← België

Arrest 136532 - - 21/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.532 Rolnummer: A. 142909/VII-30890 Zaak: Arrest 136532 - - 21/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-09 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 12:09 Fiche Arrest nr 136.532 van 21 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 136.532 van 21 oktober 2004 in de zaak A. 142.909/VII-30.890 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat C. DIERCKX, kantoor houdende te 4020 LUIK, Quai du Condroz 11 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- ------ DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 20 oktober 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 15 september 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 16 juli 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht met een aangetekend schrijven van 17 september 2003; Gelet op de beschikking van 23 oktober 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 24 juni 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 7 september 2004; VII-30.890-1/13 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat W. VAN IMPE, die, loco Advocaat C. DIERCKX, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct-adviseur V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij kwam België binnen op 9 juli 2003 en verklaarde zich op 15 juli 2003 vluchteling. 1.2. Op 16 juli 2003 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 15 september 2003 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing als volgt: “A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u een Slavische Moslim afkomstig uit Kosovo, meerbepaald uit Peç. Van 1992 tot eind 1993 was u lid van de SDA (Partij van Democratische Actie). In dezelfde periode was u secretaris van de SDA van de wijk Krivoglava in Pec. Op 10 juni 1998 werd uw zus dood teruggevonden in Peç. De politie stelde een onderzoek in, maar de dader(

  1. s)werd(
  2. en)niet gevonden. Van juni 1998 tot 16 april 1999 werkte u bij de politie in Peç. Op 16 april 1999 bent u met uw gezin vertrokken naar Macedonië waar u verbleef bij een nicht van uw echtgenote in Lubin (gemeente Skopje). Op 8 oktober 1999 keerden jullie terug naar Peç. In december 1999 werd u geslagen door etnische Albanezen. Ze beschouwden u immers als een vijand vermits u voordien gewerkt had bij de politie. Op 14 december 2002, rond drie of vier uur ‘s morgens, zijn vijf of zes personen die Albanees spraken de koer van uw huis binnengekomen. Ze sloegen enkele ruiten in en riepen beledigingen. Om hen angst aan te jagen, hebt u een paar keer met uw revolver in de lucht geschoten. Daarop zijn ze weggegaan. Rond zes uur ‘s morgens is de politie thuis aangekomen en werd u meegenomen naar het politiebureau in Peç waar u ondervraagd werd omdat u een illegaal wapen had. U werd er ongeveer een week vastgehouden. Dezelfde dag nog (op 14 december) is uw oom uw echtgenote en de kinderen komen halen thuis en nam hen mee naar zijn huis in Dobrusa (gemeente Peç). Daar verbleven ze tot aan hun vertrek op 18 december 2002. Op 5 juli 2003 zijn drie personen de koer van uw huis binnengekomen en zeiden u het huis te verlaten. U bent onmiddellijk vertrokken naar het huis van uw tante in Vitomirica. Tot slot verklaarde u regelmatig beledigd te zijn geweest dat u een Bosnjak bent en moest vertrekken uit Peç. Op 6 juli 2003 bent u uit Kosovo vertrokken richting België waar u aankwam op 9 juli 2003 en op 15 juli 2003 asiel aanvroeg. Ter staving van uw asielrelaas legde u volgende documenten neer: uw (oude) Joegoslavische identiteitskaart (d.d. 27/03/1992), uw identiteitskaart afgeleverd VII-30.890-2/13 door de VN-administratie Unmik (d.d. 19/04/2002), uw huwelijksakte (d.d. 22/02/1991) en een attest van de SDA dat u in gevaar verkeert als u terugkeert naar Kosovo (d.d. 19/05/2003). B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat uw opeenvolgende verklaringen tegenstrijdig zijn. Zo verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u, de dag nadat etnische Albanezen uw huis binnenkwamen in december 2002, naar de politie was gegaan om klacht neer te leggen, maar dat er niets genoteerd werd. Daarop keerde u terug naar huis en u vertrok ‘s avonds naar uw tante in Vitomirica. Desgevraagd verklaarde u eveneens nooit opgesloten te zijn (bewaking inbegrepen, DVZ vraag 44). Tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal beweerde u dat de politie naar uw huis was gekomen en u meenam naar het politiebureau waar u ongeveer een week werd vastgehouden wegens illegaal wapenbezit (verhoorverslag p. 5). Tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal werd u gewezen op de eventuele tegenstrijdigheden tussen de door u afgelegde verklaringen. Hierop hebt u verklaard dat u stress had en dat de Dienst Vreemdelingenzaken uw verklaring misschien verkeerd genoteerd had (verhoorverslag p. 9). Die verklaring kan niet als een afdoende uitleg worden beschouwd omdat blijkt dat het verslag van de Dienst Vreemdelingenzaken u in het Servo-Kroatisch werd voorgelezen en dat u het voor akkoord ondertekend heeft. Daarnaast dient gewezen te worden op een aantal tegenstrijdigheden tussen uw verklaringen en diegene die werden afgelegd door uw echtgenote. XXX, op het Commissariaat-generaal d.d. 17/04/2002. Zo verklaarde uw echtgenote dat u, op het moment van haar verhoor op het Commissariaat-generaal d.d. 17/04/2002, sinds de gebeurtenis op 14 december 2002 nog altijd in de gevangenis van Peç was (verhoorver- slag p .3 en 7-8). U beweerde daarentegen voor slechts één week opgesloten geweest te zijn. Bovendien verklaarde u enkel in het politiecommissariaat van Peç opgesloten geweest te zijn (verhoorverslag p. 5). Tot slot verklaarde u van december 1999 tot 14 december 2002 geen andere problemen te hebben gekend dan beledigd geweest te zijn (verhoorverslag p. 4, 14). Volgens uw echtgenote zou u echter wel nog verscheidene problemen hebben gekend in die periode. Op 6 april 2000 zou u geslagen geweest zijn door mensen uit de wijk in Peç (verhoorverslag p. 20). Op 19 maart 2001 en op 27 juli 2001 zou men in uw huis zijn binnengebroken (verhoorverslag p. 11-12). Op 2 november 2001 zou in de richting van jullie huis geschoten zijn naar aanleiding van een interview dat u gegeven had op de radio (verhoorverslag p. 13-14). Op 10 januari 2002 zouden stenen op het dak van uw huis zijn gegooid en enkele ruiten zijn ingeslagen (verhoorverslag p. 14). Op 25 februari 2002 zou men in uw richting geschoten hebben (verhoorverslag p. 15). Op 5 mei 2002 zou u naar de politie in Peç moeten gegaan zijn waar u onder andere ondervraagd zou geweest zijn over het feit dat u van 27 juni 1998 tot 16 april 1999 reservist was bij het Servische leger (verhoorver- slag p. 16-18). In augustus 2002 zou u geslagen zijn door enkele Albanezen die een poort hadden laten maken bij u en het gevraagde kwamen ophalen (verhoorverslag p. 18-19). In november 2002 zouden Albanese buren naar uw huis zijn gekomen en u bedreigd hebben dat ze uw huis zouden doen verkopen (verhoorverslag p. 9). Op 12 december 2002 zouden jullie schoten in de buurt van jullie huis gehoord hebben (verhoorverslag p. 11). Van al deze gebeurtenissen maakte u zelf geen enkel gewag. Gelet op bovenvermelde tegenstrijdigheden en inconsistenties, die de kern van uw vluchtverhaal raken, kan aan uw relaas geen enkel geloof gehecht worden. Verder blijkt uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier gevoegd is, dat Bosnjaks in Peç terug een normaal leven kunnen leiden in termen van veiligheid, bewegingsvrijheid en reizen. Tot slot hebt u niet aannemelijk gemaakt geen beroep te hebben kunnen doen op bescherming van de in Kosovo aanwezige lokale en/of internationale autoriteiten. U kon immers al eerder beroep doen op de in Kosovo aanwezige lokale autoriteiten die naar aanleiding van de moord op uw zus in 1998 een proces-verbaal opstelden en een onderzoek instelden (verhoorverslag p . 1-2). Wat de internationale autoriteiten betreffen, houden deze laatste toezicht op de naleving van internationale verdragen en de handhaving van de openbare orde en veiligheid. Hoewel niet exclusief opgezet voor minderheden, zijn de meeste activiteiten van KFOR bijvoorbeeld wel gericht op de bescherming van deze groepen. VII-30.890-3/13 Het feit dat uw broer XXX, een beslissing tot verder onderzoek heeft gekregen, doet, gelet op andere vluchtmotieven van zijnentwege en de bedrieglijkheid van uw verklaringen, geen afbreuk aan deze beslissing. Het door u neergelegde attest van de SDA d.d. 19/05/2003 kan ten slotte niet als een objectief onpartijdig document worden beschouwd. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2).”. Dit is de bestreden beslissing; 2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat als volgt luidt : “Schending van substantiële vormvereisten, schending van art. 52 van de wet d.d. 15/12/1980, schending van het algemeen beginsel van behoorlijk beheer, machtsover- schrijding De bestreden beslissing stelt “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken waarbij U het verblijf op het grondgebied werd geweigerd”. Nochtans blijkt dat de beslissing d.d. 16/07/2003 van de Dienst Vreemdelingenzaken waarop het CGVS zich steunt nietig is. Verzoeker legt in bijlage aan huidig schijven het origineel neer van de beslissing tot weigering van verblijf die hem werd overhandigd. Indien dit document de originele handtekening van verzoeker draagt, dient men vast te stellen dat de rest van het document een fotokopie is van de originele beslissing. De beslissing werd dus niet in origineel ondertekend door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken. Daarenboven is de beslissing genomen op 16/07/2003 door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken nietig wegens gebrek aan een substantiële vormvereiste, m.n. het gebrek aan handgeschreven ondertekening van de persoon gemachtigd tot het nemen van een dergelijke beslissing. Inderdaad de beslissing vermeldt dat zij is genomen door Paolo Petralia, adjunct- adviseur, maar draagt geen originele handtekening. Enkel een handtekening die manifest genumeriseerd werd d.m.v. een scanner komt voor op de beslissing. Een onderzoek van de verschillende bladzijden van de beslissing wijst uit dat de verschillende handtekeningen volkomen identiek zijn. Een handtekening definieert zich echter als een handgeschreven kenteken door dewelke de ondertekenaar op gebruikelijke wijze zijn identiteit aan derden toont. De handgeschreven handtekening waarborgt de authenticiteit van de beslissing en de identificatie van zijn auteur. De handtekening van de auteur van een administratieve beslissing moet beschouwd worden als een essentieel bestanddeel zonder dewelke de beslissing onbestaande is. Het gaat dus om een substantiële vormvereiste. De litigieuze handtekening kan niet beschouwd worden als een elektronische handtekening in de zin van art. 2 van de wet van 9 juli 2001 betreffende de elektronische handtekeningen en de certificatiediensten, dat als volgt bepaald: “...Voor de toepassing van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan wordt verstaan onder : 1.“elektronische handtekening”: gegevens in elektronische vorm, vastgehecht aan of logisch geassocieerd met andere elektronische gegevens, die worden gebruikt als middel voor authentificatie. VII-30.890-4/13 2.“geavanceerde elektronische handtekening”: elektronische gegevens vastgehecht aan of logisch geassocieerd met andere elektronische gegevens, die worden gebruikt als middel voor authentificatie en aan de volgende eisen voldoet:
  3. a)zij is op unieke wijze aan de ondertekenaar verbonden;
  4. b)zij maakt het mogelijk de ondertekenaar te identificeren;
  5. c)zij wordt aangemaakt met middelen die de ondertekenaar onder zijn uitsluitende controle kan houden;
  6. d)zij is op zodanige wijze aan de gegevens waarop zij betrekking heeft verbonden, dat elke latere wijziging van de gegevens kan worden opgespoord;” Als elektronische handtekening wordt dus o.m. bedoeld de digitale handtekening en andere technische mechanismen die de authenticiteit van gegevens verstuurd via elektronische weg kunnen nagaan. In casu werd de handtekening louter gekopieerd d.m.v. een scanner. Deze handtekening beantwoordt dus niet aan de definitie van de elektronische handtekening en nog minder aan die van de geavanceerde elektronische handtekening. “La signature dynamique ne doit pas être confondue avec le procédé consistent simplement à numériser une signature manuscrite au moyen d’un scanner. Ce procédé, qui permet de reproduire à l’infini le graphisme d’une signature manuscrite, ne diffère finalement de la reproduction par photographie que par son degré de perfection. Il ne présente aucune garantie quant à l’identité de la personne qui a opéré la reproduction. Le document qui porte une telle signature n’a pas plus de valeur simple photocopie.” (P. Lecocq - B. Van brabant, la preuve du contrat conclu par voie électronique, Act. Dr., 2002/3, p. 256) Een aldus gescande handtekening die door eender wie kan geplaatst worden, laat niet toe na te gaan wie de werkelijke auteur van de beslissing is en dus de hoedanigheid van deze persoon. Het is niet uit te sluiten dat de gescande handtekening kon worden aangebracht door een niet gemachtigde ambtenaar. Noch verzoeker, noch de Raad van State zijn in de mogelijkheid om na te gaan of de beslissing wel werd genomen door een gemachtigde persoon. De administratieve beslissing d.d. 16/07/2003 is derhalve behept met een substantiële onregelmatigheid en is dus nietig. Het CGVS kon onmogelijk een nietige beslissing bevestigen. De administratieve beslissing d.d. 15/09/2003 is eveneens nietig.”; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert : “In een eerste middel beroept verzoeker zich op een schending van substantiële vormvereisten, een schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet, een schending van de algemene beginselen van behoorlijk beheer en machtsoverschrijding. Verzoeker geeft aan dat de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken d.d. 16 juli 2003 nietig is. Verzoeker werpt op dat het origineel van deze beslissing niet werd getekend door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken . Enkel een handtekening die manifest genumeriseerd werd d.m.v. een scanner komt voor op de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken wat strijdig zou zijn met artikel 2 van de Wet van 9 juli 2001 betreffende de elektronische handtekeningen en de certificatie- diensten Verweerder verwijst naar arresten van de Raad waarbij wordt gesteld dat ingevolge de devolutieve kracht van het bij artikel 63/2 van de Vreemdelingenwet voorziene dringend beroep kritiek tegen de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken niet relevant is (R. v. St. nr. 101.697 en 101.698 belden van 07 december 2001; R. v. St. nr. 105.265 van 28 maart 2002). Het eerste middel is niet gegrond.”; 2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederant- woord nog het volgende stelt : VII-30.890-5/13 “Het CGVS stelt dat, gelet op de devolutieve werking van het dringend beroep voorzien in art. 63/2 van de wet d.d. 15/12/1980, kritiek tegen de beslissing van de D.V. irrelevant is. Het CGVS verwijst hierbij naar een aantal arresten van de Raad van State. Bij lezing van de door het CGVS geciteerde arresten, stelt men nochtans vast dat de Raad van State hierin stelt dat een beroep tot nietigverklaring ingesteld bij de Raad van State en gericht tegen een beslissing van de D.V. niet ontvankelijk is gelet op de devolutieve kracht van het dringend beroep bij het CGVS. In casu is het verzoek tot nietigverklaring van verzoeker geenszins gericht tegen de beslissing van de D.V. maar wel tegen de beslissing van het CGVS. Verzoeker stelt dat door een nietige beslissing van de D.V. te bevestigen, het CGVS zich deze nietigheid heeft eigen gemaakt en deze nietigheid dat ook de beslissing van het CGVS aantast. Het Hof van Cassatie heeft zich reeds meermaals gebogen over de problematiek van de geldigheid van een beslissing gewezen in graad van beroep die een nietige beslissing gewezen in eerste aanleg bevestigt. Het hof van Cassatie stelt dat de beroepsinstantie zich de nietigheid van de beslissing a quo niet toe-eigent op voorwaarde dat de beroepsbeslissing zich uitsluitend grondt op eigen motieven zonder de motieven van beslissing a quo aan te halen of ernaar te verwijzen. Zie in die zin o.m.: “Nonobstant l’éventuelle nullité de la décision rendue en matière disciplinaire faisant l’objet de l’appel en raison du fait qu’elle a été rendue par un collège juridictionnel qui, par sa composition, ne satisfaisait pas au principe général du droit relatif à l’impartialité du juge, la décision rendue par le collège juridictionnel d’appel qui conforme la décision dont appel en se fondant exclusivement sur des motifs propres n’est pas entachée de nullité.” (Cass. 1re ch.) RG D 95.00024. N, 23 mai 1997 (H./Ordre des médecins), Arr. Cass. 1997, 566) “Le juge d’appel ne s’approprie pas la nullité dont est entaché un jugement en raison de la composition irrégulière du siège de la juridiction qui l’a rendu, lorsque, sans confirmer ledit jugement, il ne statue que sur la base de d’examen et de l’instruction de la cause auxquels il a procédé lui-même.” (Cass. RG 9745, 8 avril 1986 (Van Doorsselaer/ Doelman), Arr. Cass. 1985-86, 1059) “Lorsqu’une sentence disciplinaire dont appel est nulle, la juridiction d’ appel ne s’ approprie pas cette nullité si elle confirme la décision dont appel en se fondant sur des motifs propres et sans reprendre les motifs de la décision dont appel et sans s’ y référer” (Cass. RG 8059, 24 décembre 1993 (V./ Ordre des médecins); Arr. Cass. 1993, 1116) “Lorsque la sentence disciplinaire dont appel est nulle pour avoir été rendue par une juridiction qui, en raison de sa composition, ne satisfaisait pas aux exigences du principe général du droit relatif à l’impartialité du juge, ne s’approprie pas cette nullité la décision de la juridiction d’appel qui, bien qu’elle ne prononce pas l’annulation de ladite sentence, ne la confirme pas, n’en reprend aucun des motifs et ne se réfère pas à ceux-ci.” (Cass. RG 5217, 19 september 1986 (F./ Ordre des médecins), Arr. Cass. 1986-87, 83) In casu blijkt echter dat het CGVS zich niet uitsluitend op eigen motieven heeft gegrond, doch bepaalde motieven reeds aangehaald door de Dienst Vreemdelingenza- ken heeft overgenomen. De Dienst Vreemdelingenzaken grondt zich op beweerde tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van verzoeker en diens echtgenote, het CGVS haalt dit ook als motief aan: Beslissing DV: “Betrokkene verklaarde dat er op 13/12/2002 een groep Albanezen zijn huis zijn binnengevallen en er alles kort en klein hebben geslagen. Zijn vrouw echter verklaarde dat hun huis op 12/12/2002 beschoten werd door Albanezen.” Beslissing CGVS: “Volgens uw echtgenote zou u echter wel nog verscheidene problemen hebben gekend in die periode (...) Op 12/12/2002 zouden jullie schoten in de buurt van jullie huis hebben gehoord. Van al deze problemen maakte uzelf geen gewag.” Beslissing DV: “Betrokkene verklaarde vervolgens dat hij op 14/12/2002, nadat hij naar de politie was gegaan om een klacht neer te leggen, hij zijn gezin naar Dobrusa bracht. Zijn echtgenote heeft echter andere verklaringen afgelegd. (...) enkele uren later zou de politie betrokkene komen arresteren zijn. Zijn vrouw verklaarde bovendien dat VII-30.890-6/13 ze haar man sindsdien niet meer gezien of gehoord had en dat zij zelf contact opnam met de oom van betrokkene.” Beslissing CGVS: “Zo verklaarde uw echtgenote dat U, op het moment van haar verhoor op het Commissariaat-generaal d.d. 17/04/2003, sinds de gebeurtenissen op 14/12/2002 nog altijd in de gevangenis van Peç was. U beweerde daarentegen voor slechts één week opgesloten geweest te zijn.” Vervolgens stelt het CGVS: “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken.(...)” Verzoeker stelt overigens vast dat het CGVS niet betwist dat de beslissing van de D.V. nietig is. In casu kan dus enkel besloten worden dat door de nietige beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te bevestigen, het CGVS zich de nietigheid heeft eigen gemaakt en dat de bestreden beslissing d.d. 15/09/2003 derhalve nietig is.”; 2.1.4. Overwegende dat, gelet op de devolutieve kracht van het in artikel 63/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, bedoeld dringend beroep bij de Commissaris-generaal, de kritiek van de verzoekende partij op de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 16 juli 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, niet relevant is; dat het eerste middel niet ontvankelijk is; 2.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel als volgt uiteenzet : “Schending van de wet d.d. 29 juli 1991 betreffende de formele motiveringsplicht, schending van het algemeen beginsel van behoorlijk beheer, schending van de rechten van verdediging en schending van art. 3 EVRM. Het CGVS ontkent niet dat verzoeker afkomstig is van Kosovo en dat hij van origine Bosnjak is. Verzoeker was eveneens reservist in het Servische leger zodanig dat hij niet enkel als Bosnjak wordt aangezien, maar tevens als een Serviër. Het CGVS stelt dat het relaas van verzoeker niet geloofwaardig zou zijn omwille van tegenstrijdigheden tussen zijn verhoor voor de D.V. en zijn verhoor voor het CGVS en tussen het relaas van verzoeker en dat van zijn echtgenote. Verzoeker wenst te stellen zoals hij trouwens liet weten tijdens zijn verhoor voor het CGVS (blz. 9) dat hij aan stress leed. Verzoeker is eveneens in behandeling voor depressie die een gevolg is van de gruwelijkheden die verzoeker meemaakte in Kosovo. Verder stelt het CGVS: “Verder blijkt uit de informatie waarover het Commissariaat- generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier gevoegd is, dat Bosnjaks in Peç terug een normaal leven kunnen leiden in termen van veiligheid, bewegingsvrijheid en reizen.” Het CGVS steunt zich blijkbaar op 2 verslagen van het UNHCR in januari en maart 2003. Vooreerst dient vastgesteld te worden dat het GVCS slechts door haar uitgekozen passages van deze verslagen bijbrengt en niet de volledige verslagen, zelfs niet een inhoudstafel, zodanig dat noch verzoeker noch de Raad van State de volledige draagwijdte van deze verslagen niet kunnen nagaan. Het gaat niet op te stellen dat enkel de passages met betrekking tot de situatie van verzoeker werden bijgebracht, nu dit juist door gebreke aan neerlegging van het volledige verslag dit niet kan worden nagegaan. De Belgische Staat stelde zelf bij wijze van uiteenzetting in het kader van het arrest CONKA uitgesproken door het EHRM op 05/02/2002: “Selon le gouvernement, l’effectivité des recours disponibles doit s’apprécier dans leur globalité, eu égard au fait qu’il existe, en droit belge, deux catégories de recours VII-30.890-7/13 successifs et cumulables contre une décision d’éloignement prise par l’Office des Etrangers: L’un devant le Commissaire Général aux Réfugiés et aux Apatrides, l’autre devant le Conseil d’Etat. Le premier serait un organe quasi juridictionnel, indépendant et impartial, ce que la Cour de Cassation aurait encore récemment confirmé dans son arrêt du 14 mars 2001 (§26 ci-dessus). Un recours porté devant le Commissaire serait doté d’un effet suspensif automatique et la procédure offrirait plusieurs garanties procédurales. Ainsi la décision du Commissaire serait dûment motivée par l’indication de toutes les circonstances pertinentes de la cause. De plus, la procédure suivie respecterait le principe du contradictoire, qui veut que toute décision en matière d’asile soit fondée sur des pièces et éléments connus du candidat réfugié ou de notoriété publique ou, à défaut, soumis à la contradiction.” In casu kan men enkel vaststellen dat door slechts uitgekozen passages en niet volledige rapporten te voegen bij het administratief dossier, het CGVS manifest niet voldoet aan de tegensprekelijkheidsvereiste en dus de rechten van verdediging van verzoeker schendt. Verder is ook opvallend dat het meest recente gedeeltelijk verslag (maart 2003) alleszins minder optimistisch is over de situatie van Bosjnaks dan de passages van het verslag van januari 2003. De ernst van de situatie van de minderheden in Kosovo wordt trouwens bevestigd door recentere informatie die in bijlage wordt gevoegd (“Kosovo: l’été meurtier” Le Vif l’Express 12/09/2003): “Par cette recrudescence de la violence, les extrémistes albanais poursuivent plusieurs objectifs. Le premier est d’empêcher tout retour des réfugiés serbes qui ont fui le Kosovo par peur des représailles à l’été 1999. C’est pourtant l’ambition de l’ONU d’y parvenir. Plus radicalement, les incidents meurtriers ont pour object de confirmer le nettoyage ethnique en cours. S’en prendre à des enfant et à des vieillards, c’est évidemment pousser chaque famille serbe à déguerpir. Tous les moyens sons bons pour rende l’espace ethniquement pur.” Zie ook het verslag van de Secretaris Generaal over de tijdelijke beheerscommissie van de VN in Kosovo aan de Veiligheidsraad van de VN op 26/06/2003 (cfr. bijlage) Uit een ander verslag van de UNHCR van januari 2003 “UNHCR Position on the continued protection needs of individuals from Kosovo” blijkt eens te meer dat de situatie veel genuanceerder is dan het CGVS tracht voor te houden op grond van enkele uitgekozen passages: “The security situation for Kosovo Bosnjaks have improved and become more stable. However, members of the community continue to face intimidation, harassment and discrimination and in the Mitrovica municipality they have been targets of serious incidents of violence. Improvements in relation to access to health and other essential services as well as education in their own language are evident in some regions. However the risk of being considered as ethnic Serb in the event of using their language outside their area of habitation and the consequence thereof limit their freedom of movement throughout Kosovo and, thereby inhibit equal access to social services and economic opportunities. This limits their capacity for self-reliance. One consequence of such conditions has been the discrete but steady departure of Bosnjak families from Kosovo.” Het rapport van de UNHCR komt tot het volgende besluit: “(...) UNHCR believes that to be safe, dignified and sustainable, the return of members of the Serb, Roma, Ashkaelia and egyptian communities can only take place on a voluntary basis and in a gradual manner. The process should allow for careful preparation of the recipient communities including the promotion of tolerance and inter-ethnic dialogue.” M.a.w. een gedwongen terugkeer waartoe de beslissing van het CGVS leidt, brengt een schending van art. 3 EVRM met zich mee: verzoeker zal op onmenselijke en vernederende wijze behandeld worden. Door geen rekening te houden met recentere rapporten en een ongenuanceerde interpretatie van onvolledige verslagen schendt het CGVS haar motiveringsplicht. Ook op grond van de hierboven aangehaald redenen is de beslissing d.d. 15/09/2003 dus nietig.”; VII-30.890-8/13 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert : “Een tweede middel puurt verzoeker uit een schending van de Wet van 29 juli 1991, een schending van het beginsel van behoorlijk beheer, een schending van de rechten van verdediging en een schending van artikel 3 van het EVRM. Betreffende de motiveringsverplichting, vervat in de uitdrukkelijke motiveringswet van 29 juli 1991, kan worden opgemerkt dat de motiveringsverplichting tot doel heeft, ten opzichte van diegene die bij een bestuurshandeling betrokken is, hem/haar een zodanig inzicht te verschaffen in die motieven van de handeling dat hij/zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen de handeling te verweren met de middelen die het recht hem/haar verschaft; Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de motieven van de beslissing wel degelijk kent. Hierdoor is het doel van de uitdrukkelijke motivering in casu bereikt. - Verzoeker verklaart zijn tegenstrijdige verklaringen op de Dienst Vreemdelingen- zaken en het Commissariaat-generaal door stress. Tevens is verzoeker in behandeling voor depressie. Verweerder antwoordt vooreerst dat er redelijkerwijze mag aangenomen worden dat verzoeker, die beweert te vrezen voor zijn vrijheid en leven en daarom de bescherming van de Belgische autoriteiten vraagt van bij de aanvang van de asielprocedure in België, alle elementen ter ondersteuning van zijn asielaanvraag op correcte wijze en zo accuraat mogelijk aanbrengt, zeker de elementen die de directe aanleiding van zijn vertrek of vlucht uit hun land van herkomst vormden. Daarnaast blijkt uit de gehoorrapporten van de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal dat verzoeker ruimschoots de tijd kreeg om zijn verhaal te doen en hem eenvoudigweg gevraagd werd zijn asielmotieven naar voren te brengen. Verzoekers argument als zou hij door stress tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd kan niet worden weerhouden. Verder merkt verweerder op dat verzoeker geen enkele melding maakte van het feit dat hij aan een depressie zou lijden. Bovendien legt verzoeker geen enkel medisch attest neer ter staving, waardoor dit argument ter verklaring van de tegenstrijdigheden eveneens niet kan worden weerhouden. - Verzoeker geeft aan dat de volledige rapporten van het UNHCR waarop de beslissing ten dele is gebaseerd niet in het administratieve dossier steken, waardoor de volledige draagwijdte van deze verslagen niet kan worden nagegaan. Verweerder merkt eerst en vooral op dat de Raad van State reeds vroeger aanvaardde dat het Commissariaat-generaal de actualiteit van de door de kandidaat-vluchteling geuite vrees beoordeelt. Indien blijkt dat de situatie in het land van herkomst sinds zijn vertrek fundamenteel is gewijzigd en indien de kandidaat-vluchteling geen specifieke elementen aanhaalt die wijzen op het bestaan van een individuele vrees in zijn hoofde, kan volgens de Raad van State de verwijzing naar de afwezigheid van actuele vrees als motief in de bevestigende beslissing van weigering van verblijf worden gebruikt (zie o.m. R.v.St., nr. 90.116 van 10 oktober 2000). In Casu heeft de Commissaris-generaal zich gebaseerd op de meest recente rapporten van het UNHCR (januari 2003) en het OSCE (maart 2003) gelet op het feit dat de bestreden beslissing dateert van september 2003. De Commissaris-generaal heeft zich dus op concrete wijze uitgesproken over de situatie van Bosnjaks in Peç: ze kunnen er een normaal leven leiden in termen van veiligheid, bewegingsvrijheid en reizen. Verweerder stelt vast dat de volledige titel van de rapporten waarop de Commissaris-generaal zich baseerde wel degelijk in het administratieve dossier zijn opgenomen. Meer bepaald betreft het een rapport van het UNHCR, update on the situation of Roma, Ashkaelia, Egyptian, Bosniak and Gorani in Kosovo, januari 2003 en een rapport van het OSCE, tenth Assessment of the situation of Ethnic minorities in Kosovo, periode covering May 2002 to December 2002, March 2003. De volledige draagwijdte van deze rapporten kan aldus gemakkelijk worden nagegaan. - Verzoeker citeert een passage uit een rapport van het UNHCR waarin gesteld wordt dat Serviërs, Roma’s, Ashkaelia, Egyptians enkel naar Kosovo kunnen terug keren op vrijwillige basis. Ook haalt verzoeker informatie aan uit Le Vif l’Express d.d. 12 september 2003 waarin de moeilijke situatie van Serviërs in Kosovo wordt besproken. Een gedwongen terugkeer in hoofde van verzoeker leidt bijgevolg tot een schending van artikel 3 van het EVRM. VII-30.890-9/13 Verweerder merkt op dat in deze rapporten geen sprake is van de Bosnjaks, de etnische minderheid waartoe verzoeker behoort. De door verzoeker aangehaalde informatie weerlegt op geen enkele manier de informatie waarop de Commissaris- generaal zich baseerde aangaande de situatie van Bosnjaks in Peç. Wat aldus de opgeworpen schending van artikel 3 EVRM betreft, stelt verweerder dat de kandidaat vluchteling moet doen blijken dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat hij in het land waarnaar hij mag worden teruggeleid, een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behande- ling. Hij moet deze beweringen staven met een begin van bewijs. De kandidaat vluchteling moet concrete, op zijn persoonlijke situatie betrokken feiten aanbrengen. Een blote bewering of een eenvoudige vrees voor onmenselijke behandeling op zich volstaat niet om een inbreuk uit te maken op artikel 3 EVRM. Een eventualiteit dat artikel 3 EVRM kan worden geschonden volstaat op zich niet (R.v.St. nr; 105.é van 27 maart 2002; nr. 105.262 van 28 maart 2002; nr. 104.674 van 14 maart 2002). Volledigheidshalve benadrukt verweerder dat de bestreden beslissing moet worden gelezen als geheel en niet als van elkaar losstaande zinnen. Het is het geheel van de in de bestreden beslissing opgesomde motieven die verweerder hebben doen besluiten tot de onontvankelijkheid van verzoekers asielaanvraag. Nu blijkt dat verzoekers verklaringen op fundamentele wijze zijn aangetast door tegenstrijdigheden, nu blijkt dat de situatie voor Bosnjaks in Peç is gestabiliseerd en nu blijkt dat verzoeker niet aannemelijk kon maken geen bescherming te kunnen inroepen van de in Kosovo aanwezige autoriteiten, heeft de Commissaris-generaal terecht besloten tot de bedrieglijkheid en de kennelijk ongegrondheid van verzoekers asielaanvraag. Betreffende de opgeworpen schending van de rechten van verdediging, wenst verweerder nog op te merken dat het dringend beroep bij het Commissariaat-generaal tegen een beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken een administratief en geen jurisdictioneel beroep is. Hieruit volgt dat de rechten van verdediging zoals ze gelden voor rechtscolleges, ‘niet zomaar kunnen worden getransponeerd naar de administratie- ve beroepen” (R.v.St. nr. 92.450 van 19 januari 2001, onuitg.), zoals het dringend beroep voor het Commissariaat-generaal. Het tweede middel is niet gegrond.”; 2.2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederant- woord nog het volgende stelt : “Betreffende de schending van de rechten van verdediging stelt het CGVS dat vermits het dringend beroep bij het CGVS een administratief en geen jurisdictioneel beroep is, er geen rekening dient gehouden te worden met de rechten van verdediging zoals dit wel het geval zou zijn voor rechtscolleges. Nochtans blijkt uit het arrest CONKA uitgesproken door het EHRM op 05/02/2002, dat de Belgische Staat onomwonden stelt dat het CGVS als een “quasi jurisdictioneel orgaan” dient beschouwd te worden: “(...) 68. Selon le Gouvernement l’effectivité des recours disponibles doit s’apprécier dans leur globalité, eu égard au fait qu’il existe, en droit belge, deux catégories de recours successifs et cumulables contre une décision d’éloignement prise par l’Office des étrangers: l’un devant le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides, l’autre devant le Conseil d’Etat. 69. Le premier serait un organe quasi-juridictionnel, indépendant et impartial, ce que la Cour de cassation aurait encore récemment confirmé dans son arrêt du 14 mars 2001 (paragraphe 26 ci-dessous). Un recours porté devant le Commissaire serait doté d’un effet suspensif automatique et la procédure offrirait plusieurs garanties procédurales. Ainsi la décision du Commissaire serait dûment motivée, par l’indication de toutes les circonstances pertinentes de la cause. De plus, la procédure suivie respecterait le principe du contradictoire, qui veut que toute décision en matière d’asile soit fondée sur des pièces et éléments connus du candidat réfugié ou de notoriété publique ou, à défaut, soumis à la contradiction.(...)” VII-30.890-10/13 Verzoeker herinnert er bovendien aan dat de Raad van State - zich steunend op deze verklaring van de Belgische Staat in de zaak Conka- stelde dat het CGVS dan ook de elementaire procedureregels dient na te leven. “Considérant qu’il est d’autant plus impérieux que le Commissariat Général respecte les règles de droit relatives aux auditions et à l’établissement des preuves de ces auditions que comme le relate l’arrêt de la CEDH, Conka c/Belgique du 05/02/2002, selon le gouvernement belge, le commissariat aux réfugiés et aux apatrides “serait un organe quasi juridictionnel (n/68)”, ce qui implique que celui-ci agisse en appliquant les règles procédurales élémentaires, telles que celle qui est mentionnée ci-dessus en matière d’audition” (RvS, 08/08/02, arrest nr.109, 702, RDE, 2002, p. 419) Indien het CGVS de vermeende tegenstrijdigheden zo zwaarwichtig achtte dat zij een onontvankelijkheidsbeslissing kunnen gronden, dan had het CGVS de verplichting om dieper op de kwesties en de vermeende tegenstrijdigheden in te gaan en verzoeker in de mogelijkheid te stellen zijn uitleg erover te geven om zo het tegensprekelijk karakter en de rechten van verdediging van verzoekers te vrijwaren. Door dit echter niet te doen is het CGVS niet op een redelijke wijze tot de beslissing d.d. 15/09/2003 kunnen komen en heeft door het negeren van het principe van de tegensprekelijkheid, de rechten van verdediging van verzoekers geschonden. Het middel is dus ernstig en gegrond.”; 2.2.4. Overwegende dat uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, doch dat hij betwist dat de opgegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat verzoeker aldus in wezen een schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal besloten heeft dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk is aangezien er tussen zijn verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken en zijn verklaringen voor het Commissariaat-generaal verscheidene tegenstrijdigheden werden vastgesteld en hij bovendien gebeurtenissen in de aanloop van zijn vertrek niet naar voren bracht tijdens zijn interview voor het Commissariaat-generaal; dat deze in de bestreden beslissing gemaakte vaststellingen overeenstemmen met de inhoud van de tijdens de asielprocedure opgestelde verhoorverslagen en met het administratief dossier; dat de vastgestelde tegenstrijdigheden uitvoerig werden uiteengezet in de bestreden beslissing, met verwijzing naar de verklaringen van verzoeker en zijn echtgenote; dat verzoeker aldus kennis kon nemen van de motieven waarop de Commissaris-generaal zijn beslissing heeft gesteund; dat de tegenstrijdigheden en inconsistenties daarenboven betrekking hebben op feiten die rechtstreeks aanleiding hebben gegeven tot het vertrek van verzoeker uit zijn land van herkomst; dat zij bijgevolg de kern van het asielrelaas raken; dat van verzoeker dan ook redelijkerwijze mag worden verwacht dat hij, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, deze feiten die de oorzaak waren van zijn vlucht uit het land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig en op een coherente en geloofwaardige manier weergeeft aan de overheden, bevoegd om kennis te nemen van de asielaanvraag, zodat op grond van dit relaas kan worden nagegaan of er in hoofde van de kandidaat-vluchteling aanwijzingen bestaan om te besluiten tot het bestaan van een gevaar voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat de beslissing van een persoon om zijn land te verlaten immers dermate fundamenteel en ingrijpend is, dat hij bij machte moet zijn om desbetreffend een volledig en samenhangend verhaal te vertellen; dat de traumatische aard van verzoekers ervaren gebeurtenissen, en de stress die daarmee gepaard gaat, geen verschoning kan bieden VII-30.890-11/13 voor het verzuim de feiten die de oorzaak waren van zijn vlucht, en welke bijgevolg geenszins slechts details betreffen, nauwgezet weer te geven tijdens de asielprocedure, een procedure welke juist ten dienste van kandidaat-vluchtelingen zoals verzoeker werd ontwikkeld; dat de Commissaris-generaal in het huidige geval dan ook op redelijke gronden vaststelt dat een aantal tegenstrijdigheden de geloofwaardigheid van het asielrelaas van verzoeker ondermijnen; dat verzoeker in de uiteenzetting van zijn verzoekschrift overigens geenszins de juistheid en pertinentie van de door de Commissaris-generaal vastgestelde tegenstrijdigheden op concrete wijze betwist; Overwegende dat er bovendien, in tegenstelling tot wat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord lijkt te beweren, geen enkele wettelijke verplichting bestaat voor de Commissaris-generaal om een kandidaat-vluchteling te confronteren met zijn tegenstrijdige verklaringen; dat niettemin uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker wel op zijn tegenstrijdige verklaringen werd gewezen, zodat verzoekers argument geenszins afbreuk kan doen aan de wettigheid van de bestreden beslissing; dat verzoeker voor het overige niet aantoont dat de beslissing van de Commissaris-generaal, wat de vastgestelde tegenstrijdigheden betreft, kennelijk onredelijk is; dat deze veelvuldig door de Commissaris- generaal vastgestelde tegenstrijdigheden daarenboven reeds volstaan om verzoekers asielaanvraag onontvankelijk te verklaren, zodat de door verzoeker aangevoerde kritiek op de overige motieven van de bestreden beslissing niet verder dient te worden onderzocht; Overwegende dat ten slotte, zoals terecht door de verwerende partij opgemerkt, de rechten van verdediging niet van toepassing zijn op administratieve beslissingen die worden genomen in het raam van de voornoemde wet van 15 december 1980 en dat, wat de ingeroepen schending van artikel 3 van het EVRM betreft, verzoeker moet aantonen dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat in het land waarnaar hij mag worden teruggeleid, hij een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; dat immers de bescherming verleend via artikel 3 van het E.V.R.M. slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing zal vinden; dat degene die aanvoert dat hij een dergelijk risico loopt zijn beweringen moet staven met een begin van bewijs; dat inzonderheid een blote bewering of eenvoudige vrees voor onmenselijke behandeling op zich niet volstaat om een inbreuk uit te maken op artikel 3 van het E.V.R.M.; dat verzoeker zich in het middel beperkt tot een verwijzing naar het besluit van een rapport van het UNHCR waar echter geen sprake is van de Bosnjaks, de etnische minderheid waartoe verzoeker behoort; dat hij geen concrete, op zijn persoonlijke situatie betrokken feiten aanbrengt ter adstruering van deze kritiek; dat hij derhalve niet aantoont dat hij een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; dat aldus geen van de in het middel aangevoerde schendingen kan worden aangenomen; dat het tweede middel niet gegrond is; VII-30.890-12/13 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig oktober tweeduizend en vier, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. C. VERHAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. M.-R. BRACKE. VII-30.890-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.532 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.