← België

Arrest 136546 - - 22/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.546 Rolnummer: A. 139800/XIV-16152 Zaak: Arrest 136546 - - 22/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-19 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 12:13 Fiche Arrest nr 136.546 van 22 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.546 van 22 oktober 2004 in de zaak A. 139.800/XIV-16.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat C. PENNINCK, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, J.P. Minckelersstraat 33 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- - DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van XXX nationaliteit, op 29 juli 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 1 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 11 april 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 26 augustus 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 1 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 september 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-16.152-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat C. VANDENBERGHE, die loco advocaat C. PENNINCK verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 26 maart 2003 en zich vluchteling verklaart op 7 april 2003; dat op 11 april 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 1 juli 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U verklaarde de XXX nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn van V. Tot 1999 zou u lid geweest zijn van U. (‘V.’), waardoor u de kans kreeg hogere studies te volgen en na uw studies in een onderzoekcentrum te werken. In het kader van uw onderzoekswerk zou u een studiebeurs bekomen hebben waardoor u de mogelijkheid had om van september 2000 tot september 2002 een Masteropleiding M. te volgen in België. Na uw opleiding zou u in november 2002 teruggegaan zijn naar C. en uw werk in het onderzoekscentrum hebben verdergezet tot enkele dagen voor uw vertrek uit C. Op het werk zou u problemen gehad hebben omdat u om een internetaansluiting gevraagd zou hebben. U zou eveneens problemen gehad hebben op het werk omwille van uw broer, die eind 2002 getracht had om illegaal C. te verlaten. Na uw terugkeer naar C. in november 2002 zou u regelmatig betrokken geweest zijn bij vergaderingen en activiteiten die opgezet werden door een groep intellectuelen, die kritisch staan ten opzichte van het huidige bewind in C.. Op 18 maart 2003 zou er een arrestatiegolf plaats gevonden hebben in C. waarbij een groot aantal vooraanstaande dissidenten opgepakt werden. U zou intussentijd uw reis al voorbereid hebben en op 21 maart 2003 naar Ecuador vertrokken zijn. Vanuit Ecuador zou u naar uw ouders in C. gebeld hebben die u zouden gezegd hebben dat uw computer in beslag genomen werd. Op 26 maart 2003 zou u vanuit de Ecuadoraanse stad Guayaquil naar Brussel gereisd zijn, waar u de volgende dag zou aangekomen zijn. Op 7 april 2003 vroeg u hier asiel aan. Ter staving van uw asielrelaas legde u uw paspoort en enkele artikels over de actuele situatie in C. voor. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat u onvoldoende elementen aanhaalt waaruit blijkt dat u een gegronde vrees voor vervolging zou dienen te koesteren in uw land van herkomst. U verklaarde uitdrukkelijk nooit enig probleem gekend te hebben met de C. autoriteiten (zie gehoorverslag dringend beroep, p 13). Integendeel, u was tot 1999 lid van de U. en u kreeg van de regering de kans om in het buitenland te studeren, wat er bezwaarlijk op wijst dat u door de C. autoriteiten geviseerd zou worden. Evenzo werkte u tot enkele dagen voor uw vertrek probleemloos in het gouvernementele onderzoeksinstituut I. U verklaarde weliswaar dt u zich na uw terugkeer naar C. in november 2002 zou ingelaten hebben met dissidente activiteiten, maar uit uw verklaringen blijkt niet dat u omwille van deze activiteiten problemen kende met de C. autoriteiten. U kan bijgevolg niet aannemelijk maken waarom uw computer, na uw vertrek uit C., in beslag genomen werd door de C. autoriteiten. U vermoedt weliswaar dat iemand van de dissidenten die op 18 maart 2003 gearresteerd werden, uw naam vermeldde, maar u heeft er geen idee van wie dit precies kan geweest zijn (zie gehoorverslag dringend beroep, p 8). U verklaarde immers dat u geen weet heeft van enige arrestaties onder de groep dissidenten waarmee u bijeenkwam (zie gehoorverslag dringend beroep, p 12), XIV-16.152-2/6 waardoor u niet aannemelijk kan maken wie uw naam zou doorgegeven hebben aan de C. autoriteiten. het is in dit verband overigens maar zeer de vraag waarom u, die steeds goede banden heeft gehad met het C. regime en recentelijk nog een reispaspoort verkreeg, wél zou worden vervolgd. Verder blijkt uit uw verklaringen dat noch u, noch de groep waarmee u bijeenkwam, zeer actief waren in het dissidente milieu in C. Uw activiteiten waren zeer kleinschalig en u beschouwt zichzelf als ‘niet erg actief’ (zie gehoorverslag dringend beroep, p. 8). Hierdoor kan bezwaarlijk aangenomen worden dat u, omwille van uw beweerde dissidente activiteiten, door de C. autoriteiten geviseerd zou worden in de zin van de Vluchtelingenconventie. Voorts zijn uw verklaringen hieromtrent vaag daar u niet precies weet door welke afdeling van de staatsveiligheid uw computer in beslag genomen werd. Bijgevolg komt de geloofwaardigheid van uw verklaringen hieromtrent in het gedrang (zie gehoorverslag dringend beroep, p 7). Ook het feit dat u C. kon verlaten met uw eigen paspoort en via de geijkte migratieprocedures, wijst er allerminst op dat de C. autoriteiten er daadwerkelijk op uit zouden zijn om u te vervolgen. Bovendien is het bevreemdend dat u dit paspoort al in februari 2003 aanvroeg en op 25 februari 2003 een visum voor Ecuador verkreeg, terwijl u op dat moment nog geen enkel probleem kende met de C. autoriteiten. De documenten die u voorlegt, tot slot, zijn niet van die aard dat ze bovenstaande appreciatie kunnen wijzigen. U bevestigt weliswaar uw afkomst en identiteit door uw paspoort voor te leggen, maar legt geen documenten voor ter staving van de door u voorgehouden problemen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren.”; 2.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Middelen tot nietigverklaring Eerste middel: Schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, meer bepaald van de zorgvuldigheidsnorm. Aangezien het beginsel van behoorlijk bestuur, uitgewerkt in de formele zorgvuldigheidsnorm, inhoudt dat de overheid, en dus de verwerende partij, moet oog hebben voor het zorgvuldig verzamelen van gegevens, het zorgvuldig gebruik van adviezen en het horen of plegen van overleg met betrokkenen. Aangezien immers de desbetreffende overheid volledig moet ingelicht zijn voor alle belangrijke elementen die een beslissing kunnen beïnvloeden. Aangezien de verwerende partij heeft gemeend dat verzoeker onvoldoende elementen aanhaalt waaruit blijkt dat hij een gegronde vrees voor vervolging dient te koesteren in zijn land van herkomst. Aangezien verzoeker evenwel van oordeel is dat de verwerende partij de door verzoeker afgelegde verklaringen verkeerd heeft geïnterpreteerd en er de verkeerde gevolgen aan heeft toegekend. Aangezien de verwerende partij stelt dat verzoeker zou verklaard hebben nooit een probleem gekend te hebben met de C. autoriteiten en daarvoor verwijst naar pagina 13 van het gehoorverslag dringend beroep. Aangezien op pagina 13 van het gehoorverslag dringend beroep te lezen is: ‘Heeft u problemen gehad met autoriteiten ? Neen. Problemen op werk had ik wel. Omdat ik nieuwe ideeën had opgedaan in België problemen omwille van (onleesbaar). Ze zagen me als politiek verkeerd’. Aangezien verzoeker dus niet ongenuanceerd ‘neen’ heeft geantwoord en duidelijk heeft verwezen naar de problemen die hij kende; dat verzoeker op diverse andere plaatsen in het gehoorverslag heeft verwezen naar zijn concrete problemen. Aangezien de verwerende partij ook overwogen heeft dat verzoeker tot een paar dagen voor zijn vertrek probleemloos in de gouvernementele onderzoeksinstelling I. zou hebben gewerkt. XIV-16.152-3/6 Aangezien moet opgemerkt worden dat verzoeker eerder reeds naar een andere, minder veelbelovende dienst en functie was gedegradeerd, dat verzoeker zijn werk wilde verderzetten en zoveel als mogelijk geen uiting gaf aan zijn ideeën en kritieken; dat dit het hem mogelijk maakte om inderdaad tot kort voor zijn vertrek te blijven werken. Aangezien de verwerende partij voorts overwogen heeft dat verzoeke niet kan aannemelijk maken waarom zijn computer in beslag genomen werd en dat verzoeker weliswaar vermoedde dat het iemand was van de dissidenten die zijn opgepakt op 18 maart 2003, terwijl hij niet weet wie dit precies zou geweest zijn. Aangezien verzoeker inderdaad ook niet weet wie mogelijks zijn naam zou hebben doorgegeven; dat verzoeker vermoedt dat hij tot 18 maart 2003 niet echt gezocht werd of verdacht werd van dissidente activiteiten, terwijl nochtans uit de inbeslagname van de computer na de arrestatiegolf moet blijken dat het een en ander in oorzakelijk verband staat met elkaar. Aangezien het toch niet onoverkomelijk is dat verzoeker niet weet wie precies zijn naam zou hebben vernoemd; dat tot op heden niemand aan verzoeker heeft gezegd dat hij hem zou verklikt hebben en dat dit wellicht ook niet zal gebeuren. Aangezien de verwerende partij ook overwogen heeft dat verzoeker geen weet zou gehad hebben van arrestaties onder groep dissidenten waarmee hij samenkwam en daarvoor verwijst naar pagina 12 van het gehoorverslag in dringend beroep. Aangezien de verwerende partij dan toch over het hoofd heeft gezien dat op pagina 7 van het gehoorverslag het volgende te lezen is: ‘Werden er ook mensen gearresteerd met wie u te maken had ? XXX werd gearresteerd. Haar advocaat is mijn vriendin’. Aangezien verzoeker er dus wel degelijk melding van heeft gemaakt dat ook binnen zijn kennissen- en gedachtenkring arrestaties zijn gebeurd. Aangezien de verwerende partij ook heeft overwogen dat het raar is dat verzoeker zou worden vervolgd nu blijkt dat hij een reispaspoort kreeg en steeds goede banden heeft gehad met het C. regime. Aangezien ‘de goede banden met het C. regime’ moeten genuanceerd worden op een wijze waar de verwerende partij toch kennis zou moeten van hebben; dat immers iedereen geacht wordt goede banden te onderhouden met het C. regime indien hij ergens wil geraken in het leven, reden ook waarom velen van jongsaf aan lid zijn van de communistische partij (bij gebrek kan men immers veelal niet eens naar de universiteit). Aangezien ook het feit dat verzoeker een reispas heeft verkregen, moet genuanceerd worden dat verzoeker een reispas had aangevraagd voor Ecuador om daar zogezegd een studiebezoek af te leggen op verzoek van de universiteit van Guyaquil. Aangezien verzoeker nooit om een andere reden een reispas zou hebben gekregen, gelet op het feit dat hij reeds geruime tijd in het buitenland had doorgebracht en dus reeds onderhevig was geweest aan andere, dissidente ideeën. Aangezien de verwerende partij ook motiveert dat verzoeker of zijn groep niet zeer actief waren en eerder kleinschalig optraden. Aangezien verzoeker inderdaad van mening is dat wat hij of de beweging waartoe hij behoorde niet echt belangrijk waren; dat evenwel in C. zelfs dergelijke kleinschalige activiteiten voldoende zijn om gevaarlijk te zijn en om geviseerd te worden door de autoriteiten. Aangezien verzoeker ook uitdrukkelijk heeft vermeld dat zijn groep voornamelijk bestond uit intellectuelen, die voornamelijk door meetings en kritische artikels trachten te sensibiliseren; dat verzoeker er uitdrukkelijk heeft bij gezegd dat de oppositie zeer vele gedaanten kent. Aangezien verzoeker, gelet op bovenstaande, van mening is dat de verwerende partij de door verzoeker verschafte informatie op een verkeerde wijze heeft geïnterpreteerd; dat de verwerende partij toch zou moeten weten dat in C. zaken als uitermate verboden voorkomen die in België als normaal kunnen beschouwd worden, zoals vrijheid van politieke ideeën. Aangezien verzoeker ook heeft aangetoond dat de verwerende partij een aantal verkeerde citaten uit het gehoorverslag heeft gebruikt. Aangezien de verwerende partij duidelijk niet de nodige inspanningen heeft gedaan om de specifieke toestand van verzoeker te analyseren, gelet op de specifieke toestand in zijn land van herkomst. Aangezien nochtans van de verwerende partij mag worden verwacht dat op zorgvuldige wijze gegevens zouden worden verzameld en geïnterpreteerd, quod non. Aangezien de verwerende partij haar zorgvuldigheidsplicht heeft geschonden en haar beslissing om die reden moet worden nietig verklaard.”; 2.
  4. Overwegende dat het zorgvuldigheidsbeginsel enkel betekent dat de commissaris-generaal zijn beslissing moet steunen op een correcte feitenvinding; dat de XIV-16.152-4/6 vaststelling in de bestreden beslissing dat de C. autoriteiten geen reisdocumenten zouden hebben afgeleverd, zelfs niet met het oog op een studiebezoek in Ecuador, aan iemand die zij werkelijk als een dissident zouden beschouwen, niet onredelijk is; dat immers de verzoekende partij uitdrukkelijk “neen” had geantwoord op de vraag of zij problemen had gekend met de C. autoriteiten (verhoorverslag comm. gen., p.13) en zij niet betwist dat zij tot 1999 lid was van de U. of dat zij van de regering eerder al de kans kreeg om in het buitenland te studeren; dat anderzijds het verzoekschrift zelf relevante vaststellingen van de commissaris-generaal overneemt, namelijk dat de verzoekende partij “niet weet waarom” haar computer in beslag was genomen, dat zij “niet weet wie” haar mogelijks zou hebben verklikt en dat de beweging waartoe zij hoorde en de activiteiten waaraan zij had deelgenomen “niet echt belangrijk waren”; dat de door de verzoekende partij in het licht hiervan aangebrachte nuances enkel steunen op vermoedens en niet van aard zijn om op concrete wijze aan te tonen dat de bestreden beslissing op verkeerde gegevens zou zijn gesteund; dat de verzoekende partij derhalve niet aannemelijk maakt dat de zorgvuldigheidsplicht werd geschonden met deze beslissing; dat het enige middel ongegrond is;
  5. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  6. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-16.152-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig oktober tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-16.152-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.546 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.