen, waar u op 4 augustus 2000 asiel heeft aangevraagd. Omdat uw familie zich tegen uw huwelijk met een Armeense man kantte vertrok u naar Azerbeidzjan, waar uw man woonde. In 1989 stierf uw schoonvader na aangevallen te zijn door Azeri’s. Toen in 1990 in Bakoe pogroms uitbraken tegen de Armeense bevolking vluchtte u met uw gezin naar Rusland. U vestigde zich in de stad Zelenograd nabij Moskou. Uw man werd in Zelenograd in Moskou opgepakt voor identiteitscontroles, werd regelmatig gedurende enkele uren vastgehouden (Zuid- Rusland). Aanvankelijk kende u er geen problemen. In juli 1999 begon uw man een succesvolle autogarage. Eind augustus, begin september 1999 kreeg hij bezoek van een zekere Islam, die eiste dat hij maandelijks 100 $ zou betalen aan een Wahhabitische organisatie. Hij werd geblinddoekt naar het hoofdkwartier van de organisatie gebracht, waar hem op het hart gedrukt werd dat hij net als alle anderen moest betalen. Daarna betaalde hij maandelijks 100 $ aan de organisatie. In november of december 1999 begon de organisatie 300 $ te eisen. Uw man vond dit teveel en weigerde nog langer te betalen, waarna hij bedreigd werd . Op 5 januari 2000 werd u thuis aangevallen door drie gemaskerde personen. U werd bijna gewurgd en al het geld en juwelen werd gestolen. U kreeg een zenuwinstorting en diende te worden gehospitaliseerd. Na dit incident lichtte uw man de politie in over de afpersing door Wahhabieten. In februari 2000 ging hij klacht indienen bij het parket omdat de politie de daders nog niet gevonden had. Ondertussen kregen jullie voortdurend dreigtelefoons waarin u aangemaand werd het geld te betalen. Rond 6 april 2000 werd uw man door twee of drie personen aangevallen op zijn werk. Op 10 mei 2000 werd uw man door twee mannen ontvoerd en op een plaats in de bergen gemolesteerd en achtergelaten. Hij slaagde erin een ziekenhuis te bereiken, waar hij bezoek kreeg van een onderzoeksrech- ter. De onderzoeksrechter raadde hem aan de stad te verlaten, aangezien hij hem geen concrete gegevens kon verschaffen die het onderzoek konden vooruithelpen en hij uw man geen constante politiebescherming kon garanderen. Daarop besloot u het land te verlaten. U ging met het vliegtuig naar Spanje, van waaruit u met het vliegtuig naar België kwam. Uit uw verklaringen blijkt dat u uw asielaanvraag in hoofdorde steunt op de motieven aangebracht door uw man ter staving van zijn asielrelaas. Wat betreft het door uw man ingesteld dringend beroep werd een bevestigende beslissing genomen. Derhalve dient ook voor u een bevestigende beslissing te worden genomen. Uzelf werd één keer persoonlijk aangevallen, met name op 5 januari 2000, omdat uw man weigerde nog langer geld te betalen aan een Wahhabitische organisatie. Wat dit feit betreft dient opgemerkt te worden dat uw aanvallers louter financiële motieven voor ogen hadden bij de aanval (CGVS, p.4) en dat de aanval geenszins verband houdt met een van de criteria zoals voorzien in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, meer bepaald ras, nationaliteit, politieke of religieuze overtuiging of het behoren tot een sociale groep. Naar aanleiding van de aanval heeft uw man klacht ingediend bij de politie. De politie heeft u meermaals ondervraagd en heeft een onderzoek gestart. Uit het feit dat op basis van uw verklaringen geen schuldigen werden gevonden kan niet zonder meer worden afgeleid dat de politie u hulp weigerde omwille van één van de criteria zoals bepaald in de Vluchtelingenconventie. Gelet op het voorgaande kan wat u betreft geen vermoeden van gegronde vrees voor vervolging zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde documenten (geboorteakten, huwelijksakte, attest middelbaar onderwijs zoon, rijbewijzen, medische attesten) zijn niet van die aard dat zij hetgeen hiervoor werd uiteengezet, kunnen wijzigen.”. Dit zijn de bestreden beslissingen; VII-25.965 & VII-25.963-5/14
  8. Over de gegrondheid van de beroepen. 3.
  9. Het beroep van XXX. 3.1.
  10. Overwegende dat verzoeker een enig middel aanvoert dat als volgt luidt: “De beslissing schendt art. 62 van de wet inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van Vreemdelingen d.d. 15/12/1980 mede de artikelen 2 en 3 van de wet inzake de verplichte motivering van bestuurshandelingen d.d. 29/07/
  11. De Commissaris-generaal steunt de motivering van zijn beslissing hoofdzakelijk zo niet uitsluitend op de overweging dat afpersing geen vluchtmotief is in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève. Nochtans heeft de verzoeker bij zijn asielverzoek zeer duidelijk gemaakt dat hij niet langer wenste een puriteinse moslimorganistie financieel te steunen. De Vluchtelingen- conventie mag niet worden geïnterpreteerd in deze zin dat de asielzoeker problemen moet krijgen omwille van ZIJN religieuze overtuiging. Het enkele feit dat men geen vrijheid krijgt om een bepaalde religieuze groepering NIET te steunen als men een andere of zelfs géén geloofsovertuiging heeft valt evenzeer onder de bepalingen waar de Vluchtelingenconventie als één van de criteria weerhoudt “de vervolging omwille van religieuze overtuiging”. Wie GEEN religieuze overtuiging heeft en er een opgedrongen krijgt al is het zuiver door verplicht te worden financiële steun te geven komt wel degelijk in aanmerking voor de criteria van meergenoemde Conventie van Genève. Bovendien is het pas wanneer vaststaande is dat een asielverzoek ogenschijnlijk niet onder de criteria van de Conventie terzake de Vluchtelingen kan vallen of manifest bedrieglijk is dat de Commissaris-generaal kan besluiten om een asielaanvraag geen onderzoek ten gronde te gunnen. Er is dan ook geen enkel diepgaand onderzoek noch verhoor geweest omtrent de elementen die de verzoeker kan aanbrengen om aan te tonen dat de politiediensten en het gerechtelijk apparaat van zijn staat opzettelijk inert is gebleven. De motivering dat betrokkene wellicht onvoldoende gegevens zal hebben aangebracht om succesvolle tussenkomst te krijgen van het gerechtelijk apparaat is dan ook onvoldoende waar na de eerste foutieve vaststelling dat afpersing niet onder de criteria valt, er geen diepgaand onderzoek is geweest nopens de poging van de verzoeker om hulp te krijgen van zijn nationale autoriteiten. De motivering nopens het onvoldoende aanbrengen van gegevens voor een succesvol gerechtelijk ingrijpen wordt louter door de Commissaris- generaal gesteld zonder dat er iets onderzocht is. Zulk onderzoek zou overigens niet passen in de ontvankelijkheidsfase van een asielverzoek. Tot slot baseert de Commissaris-generaal zich op algemene informatie nopens de situatie in Rusland waar het behoort dat elk dossier individueel wordt onderzocht. Hoe dan ook, noch de melding dat het niet bewezen is dat het gerechtelijk apparaat van het land van herkomst “opzettelijk” inert bleef, noch de melding in verband met de algemene situatie in Rusland kunnen een dragende motivering vormen nu géén van beide punten daadwerkelijk is onderzocht of getoetst waar de Commissaris-generaal van meet af aan ten onrechte heeft geoordeeld dat “afpersing” niet onder de Vluchte- lingenconventie kan vallen. Derhalve is de motivering dermate gebrekkig en foutief dat zij dient gelijkgesteld met de afwezigheid van motivering, hetgeen een flagrante schending uitmaakt van de hierboven gemelde wetsartikels.”; 3.1.
  12. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert : VII-25.965 & VII-25.963-6/14 “In een enige middel werpt verzoeker een schending op van art. 62 van de wet van 15/12/1980 en van art. 2 en 3 van de wet van 29 juli
  13. Verweerder wenst aangaande de algemene motiveringsverplichting, vervat in de wet van 29 juli 1991, alsook de specifieke motiveringsverplichting vervat in artikel 62 van de Vreemdelingenwet, aan te stippen dat die motiveringsverplichting tot doel heeft, ten opzichte van diegene die bij een bestuurshandeling betrokken is, een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de handeling dat hij/zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen de handeling te verweren met de middelen die het recht verschaft. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing wel degelijk kent en bovendien in het middel de motivering aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt. Hierdoor is het doel van de uitdrukkelijke motivering in casu bereikt. Wat betreft de materiële motivering wenst verzoeker als volgt te antwoorden: a. Verzoeker stelt dat hij toch onder de bepalingen van de Vluchtelingenconventie valt. Verzoeker werd gedwongen een religieuze groepering te steunen die tegen zijn geloof ingaat. In verzoekers geval is er dus sprake van vervolging omwille van religieuze overtuiging. De verwerende partij antwoordt dat verzoeker afgeperst werd door Wahhabieten. Deze afpersing was niet gesteund op religieuze motieven - of andere motieven van de Vluchtelingenconventie - maar op het feit dat men wist dat verzoeker als ondernemer over geld beschikte. Ook andere ondernemers werden afgeperst door diezelfde Wahhabieten. Of zoals verzoekers vrouw verklaarde: “Ze (de Wahhabieten) wilden geld en waarschijnlijk niet enkel van hem. Ze wisten gewoon wie geld had, (...). (CGVS verhoorverslag vrouw p.4). De afpersing is een feit van gemeenschappelijke aard, ze ressorteert niet onder de Conventie van Genève. b. Verzoeker stelt dat er geen diepgaand onderzoek is geweest omtrent de elementen die verzoeker kan aanbrengen om aan te tonen dat de politiediensten opzettelijk inert zijn gebleven. Verweerder antwoordt dat verzoeker er bij deze stelling vanuit gaat dat zijn problemen, in casu afpersing, onder de criteria van de Vluchtelingenconventie vallen. Verweerder verwijst naar hetgeen hij uiteen gezet heeft. Volledigheidshalve merkt verweerder op dat de politie na klacht van verzoeker wel degelijk een onderzoek heeft ingesteld maar de identiteit van de daders niet kon achterhalen op basis van de informatie aangebracht door verzoeker. Verzoeker verklaarde dit zelf (CGVS verhoorverslag p.9) c. Volgens verzoeker baseert de Commissaris-generaal zich op algemene informatie met betrekking tot verzoekers land van herkomst terwijl elke asielaanvraag individueel onderzocht dient te worden. Volledigheidshalve wijst verwerende partij erop dat elke asielaanvraag door de Commissaris-generaal afzonderlijk wordt onderzocht. Alvorens een beslissing te nemen bestudeert hij alle elementen beschikbaar in het administratief dossier. Elke asielaanvraag wordt individueel benaderd. De Commissaris-generaal houdt bij het nemen van een beslissing, zowel in de ontvankelijkheidsfase als bij de procedure ten gronde, steeds rekening met de concrete situatie in het land van herkomst. Bovendien gaat het steeds om de situatie in het land van herkomst zoals deze bestaat op het ogenblik van het nemen van de beslissing. De appreciatie van de feiten in het licht van de bestaande situatie in het land gebeurt in elk stadium van de procedure. Feiten en elementen eigen aan elke concrete asielaanvraag zijn bepalend bij de beoordeling van het dossier door de Commissaris-generaal. Het enige middel is niet ernstig.”; 3.1.
  14. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord nog het volgende uiteenzet : “De beslissing schendt art. 62 van de wet terzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van Vreemdelingen d.d. 15/12/1980 mede de artikelen 2 en 3 van de wet terzake de verplichte motivering van bestuurshandelingen d.d. 29/07/
  15. De Commissaris-generaal steunt de motivering van zijn beslissing hoofdzakelijk zo niet uitsluitend op de overweging dat afpersing geen vluchtmotief is in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève. Nochtans heeft de verzoeker bij zijn asielverzoek zeer duidelijk gemaakt dat hij niet langer wenste een puriteinse moslimorganisatie financieel te steunen. De Vluchteling- VII-25.965 & VII-25.963-7/14 enconventie mag niet worden geïnterpreteerd in deze zin dat de asielzoeker problemen moet krijgen omwille van ZIJN religieuze overtuiging. Het enkele feit dat men geen vrijheid krijgt om een bepaalde religieuze groepering NIET te steunen als men een andere of zelfs géén geloofsovertuigng heeft valt evenzeer onder de bepalingen waar de Vluchtelingenconventie als één van de criteria weerhoudt “de vervolging omwille van religieuze overtuiging”. Wie GEEN religieuze overtuiging heeft en er een opgedrongen krijgt, al is het zuiver door verplicht te worden financiële steun te geven, komt wel degelijk in aanmerking voor de criteria van meergenoemde Conventie van Genève. De Commissaris-generaal beoordeelt de situatie vanuit het standpunt van de afpersers en stelt dat dezen wellicht enkel handelen in de overtuiging dat de verzoeker over fondsen beschikte los van enig religieus motief. Het onderzoeksorgaan dient echter de situatie te bekijken vanuit het standpunt van de asielzoeker welke ongewild en verplicht religieus-fundamentalistische organisaties steunde en geen afdoende hulp kon krijgen van zijn eigen overheid waar het ideeëngoed van deze organisatie totaal niet strookte met zijn overtuiging. Hadden de afpersers de gelden niet geïnvesteerd voor religieuze of quasi-religieuze doeleinden dan zou eventueel terecht aan de verzoeker de status zijn geweigerd. Omdat onderhavig asielverzoek zeker minstens “prima facie” onder de criteria van de Conventie van Genève inzake de vluchtelingen kan vallen en niet manifest bedrieglijk is dient de Commissaris-generaal een onderzoek ten gronde te gunnen. Er is geen enkel diepgaand onderzoek noch verhoor geweest omtrent de elementen die de verzoeker kan aanbrengen om aan te tonen dat de politiediensten en het gerechtelijk apparaat van zijn staat opzettelijk inert is gebleven. Wanneer een overheid wel degelijk “een onderzoek opent” doch duidelijk louter pro forma, dan komt dit neer op het ontzeggen van bescherming aan het rechtssubject. De motivering dat betrokkene wellicht onvoldoende gegevens zal hebben aangebracht om succesvolle tussenkomst te krijgen van het gerechtelijk apparaat is dan ook onvoldoende en duidelijk voorbarig, waar na de eerste foutieve vaststelling dat afpersing niet onder de criteria valt er door de Commissaris-generaal geen diepgaand onderzoek is geweest nopens de poging van de verzoeker om hulp te krijgen van zijn nationale autoriteiten. De motivering nopens het onvoldoende aanbrengen van gegevens voor een succesvol gerechtelijk ingrijpen wordt louter door de Commissaris-generaal gesteld zonder dat er iets onderzocht is. Zulk onderzoek kan overigens niet passen in de ontvankelijkheidsfase van een asielverzoek en zal moeten gebeuren in het onderzoek ten gronde nadat het verzoek ontvankelijk is verklaard. Tot slot baseert de Commissaris-generaal zich op algemene informatie nopens de situatie in Rusland waar het behoort dat elk dossier individueel wordt onderzocht. Hoe dan ook herhaalt de verzoeker dat, noch de melding dat het niet bewezen is dat het gerechtelijk apparaat van het land van herkomst “opzettelijk” inert bleef, noch de melding in verband met de algemene situatie in Rusland een dragende motivering kunnen vormen nu géén van beide punten daadwerkelijk is onderzocht of getoetst. Wanneer het onderzoeksorgaan foutief besluit tot de niet-ontvankelijkheid van een asielaanvrraag zal dit orgaan per definitie niet overgaan tot dergelijk diepgaand onderzoek. Mocht dit wel het geval zijn dan zou het perfect zinloos zijn dat de erkenningsprocedure in twee stappen verloopt waar eerst de ontvankelijkheid dient onderzocht en desgevallend daarna de grond. Derhalve dient het middel wel degelijk als ernstig weerhouden en is de motivering dermate gebrekkig en foutief dat zij dient gelijkgesteld met de afwezigheid van motivering, hetgeen een flagrante schending uitmaakt van de hierboven gemelde wetsartikels.”; 3.1.
  16. Overwegende dat uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, doch dat hij betwist dat de opgegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat verzoeker aldus in wezen een schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert; dat er eerst en vooral op dient te worden gewezen dat artikel 52, § 2, 2/, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het VII-25.965 & VII-25.963-8/14 grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, dat verwijst naar § 1, 7/, van hetzelfde artikel, aan de Commissaris-generaal de mogelijkheid biedt om een asielaanvraag kennelijk ongegrond te verklaren wanneer de vreemdeling geen gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat daarbij benadrukt wordt dat de Raad van State bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet bevoegd is om zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd is om na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat, wat het door verzoeker aangehaalde probleem van afpersing betreft, de Commissaris-generaal oordeelt dat zulks geen geldig vluchtmotief is in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat uit de bestreden beslissing immers blijkt dat verzoeker en zijn echtgenote zelf verklaarden dat verzoeker door de Wahhabieten werd benaderd omdat ze wisten dat hij geld had en dat ook andere ondernemers door de organisatie werden afgeperst; dat de Commissaris-generaal bijgevolg in alle redelijkheid kon oordelen “dat louter financiële motieven aan de grondslag van de afpersing liggen”; dat verzoeker met zijn argument dat “het ideeëngoed van deze organisaties totaal niet strookte met zijn overtuiging”, alleszins de kennelijke onredelijkheid van deze overweging van de Commissaris-generaal niet aantoont; Overwegende dat verzoeker daarnaast niet aantoont dat de Commissaris- generaal tekort zou zijn geschoten in zijn onderzoeksplicht; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoeker zowel voor de Dienst Vreemdelingenzaken als voor het Commissariaat-generaal werd verhoord; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker tijdens deze verhoren verklaarde dat de politie wel degelijk een onderzoek heeft gevoerd, dat hij door de politie werd verhoord en dat de politie een robotfoto heeft opgesteld; dat verzoekers stelling in de memorie van wederantwoord, als zou de overheid “duidelijk louter pro forma” een onderzoek openen, wat neerkomt “op het ontzeggen van bescherming aan het rechtssubject”, een zuiver losse bewering betreft welke verzoeker geenszins op concrete wijze weet hard te maken; dat de Commissaris-generaal bijgevolg in alle redelijkheid kon oordelen dat “uit het feit dat de politie op basis van de luttele gegevens die (verzoeker) kon verstrekken over de Wahhabitische organisatie de identiteit van de daders niet kon vaststellen, niet zonder meer (kan) worden afgeleid dat de politie inert bleef”; dat verzoeker het tegendeel alleszins niet aantoont; Overwegende dat het ten slotte niet duidelijk is waar verzoeker precies op alludeert met zijn kritiek dat de Commissaris-generaal steunt op “algemene informatie nopens de situatie in Rusland waar het behoort dat elk dossier individueel wordt onder- VII-25.965 & VII-25.963-9/14 zocht”; dat, wat er ook van zij, nergens uit het administratief dossier blijkt dat de Commissaris-generaal de asielaanvraag van verzoeker niet individueel zou hebben onderzocht; dat verzoekers blote bewering als zou dit zo zijn, op zich dan ook ruim onvoldoende is; dat het enige middel van verzoeker bijgevolg ongegrond is; VII-25.965 & VII-25.963-10/14 3.
  17. Het beroep van XXX. 3.2.
  18. Overwegende dat verzoekster een enig middel aanvoert dat als volgt luidt : “De beslissing schendt art. 62 van de wet terzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van Vreemdelingen d.d. 15/12/1980 mede de wet inzake de verplichte motivering van bestuurshandelingen d.d. 29/07/1991 onder de artikelen 2 en
  19. De aanhef van de beslissing luidt dat vermits de asielaanvraag in hoofdorde steunt op de motieven aangebracht door de echtgenoot van de verzoekster ter staving van zijn asielrelaas en dat gezien voor de echtgenoot een bevestigende beslissing is genomen derhalve ook voor de verzoekster een bevestigende beslissing dient genomen. De beslissing genomen ten aanzien van de echtgenoot van de verzoekster is evenwel niet op rechtsgeldige wijze aan de verzoekster betekend zodat de motieven waarop de bevestigende beslissing ook jegens haar is gesteund niet op rechtsgeldige wijze ter kennis zijn gebracht. De bevestigende beslissing bevat weliswaar in fine nog een aantal opmerkingen betreffend het asielrelaas van de verzoekster zelf doch de bewoordingen laten er geen twijfel over bestaan dat de beslissing gesteund is op de bevestigende beslissing voor haar echtgenoot. De motivering is derhalve dermate gebrekkig dat zij voor onbestaande dient aanzien wat een flagrante schending uitmaakt van de voormelde wetsartikels.”; 3.2.
  20. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert : “In een enig middel werpt verzoekster een schending op van art. 62 van de wet van 15/12/1980 en van art. 2 en 3 van de wet van 29 juli
  21. Verweerder wenst aangaande de algemene motiveringsverplichting, vervat in de wet van 29 juli 1991, alsook de specifieke motiveringsverplichting vervat in artikel 62 van de Vreemdelingenwet, aan te stippen dat die motiveringsverplichting tot doel heeft, ten opzichte van diegene die bij een bestuurshandeling betrokken is, een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de handeling dat hij/zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen de handeling te verweren met de middelen die het recht verschaft. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing wel degelijk kent en bovendien in het middel aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt. Hierdoor is het doel van de uitdrukkelijke motivering in casu bereikt. Wat betreft de materiële motivering wenst verweerder als volgt te antwoorden: Verzoekster beweert dat de Commissaris-generaal bij het nemen van de bestreden beslissing in hoofde van verzoekster de motiveringsplicht zou hebben geschonden gezien haar beslissing gesteund is op de bevestigende beslissing, genomen t.a.v. haar echtgenoot XXX, en deze laatste beslissing niet op rechtsgeldige wijze aan verzoekster werd betekend zodat de inhoud ervan haar niet op een rechtsgeldige wijze ter kennis werd gebracht. Verweerder bestwist deze stelling. De motiveringsvereiste van artikel 62 impliceert een tweedelige motivering; in feite en in rechte. De bestreden beslissing is afdoende gemotiveerd en voldoet aan beide vereisten. De juridische motivering bestaat uit de ingeroepen wettelijke onontvankelijkheidsgrond, in casu de kennelijke ongegrondheid (art. 52, § 1, 7/). De feitelijke motivering (de omstandigheden van de zaak) bestaat vooreerst uit de volgende tweeledige vaststelling gemaakt door de Commissaris-generaal en opgenomen in de bestreden beslissing. Ten eerste werd er vastgesteld dat verzoekster (naast het aanbrengen van 1 enkel eigen vervolgingsfeit) haar asielaanvraag in hoofdzaak baseerde op de vermeende vervolgingsfeiten die haar echtgenoot aanhaalde. Ten tweede werd er vastgesteld dat in hoofde van verzoeker een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf werd genomen omwille van de kennelijke ongegrondheid van zijn aanvraag. Voor wat betreft deze ingeroepen VII-25.965 & VII-25.963-11/14 vervolgingsfeiten, kon de Commissaris-generaal terecht besluiten dat er ook in hoofde van verzoekster een bevestigende beslissing diende genomen te worden. Zoals uiteengezet in de bestreden beslissing kwam de Commissaris-generaal daarnaast tot de conclusie dat de persoonlijke feiten aangehaald door verzoekster (persoonlijke aanval op verzoekster op 5 januari 2002) niet beschouwd kunnen worden als vervolging zoals omschreven in de Conventie van Genève. Verzoeksters opmerking dat de inhoud van de bevestigende beslissing, genomen in hoofde van haar echtgenoot, haar niet op rechtsgeldige wijze ter kennis werd gebracht houdt geen steek. Aangezien verzoeksters beslissing voornamelijk gebaseerd is op de vermeende vervolgingsfeiten van haar echtgenoot kan zij bezwaarlijk opwerpen dat ze niet op de hoogte is van de inhoud van de bestreden beslissing van haar echtgenoot. Het enige middel is niet ernstig.”; 3.2.
  22. Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord nog het volgende uiteenzet : “De beslissing schendt art. 62 van de wet inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van Vreemdelingen d.d. 15/12/1980 mede de wet inzake de verplichte motivering van bestuurshandelingen d.d. 29/07/1991 onder de artikelen 2 en
  23. De aanhef van de beslissing luidt dat vermits de asielaanvraag in hoofdorde steunt op de motieven aangebracht door de echtgenoot van de verzoekster ter staving van zijn asielrelaas en dat gezien voor de echtgenoot een bevestigende beslissing is genomen derhalve ook voor de verzoekster een bevestigende beslissing dient genomen. De verwerende partij kan niet betwisten dat de bevestigende beslissing inzake XXX NIET aan de verzoekster is betekend zodat zij geen kennis heeft van de motieven welke de Commissaris-generaal hebben doen besluiten tot de bevestigende beslissing inzake haar echtgenoot. Waar beide echtgenoten een afzonderlijk asielverzoek indienden mag de Commissaris-generaal er niet van uitgaan dat betekeningen aan één der echtgenoten gedaan, moeten geacht worden aan beide te zijn verricht. De verweerder stelt dat de verzoekster bezwaarlijk kan volhouden dat zij niet op de hoogte is van de motivering van de bevestigende beslissing jegens haar echtgenoot doch toont daarentegen niet aan dat de verzoekster daar wel kennis zou van hebben. Dat de verzoekster daarvan kennis zou hebben blijkt ook uit niets en evenmin uit het verzoekschrift tot onderhavige procedure. De beide verzoekers zijn aparte rechtssubjecten zodat jegens elk van hen de wettelijk voorgeschreven vormen dienen gerespecteerd. De bevestigende beslissing mag dan in fine nog een aantal opmerkingen betreffende het asielrelaas van de verzoekster zelf bevatten doch de bewoordingen later er geen twijfel over bestaan dat de dragende motivering van de beslissing te vinden is bij de bevestigende beslissing voor haar echtgenoot welke niet op rechtsgeldige wijze aan haar ter kennis is gebracht. De motivering is derhalve dermate gebrekkig dat zij voor onbestaande dient aanzien wat een flagrante schending uitmaakt van de voormelde wetsartikels.”; 3.2.
  24. Overwegende dat, zoals verzoekster terecht aangeeft, de bestreden beslissing vaststelt dat haar asielaanvraag in hoofdzaak steunt op de door haar echtgenoot, XXX, aangehaalde motieven; dat verzoekster nergens in haar uiteenzetting betwist dat ze haar asielaanvraag grotendeels steunt op dezelfde feiten als degene die door haar echtgenoot zijn aangehaald; dat de Commissaris-generaal ten aanzien van verzoeksters echtgenoot een bevestigende beslissing nam omwille van de kennelijke ongegrondheid van zijn aanvraag; dat de Commissaris-generaal bijgevolg op goede gronden kon overwegen dat er ten aanzien van verzoekster eveneens een bevestigende beslissing genomen diende te worden; dat de bestreden beslissing derhalve afdoende is gemotiveerd door te verwijzen naar de beslissing genomen ten aanzien van de echtgenoot van verzoekster; dat uit de bespreking van het VII-25.965 & VII-25.963-12/14 beroep van XXX overigens blijkt dat deze beslissing van de Commissaris-generaal ten aanzien van verzoeksters echtgenoot niet kennelijk onredelijk is; Overwegende dat het niet formeel ter kennis brengen aan de betrokkene van een formeel motief van een beslissing, deze beslissing niet noodzakelijk vitieert; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster en haar echtgenoot zich op hetzelfde ogenblik vluchteling verklaarden en dat zij op dezelfde dag werden verhoord voor het Commissariaat-generaal; dat er verder wordt vastgesteld dat zowel de beslissing genomen ten aanzien van verzoekster als die genomen ten aanzien van haar echtgenoot, aan verzoekster en haar echtgenoot werden verzonden op hetzelfde ogenblik; dat verzoekster en haar echtgenoot bovendien op hetzelfde adres wonen, waar in het kader van deze procedure trouwens woonplaatskeuze wordt gedaan; dat verzoekster bijgevolg moeilijk kan volhouden dat het voor haar niet mogelijk is om kennis te krijgen van de motivering van de beslissing genomen ten aanzien van haar echtgenoot; dat, niettegenstaande in casu kan worden aangenomen dat de beslissing van de echtgenoot niet aan verzoekster afzonderlijk werd betekend, uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat verzoekster met kennis van zaken een beroep heeft kunnen indienen; dat dienvolgens het doel van de formele motiverings- plicht is bereikt; dat het enige middel van verzoekster ongegrond is;
  25. Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat derhalve de beroepen tot nietigverklaring worden verworpen, BESLUIT: Artikel
  26. De zaken A. 117.775/VII-25.965 en A. 117.773/VII-25.963 worden gevoegd. Artikel
  27. De beroepen worden verworpen. Artikel
  28. De kosten van de beroepen, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. VII-25.965 & VII-25.963-13/14 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig oktober tweeduizend en vier, door: Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. C. VERHAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. M.-R. BRACKE. VII-25.965 & VII-25.963-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.524 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.