← België

Arrest 136530 - - 21/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.530 Rolnummer: A. 140267/VII-30492 Zaak: Arrest 136530 - - 21/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-09 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-04 12:08 Fiche Arrest nr 136.530 van 21 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 136.530 van 21 oktober 2004 in de zaak A. 140.267/VII-30.492 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. GOVAERTS, kantoor houdende te 3800 SINT-TRUIDEN, Beekstraat 9 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- ------ DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Indische nationaliteit, op 25 juli 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 24 juni 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 19 mei 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht met een aangetekend schrijven van 26 juni 2003; Gelet op de beschikking van 20 augustus 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de toelichtende memorie van de verzoekende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 24 juni 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 7 september 2004; VII-30.492-1/5 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die, loco Advocaat K. GOVAERTS, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct-adviseur V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 18 mei 2003 en verklaarde zich op 19 mei 2003 vluchteling. 1.
  3. Op 19 mei 2003 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 24 juni 2003 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing als volgt: “A. Vluchtrelaas U verklaarde de Indische nationaliteit te bezitten en een Sikh te zijn afkomstig uit Jalalpur, district Hoshiarpur. U was landbouwer. Uw broer,XXX, sprak na zijn werk vaak met andere Sikhs. Andere dorpelingen dienden een klacht in tegen uw broer, u weet echter niet waarom. Hij werd in 1994 door de politie meegenomen en sindsdien werd niks meer van hem vernomen. Uw familie vermoedt dat hij door de politie vermoord werd. De politie liet het uitschijnen dat uw broer neergeschoten werd toen hij probeerde te ontsnappen. Uw vader werd kort na uw broers dood gearresteerd en ondervraagd over zijn contacten met terroristen (“kharku’s”). Hij werd vrijgelaten nadat een borgsom werd betaald. Nadien kende uw vader geen problemen meer. Sinds midden 2002 kwam de politie zeggen dat ook u contacten had met terroristen. Uw vader vreesde echter dat u dezelfde problemen zou kennen met de Punjab-politie en dat ook u gearresteerd of vermoord zou worden. Hij besloot dat u het land moest verlaten. In maart 2003 reisde u naar Delhi vanwaar u enkele dagen later een vlucht nam naar Moskou. U reisde vandaar door naar Oekraïne en verbleef er een maand in Kiev. Per vrachtwagen reisde u nadien naar Praag waar u enkele weken verbleef. Uiteindelijk bereikte u op 18 mei 2003 België waar u de volgende dag asiel aanvroeg. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat u nergens in uw opeenvolgende verklaringen voldoende aannemelijk hebt gemaakt dat u uit een gegronde vrees voor vervolging omwille van één van de criteria van de Vluchtelingenconventie uw land van herkomst diende te verlaten. U verklaarde door de politie verdacht te worden van contacten met sikh-toeristen, maar kan niet aannemelijk maken waarom u hiervan verdacht wordt. U was zelf niet politiek actief (CGVS, p. 6), en u kan geen duidelijke aanleiding geven waarom de politie plotseling zou denken dat u contacten had met terroristen (CGVS, p. 7). U weet evenmin welke terroristen de politie bedoelde (CGVS, p. 7). U had VII-30.492-2/5 trouwens niet aannemelijk gemaakt daadwerkelijk verdacht te worden van dergelijke contacten. U kende na de dood van uw broer nooit rechtstreekse en persoonlijke problemen met de autoriteiten van uw land. U werd nooit gearresteerd en nooit officieel beschuldigd (CGVS, p. 10). U bleef tevens vaag over de redenenen waarom uw broer door de politie zou vermoord zijn. U weet enkel dat hij contacten had met andere Sikhs (CGVS, p. 6,9), maar weet niet of die Sikhs leden van een bepaalde organisatie waren (CGVS, p. 9). Ook over de klacht die dorpelingen tegen uw broer indienden weet u geen verdere details te geven (CGVS, p. 5). Niemand in uw familie, ook uw broer niet, was trouwens politiek actief (CGVS, p. 6) en u bracht geen andere reden aan waarom uw broer en vader door de autoriteiten geviseerd werden. U kan ook geen concrete aanwijzingen aanbrengen dat uw broer daadwerkelijk door de politie vermoord werd. U verklaarde niet te weten hoe uw familie te weten kwam dat hij vermoord werd en voegde eraan toe slechts te vermoeden dat ook uw broer omkwam omdat in die periode veel jongeren gedood werden (CGVS, p. 7). Dat u uw toevlucht niet kan zoeken tot andere delen van India om te ontsnappen aan uw problemen hebt u evenmin aannemelijk gemaakt: u kende enkel problemen met de lokale politie, en u werd nooit officieel beschuldigd (CGVS, p. 10). U beweerde op het CGVS dat uw vader na de verdwijning van uw broer één keer werd opgepakt (CGVS, p. 8), op DVZ verklaarde u duidelijk dat uw vader twee keer werd gearresteerd (DVZ, p. 12). Volgens uw relaas op het CGVS had uw familie tussen 1994 en 2002 geen problemen met de autoriteiten (CGVS, p. 9, 11), op DVZ verklaarde u echter dat de politie uw familie in die periode bleef lastigvallen (DVZ, p. 12). Om precies die reden vreesde u zelf gearresteerd te worden (DVZ, p.12), terwijl u op het CGVS geen concrete vluchtaanleiding gaf (CGVS, p. 9). Deze tegenstrijdighe- den ondermijnen tevens de geloofwaardigheid van uw vluchtrelaas. U bent niet in het bezit van enig reis- en/of identiteitsdocument, zodat uw reisweg en/of identiteit niet kunnen worden gecontroleerd. Dat u met een valse reispas het land verliet kan betwijfeld worden door uw tegenstrijdige verklaringen: u beweerde op het CGVS dat deze reispas uw eigen naam vermeldde maar een andere foto had (CGVS, p. 4), terwijl u op DVZ net het omgekeerde beweerde: uw foto maar een valse naam (DVZ, p. 4, 11). Nochtans beweerde u op het CGVS zelf de identiteit en foto in de reispas gezien te hebben (CGVS, p. 5). C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Bovendien heb ik de mening toegedaan dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2).”. Dit is de bestreden beslissing; 2.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij in het verzoekschrift het volgende uiteenzet : “dat de bestreden beslissing nietig is wegens machtsoverschrijding, schending van de wet, nl. art. 52 van de wet van 15 december 1980 en de Conventie van Genève, de beginselen van behoorlijk bestuur en de motiveringsplicht; dat ten onrechte werd geoordeeld dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk zou zijn; dat verzoeker betwist dat de door hem aangebrachte elementen onvoldoende zwaarwichtig zouden zijn; dat verzoeker heeft aangetoond dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een vrees voor vervolging; dat de bestreden beslissing bijgevolg ook onvoldoende gemotiveerd is; dat de bestreden beslissing bovendien niet onderzocht heeft in welke mate de VII-30.492-3/5 sikhgemeenschap in de deelstaat Punjab door de Indische autoriteiten wordt vervolgd en/of gediscrimineerd; dat aldus het beginsel van behoorlijk bestuur wordt geschonden dat bepaalt dat de overheid een volledig onderzoek dient uit te voeren naar alle omstandigheden van de zaak.”; 2.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie geen nieuwe elementen aanbrengt; 2.
  7. Overwegende dat verzoeker zich in het verzoekschrift beperkt tot het summier aanhalen van de bepalingen die hij geschonden acht, zonder maar enigszins aan te duiden op welke wijze die rechtsregels en beginselen door de bestreden handeling geschonden zouden worden; dat verzoeker zich beperkt tot algemene affirmaties en tot vage beweringen, zonder deze concreet te betrekken op de werkelijke vaststellingen van de bestreden beslissing, noch op zijn persoonlijke situatie; dat verzoeker zich in wezen beperkt tot het uiten van zijn ongenoegen over de bestreden beslissing, doch nalaat uit te leggen waarom de bestreden beslissing inhoudelijk te wensen over laat; dat verzoeker zijn grief geenszins ondersteunt met concrete en pertinente gegevens, en derhalve nergens overtuigt van een kennelijke onredelijkheid van de beslissing van de Commissaris-generaal; dat het aangevoerde aldus onvoldoende uitgewerkt is om tot nietigverklaring te kunnen leiden;
  8. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  9. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-30.492-4/5 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig oktober tweeduizend en vier, door: Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. C. VERHAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. M.-R. BRACKE. VII-30.492-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.530 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.