← België

Arrest 136544 - - 22/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.544 Rolnummer: A. 133943/XIV-14136 Zaak: Arrest 136544 - - 22/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-19 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 12:12 Fiche Arrest nr 136.544 van 22 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.544 van 22 oktober 2004 in de zaak A. 133.943/XIV-14.

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat H. VAN VRECKOM, kantoor houdende te 1400 NIJVEL, Rue Saint-André 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- - DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van XXX nationaliteit, op 10 maart 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 10 februari 2003 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 20 september 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 25 maart 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 6 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 mei 2004; XIV-14.136-1/8 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. DE CALUWE, die loco advocaat H. VAN VRECKOM verschijnt voor de verzoekende partijen, en van adjunct- adviseur Ch. LECHAT, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de verzoekende partijen België binnenkomen op 16 april 2002 en zich vluchteling verklaren op 19 april 2002; dat op 20 september 2002 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 10 februari 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissingen zijn, die als volgt zijn gemotiveerd: - Inzake de eerste verzoekende partij: “Volgens uw verklaringen bent u een XXX afkomstig uit K. In juni 1988 nam u als sympathisant deel aan een betoging van M. De politie interveniëerde evenwel en u werd met een geweer geslagen, met permanente rugpijnen als gevolg. Sinds 1990 bent u actief lid van M. en zette u zich in voor de partij door demonstraties te organiseren, propaganda te verspreiden en donaties te verzamelen. In 1992 viel de politie uw woonst binnen en arresteerde uw broer. Na betaling van smeergeld werd hij de volgende dag weer vrijgelaten. Omdat uw broer politiek niet actief was, vreesde u dat u het doelwit was van deze politieactie en op aanraden van uw partij reisde u naar L., waar u vier maanden ondergedoken leefde. Bij uw terugkeer hernam u uw politieke activiteiten en op 29 april 1994 nam u in K. deel aan een demonstratie van M. De politie joeg de betoging uiteen en u werd door een splinter van een rookbom geraakt, waarna u gehospitaliseerd werd en gedurende vier dagen verzorgd werd. Vervolgens werd u in juli 1994 in uw woonst gearresteerd en overgebracht naar het politiekantoor. U werd er valselijk van moord beschuldigd en werd onmenselijk hard aangepakt. Na vier dagen werd u naar de centrale gevangenis van K. overgebracht en werd er twee maanden vastgehouden, waarna u vrijkwam op tussenkomst van het ‘Legal Aid Committee’ van uw partij. Vervolgens werd u in april 1995 door agenten van de ‘CIA’ gearresteerd. U werd overgebracht naar het hoofdkwartier van de ‘CIA’ en werd twee dagen later na een telefonische interventie van een onbekende weer vrijgelaten. In oktober 1996 werd u op beschuldiging van illegaal wapenbezit in uw woonst gearresteerd en overgebracht naar het politiekantoor. U werd gedurende één nacht vastgehouden en wist vrij te komen nadat uw echtgenote de agenten smeergeld betaalde. Om aan verdere moeilijkheden met de autoriteiten te ontkomen verhuisde u en besloot u voortaan zoveel mogelijk bij vrienden en kennissen onder te duiken. U verbleef overwegend in K. maar woonde in de daaropvolgende jaren ook voor korte periodes in L. en op verschillende andere onderduikadressen in P. De politie bleef u evenwel achternazitten en in 1998 werd u andermaal in uw woonst te K. gearresteerd. U werd gedurende drie dagen vastgehouden en wist vrij te komen nadat uw broer de agenten omkocht. Twee maanden later werd u opnieuw aangehouden en werd u gedurende twee uren in het politiekantoor vastgehouden. In 1999 werd u nogmaals gearresteerd in K. en werd u één dag vastgehouden. De volgende jaren kwam de politie nog regelmatig op uw thuisadres langs maar omdat u ondergedoken leefde, volgden geen direct confrontaties meer. In februari 2002 vernam u evenwel dat generaal M. militaire en XIV-14.136-2/8 burgerlijke rechtbanken de opdracht had gegeven om alle lopende zaken tegen leden van M. te heropenen. U won raad in bij een aantal hooggeplaatste leden van M. en besloot op hun advies het land te ontvluchten. Op 16 april 2002 reisde u vergezeld van uw echtgenote en uw beide kinderen via Istanbul van K. naar Brussel en vroeg in België asiel aan op 19 april
  5. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat de geloofwaardigheid van uw asielrelaas in ernstige mate ondermijnd wordt door een aantal leemtes en tegenstrijdigheden in de verklaringen die u in de verschillende fasen van de asielprocedure heeft afgelegd. Daarenboven dient te worden vastgesteld dat uw verklaringen niet overeenstemmen met de verklaringen die uw echtgenote aflegde. Zo verklaarde u op de dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) dat u in juli 1994 door een vijftal geüniformeerde agenten gearresteerd werd. U vermoedde bij deze arrestatie naar het politiecommissariaat van de ‘CIA’ te zijn overgebracht maar verklaarde dit niet zeker te weten omdat u bij uw overbrenging naar het detentiecentrum geblinddoekt was (zie gehoorverslag DVZ, nr 42). In dringend beroep daarentegen beweerde u dat u die dag gearresteerd werd door vijf agenten, waarvan drie een uniform droegen en twee anderen burgerkledij (zie gehoorverslag CGVS, p. 9). Verder verklaarde u dat u bij deze arrestatie op geen enkel moment geblinddoekt werd en beweerde u dat u naar het politiekantoor van G. werd overgebracht. (zie gehoorverslag CGVS, p. 9). Bovendien stelde u uitdrukkelijk dat u slechts éénmaal in het politiecommissariaat van de ‘CIA’ in K. werd vastgehouden, namelijk na uw aanhouding in april 1995 (zie gehoorverslag CGVS, p. 11). Voorts verklaarde u op de dienst Vreemdelingenzaken dat u in april 1995 samen met een zevental andere M.’-leden tijdens een bijeenkomst werd gearresteerd (zie gehoorverslag DVZ, nr. 42). In strijd hiermee verklaarde u in dringend beroep dat u bij deze politie-inval als enige gearresteerd werd en stelde u uitdrukkelijk dat de negen anderen die de bijeenkomst bijwoonden geen lid waren van M. (zie gehoorverslag CGVS, p. 11). Verder is het bevreemdend te noemen dat u op de dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) verklaarde dat u in het politiecommissariaat van de ‘CIA’ meegedeeld werd dat u smeergeld moest betalen om vrijgelaten te worden (zie gehoorverslag DVZ, nr. 42) terwijl u in dringend beroep uitdrukkelijk stelde dat de agenten van de ‘CIA’ met geen woord over smeergeld repten (zie gehoorverslag CGVS, p. 11). Betreffende de volgende arrestatie die in oktober 1996 zou hebben plaatsgevonden, dient te worden vastgesteld dat uw verklaringen hieromtrent niet overeenstemmen met de verklaringen van uw echtgenote. Zo verklaarde u in dringend beroep dat u uw echtgenote in het politiekantoor ontmoette toen deze de politie het smeergeld kwam overhandigen en beweerde u dat u na deze betaling in het gezelschap van uw echtgenote naar huis terugkeerde (zie gehoorverslag CGVS, p. 12). In strijd hiermee stelde uw echtgenote dat ze u niet ontmoette in het politiekantoor. Daarenboven beweerde uw echtgenote dat ze na de overdracht van het smeergeld enkel vergezeld van de tussenpersoon A. naar huis terugkeerde en verklaarde ze dat jullie elkaar pas later die avond, thuis, terugzagen (zie gehoorverslag CGVS, S, p. 5). Verder is het bevreemdend te noemen dat u op de dienst Vreemdelingenzaken onvermeld liet dat u in de periode 1998-1999 nog driemaal gearresteerd werd door de politie (zie gehoorverslag CGVS, p. 13-14) en beweerde dat u tussen 1996 en 2002 geen noemenswaardige problemen ondervond (zie gehoorverslag DVZ, nr. 42). Gezien het belang van deze feiten voor uw asielrelaas dient te worden opgemerkt dat een dergelijke discrepantie de geloofwaardigheid van uw asielrelaas nog verder ondermijnt. Uw verklaring dat u deze arrestaties op de dienst Vreemdelingenzaken verzweeg omdat u niet kunt bewijzen dat deze plaatshadden, is onafdoende. Het is eveneens merkwaardig te noemen dat u op de dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat u een lidkaart van M. bezit maar deze in XXX heeft achtergelaten (zie gehoorverslag DVZ, nr. 42) terwijl u dringend beroep verklaarde dat u nooit een lidkaart van M. heeft bezeten, aangezien de partij er geen uitgeeft (zie gehoorverslag CGVS, p. 5). Voorts is het bevreemdend te noemen dat u - hoewel u reeds stukken uit XXX liet overkomen (zie gehoorverslag CGVS, p. 4) en verklaarde dat er ‘vele’ FIR’s (First Information Report) tegen u werden opgesteld (zie gehoorverslag CGVS, p. 14) - geen enkel officieel stuk voorlegt dat betrekking heeft op uw voorhouden moeilijkheden met de XXX autoriteiten. Bovenstaande tegenstrijdigheden zijn dermate fundamenteel dat aan uw asielrelaas verder geen geloof meer kan worden gehecht. De door u neergelegde documenten (eens schrijven van de M.-afdeling van Groot- Brittannië, vier krantenartikels uit D., één krantenartikel uit D., een doktersbriefje betreffende uw rugproblemen, uw huwelijkscertificaat, uw identiteitskaart, twee domiciliëringsbewijzen uit K., het geboortebewijs van uw dochter, het geboortebewijs van uw zoon, een certificaat van gezinssamenstelling en acht foto’s betreffende uw aanwezigheid op een door de M. opgezet evenement in België) zijn gezien de bedrieglijkheid van uw asielrelaas niet van die aard om bovenstaande vaststellingen te wijzigen.”; XIV-14.136-3/8 - Inzake de tweede verzoekende partij: “Volgens uw verklaringen bent u een XXX staatsburger afkomstig uit K. U werkte als boekhoudster en was politiek niet actief. In mei 1995 huwde u met S., die zonder uw medeweten actief was voor M. In 1996 werd uw echtgenoot gearresteerd en wist u hem na een detantie-periode van twee dagen vrij te krijgen door smeergeld te betalen. U ontmoette uw echtgenoot niet op het politiekantoor, mar zag hem pas thuis terug op de avond van zijn vrijlating. Om aan verdere moeilijkheden met de autoriteiten te ontkomen beslisten uw echtgenoot en uzelf om voortaan regelmatig te verhuizen. Daarenboven verkleef uw echtgenoot de daaropvolgende jaren regelmatig in L. en op verschillende andere onderduikadressen in P. In totaal verhuisde uw gezin gedurende deze periode vier à vijf keren. De politie wist jullie evenwel op ieder adres terug te vinden en bleef regelmatig langskomen om naar uw echtgenoot te informeren. In februari 2002 vernam uw echtgenoot dat generaal M. militaire en burgerlijke rechtbanken de opdracht had gegeven om alle lopende zaken tegen leden van M. te heropenen. Uit vrees voor verdere moeilijkheden met de autoriteiten beslisten uw echtgenoot en uzelf om XXX te ontvluchten. Samen met uw echtgenoot en uw beide kinderen reisde u op 16 april 2002 via Istanbul van K. naar Brussel. U vroeg in België asiel aan op 19 april
  6. Er dient te worden vastgesteld dat uw verklaringen niet eensluidend zijn met deze van uw echtgenoot. Zo verklaarde u in dringend beroep dat u uw echtgenoot niet op het politiekantoor ontmoette maar hem pas bij u thuis terugzag op de avond van zijn vrijlating (zie gehoorverslag CGVS, p. 5). Uw echtgenoot beweerde daarentegen, dat hij u op het politiekantoor ontmoette en dat u, na het betalen van smeergeld, samen met hem naar huis terugkeerde (zie gehoorverslag CGVS, p. 12). Verder moet worden opgemerkt dat u zich voor uw asielaanvraag op dezelfde feiten baseerde als uw echtgenoot (zie gehoorverslag CGVS, p. 5). Vermits ten aanzien van de asielaanvraag van uw echtgenoot een negatieve beslissing werd genomen op grond van de bedrieglijkheid van zijn asielaanvraag, dient inzake uw asielaanvraag eveneens een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen worden.”; 2.
  7. Overwegende dat de verzoekende partijen een enig middel aanvoeren dat luidt als volgt: “Eerst middel: schending van de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen, de artikelen 1 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen en het artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen. Overwegende dat de bestreden beslissingen stellen dat de geloofwaardigheid van het asielrelaas van de eisers in ernstige wijze zou worden ondermijnd door een aantal leemtes en tegenstrijdigheden in de verschillende fasen van de asielprocedure. Dat gelet op het feit dat de motivering van de bestreden beslissing kan worden onderverdeeld in zes delen, dit middel ook worden onderverdeeld in zes onderdelen.
  8. Betreffende de arrestatie in juli
  9. Overwegende at de bestreden beslissing stelt de eiser op de dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat hij in juli 1994 door een vijftal geüniformeerde agenten gearresteerd werd en dat hij vermoedde bij deze arrestatie naar het politiecommissariaat van de CIA te zijn overgebracht maar dat hij dit niet zeker wist omdat hij op de weg naar het detentiecentrum geblinddoekt was. Dat de bestreden beslissing daar tegenvoer stelt dat de eiser in dringend beroep verklaarde dat hij op die dag werd gearresteerd door vijf agenten, waarvan er drie een uniform droegen en twee in burger gekleed waren, dat hij bij die arrestatie op geen enkel moment geblinddoekt was en dat hij naar het politiecommissariaat van G. was overgebracht. Dat de bestreden beslissing ook aanhaalt dat de eiser uitdrukkelijk stelde in dringend beroep dat hij slechts één keer in het politiecommissariaat van de CIA werd vastgehouden, namelijk na zijn aanhouding in april
  10. Dat de eiser inderdaad werd gearresteerd in juli 1994 door drie geüniformeerde agenten en twee agenten in burger en hij werd niet geblinddoekt overgebracht naar het politiecommissariaat van G. Dat de eiser één keer naar het CIA commissariaat werd gebracht en dat dit in april 1995 was. XIV-14.136-4/8 Dat de eiser heeft gesignaleerd tijdens het verhoor in dringend beroep dat de tolk op de dienst Vreemdelingenzaken slecht heeft vertaald (zie nota’s CGVS, p. 2). Dat de bestreden beslissing niet motiveert waarom deze omstandigheid niet in aanmerking kan genomen worden om deze tegenstrijdigheid te verklaren. Dat vanaf het moment dat de eiser signaleert dat er vertaalproblemen zijn geweest op de dienst Vreemdelingenzaken, dit in aanmerking moet genomen worden en er moet gemotiveerd worden waarom dit de vermeende tegenstrijdigheid vermag te relativeren. Dat er niet uit de bestreden beslissing blijkt dat er rekening is gehouden met de opmerkingen van de eiser op dit punt. Dat dit manifest gebrek aan motivering uitmaakt, in strijd met de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, de artikelen 1 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen en het artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen.
  11. Betreffende de arrestatie van april
  12. Overwegende dat de bestreden beslissingen stellen dat de eiser verklaarde voor de dienst Vreemdelingenzaken dat hij samen met een zevental andere M.-leden werd gearresteerd tijdens een bijeenkomst, terwijl hij in dringend beroep verklaarde dat hij toen als enige werd gearresteerd en dat de negen andere aanwezigen geen leden van M. waren. Dat de bestreden beslissing ook aanhaalt dat de eiser verklaarde op de dienst Vreemdelingenzaken dat er hem in het politiecommissariaat van de CIA meegedeeld werd dat hij smeergeld moest betalen, terwijl hij in dringend beroep verklaarde dat de agenten van de CIA met geen woord repten over smeergeld. Dat de eiser in april 1995 werd gearresteerd met andere M.-leden, maar dat deze niet bij hem in de cel terechtkwamen. Dat de bestreden beslissingen een verkeerde interpretatie van de verklaringen van de eiser hanteren, nu ze menen te mogen afleiden uit de verklaringen van de eiser dat hij zou gezegd hebben dat de andere aanwezigen op de vergadering geen M.-leden waren, maar in werkelijkheid blijkt uit het verhoorverslag van het commissariaat-generaal dat de eiser heeft verklaard dat de anderen die in zijn cel zaten geen M.-leden waren (zie verhoorverslag CGVS, p. 11). Dat er daarom van geen tegenstrijdigheid sprake is op dit punt. Dat de eiser altijd heeft verklaard dat de agenten van de CIA het nooit over smeergeld hebben gehad en dat deze vermeende tegenstrijdigheid aan een vertaalprobleem ligt, nu de eiser dit heeft gesignaleerd tijdens het verhoor in dringend beroep (zie verhoorverslag CGVS, p. 2). Dat er niet blijkt uit de bestreden beslissing dat er is rekening gehouden met de opmerkingen van de eiser over de vertaalproblemen op de dienst Vreemdelingenzaken om de vermeende tegenstrijdigheden te beoordelen. Dat de bestreden beslissingen daarom een kennelijk gebrek aan motivering vertonen, in strijd met de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980, de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 en het artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève van 28 juli
  13. Betreffende de arrestatie in oktober
  14. Overwegende dat de bestreden beslissing stelt dat de verklaringen van de eiser betreffende de arrestatie in oktober 1996 niet overeenkomen met die van zijn echtgenote, nu hij in dringend beroep verklaarde dat hij zijn echtgenote in het politiekantoor ontmoette toen deze naar de politie kwam om het smeergeld te overhandigen en dat hij nadien in het gezelschap van zijn echtgenote terug naar huis keerde. Dat de bestreden beslissing aanhaalt dat de eiseres verklaarde dat ze de eiser niet ontmoette in het politiekantoor en dat ze na de overhandiging van het smeergeld in het gezelschap van de tussenpersoon A. naar huis terugkeerde en de eiser pas later die dag, ‘s avonds thuis terugzag. Dat de eiser zijn echtgenote heeft gezien op het politiekantoor toen deze het smeergeld kwam betalen, maar dat hij zich in een andere vertrek bevond als zij, waardoor de eiseres de eiser niet heeft gezien. Dat de eiseres in het gezelschap van A. terug naar huis keerde en de eiser pas later die dag, thuis, terugzag. Dat de eisers door een brief van 16 januari 2003 (lees: 17 januari 2003) aan de commissaris-generaal heeft gemeld dat op dit punt misschien een onduidelijkheid kon rijzen in hun relaas, zodat de feiten duidelijk werden uitgeklaard (stuk 2). Dat de bestreden beslissing niet motiveert waarom er geen rekening kan worden gehouden met deze brief die duidelijk de feiten uiteenzet en het afleiden van een vermeende tegenstrijdigheid uitsluit. Dat de bestreden beslissing daarom een kennelijk gebrek aan motivering vertoont, in strijd met de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980, de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 en het artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève van 28 juli
  15. XIV-14.136-5/8
  16. Betreffende het niet-vermelden van bepaalde arrestaties op de dienst Vreemdelingenzaken. Overwegende dat de bestreden beslissing aanhaalt dat de eiser niet vermeldde op de dienst Vreemdelingenzaken dat hij in de periode 1998-1999 nog drie maal werd gearresteerd door de politie en dat hij toen verklaarde dat hij in de periode 1996-2002 geen noemenswaardige problemen heeft gekend. Dat de bestreden beslissing van oordeel is dat een dergelijke discrepantie de geloofwaardigheid van het asielrelaas van de eisers verder ondermijnt, gezien het belang van deze feiten voor het asielrelaas van de eisers. Dat de eiser heeft uitgelegd in dringend beroep dat hij drie arrestaties niet heeft vermeld omdat hij geen enkel materieel stuk had dat er enigszins betrekking op had en vreesde dat hij in verband met alle feiten een begin van bewijs moest aanbrengen. Dat in verband met de andere arrestatie de eiser bepaalde documenten heeft neergelegd, zoals: krantenartikels en dergelijke, zodat deze redenering steek houdt. Dat de bestreden beslissing zich tevreden stelt door te bepalen dat die uitleg van de eiser niet afdoende zou zijn, maar dt er niet wordt gemotiveerd waarom die uitleg niet afdoende zou zijn, wat een kennelijk gebrek aan motivering is, in strijd met de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980, de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 en het artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève van 28 juli
  17. Betreffende de lidkaart van M. Overwegende dat de bestreden beslissing stellen dat het merkwaardig is dat de eiser voor de dienst Vreemdelingenzaken verklaard zou hebben dat hij een lidkaart van de M. had, maar dat hij deze in XXX zou hebben achtergelaten, terwijl hij in dringend beroep verklaarde dat hij nooit een partijkaart van de M. heeft gehad, omdat deze partij er geen uitgeeft. Dat de eiser nooit heeft verklaard op de dienst Vreemdelingenzaken dat hij een partijkaart van de M. zou hebben en dat hij deze in P. zou hebben achtergelaten. Dat de eiser wel heeft verklaard voor de dienst Vreemdelingenzaken dat hij zijn identiteitskaart in XXX had achtergelaten. Dat de eiser heeft gesignaleerd voor de commissaris-generaal dat er vertaalproblemen zijn geweest op de dienst Vreemdelingenzaken, maar dat er eens te meer niet blijkt uit de bestreden beslissingen dat er rekening is gehouden met die opmerkingen van de eiser bij de beoordeling van de vermeende tegenstrijdigheden. Dat dit een kennelijk gebrek aan motivering inhoudt, in strijd met de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980, de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 en het artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève van 28 juli
  18. Betreffende het niet-voorleggen door de eiser van officiële stukken die wijzen op zijn problemen met de XXX overheden Overwegende dat de bestreden beslissing stelt dat het bevreemdend is te noemen dat de eiser geen enkel officieel stuk heeft neergelegd dat betrekking heeft op zijn problemen met de XXX overheden, terwijl hij verklaarde dat er al vele F.I.R.’s (First Information Reports) zijn opgesteld tegen hem en hij al andere stukken uit XXX heeft laten overkomen. Dat de bestreden beslissingen daarmee nalaten in aanmerking te nemen dat de eiser verschillende documenten heeft neergelegd die op zijn problemen wijze, zoals een attest van M. en vijf krantenartikels waarin de eiser met naam wordt genoemd en er wordt gemeld dat de politie hem arresteerde of binnenviel in zijn huis. Dat de bestreden beslissingen de ernstige aanwijzingen van de problemen van de eisers die vervat zijn in die documenten op kennelijke wijze niet in aanmerking neemt, zodat de bestreden beslissingen een kennelijk gebrek aan motivering vertonen, in strijd met de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980, de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 en het artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève van 28 juli 1951.”; 2.
  19. Overwegende dat artikel 62 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partijen de motieven van de bestreden beslissingen kennen doch betwisten dat de gegeven motieven de beslissingen kunnen dragen; dat zij met andere woorden de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren; dat het middel enkel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de XIV-14.136-6/8 Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de commissaris-generaal in de bestreden beslissingen diverse tegenstrijdigheden vaststelt tussen de verklaringen van de verzoekende partijen afgelegd op de dienst Vreemdelingenzaken en op het commissariaat-generaal; dat de verzoekende partijen de vastgestelde tegenstrijdigheden trachten te verduidelijken door zich, enerzijds, op algemene wijze te beroepen op de door hen in dringend beroep opgeworpen vertaalproblemen die zouden zijn gerezen tijdens het verhoor op de dienst Vreemdelingenzaken en, anderzijds, op het schrijven van 17 januari 2003 gericht naar de commissaris-generaal waarin zij hem er attent op pogen te maken dat hun verklaringen over de arrestatie van oktober 1996 onduidelijk zouden zijn geweest; dat beide verzoekende partijen hun verhoorverslag op de dienst Vreemdelingenzaken voor akkoord hebben ondertekend nadat het hun in het U. was voorgelezen; dat zij daardoor te kennen hebben gegeven dat de opgetekende verklaringen in overeenstemming waren met hun mondelinge verklaringen; dat voorts de datum van het schrijven van 17 januari 2003 weliswaar overeenkomt met die waarop beide verzoekende partijen door de commissaris-generaal werden verhoord, doch dat het kwestieuze schrijven werd opgesteld na hun respectieve verhoren; dat het redelijk is dat de commissaris-generaal geen rekening hield met verduidelijkingen die na de verhoren werden aangebracht; dat anders handelende verzoekende partijen de kans zou bieden om de door hen respectievelijk afgelegde verklaringen zelf te vergelijken; dat dergelijke verduidelijkingen geen objectief element kunnen zijn op basis waarvan de respectievelijke asielaanvragen kunnen worden beoordeeld; dat tenslotte de bestreden beslissingen duidelijk vermelden dat de door de verzoekende partijen neergelegde documenten niet van die aard zijn om de vastgestelde tegenstrijdigheden te wijzigen, zodat de argumenten van de verzoekende partijen daaromtrent niet kunnen worden bijgetreden; dat de verzoekende partijen derhalve niet aannemelijk maken dat de commissaris-generaal de bestreden beslissingen op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het enige middel ongegrond is;
  20. Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als XIV-14.136-7/8 accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  21. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  22. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig oktober tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-14.136-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.544 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.