id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.529 Rolnummer: A. 129458/VII-28387 Zaak: Arrest 136529 - - 21/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-09 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-04 12:08 Fiche Arrest nr 136.529 van 21 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 136.529 van 21 oktober 2004 in de zaak A. 129.458/VII-28.387 In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat P. MEULEMANS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Koningin Astridlaan 143 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van XXX nationaliteit, op 18 november 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 22 oktober 2002 tot bevestiging van de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 september 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 22 november 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partijen teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 24 juni 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 7 september 2004; VII-28.387-1/15 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die, loco Advocaat P. MEULEMANS, verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Adjunct- adviseur V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partijen kwamen België binnen op 14 augustus 2002 en verklaarden zich diezelfde dag vluchteling. 1.
- Op 23 september 2002 nam de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 22 oktober 2002 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen als volgt: Voor de eerste verzoekende partij : “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. (...) Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2). (...) Mijn beslissing is gebaseerd op volgende motieven: U verklaart voor het Commissariaat-generaal dat u een XXX staatsburger bent, afkomstig uit K. Volgens deze verklaringen bent u XXX ontvlucht na vervolging door de autoriteiten omwille van uw religieuze bekering. Anderhalf jaar geleden heeft D., met wie u beroepsmatig in contact stond, uw interesse gewekt voor het christendom. Eind 1379 (begin 2001) bent u, net zoals uw echtgenote H. (O.V. 5.255.332), dan ook bekeerd tot het christendom. In die periode bent u beide beginnen deelnemen aan groepsbijeenkomsten waar D. u over het christendom instrueerde. Van toen af hebben uw echtgenote en u zelf ook elke week een brochure opgesteld met een christelijk geïnspireerde tekening en een bijbelcitaat. Die brochure verspreidde u in de wekelijkse bijbellessen, en werden vervolgens verder verspreid door alle groepsleden. Op 27/04/1381 (18/07/2002) was u met uw echtgenote bij haar moeder in T. op bezoek toen uw vriend H., die zelf bij uw christelijke groep VII-28.387-2/15 hoorde, u daar belde met de mededeling dat D. gearresteerd was. Onder martelingen had hij de namen van de groepsleden vrijgegeven en H. alsook de andere groepsleden zouden het land al ontvlucht hebben. Hij raadde u aan hetzelfde te doen. Kort daarna werd u door de overbuurvrouw van uw woning in K. gebeld. Zij zei u dat agenten in burger uw woning waren binnengevallen, en er een computer en brochures hadden geconfisqueerd. Vervolgens besloot u om het land te verlaten. U bent diezelfde dag nog samen met uw echtgenote naar een kennis in T. gegaan, van waaruit u een tiental dagen later het land heeft verlaten. Op 14/08/2002 bent u in België aangekomen, waar u dezelfde dag het statuut van vluchteling heeft aangevraagd. U vermeldt voorts dat u, met name toen u veertien jaar oud was, slachtoffer was van intimidatie en slagen bij de vervolging van uw broers en ouders door de XXX autoriteiten omwille van hun royalistische overtuigingen. Intussen zouden drie broers en uw ouders XXX zijn ontvlucht, de laatsten, uw ouders, zeven tot acht jaar geleden. Aangaande het oordeel dat uw asielverklaringen bedrieglijk zijn, moeten er met name enkele tegenstrijdigheden worden opgemerkt, enerzijds tussen uw opeenvolgende verklaringen (Dienst Vreemdelingenzaken, Commissariaat-generaal), en anderzijds tussen uw verklaringen en die van uw echtgenote. Hierdoor wordt de geloofwaardigheid van uw asielrelaas ernstig ondermijnd. Zo heeft u met betrekking tot uw introductie in het christendom verklaard dat u vanaf eind 1379 elke donderdag les kreeg over het christendom. U heeft ook aan mis- vieringen deelgenomen. Deze vonden enkel plaats op donderdagen en slechts indien de laatste of de eerste dag van een maand uit de gregoriaanse kalender viel op een woensdag, donderdag of vrijdag. De eerste misviering die u ooit heeft meegevierd zou na enkele lessen hebben plaatsgehad (gehoorverslag CGVS p 8-9, 18-19). Uw echtgenote heeft echter tegenover het Commissariaat-generaal verklaard dat uw groep tweemaal per week samenkwam: één maal op donderdag voor de bijbelles, en één maal op zondag voor een misviering. De eerste misviering die zij zo heeft meegemaakt zou zijn geweest op zondag, direct na de eerste bijbelles (gehoorverslag CGVS XXX , p 4- 5). Wat de melding van de arrestatie van D. betreft, verklaart u verder dat u per telefoon deze informatie van H. heeft vernomen. U weet niet waar uw echtgenote zich op dat moment bevond, al weet u wel dat ze zich net zoals u ergens in het huis van uw schoonmoeder in T. bevond (gehoorverslag CGVS, p. 12). Uw echtgenote verklaart dan weer wat dit telefoongesprek betreft, dat zij zich in dezelfde kamer bevond als u op het ogenblik dat u met H. in gesprek was (gehoorverslag CGVS XXX, p.2). Verder heeft u in het gehoor in dringend beroep met betrekking tot het volgende telefoongesprek (dat met uw buurvrouw) gesteld dat deze persoon u had gemeld dat de agenten die uw huis waren binnengevallen, allemaal in burger waren (gehoorverslag CGVS, p. 13). In het gehoor door de Dienst Vreemdelingenzaken heeft u dan weer beweerd dat deze inval door leden van de R. (S.) is uitgevoerd, en dat er daarnaast nog twee agenten in burger bij waren (gehoorverslag DVZ, vraag 42). Naast de vastgestelde tegenstrijdigheden moet erop worden gewezen dat u bijzonder weinig concrete informatie kan bieden over een aantal significante details van uw geloof, van uw bekering en van de door u beweerde vervolging. Dit manifeste gebrek aan correcte informatie bevestigt de hierboven vastgestelde ongeloofwaardigheid van uw asielverklaringen. Zo weet u eerstens, wat het moment van uw bekering betreft, niet verder te preciseren wanneer einde 1379 u zich tot het christendom heeft bekeerd (gehoorverslag CGVS, p. 6, 8-9, 17, 19-20). Nochtans zou u zich einde 1379 niet alleen hebben bekeerd, maar ook zou u in dezelfde periode begonnen zijn met uw wekelijkse bijbellessen, zou u uw eerste misviering hebben meegemaakt, en zou u verder begonnen zijn met het wekelijks opstellen van geloofsprocedures. Het is niet aannemelijk dat u, ondanks deze opeensta- peling van vernieuwende activiteiten in uw leven, en na herhaalde bevraging hieromtrent, er niet in slaagt een verdere datering van deze feiten te geven, of deze in de tijd ten opzichte van elkaar te situeren. Bovendien is het bevreemdend dat u niet weet te preciseren tot welke geloofsgemeen- schap u behoort (gehoorverslag CGVS, p. 5-6). U houdt het erop dat u protestant bent, en bij nader doorvragen verklaart u dat u ook E. (‘E.’) genoemd kan worden. Ook uw echtgenote verklaart protestant te zijn, maar specificeert dan weer dat zij B. is (gehoorverslag CGVS XXX , p. 3), hetgeen dan weer een andere stroming binnen het protestantisme is. Ook wat andere indicaties ter bepaling van de identiteit van uw VII-28.387-3/15 geloofsgemeenschap betreft, bent u in het ongewisse. Zo weet u te vertellen dat D. in contact stond met een priester, maar u heeft er geen idee van wie die priester was (gehoorverslag CGVS, p. 10). U weet ook niet of er buiten D. groepsleden waren die gedoopt waren (gehoorverslag CGVS, p. 20). Verder weet u niet welke soorten priesters er bestaan in uw geloofsgemeenschap (gehoorverslag CGVS, p. 20). Evenmin weet u of er zich in K. een kerk van uw geloofsstrekking bevindt (gehoorverslag CGVS, p. 11). Met betrekking tot de door u verklaarde daden van vervolging blijft u eveneens regelmatig in gebreke. U weet niet door wie D. is gearresteerd noch waar (gehoorverslag CGVS p. 12). Evenmin weet u hoe H. wist dat D. onder martelingen de namen van de groepsleden heeft vrijgegeven. U weet niet wat er met de andere groepsleden is gebeurd. U heeft ook geen poging gedaan om hen te contacteren (gehoorverslag CGVS p. 12). Evenmin heeft u verdere informatie over uw woonst sedert de inval aldaar. U heeft ook geen contact meer gehad met uw buurvrouw (gehoorverslag CGVS, p. 15) terwijl zij u voordien toch op de hoogte had gebracht van de situatie bij uw thuis. Op basis van de hierboven vermelde vaststellingen dient dan ook te worden geoordeeld dat er in uw hoofde geen gegronde vrees voor vervolging kan worden vastgesteld. Uw opmerking dat het royalistische verleden van uw familie een verzwarende omstandigheid zou zijn in de ogen van de XXX autoriteiten ten aanzien van uw persoon, kan niet worden weerhouden. Immers blijkt uit informatie waarover het Commissariaat- generaal beschikt, en waarvan een kopie aan het administratief dossier is toegevoegd, dat personen met louter monarchistische sympathieën niet langer vervolging riskeren in XXX. Het is trouwens opvallend dat u dit gegeven geheel niet als asielfeit ter sprake heeft gebracht ten overstaan van de Dienst Vreemdelingenzaken. Ten slotte legt u geen enkel document voor ter staving van de door u aangehaalde feiten en gegevens.”. Voor de tweede verzoekende partij : “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. (...) Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2). (...) Mijn beslissing is gebaseerd op volgende motieven: U verklaart voor het Commissariaat-generaal dat u een XXX staatsburger bent, afkomstig uit K. Volgens deze verklaringen bent u XXX ontvlucht na vervolging door de autoriteiten omwille van uw religieuze bekering. Sedert begin 1379 (midden 2000) heeft ene D. u en uw echtgenoot, XXX (O.V. 5.255.332) gesproken over het christendom. Eind 1379 bent u samen met uw echtgenoot beginnen deelnemen aan groepsbijeenkomsten waar u bijbelles kreeg. Elke donderdag kreeg u zo les. Elke zondag werd er een mis gevierd. Van toen af hebben uw echtgenoot en u zelf ook elke week een brochure opgesteld met een christelijk geïnspireerde tekening en een bijbelcitaat. Die brochure verspreidde u in de wekelijkse bijbellessen . Op 27/04/1381 (18/07/2002) was u met uw echtgenoot bij uw moeder in T. op bezoek toen een vriend van uw echtgenoot, ene H., die zelf bij uw christelijke groep hoorde, naar uw moeder belde en er aan uw echtgenoot meldde dat D. gearresteerd was. Hij zou onder martelingen de namen van de andere groepsleden hebben vrijgegeven en H. zelf net als de andere groepsleden zouden het land reeds ontvlucht hebben. Hij raadde uw echtgenoot en u aan hetzelfde te doen. Kort daarna heeft uw overbuurvrouw van uw woning in K. gebeld. Zij zei dat de autoriteiten uw woning waren binnengevallen, en er een computer en brochures hadden geconfisqueerd. U bent vervolgens met uw echtgenoot naar een VII-28.387-4/15 kennis in T. gegaan, van waaruit u een tiental dagen later het land heeft verlaten. Op 14/08/2002 bent u in België aangekomen, waar u op dezelfde dag het statuut van vluchteling heeft aangevraagd. Er dient te worden gewezen op het feit dat in hoofde van uw echtgenoot een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf werd genomen op grond van bedrieglijkheid. Gezien u samen met hem bent gevlucht omwille van dezelfde feiten dient ook wat u betreft een bevestigende beslissing te worden genomen. In dat verband kan gewezen worden op enkele tegenstrijdigheden tussen uw verklaringen en die van uw echtgenoot XXX. Zo heeft u met betrekking tot de bijbelcursus verklaard dat uw groep tweemaal per week samenkwam: één maal op donderdag voor de bijbelles, en één maal op zondag voor een misviering. De eerste misviering die u zo heeft meegemaakt, zou geweest zijn op de eerste zondag na de eerste bijbelles (gehoorverslag CGVS, p. 4-5). Uw echtgenoot heeft echter verklaard dat er slechts af en toe een misviering werd gehouden. En dan wel op donderdag telkens de laatste of de eerste dag van een maand uit de gregoriaanse kalender viel op een woensdag, donderdag of vrijdag. De eerste misviering die hij zo heeft meegevierd zou pas na enkele lessen hebben plaatsgehad (gehoorverslag CGVS XXX, p. 8-9, 18-19). Wat de ontvangen telefoonoproepen in het huis van uw moeder betreft, verklaart u dat u telkens in dezelfde kamer als uw echtgenoot aanwezig was op het moment van diens telefoongesprekken (gehoorverslag CGVS p. 2). Uw echtgenoot zelf verklaarde dan weer dat u bij het eerste gesprek ergens in het huis van uw moeder was, maar hij wist niet waar (gehoorverslag CGVS XXX, p. 12). Daarnaast is het ten zeerste bevreemdend dat uw echtgenoot zichzelf protestant en evangelisch noemt (gehoorverslag CGVS XXX, p. 5-6), terwijl u zichzelf protestant en baptist noemt (gehoorverslag CGVS p. 3), hetgeen echter twee verschillende stromingen zijn binnen het protestantisme. Ook met betrekking tot de door u verklaarde daden van vervolging heeft u zelf weinig informatie. Zo weet u niet of uw moeder door de autoriteiten is gecontacteerd in verband met uw vervolging. Nochtans is er nog telefonisch contact geweest tussen uw moeder en u toen u ondergedoken was (gehoorverslag CGVS p. 8). Op basis van deze vaststellingen dient dan ook te worden geoordeeld dat er in uw hoofde geen geloof kan worden gehecht aan uw beweerde vrees voor vervolging.”. Dit zijn de bestreden beslissingen; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen een enig middel aanvoeren dat als volgt luidt : “Schending van artikel 52 en 62 van de Vreemdelingenwet, de Conventie van Genève van 28 juli 1951, het EVRM, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 m.b.t. de uitdrukkelijke motivering in bestuurshandelingen (B.S. 12 september 1991) alsmede het anti-folterverdrag. Aangezien het Commissariaat-generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen ten onrechte stelt dat de asielmotieven van verzoekers niet aannemelijk worden gemaakt omdat er enkele onduidelijkheden aanwezig waren in het interview. Dat het eerste interview inderdaad niet zo vlot is verlopen gezien de tolk afkomstig was van A. terwijl verzoekers afkomstig zijn uit XXX zodat er aanzienlijke taalverschil- len zijn. Dat zelfs de naam van verzoekers, ondanks hun herhaaldelijk vraag, verkeerd werd geschreven (stuk 3: identiteitsbewijs met vertaling); Dat tijdens het tweede interview verzoekers verzochten om voor te lezen wat zij hadden verklaard doch zulks was niet mogelijk door tijdsgebrek; Eerste verzoeker had immers minder vertrouwen in de tolk toen deze repliceerde: “als je de vertaling beter kan doen kan je in mijn stoel komen zitten”. Dat twijfel inderdaad in het voordeel van de asielverzoeker speelt, tenzij gegronde redenen zich daartegen verzetten; Zie Gemeenschappelijk Standpunt Vluchtelingendefi- nitie, nr. 3; Zie J.Y. Carlier, “General Report”, p. 709, nr. 30; Zie Handbook nr 196; VII-28.387-5/15 Dat elkeen het recht heeft op vrije meningsuiting en zulks een mensenrecht uitmaakt zodat er sprake is van vervolging gezien mensenrechten worden geschonden, wanneer men zijn mening niet vrij mag uiten en men niet vrij is in het kiezen van zijn godsdienst; Zie Handbook nr. 51; Aangezien enkel beslissingen die manifest bedrieglijk zijn dienen geweerd te worden in de ontvankelijkheidsfase!! Zie de voorbereidende werkzaamheden van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 (Parl. St. zitting Parl. St. Zitting1986-87, 689/1 p 7 m.b.t. de wet van 14 juli 1987! Dat het Commissariaat immers spreekt van enkele “tegenstrijdigheden” doch blijkbaar bedoelt onduidelijkheden gezien bij het neerschrijven van de weergave van het interview blijkbaar menselijke fouten zijn gebeurd; Dat verzoekers deze “onduidelijkheden” onmiddellijk kunnen toelichten: -de groep kwam inderdaad tweemaal per week samen: op donderdag: bijbelles en op zondag: mis en dit kort volgende na enkele bijbellessen; -verzoeker wist inderdaad niet waar exact zijn vrouw aanwezig was toen hij bij zijn schoonouders werd opgebeld door de heer H., wat logisch is gezien de ernst van de inhoud van het gesprek was verzoeker niet gericht op de personen die zich in de living bevonden; zij was wel in de kamer aanwezig en kan beamen dat zij op het einde van het gesprek begon te wenen; -de agenten waren inderdaad in burger volgens de overbuurvrouw. Tijdens het eerste interview is er uit afgeleid dat het ging om agenten van de S. die meestal in burger zijn; Dat de onduidelijkheden dus geen aanfluiting inhouden van de geloofwaardigheid van de essentiële gegevens van het verhaal van de aanvrager gezien dit in het geheel van de verklaringen van verzoekers moet worden bekeken; Zie R.v.St. Nr. 69.217, 28 oktober 1997, Rev. Dr. Étr. 1997, 551, T. Vreemd. 1998, 38; Aangezien dat zodra een redelijk, zelfs minimaal, risico voor vervolging bestaat, voldaan is aan deze voorwaarde van de Conventie van Genève; Zie J.Y. Carlier, “General Report”, p. 701, nr. 17; Dat dit risico meer dan minimaal is gezien de familie van verzoekers (ouders van eerste verzoeker) naar Canada is gevlucht en daar conform bijgevoegde stukken een verblijfsvergunning heeft bekomen op basis van de Conventie van Genève (stuk 4 en 5); Aangezien zelfs het anti-folterverdrag toepasselijk is gezien in T. onmenselijke straffen worden gegeven (uitgesproken) indien andersdenkenden hun mening versprei- den; Dat aldus ook geen bescherming kan bekomen worden van de overheid gezien zij juist elk andere geloofsvorm in de kiem smoort en dus ook sprake is van vervolging indien de overheid geen bescherming kan verstrekken, en zoals in casu de P. vrij hun beloop laat; Zie CPRR (2de kamer) nr. 5668, 20 februari 1992; zie R.v.St. nr. 62.976, 6 november 1996, Rev. Dr. Étr. 1996, 759, T. Vreemd. 1997, 74; Dat in de bestreden beslissing tevens wordt gesteld dat andersdenkenden geen moeilijkheden ondervinden hetgeen compleet tegen alle informatie is; Zie stuk 6: “reformist scholar sentenced tot death in XXX, CCN com dd 7 november 2002; Dat het dan ook logisch is dat verzoekers niet dezelfde opleiding hebben genoten van de Christelijke leer daar zulks in België eens gekozen in het leerpakket zit terwijl in XXX elke mogelijke bron aan informatie wordt vernietigd zodat er moet voortgegaan worden op “horen zeggen”.”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert : “Enig middel: Schending van artikel 52 en 62 van de Vreemdelingenwet, de Conventie van Genève van 28 juli 1951, het EVRM, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 m.b.t. de uitdrukkelijke motivering in bestuurshandelingen alsmede het anti- folderverdrag. 2.
- Verzoekers werpen op dat het eerste interview (op de DVZ) niet zo vlot is verlopen gezien de tolk afkomstig was van A. terwijl verzoekers afkomstig zijn uit XXX zodat er aanzienlijke taalverschillen zijn opgetreden. Verweerder antwoordt dat er nergens uit het administratief dossier blijkt dat er zich vertalingsproblemen voordeden tijdens de interviews met verzoekers op de DVZ. VII-28.387-6/15 Verzoekers werden tijdens dit gehoor bijgestaan door een tolk die de P. taal machtig is (zoals ze zelf gevraagd hebben op 14 augustus
- Op geen enkel ogenblik maakten verzoekers melding van een communicatieprobleem met de desbetreffende tolk. Het is pas in voorliggend verzoekschrift dat verzoekers voor het eerst opwerpen dat ze problemen hebben gehad met het feit dat hun tolk op de DVZ uit A. afkomstig is. Noch in hun dringend beroepsschrift, noch tijdens het gehoor op het CGVS maakten verzoekers melding van dit probleem. Tijdens het gehoor op de DVZ zelf maakten verzoekers evenmin een opmerking (zie administratief dossier). Verweerder voegt hieraan toe dat, nadat op de DVZ hun verklaringen aan hen werden voorgelezen in het P., verzoekers hun verhoorverslagen ondertekenden als zijnde in overeenstemming met de inlichtingen die zij gegeven hebben. Verzoekers slagen er niet in hun opmerking over hun tolk op de DVZ hard te maken. Verweerder wenst hier nog aan toe te voegen dat, uit inlichtingen ingewonnen bij de tolkendienst op de Dienst Vreemdelingenzaken, blijkt dat er op de DVZ inderdaad een tolk werkt die afkomstig is uit A. Deze tolk zou de P. taal echter perfect beheersen. De tolkendienst van de Dienst Vreemdelingenzaken is hier formeel over. De tolk met nummer 229, die verzoekers heeft bijgestaan tijdens hun gehoor op de DVZ, is al verscheidene jaren als tolk actief voor de DVZ wat betreft de talen P., D. en F. De Dienst Vreemdelingenzaken meldt dat er zich nog nooit enig ernstig probleem heeft voorgedaan met deze tolk, noch naar A. noch naar XXX kandidaat-vluchtelingen toe (zie in bijlage: attest, opgesteld door Bert Jegers adjunct-adviseur tolkendienst DVZ). 2.
- Verzoekers werpen op dat tijdens het gehoor op de DVZ zelfs hun naam, ondanks hun herhaaldelijke vraag, verkeerd werd geschreven. Verweerder antwoordt dat de administratieve dossiers van verzoekers nergens blijk geven van een naamcorrectie of een verzoek tot naamcorrectie. Meer nog, verzoekers namen, zoals opgenomen in het begin van het administratief dossier, corresponderen met de namen die verzoekers opgeven in voorliggend verzoekschrift (eerste bladzijde). 2.
- Verzoekers werpen op dat ze tijdens hun tweede interview verzochten om het gehoorverslag voor te lezen, doch dat dit niet mogelijk was wegens tijdsgebrek. Verzoeker voegt hieraan toe dat hij minder vertrouwen had in de tolk op het CGVS toen deze repliceerde: “als je de vertaling beter kan doen, kan je in mijn stoel komen zitten”. Verweerder antwoordt dat op het CGVS niet de gewoonte bestaat om de schriftelijke verklaringen op het einde van het gehoor nogmaals voor te lezen. De ambtenaren, die de gehoorverslagen opstellen, hebben er geen persoonlijk belang bij dat de verklaringen van de asielzoeker onjuist worden weergegeven. Omdat het gehoorverslag is opgesteld door een medewerker van een onafhankelijke administratie die behept is met het overheidsgezag en wiens belang erin bestaat correct de verklaringen van de asielzoeker te kennen is het bekleed met een vorm van openbaar gezag. Tot bewijs van het tegendeel geniet het een vermoeden van wettelijkheid en overeenstemming met de werkelijkheid. Zoals hieronder blijkt zijn verzoekers er niet in geslaagd om aan te tonen dat de inhoud van hun gehoorverslagen niet correspondeert met de door hun afgelegde verklaringen. Wat betreft de opmerking die de tolk op het CGVS op het einde van het interview zou gemaakt hebben, merkt verweerder op dat er geen spoor is terug te vinden van deze opmerking in het administratief dossier. Mocht deze opmerking gemaakt zijn, dan vraagt verweerder zich af waarom verzoekers hierover geen opmerking formuleerden naar de dossierhandelaar toe. 2.
- Verzoekers maken de opmerking dat twijfel in het voordeel van de asielzoeker moet spelen, tenzij gegronde redenen zich daartegen verzetten. Verweerder antwoordt dat in voorliggend geval een toepassing van het principe van ‘voordeel van de twijfel’ in casu niet opgaat. Het principe wordt in het “Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status” aanbevolen in die gevallen waar de verklaringen van een kandidaat-vluchteling geloofwaardig en waarachtig overkomen, wat in onderhavig geval, gelet op de vele tegenstrijdigheden en onwetendhe- den, niet het geval is. 2.
- Verzoekers beweren dat de vastgestelde tegenstrijdigheden eerder “onduidelijkhe- den” zijn die te wijten zijn aan menselijke fouten, gemaakt bij het neerschrijven van de weergave van het interview. Verzoekers doen een poging om de tegenstrijdigheden te weerleggen doch slagen hier niet in: VII-28.387-7/15 -Wat betreft de tegenstrijdigheid over het bijwonen van de lessen en de mis- vieringen en het ogenblik daarvan. In voorliggend verzoekschrift bevestigen verzoekers voornamelijk de verklaringen die werden afgelegd door verzoekster tijdens het gehoor op het CGVS, zonder uitleg te geven aan het feit dat haar versie afwijkt van de versie gegeven door verzoeker op het CGVS. -Betreffende de plaats waar verzoekster zich bevond op het ogenblik dat verzoeker opgebeld werd door H. Verzoekers stellen nu dat verzoeker inderdaad niet wist waar zijn vrouw zich op dat ogenblik exact bevond, wat volgens hen logisch is gezien de ernst van de inhoud van het gesprek. Ze bevestigen dat verzoekster wel in de kamer aanwezig was en dat ze op het einde van het gesprek begon te wenen. Verweerder vindt dit geenszins een geloofwaardige uitleg. Indien verzoekster zich in dezelfde kamer bevond als verzoeker, is het logisch dat hij haar onmiddellijk zou opmerken na het gesprek beëindigd te hebben. Meer nog, het kan niet aan verzoekers aandacht voorbij gegaan zijn dat zijn echtgenote, die aanwezig was in de kamer, begon te huilen. -Betreffende de agenten die verzoekers huis waren binnengevallen. Verzoekers stellen dat de agenten volgens de overbuurvrouw inderdaad in burger waren. Tijdens het gehoor op de DVZ zou er uit afgeleid zijn dat het ging om agenten van de S. die meestal in burger zijn. Verweerder antwoordt dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker en verzoekster elk afzonderlijk verklaarden dat de P. (R.) in hun huis waren binneng- edrongen, vergezeld door twee personen in burger (zie p. 7, DVZ-gehoorverslagen van verzoeker en van verzoekster). Verzoekers hebben elk hun gehoorverslag ondertekend waarbij ze zich akkoord verklaarden met de inhoud ervan. Verweerder ziet niet in waarop verzoekers op dat ogenblik een eventuele vergissing niet gecorrigeerd zouden hebben. 2.
- De vastgestelde tegenstrijdigheden, die allen de kern van verzoekers asielrelazen raken, blijven gehandhaafd. Daarnaast bevatten de aangevochten beslissingen nog een heel aantal vaststellingen waaruit blijkt dat verzoeker bijzonder weinig concrete informatie kan bieden over een aantal significante details van zijn geloof, van zijn bekering en van de door hem beweerde vervolging. In de bestreden beslissing van verzoeker wordt er terecht op gewezen dat dit manifeste gebrek aan correcte informatie de vastgestelde ongeloofwaardigheid van verzoekers asielverklaringen bevestigen. Verzoekers ondernemen geen ernstige poging om deze vaststellingen te weerleggen. Ze merken enkel op dat het logisch is dat hun kennis van de Christelijke leer minder groot is daar elke mogelijke bron aan informatie in XXX wordt vernietigd zodat er moet worden voortgegaan op “horen zeggen”. Verweerder vindt deze uitleg niet overtuigend gelet op de wekelijkse bijbellessen die verzoekers beweerden te volgen. Bovendien vormt deze uitleg nog geen verklaring voor het feit dat verzoeker zich het ogenblik van zijn eigen bekering niet meer herinnert en niet weet te preciseren tot welke geloofsgemeen- schap hij behoort. Gelet op het manifest bedrieglijk karakter van hun verklaringen werden verzoekers asielaanvragen terecht onontvankelijk bevonden. In dit licht is het duidelijk dat verzoekers poging om alsnog aan te tonen dat er in hun hoofde een risico voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève bestaat en dat ook het anti- folterverdrag toepasselijk zou zijn, tevergeefs is. 2.
- Verzoekers stellen onterecht dat er in de bestreden beslissing gesteld wordt dat andersdenkenden geen moeilijkheden zouden ondervinden. In de bestreden beslissing wordt er daarentegen gesteld dat uit de informatie waarover het CGVS beschikt blijkt dat personen met louter monarchistische sympathieën niet langer vervolging riskeren in XXX. Een kopie van deze informatie bevindt zich tevens in het administratief dossier. Verzoekers slagen er niet in aan te tonen dat deze informatie incorrect zou zijn. Het enig middel is niet gegrond.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederant- woord nog het volgende stellen : “Betreffende het eerste middel en meer bepaald de schending van artikel 52 en 62 van de Vreemdelingenwet en artikel 1 de Conventie van Genève, het EVRM, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de motiveringsplicht alsmede het anti- folterverdrag; Aangezien de asielaanvraag van verzoekers onontvankelijk wordt verklaard omwille van tegenstrijdigheden waardoor de aanvraag als bedrieglijk wordt beschouwd terwijl VII-28.387-8/15 onduidelijkheden het gevolg zijn van een onzorgvuldige vertaling; Aangezien verzoekers pas na ontvangst van de negatieve beslissing hebben kunnen vaststellen dat er gegevens in werden opgenomen dewelke volkomen foutief werden vertaald; Dat verzoekers inderdaad op het einde van het interview hadden gevraagd om het neergeschrevene voor te lezen zodat verzoekers konden beamen dat dit al dan niet hetgeen was wat werd verklaard of zij dan toevoegingen of verduidelijkingen konden doen; Dat het CGVS moet toegeven in haar memorie dat zulks niet gebruikelijk is maar het CGVS niet kan ontkennen dat het soms wel gebeurd door de interviewers; Dat zulks bij de asielzoekers verwarring schept en het niet in het belang is van de rechtszekerheid om éénmaal wel het interview voor te lezen en te laten vertalen en een andere maal niet; Aangezien in elk geval zelfs al geniet de medewerker van de administratie een overheidsgezag: elke verklaring die wordt afgelegd en waarop men zich naderhand steunt om er tegenstrijdigheden uit te halen moet ondertekend worden; Dat het CGVS er goed had aangedaan om de nota’s te herlezen en te laten tekenen door verzoeker hetgeen principieel niet vereist is als administratief collega maar wel nodig indien de vreemdeling formeel bepaalde verklaringen betwist; Zie R.v.St. Nr. 79 maart 1999, A.P.M. 1999, 68, TRD-2001, 18) Zie ook de recente uitspraak van de vakantiekamer van de Franstalige kamer van de Raad van State. Dat het CGVS stelt dat haar medewerkers overheidsgezag genieten maar zulks vanzelfsprekend niet impliceert dat haar medewerkers geen vergissingen kunnen maken. Dat ook de verbalisanten die overheidsgezag genieten elke verklaring die wordt afgelegd laten ondertekenen, teneinde nadien als bewijs te kunnen laten gelden, wanneer er vergissingen zijn; Aangezien het CGVS stelt dat er tijdens het verhoor opmerkingen dienden gemaakt te worden indien de vertaling niet correct was; Dat verzoekers zulks hebben gedaan, zie verzoekschrift, waarop de tolk stelde nl. “als je de vertaling beter kan doen, kan je in mijn stoel komen zitten”; Dat verzoekers dan ook meenden dat zij zich vergisten na deze opmerking (zij zijn enkel de Nederlandse taal goed machtig terwijl meermaals in het frans werd gesproken op het interview) en zij geen opmerking meer hebben durven maken omdat vanzelfspre- kend verzoekers eerst moeten kunnen vaststellen wat werd genoteerd om nadien te kunnen besluiten dat het al dan niet overeenstemt met hetgeen werd verklaard; Dat zulks pas mogelijk is, nadat de bestreden beslissing werd toegestuurd; Aangezien het CGVS dan ook ten onrechte stelt dat hetgeen hun medewerker heeft opgeschreven overeenstemt met hetgeen werd verklaard, behoudens bewijs van het tegendeel; Dat niemand een negatief bewijs kan leveren; Dat het CGVS dient aan te tonen dat hetgeen zij hebben neergeschreven ook datgene is wat de asielzoeker heeft verklaard; Dat ook de medewerker dit niet kan controleren gezien er wordt gewerkt met een tolk; Dat om die reden ook in Duitsland terecht wordt gewerkt met video- opnames, en indien de kostprijs hiervan te hoog is, moet elke asielzoeker gemachtigd worden om zelf opnamen te maken of moet er de tijd worden genomen om de teksten te herlezen en te laten vertalen waarna de asielzoeker die moet ondertekenen en wanneer hij niet akkoord is moet hij de tekst corrigeren; Aangezien verzoeker zelfs kan aantonen dat de vertaling niet kan juist zijn en verzoeker betwist dan ook formeel dergelijke verklaringen te hebben afgelegd: zie bestreden beslissing van verzoekster: “Uw echtgenoot heeft echter verklaard dat er slechts af en toe een misviering werd gehouden. En dan wel op donderdag telkens de laatste of de eerste dag van een maand uit de gregoriaanse kalender viel op een woensdag, donderdag of vrijdag”; Vooreerst hoeft het geen betoog dat het zelfs voor een leek een onduidelijke verklaring betreft. Er zou slechts af en toe een viering zijn doch volgens diezelfde zin is dit regelmatig namelijk de laatste of de eerste dag van een gregoriaanse kalender maar steeds op een donderdag. Dat het toch geen betoog hoeft dat met dergelijke vertalingen er steeds voor de grootste kleinigheden beroep dient aangetekend te worden bij de Raad van State, hetgeen zou kunnen vermeden worden indien de asielzoeker zelf correcties mag aanbrengen in zijn verhaal voor het CGVS en hij nadien het interview kan tekenen; Dat ook de raadslieden van weinig nut zijn bij de onderhoren op het CGVS gezien van hen niet kan verwacht worden dat zij controle uitoefenen op de vertalingen. Dat voor het overige uit geen enkel geschreven stuk ongerijmdheden blijken tussen de verklaringen van verzoeker en deze van verzoekster: zij vullen elkaar steeds aan of zijn identiek; Aangezien, aangaande de twee tegenstrijdigheden (onduidelijkheden) zelfs kan VII-28.387-9/15 opgemerkt worden dat elke vermeende tegenstrijdigheid werd weerlegd in het verzoekschrift en moeilijk kan voorgehouden worden dat dergelijke details de kern van de asielaanvraag raken; Namelijk -“Betreffende de plaats waar verzoekster zich bevond op het ogenblik dat verzoeker opgebeld werd door H.”. Immers niemand blijf gedurende een gespreknoodzakelijk op dezelfde plaats staan noch kan verwacht worden dat een toehoorder weet wanneer het gesprek gaat beëindigd worden; -de agenten die volgens de buurvrouw in burger waren en volgens de geschreven gegevens van verzoeker en verzoekster; Er is nooit gesteld dat zij een uniform droegen! Dit wordt enkel beweerd (door de tolk die zulks vermoedt) voor het CGVS; En het kan de overheidsambtenaar dan ook niet kwalijk genomen worden dat deze zulks neerschrijft; Aangezien verzoekers dus formeel betwisten dat hun aanvraag bedrieglijk is, waarop het CGVS trouwens niet heeft geantwoord in haar memorie van antwoord; Dat een aanvraag pas bedrieglijk is indien het gaat om aanvragen die gegrond zijn op documen- ten die niet echt zijn of er essentiële feiten verheeld worden of, volgende de Raad van State haar rechtspraak, feiten die algemeen bekend zijn en strijd met verschillende stukken uit het dossier; Zie Arr. Nr. 85.078 van 3 februari 2000; Dat om die redenen dan ook de rechten van verdediging en de hoorplicht niet werden gerespecteerd en de argumenten in de memorie volkomen bij dezer weerlegd worden: Dat de overige argumenten van verzoekers in hun verzoekschrift trouwens niet worden besproken in de memorie; Dat trouwens het gehoorverslag voor DVZ werd getekend door verzoeker en daarin, opmerkelijk genoeg, geen fouten staan; Dat het opvallend is dat alle kleine onduidelijkheden voorkomen voor het CGVS! Dat zelfs bij twijfel deze gegevens niet van die aard zijn dat er ernstig moet worden getwijfeld aan de oprechtheid van de verklaringen; Zie R.v.St. Nr. 69 217,28 oktober 1997, Rev. Dr. Étr. 1997, 551, T. Vreemd 1998, 36; Dat immers zo er toch een kleine tegenspraak zou aangetoond zijn, quod non, deze geen aanfluiting inhoudt van de geloofwaardigheid van de essentiële gegevens van het verhaal van de aanvrager gezien dit in het geheel van de verklaringen moet worden bekeken; Zie R.v.St. Nr. 69 217,28 oktober 1997, Rev. Dr. Étr. 1997, 551, T. Vreemd 1998, 38; Dat enkel de beslissingen die manifest bedrieglijk zijn dienen geweerd te worden in de ontvankelijkheidsfase!! Zie de voorbereidende werkzaamheden van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 (Parl. St. Zitting Parl. St. zitting 1986-87, 689/1 p 7 m.b.t. de wet van 14 juli 1987). Aangezien dienst vastgesteld te worden dat het CGVS niet antwoord op de middelen ontwikkeld in het verzoekschrift, o.m. dat tot een bedrieglijke aanvraag pas mag besloten worden wanneer er bedrog wordt gepleegd, of er een verklaring werd afgelegd in strijd met documenten of vaststaande feiten; Zie Mys & Breesch, 1998, nr. 334, blz. 132; Zie Vluchtelingen, D. Vanheule, Mys & Breesch, nr. 552 blz. 217, Mys & Breesch, uitgave 1998; Aangezien zelfs twijfel in het voordeel van de asielzoeker speelt, tenzij gegronde redenen zich daartegen verzetten temeer dat het verhaal plausibel, overkomt en niet in strijd is met de algemeen gekende elementen; Zie Gemeenschappelijk Standpunt Vluchtelingendefinitie nr. 3; Zie J.Y. Carlier, “General Report”, p 709, nr. 30; Aangaande het middel als zouden verzoekers weinig op de hoogte zijn over de leer van het geloof dient opgemerkt te worden dat dit juist is omdat de leer verboden en verborgen wordt gehouden; Dat niet kan ontkend worden dat op het merendeel van de vragen is geantwoord geworden hetgeen nochtans niet staat genoteerd in de bestreden beslissing; Dat het CGVS overigens moet toegeven dat verzoekers weinig op de hoogte zijn hetgeen niet impliceert dat zij NIET op de hoogte zijn van het geloof; Aangezien verzoekers dan ook, gelet op het voorgaande en het verzoekschrift, de vernietiging vragen van de beslissingen van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen d.d. 22 oktober 2002 betrekkelijk de bevestiging van de weigering van het verblijf op Belgisch grondgebied.”; 2.4.
- Overwegende dat verzoekers vooreerst niet aangeven welke artikelen van de Conventie van Genève en van het EVRM door de bestreden beslissingen geschonden zouden zijn, laat staan op welke manier ze geschonden zouden zijn; dat het niet aan de Raad VII-28.387-10/15 van State toekomt dit te onderzoeken; dat, waar verzoekers in de memorie van wederantwoord stellen dat ze artikel 1 van de Conventie van Genève geschonden achten, kan worden volstaan met op te merken dat deze bepaling geen rechtstreekse werking heeft, zodat de schending ervan als dusdanig niet dienstig kan worden ingeroepen; dat voor het overige uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat verzoekers de motieven van de bestreden beslissingen kennen, doch dat zij betwisten dat de opgegeven motieven de beslissingen kunnen dragen; dat verzoekers aldus in wezen, naast een schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet, een schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren; 2.4.
- Overwegende dat eerst en vooral dient te worden opgemerkt dat de Commissaris-generaal op basis van artikel 52van de Vreemdelingenwet in alle redelijkheid tot de conclusie kan komen dat de asielaanvraag van een kandidaat-vluchteling bedrieglijk is, door vast te stellen dat de verklaringen van deze door tegenstrijdigheden en ongeloofwaardig- heden aangetast zijn, verward zijn of onsamenhangend, of in strijd zijn met algemeen bekende feiten; dat de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaan- vraag besluit - alsook tot de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag, nu zij samen met hem gevlucht is omwille van dezelfde feiten - op grond van verschillende tegenstrijdigheden tussen, enerzijds, de opeenvolgende verklaringen van verzoeker voor de Dienst Vreemdeling- enzaken en voor het Commissariaat-generaal en, anderzijds, de verklaringen van verzoekers onderling; dat naast de vastgestelde tegenstrijdigheden de Commissaris-generaal er nog op wijst dat verzoeker “bijzonder weinig concrete informatie kan bieden over een aantal significante details van (zijn) geloof, van (zijn) bekering en van de door (hem) beweerde vervolging”, en dat beide verzoekers, met betrekking tot de door hen verklaarde daden van vervolging, weinig informatie hebben en regelmatig in gebreke blijven; 2.4.
- Overwegende dat verzoekers de door de Commissaris-generaal vastgestelde tegenstrijdigheden toeschrijven aan een onzorgvuldige vertaling; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoekers bij de Dienst Vreemdelingenzaken werden bijgestaan door een vertaler die de P. taal machtig is, overeenkomstig hetgeen zij hadden gewenst; dat het land van waaruit deze tolk afkomstig is, hierbij niet terzake doet; dat verzoekers de beweerde taalverschillen als gevolg van de afkomst van de tolk geenszins weten te ondersteunen met pertinente elementen; dat, wat de namen van verzoekers betreft, deze op exact dezelfde wijze worden geschreven in de verhoorverslagen als in het door verzoekers ingediende verzoekschrift tot nietigverklaring; dat, alhoewel zij daar de kans toe hadden, verzoekers op geen enkel ogenblik tijdens of op het einde van het interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken een opmerking of kritiek hebben geformuleerd over de tolk; dat het verhoorverslag aan verzoekers werd voorgelezen in het P. en verzoekers het hebben ondertekend, waarbij zij verklaarden dat het overeenstemt met de inlichtingen die zij hebben gegeven (verhoorverslag DVZ, eerste verzoekende partij, p. 8 en verhoorverslag DVZ, tweede verzoekende partij, p. 8); dat, gelet op de ernst van de aantijgingen, van verzoekers nochtans redelijkerwijze kon worden verwacht dat zij in het belang van een goed verloop van de VII-28.387-11/15 asielprocedure onmiddellijk melding zouden maken van eventuele vertaalproblemen; dat verzoekers op het Commissariaat-generaal eveneens werden bijgestaan door een tolk die het F. machtig is; dat verzoekers noch in hun verzoekschrift inzake hun dringend beroep, noch tijdens het interview bij het Commissariaat-generaal melding hebben gemaakt van enige vertaalproblemen; dat verzoekers er nochtans voor de aanvang van het interview op werden gewezen dat eventuele problemen met de tolk gemeld moeten worden; dat verzoekers zich bovendien zelf in hun beweringen tegenspreken door eerst in het verzoekschrift te stellen dat “het eerste interview inderdaad niet zo vlot is verlopen” en er “aanzienlijke taalverschillen” waren, en vervolgens in hun memorie van wederantwoord aanvoeren dat “trouwens het gehoorverslag voor DVZ wel werd getekend door verzoeker en daarin, opmerkelijk genoeg, geen fouten staan”; dat deze latere toespeling op het foutloos gehoorverslag voor de Dienst Vreemdelingenzaken verzoekers oorspronkelijke beweringen in ernstige mate ondermijnt; dat, gelet op het voorgaande en op de stukken van het administratief dossier, verzoekers de door hen aangevoerde vertaalproblemen aldus niet aannemelijk maken; 2.4.
- Overwegende dat, wat het verwijt van verzoekers betreft dat zij niet de mogelijkheid hebben gekregen het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal te ondertekenen, verzoekers niet uit het ogen dienen te verliezen dat het dringend beroep bij de Commissaris-generaal een administratief beroep is, en geen jurisdictioneel beroep; dat het tegensprekelijk debat derhalve niet moet plaatsvinden en dat de Commissaris-generaal op grond van geen enkele wettekst noch enig rechtsbeginsel verplicht is de asielzoeker attent te maken op of te confronteren met de voor hem nadelige elementen van het dossier en het verhoor; dat enkel vereist is dat verzoekers in het kader van de asielprocedure nuttig voor hun belangen kunnen opkomen; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoekers zowel op de Dienst Vreemdelingenzaken als op het Commissariaat-generaal hun relaas hebben kunnen doen; dat uit diezelfde stukken niet kan worden afgeleid dat er zich onregelmatigheden op dit vlak zouden hebben afgespeeld; 2.4.
- Overwegende dat verzoekers verder de door de Commissaris-generaal vastgestelde tegenstrijdigheden trachten af te doen als “onduidelijkheden”, en deze wijten aan menselijke fouten die bij het neerschrijven van de weergave van het interview zijn gebeurd, doch dit, mede gelet op de bespreking van de beweerde vertaalproblemen, geenszins aannemelijk maken; dat zij in hun verzoekschrift weliswaar hun juiste versie van de feiten weergeven, doch geen verklaring geven voor de vastgestelde tegenstrijdigheden; dat verzoekers betreffende de tegenstrijdigheid over het bijwonen van de lessen en de mis- vieringen en het ogenblik daarvan voornamelijk de verklaringen afgelegd door verzoekster bevestigen, echter zonder uitleg te geven aan de afwijkende verklaringen van verzoeker daaromtrent; dat verzoekers aangaande de tegenstrijdige verklaringen over de plaats waar verzoekster zich bevond op het ogenblik van het telefoongesprek met H. geenszins een geloofwaardige uitleg geven, nu verzoeker verzoekster toch zeker tijdens het telefoongesprek moet hebben opgemerkt, te meer daar zij op het einde ervan begon te wenen; dat ten slotte wat VII-28.387-12/15 de agenten betreft die verzoekers huis waren binnen gevallen, uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker en verzoekster elk afzonderlijk voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarden dat de P. (R.) in hun huis waren binnengedrongen, vergezeld door twee personen in burger (verhoorverslag DVZ, eerste verzoekende partij, p. 7 en verhoorverslag DVZ, tweede verzoekende partij, p. 7), terwijl verzoeker voor het Commissariaat-generaal verklaarde dat de agenten allemaal in burger waren (verhoorverslag CGVS, p. 13); dat verzoekers er aldus niet in slagen de tegenstrijdigheden, die overduidelijk blijken uit het administratief dossier, met concrete elementen te verklaren of te weerleggen; dat de vastgestelde tegenstrijdigheden, in tegenstelling tot wat verzoekers beweren, niet als “onduidelijkheden” kunnen worden afgedaan en evenmin slechts details betreffen; dat deze tegenstrijdigheden daarentegen ernstig zijn en bovendien de kern van het door verzoekers aangevoerde asielrelaas betreffen; dat de beslissing van verzoekers om hun land van herkomst te verlaten immers dermate fundamenteel en ingrijpend is, dat zij geacht worden bij machte te zijn om desbetreffend een volledig en coherent verhaal te vertellen; dat het feit dat verzoekers daarbij tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd niet kan worden verweten aan de verwerende partij; dat, gelet op de ernst en het belang van de vastgestelde tegenstrijdighe- den, die overigens alle gehandhaafd blijven, het oordeel van de Commissaris-generaal dat de geloofwaardigheid van het asielrelaas erdoor ernstig wordt ondermijnd, niet kennelijk onredelijk is; 2.4.
- Overwegende dat er bovendien in de bestreden beslissing ten aanzien van verzoeker wordt op gewezen dat, naast de vastgestelde tegenstrijdigheden, verzoeker bijzonder weinig concrete informatie kan bieden over een aantal significante details van zijn geloof, van zijn bekering en van de door hem beweerde vervolging; dat verzoekers aangaande dit motief zich beperken tot het aanvoeren dat “in XXX elke mogelijke bron aan informatie wordt vernietigd zodat er moet voortgegaan worden op ‘horen zeggen’” en dat “de leer verboden en verborgen wordt gehouden”; dat deze uitleg geenszins afdoende is; dat verzoekers immers wekelijks bijbellessen bijwoonden, misvieringen meemaakten en geloofsbrochures opstelden; dat het bijgevolg niet kennelijk onredelijk is dat de Commissaris-generaal oordeelt dat verzoekers “manifeste gebrek aan correcte informatie” betreffende zijn geloof, zijn bekering en zijn vervolging, de ongeloofwaardigheid van zijn asielrelaas bevestigt; dat verzoekers alleszins het tegendeel niet aantonen; dat in beide bestreden beslissingen nog wordt vastgesteld dat verzoekers, met betrekking tot de door hen verklaarde daden van vervolging, weinig informatie hebben en regelmatig in gebreke blijven; dat verzoekers ook dit motief niet weten te weerleggen of te ontkrachten; 2.4.
- Overwegende dat, wat de verwijzing van verzoekers betreft naar de omstandigheid dat de ouders van verzoeker naar Canada zijn gevlucht en daar een verblijfsvergunning hebben bekomen, kan worden volstaan met op te merken dat verzoeker voor het Commissariaat-generaal zelf verklaarde dat de vluchtredenen van zijn ouders geen verband houden met zijn eigen vluchtredenen (verhoorverslag CGS, p. 3); dat ten slotte nog VII-28.387-13/15 kan worden opgemerkt dat de Commissaris-generaal nergens in de bestreden beslissingen stelt dat “andersdenkenden (in XXX) geen moeilijkheden ondervinden”; dat de Commissaris- generaal enkel stelt dat uit de informatie waarover hij beschikt, blijkt dat personen met louter monarchistische sympathieën niet langer vervolging riskeren in XXX; dat verzoekers geenszins aantonen dat deze informatie onjuist zou zijn; dat het artikel van CNN waarnaar verzoekers verwijzen louter betrekking heeft op een zekere professor A. en door verzoekers niet op hun persoonlijke situatie wordt betrokken; dat dit dan ook geenszins de wettigheid van de bestreden beslissingen kan aantasten; 2.4.
- Overwegende dat het, gelet op de vastgestelde tegenstrijdigheden, het aangetoonde gebrek aan kennis en informatie over het geloof, de bekering en de beweerde daden van vervolging, niet kennelijk onredelijk is dat de Commissaris-generaal in casu besloot tot de bedrieglijkheid van de asielaanvragen van verzoekers; dat de door verzoekers aangevoerde schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet dan ook niet kan worden aangenomen; dat het voor het overige, gelet op het voorgaande, ook duidelijk is dat de poging van verzoekers om alsnog aan te tonen dat er in hun hoofde een risico voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève bestaat en dat het anti-folterverdrag toepasselijk zou zijn, tevergeefs is; dat uit de analyse van de bestreden beslissingen nog blijkt dat deze zijn genomen in overeenstemming met de wetsbepalingen betreffende de motivering van de bestuurshande- lingen, aangezien zij aldus de feitelijke en juridische overwegingen vermelden die eraan ten grondslag liggen; dat de motivering de beslissingen blijkt te kunnen dragen en bijgevolg afdoende en deugdelijk is; dat het enige middel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. VII-28.387-14/15 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig oktober tweeduizend en vier, door: Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. C. VERHAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. M.-R. BRACKE. VII-28.387-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.529 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.