id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.545 Rolnummer: A. 138145/XIV-15612 Zaak: Arrest 136545 - - 22/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-19 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 12:12 Fiche Arrest nr 136.545 van 22 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.545 van 22 oktober 2004 in de zaak A. 138.145/XIV-15.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat F. LANDUYT, kantoor houdende te 8730 BEERNEM, Bloemendalestraat 147 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- - DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van XXX nationaliteit, op 20 juni 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 19 mei 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 13 maart 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 8 juli 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 1 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 september 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-15612-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat C. VANDENBERGHE, die loco advocaat F. LANDUYT, in opvolging van advocaat A. BEAUCOURT, verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 25 februari 2003 en zich vluchteling verklaart op 26 februari 2003; dat op 13 maart 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 19 mei 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U, een XXX staatsburger van P. origine verklaart problemen te hebben gehad in XXX omwille van uw politieke activiteiten. Op 06/10/1381 (XXX tijdrekening; komt overeen met 27/12/2002 Europese tijdrekening) verliet u XXX. Op 25/02/2003 kwam u in België aan waar u de volgende dag asiel hebt aangevraagd. U bent in het bezit van een fax van uw boekje van burgerlijke stand. Volgens de verklaringen die u aflegde voor het commissariaat-generaal werd u tweemaal gearresteerd. De eerste arrestatie vond plaats in 1379
(2000)omwille van alcohol. U kreeg 80 zweepslagen en 12 uur later werd u vrijgelaten. Op 13/01/1380 (02/04/2001) vernam u dat K. op 10/02/1380 (30/04/2001) een bezoek zou brengen aan B., de stad waar u woonde. U schreef, samen met V., de enige persoon waarmee u contact had uit de partij waarvan u sympathisant was en waarvan u de naam niet kent, slogans op de muur. Jullie verdeelden eveneens pamfletten. De slogans waren tegen het regime en tegen K. Op 06/02/1380 (26/04/2001) werd u gearresteerd omdat u denkt dat men u gezien of verklikt had. Nadat men u zwaar gefolterd en ondervraagd had, werd u op 12/02/1381 (02/05/2001) (vrijgelaten met de hulp van A., een lid van de S. (korps van revolutiewachters) en na het ondertekenen van een schriftelijke verklaring dat u geen politieke activiteiten meer zou hebben. U bleef een hele tijd rustig tot een paar dagen voor 16/09/1381 (07/12/2002), de dag van de studenten, waarop demonstraties georganiseerd worden. U hervatte uw activiteiten en samen met V. begon u opnieuw met het schrijven van slogans. M. en R., twee van uw vrienden schreven samen ook slogans op de muur op een andere plaats. Twee dagen voor de studentendemonstratie werd M. echter gearresteerd. U was bang dat hij uw naam had doorgegeven en vertrok naar uw nonkel Y. U verbleef daar tot 06/10/1381 (27/12/2002) alvorens het land te verlaten. In die tijd hoorde u van uw nonkel die contact had met uw familie dat men in de buurt op zoek was naar u. De autoriteiten zijn niet bij u thuis geweest. B. Motivering Eerst en vooral dient te worden vastgesteld dat u verklaart sympathisant te zijn van een politieke partij waarvan u de naam niet kent. Tevens weet u niet wie de leider van de partij was. Bijgevolg dient te worden opgemerkt dat het weinig geloofwaardig is dat u activiteiten heeft voor een partij zonder te weten voor wie u zich precies inzet. Verder dient te worden vastgesteld dat er onvoldoende elementen aanwezig zijn die wijzen op een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Vooreerst waren uw activiteiten eerder beperkt. U maakt enkel gewag van het schrijven van slogans op de muur en het verdelen van pamfletten. Uit informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is XIV-15612-2/6 gevoegd blijkt dat de laatste acht jaar geen mensen meer zijn opgepakt voor het verdelen van pamfletten voor een aantal oppositiepartijen. Bovendien kunt u onvoldoende aannemelijk maken dat de XXX autoriteiten op de hoogte zijn van uw politieke activiteiten en dat u daardoor geviseerd wordt. U verklaart dat u in het jaar 1380
(2001)gearresteerd werd omwille van het schrijven van slogans op de muur. Na zes dagen werd u terug vrijgelaten na het ondertekenen van een schriftelijke verklaring en de hulp van een lid van de S. U hervatte uw activiteiten samen met V., M. die eveneens slogans op de muur schreef, samen met R. werd gearresteerd en u vluchtte. U vermoedt dat M. u verklikt heeft. Het vermoeden dat uw vriend u zou verklikt hebben na zijn arrestatie is onvoldoende als objectieve aanwijzing dat de autoriteiten op de hoogte zijn van uw activiteiten. Zonder te weten in welke hoedanigheid men u zoekt bent u XXX ontvlucht. Bijgevolg is uw vrees enkel gebaseerd op veronderstellingen en niet op de objectieve werkelijkheid. Dit bevestigt verder het kennelijk ongegronde karakter van uw vervolgingsvrees. Tenslotte dient te worden opgemerkt dat, wat betreft uw arrestatie, omwille van alcohol, daterend van 1379
(2000), niet uw concrete vluchtaanleiding betreft en onvoldoende actueel is om deel uit te maken van uw huidige vrees voor vervolging. Bovendien blijkt uit uw verklaringen dat u voor deze feiten uw straf heeft volbracht. De door u, in het kader van uw asielprocedure neergelegde documenten, wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. Uw fax van uw boekje van burgerlijke stand en de vertaling, de fax van uw diploma en de fax van uw militaire kaart, bevatten enkel persoonsgegevens waaraan niet wordt getwijfeld. Ook het medisch attest van een XXX arts verandert niets aan deze conclusie. Het stelt weliswaar dat u geopereerd bent maar vermeldt niets over de omstandigheden of oorzaak waardoor uw letsel werd opgelopen. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (koninklijk besluit van 19/05/1993; artikel 17, al. 2, par. 2).”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat luidt als volgt: “Het eerste middel is gesteund op de schending van het artikel 52 van de wet dd. 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Doordat, de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen in zijn ‘Bevestigende beslissing van weigering van verblijf enkel stelt dat hij de beslissing zoals geveld door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij hem het verblijf op het grondgebied werd geweigerd, bevestigt. Terwijl, de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen nalaat te verwijzen naar het toepasselijke wetsartikel dat hem de mogelijkheid biedt een bevestigende weigeringsbeslissing te nemen, vermits het artikel 52 van de wet dd 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen geen melding maakt van het feit dat de minister een bevestigende beslissing kan nemen. Er dient verwezen naar een Arrest van het Arbeidshof te Bergen van 17 oktober 1997 (J.L.M.B., 1998, 466). ‘Pour satisfaire aux exigences de la loi du 29 juillet 1991, la motivation d’un acte administratief doit faire référecne aux faits, mentionner les règles juridiques appliquées et dire en quoi ces règles conduisent à prendre la décision à partir des faits mentionnés. L’adequation des motifs, au sens de l’article 3 de la loi, s’entend du rapport de proportionnalité entre l’importance de la décision et sa motivation ...’ Vrije vertaling XIV-15612-3/6 ‘... Om te voldoen aan de vereisten van de wet van 29 juli 1991, moet de motivering van een bestuurshandeling verwijzen naar de feiten, de toegepaste juridische regels vermelden en zeggen in wat deze regels leiden tot het nemen van de beslissing verstrekkende van de vermelde feiten. Het afdoend zijn van de redenen, in de zin van artikel 3 van de wet, begrijpt zich als de proportionaliteitsverhouding tussen het belang van de beslissing en haar motivering ... (eigen onderlijning).”; 2.1.
- Overwegende dat de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) de commissaris-generaal de mogelijkheid bieden om een bevestigende beslissing te nemen inzake de onontvankelijkheid van een asielaanvraag, ondermeer op basis van de kennelijke ongegrondheid ervan; dat de commissaris-generaal bij zijn besluit, dat de asielaanvraag van de verzoekende partij kennelijk ongegrond is, kon volstaan met de verwijzing naar artikel 52 van de Vreemdelingenwet, gelet op het feit dat de artikelen 63 en 63/3 van de Vreemdelingenwet geen inhoudelijke beoordelingscriteria vooropstellen in het kader van een dringend beroep tegen de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat luidt als volgt: “Het tweede middel is gesteund op de schending van het proportionaliteitsbeginsel en een manifeste dwaling op het vlak van de appreciatie. Doordat, de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen heeft besloten dat de asielaanvraag van verzoekende partij kennelijk ongegrond is en dat verzoekende partij binnen de vijf dagen ingaand op de kennisgeving het grondgebied dient te verlaten. Terwijl, de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen een uitgebreid arsenaal aan mogelijkheden heeft voor wat de beoordeling van een asielaanvraag betreft. Arrest van de Raad van State nummer 30.218 van 2 juni 1988: ‘... dat de bevoegde overheid weliswaar op discretionaire wijze oordeelt over de door de plaatselijke aanleg en de ruimtelijke ordening gestelde eisen en over de verenigbaarheid van het haar voorgelegd bouwproject met die eisen, en de Raad van State dan ook niet bevoegd is om zijn beoordeling desaangaande in de plaats van de beoordeling van het bestuur te stellen; dat het de Raad van State nieetemin toekomt na te gaan of de overheid bij het uitoefenen van haar appreciatiebevoegdheid is uitgegaan van gegevens die in feite en in rechte juist zijn oen of zij op grond van die feiten in redelijkheid tot de genomen beslissing kon komen ...’ (eigen onderlijning). Arrest van de Raad van State nummer 75.806 van 17 september 1998: ‘... considérant qu’il n’appartient pas au Conseil d’Etat, au contentieux de l’excès de pouvoir, de substituer son appréciation de l’opportunité de prendre une décision à celle qu’ l’autorité a portée, sauf à censurer une erreur manifeste d’appréciation ...’ Vrije vertaling ‘... overwegende dat het niet toekomt aan de Raad van State, met betrekking tot het contentieux van de machtsoverschrijding, zijn beoordeling van de opportuniteit tot het nemen van een beslissing in de plaats te stellen van deze niet de overheid heeft genomen, behalve het veroordelen van een manifeste beoordelingsdwaling ...’ In casu had de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen niet de zeer drastische maatregel dienen te treffen die uiteindelijk resulteert in het feit dat verzoekende partij binnen de vijf dag(en) na kennisgeving van haar beslissing het grondgebied dient te verlaten. Hij had verzoekende partij eveneens de mogelijkheid van een ‘tweede interview’ kunnen aanbieden teneinde verzoekende partij te confronteren met het vermeende gebrek aan redenen om een asielaanvraag in te dienen. Uiteindelijk beschikte verzoekende partij inderdaad slechts over één uitgebreide kans - met name het interview dd 17 april 2003 voor het commissariaat-generaal - om zijn asielaanvraag mondeling toe te lichten.”; XIV-15612-4/6 2.2.
- Overwegende dat de commissaris-generaal omtrent de terugleiding van de verzoekende partij slechts een advies geeft over een feitelijke toestand dat de minister van Binnenlandse Zaken niet verplicht is op te volgen en dat dus niet bindend is; dat dit onderdeel van de bestreden beslissing niet vatbaar is voor nietigverklaring, omdat het niet onder de toepassing valt van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat het tweede middel in die mate niet ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij de mogelijkheid kreeg om haar asielrelaas uitgebreid uiteen te zetten in haar dringend beroepschrift; dat zij daarenboven effectief werd gehoord op het commissariaat-generaal in de aanwezigheid van haar raadsman; dat de commissaris-generaal niet kan worden verplicht om een tweede verhoor te organiseren; dat de verzoekende partij nalaat aan te duiden welke relevante elementen zij had kunnen voorbrengen om zijn besluit alsnog te wijzigen; dat de verzoekende partij derhalve niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding zijn ruime appreciatiebevoegdheid, heeft genomen; dat het tweede middel in die mate ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-15612-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig oktober tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-15612-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.545 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div