← België

Arrest 136527 - - 21/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.527 Rolnummer: A. 125843/VII-32047 Zaak: Arrest 136527 - - 21/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-09 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 12:08 Fiche Arrest nr 136.527 van 21 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 136.527 van 21 oktober 2004 in de zaak A. 125.843/VII-32.047 In zake :

  1. XXX,
  2. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat G. VERGAUWE, kantoor houdende te 9940 EVERGEM, Belzeelsestraat 40 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Macedonische nationaliteit, en XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 22 augustus 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 23 juli 2002 tot bevestiging van de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 29 april 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op het arrest nr. 116.957 van 12 maart 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de genoemde bestreden beslissingen wordt verworpen; Gelet op het verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend door de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 11 april 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; VII-32.047-1/10 Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partijen teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 24 juni 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 7 september 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat G. VERGAUWE, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Adjunct-adviseur V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. De verzoekende partijen kwamen België binnen op 24 april 2002 en verklaarden zich diezelfde dag vluchteling. 1.
  5. Op 29 april 2002 nam de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 23 juli 2002 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen als volgt: Voor de eerste verzoekende partij : “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat u, nadat u uw land hebt verlaten, meer dan drie maanden in een ander land hebt verbleven en dit hebt verlaten zonder vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. (...) Ik meen evenwel dat, gezien de situatie in uw land van herkomst, het in de huidige omstandigheden niet aangewezen is dat u naar Macedonië zou worden teruggeleid. Een terugkeer naar Joegoslavië is mogelijk. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2). (...) VII-32.047-2/10 Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Volgens uw verklaringen bent u een etnische Albanees uit Joegoslavië, meer bepaald uit Corrotic (Preshevë). Sinds 1967 woonde u echter in Kumanovë (Macedoni- e). Sinds 1997 bent u in het bezit van de Macedonische nationaliteit. U bent eveneens sinds 1997 lid van de PDsh (Albanese Democratische Partij) in Kumanovë. Uw taak bestond er voornamelijk uit het organiseren van meetings, manifestaties en geld inzamelen voor de Albanese universiteit van Tetovë. Op 10 september 2001, toen u op weg was van Kumanovë naar Preshevë om de geboorteakte van uw echtgenote te gaan halen, zou de politie u aan de grenspost van Tabanovc opgepakt hebben. Ze zou u geboeid hebben en een zak over uw hoofd getrokken hebben. Vervolgens zouden de agenten u naar het politiekantoor van Tito Veles hebben overgebracht. In het politiebureau zou u door 7 à 8 personen, zowel politiemannen als mensen in burger, geslagen zijn geweest. U zou tengevolge van deze slagen het bewustzijn verloren hebben. Nadat ze water op u gegooid hadden, zouden ze u opnieuw beginnen slaan zijn. Na lange tijd zou u ondervraagd geweest zijn door iemand in burger. Hij zou u beschuldigd hebben van het feit dat u voor het UÇK (Nationaal Bevrijdingsleger) werkte. Hij zou u ervan beschuldigd hebben dat u geld inzamelde voor de aankoop van wapens en dat u manschappen ronselde. Voor de rest zou u zich hiervan niet veel meer herinneren omdat hij u zo hard zou geslagen hebben dat u opnieuw het bewustzijn verloor. Nadien zouden mensen in burger water op u gegooid hebben en vervolgens zou u gemarteld geweest zijn en zouden ze een revolver op uw hoofd gezet hebben. Op 11 september 2001 zou uw advocaat, Dimde Jakimovski, de eerste maal bij u gekomen zijn. Hij zou u beloofd hebben dat hij u de volgende dag zou vrij krijgen. Ook na de komst van uw advocaat zou u nog geslagen geweest zijn. Op 12 september 2001 zou u - na tussenkomst van de PDsh - vrijgelaten zijn op voorwaarde dat u niets tegen de media of tegen iemand anders zou zeggen. Nadat u vrijgelaten was, zou u één nacht thuis verbleven hebben. Toen u thuiskwam zou u van uw echtgenote vernomen hebben dat de politie op 10 september uw huis binnengevallen was en dat ze haar lastiggeval- len had. Omdat u schrik had van de politie zou u op 13 september 2001 illegaal naar Preshevë (Joegoslavië) gevlucht zijn. In Preshevë zou u via uw echtgenote vernomen hebben dat er drie dagen na uw vertrek een convocatie van de politie naar uw huis gestuurd zou zijn. Uw echtgenote zou gezegd hebben dat u er niet was en de convocatie zou teruggestuurd zijn. Tevens zou u van uw echtgenote hebben vernomen dat de politie op 20 september 2001opnieuw uw huis was binnengevallen. Vervolgens zou u tegen uw echtgenote gezegd hebben dat ze ook naar Preshevë moest komen. Op 6 oktober 2001 zou u vernomen hebben dat de politie opnieuw naar uw huis en het huis van uw broer gekomen was om er u te zoeken. U zou van september 2001 tot april 2002 bij verschillende familieleden van u en uw echtgenote in Preshevë verbleven hebben. Van daaruit zou u samen met uw echtgenote, XXX, en uw vijf minderjarige kinderen, op 21 april 2002 Joegoslavië verlaten hebben richting België, waar u op 24 april 2002 aankwam en waar u nog dezelfde dag asiel aanvroeg. U beschikt over een Macedonische identiteitskaart uitgereikt te Kumanovë op 26 februari
  7. Ter staving van uw asielaanvraag legde u volgende documenten neer: een attest opgesteld door uw advocaat, Dimde Jakimovski, dat moet dienen als bewijs voor de rechtbank d.d. 12/09/2001; een doktersattest afgeleverd te Kumanovë d.d. 12/09/2001; 6 foto’s genomen van uzelf na uw vrijlating; een huwelijksakte afgeleverd te Kumanovë d.d. 22/01/1999; uw geboorteakte, afgeleverd te Kumanovë d.d. 14/09/1998; de geboor- teakte van uw echtgenote, afgeleverd te Preshevë op 24/09/1993; de geboorteakte van uw dochter XXX afgeleverd te Kumanovë d.d. 02/02/1995; de geboorteakte van uw dochter XXX, afgeleverd te Kumanovë op 12/01/1998; de geboorteakte van uw zoon afgeleverd te Kumanovë d.d. 23/08/2001; de geboorteaktes van uw tweelingzonen afgeleverd te Vranje op 06/02/2002 en een doktersattest afgeleverd te Brussel d.d. 05/06/
  8. Er dient vastgesteld te worden dat u na uw vertrek uit Macedonië op 13 september 2001 tot aan uw vertrek naar België op 21 april 2002 - dus ruim 7 maanden - in Joegoslavië verbleven heeft (verhoorverslag CGVS p. 9). U heeft echter geenszins aannemelijk gemaakt dat u laatstgenoemd land heeft verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie of dat u alsnog bedoelde vrees dient te hebben bij een eventuele terugkeer naar Joegoslavië (Zuid-Servië). U verklaarde immers zelf geen problemen gehad te hebben te Preshevë (verhoorverslag CGVS p. 14). Wat de door u aangehaalde vrees voor de Servische politie betreft, met VII-32.047-3/10 name dat ze u zou oppakken en uitleveren aan Macedonië als u zich zou aanmelden voor nieuwe documenten (verhoorverslag CGVS p. 13 en 14) dient erop gewezen te worden dat u geen poging ondernomen heeft om persoonlijke identiteitsdocumenten aan te vragen (verhoorverslag CGVS p. 14). Daarnaast dient ook vastgesteld te worden dat u beschikt over de geboorteaktes van uw beide zonen geboren te Vranje (Joegoslavië) en waarop u als vader vermeld staat (verhoorverslag CGVS p. 2 - geboorteakte van Bleon Iseni afgeleverd te Vranje d.d. 06/02/2002; geboorteakte van XXX afgeleverd te Vranje d.d. 06/02/2002). Op deze geboorteaktes staat eveneens vermeld dat u nog steeds de Joegoslavische nationaliteit bezit. Ook uw echtgenoot beschikt luidens uw verklaringen nog steeds over het Joegoslavisch staatsburgerschap (verhoorverslag CGVS p. 11 en identiteitskaart echtgenote uitgereikt in 1999). Wat uw vrees betreft dat u zou worden uitgeleverd door de Servische politie aan de Macedoni- ers omdat het broedervolken zijn (verhoorverslag CGVS p. 14-15), dient vastgesteld te worden dat deze vrees louter is gebaseerd op een vermoeden dat geenszins door objectieve criteria wordt ondersteund. Integendeel, in dit verband dient immers te worden opgemerkt dat de Joegoslavische staat haar eigen onderdanen (met uitzonde- ring van oorlogsmisdadigers die voor het Joegoslaviëtribunaal dienen te verschijnen) niet uitlevert (Joegoslavische grondwet artikel 17). Wat betreft de door u neergelegde documenten, met name het attest van de PDsh dat uw lidmaatschap bij deze partij bevestigt, de foto’s, het attest van uw raadsman uit Macedonië en de medische attesten, dient vastgesteld te worden dat zij wel degelijk uw asielrelaas staven maar geen afbreuk doen aan bovenstaande vaststellingen. ”. Voor de tweede verzoekende partij : “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat u, nadat u uw land hebt verlaten, meer dan drie maanden in een ander land hebt verbleven en dit hebt verlaten zonder vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. (...) Ik meen evenwel dat, gezien de situatie in uw land van herkomst, het in de huidige omstandigheden niet aangewezen is dat u naar Macedonië zou worden teruggeleid. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2). (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Volgens uw verklaringen bent u een etnisch Albanese uit Joegoslavië, meer bepaald uit Preshavë. Sinds 1992 woont u samen met uw echtgenoot, waarmee u op 14 mei 1993 in het huwelijk trad, in Kumanovë (Macedonië). Tot op heden kon u de Macedonische nationaliteit niet verkrijgen. Op 10 september 2001 zou uw echtgenoot naar Preshevë zijn vertrokken om er uw identiteitsdocumenten af te halen. Op 11 september 2001, om 5 uur ‘s morgens, zouden 30 à 40 politieagenten uw huis binnengevallen zijn. Ze zouden op zoek geweest zijn naar uw echtgenoot en naar wapens. U verklaarde dat uw echtgenoot zich in Servië bevond omdat u nog steeds die mening was toegedaan. Twee politieagenten zouden u tevens met hun wapen geslagen hebben. Bovendien zouden ze uw geld gestolen hebben en uw inboedel hebben vernield. U zou vervolgens naar uw broer in Preshevë hebben gebeld en vernomen hebben dat uw echtgenoot er niet was aangekomen. U zou samen met de broers van uw echtgenoot een advocaat onder de arm hebben genomen, die ontdekte dat uw echtgenoot zich op het politiekantoor van Tito Veles bevond. Via bemiddeling van uw raadsman zou uw echtgenoot op 12 september 2001 zijn vrijgelaten. De volgende dag zou hij onmiddellijk naar Preshevë zijn uitgeweken. Op 20 september 2001 zou de politie met een convocatie naar uw huis gekomen zijn. U weet echter niet wat erin stond omdat u de convocatie niet opende; De politie zou tevens uw woning doorzocht hebben. Op 21 september 2001 zou u met uw 3 kinderen op aanraden van uw echtgenoot ook naar Preshevë vertrokken zijn. Op 7 oktober 2001 bent u te Vranje van een tweeling bevallen. U zou van september 2001 tot april 2002 bij verschillende VII-32.047-4/10 familieleden in Preshevë verbleven hebben. Eind februari 2002 zou u er tevens van uw schoonbroer hebben vernomen dat de Macedonische politie nog dagelijks bij hem naar uw echtgenoot kwam informeren. Omdat u vreesde dat uw echtgenoot door de Servische politie zou worden gearresteerd en aan Macedonië zou uitgeleverd worden, zou u samen met uw echtgenoot en uw vijf minderjarige kinderen op 21 april 2002 Joegoslavië verlaten hebben richting België, waar u op 24 april 2002 aankwam. U vroeg er nog dezelfde dag asiel aan. U beschikt over een Joegoslavische identiteitskaart , uitgereikt te Preshevë op 25 januari 1999; een geboorteakte, uitgereikt te Preshevë op 24 september 1993; een huwelijksakte, uitgereikt te Kumanovë op 14 september 1998 en de geboorteaktes van uw kinderen. Er dient te worden vastgesteld dat u na uw vertrek uit Macedonië op 21 september 2001 tot uw vertrek naar België op 21 april 2002 - dus 7 maanden - in Joegoslavië (Zuid-Servië) verbleef en dat u laatstgenoemd land verliet zonder een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. U verklaarde immers geen problemen te hebben gekend in Preshevë, doch enkel Zuid-Servië te hebben verlaten omdat u er onzeker was en vreesde dat uw echtgenoot zou worden gearresteerd door de Servische politie en naar Macedonië zou worden overgebracht (verhoorverslag CGVS p. 8 en 9). In dit verband dient vooreerst te worden vastgesteld dat u in het bezit bent van de geboorteaktes van uw tweelingzonen, uitgereikt te Vranje op 2 juni 2002 en waarop duidelijk staat vermeld dat u en uw echtgenoot beiden de Joegoslavische nationaliteit bezitten (zie geboorteaktes d.d. 2 juni 2002). Wat betreft uw vrees dat uw echtgenoot door de Servische politie zou worden opgepakt en aan de Macedonische autoriteiten zou overgedragen worden, dient bijgevolg vastgesteld te worden dat deze vrees geenszins door objectieve criteria wordt ondersteund daar de Joegoslavische staat geen eigen onderdanen (met uitzondering van oorlogsmisdadigers die voor het Joegoslaviëtribunaal dienen te verschijnen) uitlevert (Joegoslavische grondwet artikel 17). In dit verband kan nog worden toegevoegd dat u luidens uw verklaringen zelf tot 1992 in Joegoslavië woonachtig bent geweest alvorens naar Macedonië uit te wijken (verhoorverslag CGVS p. 1) en dat u nog steeds over een geldige Joegoslavische identiteitskaart beschikt (zie identiteitskaart, geldig tot 25 januari 2009). Aldus dient vastgesteld te worden dat u geen feiten of elementen heeft aangehaald waaruit zou kunnen blijken dat u een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchteling- enconventie dient te hebben bij een eventuele terugkeer naar uw land van oorsprong.”. Dit zijn de bestreden beslissingen; 2.
  9. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid opwerpt; dat de verwerende partij stelt dat het beroep tot nietigverklaring onontvankelijk is wegens gebrek aan belang, daar verzoekers reeds eerder een beroep tot nietigverklaring hebben ingediend tegen dezelfde bevestigende beslissingen van weigering van verblijf, dat verzoekers op 30 juli 2002 een verzoekschrift tot nietigverklaring hebben ingediend, met als raadsman M.J. Bauwens, dat deze zaak het nummer G/A 124.820/XIV-11.109 draagt, dat verzoekers op 22 augustus 2002 opnieuw een verzoekschrift tot nietigverklaring indienden, met als raadsman G. Vergauwe, dat deze zaak gekend is onder het nummer G/A 125.843/XIV-11.409; 2.
  10. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord als volgt repliceren : “Verwerende partij houdt voor dat het beroep onontvankelijk zou zijn wegens gebrek aan belang. Hij verwijst naar een vroeger ingesteld beroep. VII-32.047-5/10 Vooreerst dient gesteld dat verweerder geen enkel wetsartikel aanduidt waarop hij zich baseert om te stellen dat een beroep onontvankelijk zou moeten verklaard worden omdat er reeds een beroep is ingesteld. Het huidige beroep is tijdig ingesteld. Het is gericht tegen een beslissing die vatbaar is voor het aangewende rechtsmiddel. Niets belet verzoekers dat zij een tweede beroep instellen, op voorwaarde dat dit tijdig is, waarin zij andere grieven naar voor brengen. Het is evident dat in deze zaak dan ook de twee procedures desgevallend kunnen worden samengevoegd. Blijkbaar is dit niet meer mogelijk nu de andere procedure is beëindigd ingevolge gedecreteerde afstand van de procedure schorsing en nietigverklaring (cfr. arrest d.d. 12/03/2003). Om deze redenen is het dan ook duidelijk dat verzoekers een belang hadden bij de tweede procedure en dat dit belang thans niet meer ter discussie kan gesteld worden gelet op de afstand van de eerste procedure. Verweerder kan niet ontkennen dat huidig beroep tijdig is en kan evenmin ontkennen dat het thans nog steeds van belang vertoont nu er geen ander beroep aanhangig is en de bestreden beslissing nog steeds gehandhaafd worden.”; 2.
  11. Overwegende dat aan de Raad van State geen beginsel bekend is dat aan een verzoekende partij belet tegen eenzelfde beslissing meerdere annulatieberoepen in te dienen; dat de verzoekende partijen tevens impliciet afstand hebben gedaan van het andere beroep dat ze tegen de thans bestreden beslissingen hadden ingediend; dat deze afstand werd ingewilligd bij ‘s Raads arrest nr. 116.956 van 12 maart 2003; dat de exceptie van onontvankelijkheid bijgevolg niet kan worden aangenomen; 3.1.
  12. Overwegende dat de verzoekende partijen een eerste middel uiteenzetten dat als volgt luidt : “Schending van de algemene rechtsbeginselen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de algemene motiveringsverplichting en de rechten van verdediging. Verzoekers werden nooit in kennis gesteld van de elementen waarop verweerder zijn beslissing heeft gesteund. Wanneer verweerder meent zijn beslissing op een bepaald gegeven te moeten steunen, is het duidelijk dat dit gegeven eerst kenbaar moet worden gemaakt aan verzoekers. Respect voor de rechten van verdediging houdt in dat elkeen dezelfde wapens kan hanteren en dat de ene partij de andere niet verrast met gegevens waarvan de andere partij geen kennis heeft of kan hebben. Verweerder houdt voor dat er terzake geen enkel probleem zou bestaan betreffende de behandeling van verzoeker en zijn familie in Servië. Dit is manifest in tegenspraak met hetgeen verzoekers aan den lijve hebben ondervonden in Servië.”; 3.1.
  13. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord niet ingaat op het middel; 3.1.
  14. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord stellen dat, aangezien de verwerende partij niet op de middelen antwoordt, verondersteld moet worden dat zij zich terzake gedraagt naar de wijsheid; 3.1.
  15. Overwegende dat vooreerst dient te worden aangestipt dat de rechten van verdediging op het administratiefrechtelijke vlak alleen in tuchtzaken toepasselijk zijn; dat de rechten van verdediging derhalve niet van toepassing zijn op administratieve beslissingen die worden genomen in het raam van de wet van 15 december 1980 betreffende VII-32.047-6/10 de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat verzoekers de schending ervan dan ook niet dienstig kunnen inroepen; dat verzoekers voorts menen dat de motiveringsplicht geschonden werd doordat de Commissaris-generaal hen niet heeft geconfronteerd met de elementen waarop hij zijn beslissing zou baseren; dat de procedure voor de Commissaris-generaal echter een administratieve procedure is en geen jurisdictionele procedure; dat er geen wettelijke verplichting bestaat om een kandidaat-vluchteling te confronteren met de elementen waarop de Commissaris-generaal zijn beslissing zal baseren; Overwegende dat uit de analyse van de bestreden beslissingen blijkt dat in een eerste deel de feiten nauwkeurig worden weergegeven, die resulteren uit de neerslag van de verklaringen van verzoekers tijdens hun verhoor voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat in een tweede deel de verklaringen van verzoekers op objectieve wijze worden onderzocht in de globale context van hun asielaanvraag; dat dit zorgvuldig onderzoek de Commissaris-generaal ertoe gebracht heeft te besluiten dat de asielaanvraag van verzoekers onontvankelijk is omdat ze meer dan drie maanden in een ander land verbleven hebben en dat ze dit land verlaten hebben zonder vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat het determinerend motief er aldus uit bestaat dat verzoekers na hun vertrek uit Macedonië (ruim) zeven maanden in Joegoslavië (Zuid-Servië) verbleven hebben en dat ze dit land verlaten hebben zonder dat er sprake was van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingencon- ventie; dat verzoekers geen enkele poging ondernemen om dit determinerend motief te weerleggen; dat verzoekers evenmin aantonen dat de bestreden beslissingen onwettig zijn; dat de bestreden beslissingen derhalve zijn genomen in overeenstemming met de wetsbepalingen betreffende de motivering van de bestuurshandelingen, aangezien zij aldus de feitelijke en juridische overwegingen vermelden die eraan ten grondslag liggen; dat de motivering de beslissingen blijkt te kunnen dragen en bijgevolg afdoende en deugdelijk is; dat het eerste middel niet gegrond is; 3.2.
  16. Overwegende dat de verzoekende partijen een tweede middel aanvoeren dat als volgt luidt : “Schending van art. 1, § A, al. 2 van het Internationaal verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de zorgvuldigheidsverplichting. Geldt als vluchteling: “elke persoon die zich uit gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit en die de bescherming van dat land niet kan of uit hoofde van bovenbedoelde vrees niet wil inroepen.” Verzoekers hebben een aanvraag dienaangaande ingediend. Door verweerder wordt hierop geenszins geantwoord, noch in concreto noch in abstracto. In ieder geval diende verweerder te antwoorden op de aanvraag in concreto. De problemen van verzoekers zijn ingegeven door hun afkomst. Trouwens de beslissing van de Commissaris is tegenstrijdig waar hij stelt dat het niet aangewezen is dat verzoekers zouden worden teruggeleid naar Macedonië, land waarvan zij de VII-32.047-7/10 nationaliteit hebben, en toch zouden kunnen teruggeleid worden naar Joegoslavië, land waarvan zij de nationaliteit niet hebben.”; 3.2.
  17. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord niet ingaat op het middel; 3.2.
  18. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord stellen dat, aangezien de verwerende partij niet op de middelen antwoordt, verondersteld moet worden dat zij zich terzake gedraagt naar de wijsheid; 3.2.
  19. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van artikel 1, A

(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen (Conventie van Genève) betreft, dient te worden vastgesteld dat deze bepaling geen rechtstreekse werking heeft, zodat de schending ervan als dusdanig niet dienstig kan worden ingeroepen; dat het zorgvuldigheidsbeginsel inhoudt dat de Commissaris-generaal zijn beslissingen op een zorgvuldige wijze dient voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekers werden opgeroepen voor een interview op het Commissariaat-generaal, dat verzoekers tijdens dit interview de gelegenheid kregen om hun asielmotieven uiteen te zetten en hun argumenten kracht bij te zetten, dat zij nieuwe en/of aanvullende stukken konden neerleggen en zich laten bijstaan door een advocaat of een persoon van hun keuze, dit alles in aanwezigheid van een tolk die de Albanese taal machtig is; dat de Commissaris-generaal, op basis van alle stukken vervat in het dossier en om de redenen die vermeld staan in de bestreden beslissingen, tot de conclusie is gekomen dat aanvragen van verzoekers onontvankelijk zijn; dat uit de bestreden beslissingen aldus geenszins blijkt dat de Commissaris-generaal het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden; dat verzoekers overigens nalaten enig concreet element aan te brengen dat erop zou kunnen wijzen dat de Commissaris-generaal een inbreuk heeft gepleegd op de beginselen van behoorlijk bestuur en meer bepaald op de zorgvuldigheidsverplichting; dat ten slotte het advies in verband met de terugleiding niet bindend is en bijgevolg niet vatbaar is voor nietigverklaring omdat het niet onder de toepassing van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State valt; dat het tweede middel niet gegrond is; 3.3.
  1. Overwegende dat de verzoekende partijen een derde middel aanvoeren dat als volgt luidt : “Verweerders gaan er verkeerdelijk van uit dat verzoeker de Joegoslavische nationaliteit heeft. Deze gevolgtrekking gaat duidelijk in tegen de stukken van het dossier. Het feit dat de twee jongste kinderen geboren zijn in Joegoslavië verleent aan verzoekers nog niet het recht om de Joegoslavische nationaliteit te verkrijgen. Verweerders maken dan ook een verkeerde conclusie uit de hen voorgelegde stukken. Wanneer zij beweren dat verzoeker de Joegoslavische nationaliteit heeft, dan dienen zij hiervan ook het ontegensprekelijke bewijs te leven en dit aan de hand van officiële stukken uitgaande van de overheid en enkel betrekking hebbende op verzoeker. Dit is nog steeds niet het geval. Aldus is er eveneens een schending van de algemene rechtsbeginselen en van VII-32.047-8/10 de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de algemene motive- ringsverplichting en de rechten van verdediging.”; 3.3.
  2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord niet ingaat op het middel; 3.3.
  3. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord stellen dat, aangezien de verwerende partij niet op de middelen antwoordt, verondersteld moet worden dat zij zich terzake gedraagt naar de wijsheid; 3.3.
  4. Overwegende dat uit de bewoordingen van het middel blijkt dat verzoekers opnieuw de motiveringsplicht aanvoeren; dat verzoekers ook in dit middel het determinerend motief van de bestreden beslissingen niet betwisten; dat verzoekers niet aantonen dat de vaststellingen van de Commissaris-generaal dat verzoekers na hun vertrek uit Macedonië (ruim) zeven maanden in Joegoslavië (Zuid-Servië) hebben verbleven en dat ze dit land hebben verlaten zonder dat er sprake was van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie, kennelijk onredelijk of onjuist zouden zijn; dat, zoals reeds bij het eerste middel werd besproken, dit motief volstaat om tot de onontvankelijkheid van de asielaanvragen te besluiten, zodat onderhavig middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden en dus niet verder dient te worden onderzocht; dat het derde middel niet gegrond is;
  5. Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, VII-32.047-9/10 BESLUIT: Artikel
  6. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 700 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig oktober tweeduizend en vier, door: Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. C. VERHAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. M.-R. BRACKE. VII-32.047-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.527 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.