id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.527 Rolnummer: A. 125843/VII-32047 Zaak: Arrest 136527 - - 21/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-09 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 12:08 Fiche Arrest nr 136.527 van 21 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 136.527 van 21 oktober 2004 in de zaak A. 125.843/VII-32.047 In zake :
(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen (Conventie van Genève) betreft, dient te worden vastgesteld dat deze bepaling geen rechtstreekse werking heeft, zodat de schending ervan als dusdanig niet dienstig kan worden ingeroepen; dat het zorgvuldigheidsbeginsel inhoudt dat de Commissaris-generaal zijn beslissingen op een zorgvuldige wijze dient voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekers werden opgeroepen voor een interview op het Commissariaat-generaal, dat verzoekers tijdens dit interview de gelegenheid kregen om hun asielmotieven uiteen te zetten en hun argumenten kracht bij te zetten, dat zij nieuwe en/of aanvullende stukken konden neerleggen en zich laten bijstaan door een advocaat of een persoon van hun keuze, dit alles in aanwezigheid van een tolk die de Albanese taal machtig is; dat de Commissaris-generaal, op basis van alle stukken vervat in het dossier en om de redenen die vermeld staan in de bestreden beslissingen, tot de conclusie is gekomen dat aanvragen van verzoekers onontvankelijk zijn; dat uit de bestreden beslissingen aldus geenszins blijkt dat de Commissaris-generaal het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden; dat verzoekers overigens nalaten enig concreet element aan te brengen dat erop zou kunnen wijzen dat de Commissaris-generaal een inbreuk heeft gepleegd op de beginselen van behoorlijk bestuur en meer bepaald op de zorgvuldigheidsverplichting; dat ten slotte het advies in verband met de terugleiding niet bindend is en bijgevolg niet vatbaar is voor nietigverklaring omdat het niet onder de toepassing van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State valt; dat het tweede middel niet gegrond is; 3.3.
- Overwegende dat de verzoekende partijen een derde middel aanvoeren dat als volgt luidt : “Verweerders gaan er verkeerdelijk van uit dat verzoeker de Joegoslavische nationaliteit heeft. Deze gevolgtrekking gaat duidelijk in tegen de stukken van het dossier. Het feit dat de twee jongste kinderen geboren zijn in Joegoslavië verleent aan verzoekers nog niet het recht om de Joegoslavische nationaliteit te verkrijgen. Verweerders maken dan ook een verkeerde conclusie uit de hen voorgelegde stukken. Wanneer zij beweren dat verzoeker de Joegoslavische nationaliteit heeft, dan dienen zij hiervan ook het ontegensprekelijke bewijs te leven en dit aan de hand van officiële stukken uitgaande van de overheid en enkel betrekking hebbende op verzoeker. Dit is nog steeds niet het geval. Aldus is er eveneens een schending van de algemene rechtsbeginselen en van VII-32.047-8/10 de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de algemene motive- ringsverplichting en de rechten van verdediging.”; 3.3.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord niet ingaat op het middel; 3.3.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord stellen dat, aangezien de verwerende partij niet op de middelen antwoordt, verondersteld moet worden dat zij zich terzake gedraagt naar de wijsheid; 3.3.
- Overwegende dat uit de bewoordingen van het middel blijkt dat verzoekers opnieuw de motiveringsplicht aanvoeren; dat verzoekers ook in dit middel het determinerend motief van de bestreden beslissingen niet betwisten; dat verzoekers niet aantonen dat de vaststellingen van de Commissaris-generaal dat verzoekers na hun vertrek uit Macedonië (ruim) zeven maanden in Joegoslavië (Zuid-Servië) hebben verbleven en dat ze dit land hebben verlaten zonder dat er sprake was van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie, kennelijk onredelijk of onjuist zouden zijn; dat, zoals reeds bij het eerste middel werd besproken, dit motief volstaat om tot de onontvankelijkheid van de asielaanvragen te besluiten, zodat onderhavig middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden en dus niet verder dient te worden onderzocht; dat het derde middel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, VII-32.047-9/10 BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 700 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig oktober tweeduizend en vier, door: Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. C. VERHAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. M.-R. BRACKE. VII-32.047-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.527 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div