id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.564 Rolnummer: A. 141322/XIV-16664 Zaak: Arrest 136564 - - 22/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-29 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-04 12:14 Fiche Arrest nr 136.564 van 22 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.564 van 22 oktober 2004 in de zaak A. 141.322/XIV-16.664. In zake : XXX, wonende te D., B.straat 1/A 7 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 18 juni 1970 en van XXX nationaliteit, op 5 september 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 5 augustus 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 25 februari 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 11 augustus 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 18 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-16.664-1/8 Gelet op de beschikking van 8 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 8 september 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. HERMANS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct-adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-Afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 1 of 2 februari 2003 en verklaart zich vluchteling op 3 februari 2003. 1.2. Op 25 februari 2003 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 5 augustus 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) A. Vluchtrelaas U verklaarde dat u een XXX staatsburger bent van E. origine en dat u afkomstig bent uit N. in het I. gebergte (B. provincie). U was niet politiek actief in XXX, maar u vertegenwoor- digde wel uw dorp in 'E.', een organisatie die ijvert voor de economische ontwikkeling van uw regio. U organiseerde vergaderingen in uw dorp en stond in contact met S., W. en O., drie christenen van 'E.'. Toen uw vader ziek werd, vroeg u hulp aan de 'D.' (hulpkas) in E. maar dit werd u geweigerd omdat er geen hulp voorzien was voor de ziekte van uw vader. Uw vriend Sel hielp u echter en u kon uw vader naar de dokter brengen in het dorp E. Toen u terug thuiskwam, was er een brief van het ministerie van defensie met een oproeping voor uw militaire dienst. Op 02 maart 2003 bood u zich aan op het bureau in E. U wilde een vrijstelling bekomen wegens de ziekte van uw vader, maar er werd niet naar u geluisterd en u werd weggevoerd naar het kamp voor een militaire training gedurende zes maanden. Na de militaire training vernam u dat uw vader was overleden. U bezocht uw vrienden van 'E.' één keer in de katholieke 'M.' kerk in D. Op de volgende dorpsvergadering vertelde u over de weigering door 'D.' en de hulp van uw vriend Sel. De volgende dag vielen er zes mannen van de veiligheids- dienst bij u thuis binnen en werd u meegenomen naar hun bureau in E. Dezelfde dag nog werd u ondervraagd en beschuldigd van kritiek op de 'D.' en een bezoek aan de katholieke kerk. Na twee weken kwam u vrij en werd u (bij herhaling) bedreigd dat u (...) zou worden gedood. Drie dagen later werd u ’s avonds opnieuw opgepakt door de veiligheidsdienst en meegenomen naar XIV-16.664-2/8 een gevangenis in A. De volgende dag werd u in de namiddag naar een militair kamp in K. overgebracht. Daar werd u een document overhandigd en kreeg u te horen dat u naar het Zuiden zou worden gestuurd om te gaan vechten in de burgeroorlog. Toen u vóór uw vertrek de kans kreeg om op de markt van K. rond te lopen, bent u weggevlucht omdat u niet wou gaan vechten in het Zuiden. U verschool zich gedurende 45 dagen bij uw vriend Osnin. Uiteindelijk heeft u XXX verlaten op 01 januari 2003. Volgens uw verklaringen kwam u op 02 februari 2003 in België aan, waar u de volgende dag asiel heeft aangevraagd bij de Belgische autoriteiten. B. Motivering Vooreerst dient te worden opgemerkt dat er ernstige tegenstrijdigheden bestaan tussen uw opeenvolgende verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en voor het Commissariaat-generaal (CGVS). Hierdoor wordt de geloofwaardigheid van uw asielrelaas ernstig ondermijnd. Zo legt u tegenstrijdige verklaringen af over het ogenblik van uw eerste arrestatie. Voor het Commissariaat-generaal verklaart u dat de dorpsvergadering in de namiddag plaatshad en dat u de volgende dag, ’s morgens, bent opgepakt door de veiligheidsdienst (zie gehoorverslag CGVS p. 7). Voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u daarentegen dat u dezelfde avond van de dorpsvergadering bent opgepakt door de veiligheidsdienst (zie gehoorverslag DVZ vraag 42 p. 13). Geconfronteerd met deze tegenstrijdigheid, bleef u bij uw verklaring dat u pas de dag na de dorpsvergadering bent opgepakt en argumenteerde u dat u nooit anders had verklaard. Deze uitleg is echter niet afdoende om uw geloofwaardigheid te herstellen, omdat blijkt dat u de door u op de Dienst Vreemdelingenzaken afgelegde verklaringen voor akkoord ondertekend hebt en omdat u geen enkel element aanbrengt waaruit blijkt dat de door u op de Dienst Vreemdelingenzaken afgelegde verklaringen in het verslag verkeerd weergegeven zijn. Verder legt u tegenstrijdige verklaringen af over het tijdstip van uw ondervraging. Voor het Commissariaat-generaal stelt u dat u slecht(
- s)éénmaal bent ondervraagd tijdens uw detentie en dat dit op de dag van uw arrestatie was (zie gehoorverslag CGVS p. 8). Voor de Dienst Vreemdelingenzaken zei u echter dat u pas op de dag van uw vrijlating bent ondervraagd, met name twee weken na uw arrestatie (zie gehoorverslag DVZ vraag 42 p. 13). Aangaande uw vrijlating dient te worden opgemerkt dat u voor het Commissari- aat-generaal verklaart dat u te horen kreeg dat u zou worden gedood indien u opnieuw kritiek zou uiten of een katholieke kerk zou bezoeken (zie gehoorverslag CGVS p. 8). Voor de Dienst Vreemdelin-genzaken maakt u daarentegen nergens enige melding van deze doodsbedreiging- en, hetgeen weinig aannemelijk is gezien de ernst van deze feiten. Verder legt u tegenstrijdige verklaringen af over de katholieke kerk die u zou hebben bezocht. Zo vertelt u voor het Commissariaat-generaal dat u éénmaal de katholieke 'M.'- kerk in D. hebt bezocht (zie gehoorverslag CGVS p. 8 & 9), terwijl u voor de Dienst Vreemdeling- enzaken niet in staat was de naam van de kerk te verduidelijken (zie gehoorverslag DVZ vraag 42 p. 13). Ook aangaande uw tweede arrestatie legt u tegenstrijdige verklaringen af. Zo stelt u voor het Commissariaat-generaal dat u ’s avonds bent meegenomen naar E., dat u daar de nacht heeft doorgebracht en dat u de volgende dag om drie à vier uur in de namiddag bent overgebracht naar K. (zie gehoorverslag CGVS p. 9). Voor de Dienst Vreemdelingenzaken beweerde u daarentegen dat u reeds enkele uren later bent overgebracht van E. naar K. (zie gehoorverslag DVZ vraag 42 p. 13). Daarnaast lopen uw verklaringen uiteen aangaande de reden waarom u geen hulp kreeg van de 'D.'. Zo verklaart u voor het Commissariaat-generaal dat u geen hulp kreeg van de 'D. ' omdat er geen hulp voorzien was voor de ziekte waaraan u(
- w)vader leed (zie gehoorverslag CGVS p. 7). Voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u evenwel dat u geen hulp kreeg van de 'D.' omdat mensen uit uw dorp steeds geweigerd werden (zie gehoorverslag DVZ vraag 42 p. 13). Verder legt u tegenstrijdige verklaringen af over uw contactpersonen binnen 'E.'. Zo stelde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u nauwe banden onderhield met de twee verantwoordelijken van de organisatie, S. en W. (zie gehoorverslag DVZ vraag 42 p. 13). Voor het Commissariaat-generaal verklaart u eerst hetzelfde (zie gehoorverslag CGVS p. 4), maar verder in het interview beweert u plots dat W. en O. twee verschillende personen zijn en verklaart u dat u drie contactpersonen had binnen 'E.', zijnde S., W. en O. (zie gehoorverslag CGVS p. 5 & 7). In dit kader dient te worden opgemerkt dat u eveneens tegenstrijdige verklaringen aflegt over uw schuilplaats na uw ontsnapping uit het militaire kamp. Zo zegt u voor het Commissariaat-generaal dat u bij O. verbleef (zie gehoorverslag CGVS p. 5), terwijl u voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat u bij W. verbleef (zie gehoorverslag DVZ vraag 42 p. 14). Bovendien legt u tegenstrijdige verklaringen af over de duur dat (tijdens dewelke) u zich bij uw vriend verscholen hield. Voor het Commissariaat-generaal verklaart u dat u ongeveer 45 dagen bij O. bent verbleven (gebleven), namelijk van 17 oktober 2002 tot eind december 2002 (zie gehoorverslag CGVS p. 5), terwijl u voor de Dienst Vreemdelingenzaken beweerde XIV-16.664-3/8 dat u slechts drie à vier weken (en dus maximum 28 dagen) bij W. ondergedoken bent (zie gehoorverslag DVZ vraag 42 p. 14). Gezien bovenstaande tegenstrijdigheden kan geen geloof meer worden gehecht aan de door u ingeroepen vluchtmotieven. Tenslotte zijn de door u neergelegde documenten (nationaliteitsbewijs, oproeping militaire dienst en mobilisatie-bevel) niet van die aard dat ze bovenstaande appreciatie van uw dossier kunnen wijzigen. De oproeping voor uw militaire dienst en het bevel om in het Zuiden te gaan vechten zijn slechts kopies waaraan geen bewijswaarde kan worden toegekend, gezien het bedrieglijk karakter van uw asielaanvraag. Bovendien bevat het mobilisatie-bevel een ernstige ongerijmdheid. Zo is het document ondertekend op datum van 14 december 2002, terwijl u zich volgens het document reeds op 15 oktober 2002 dient aan te bieden. Uw nationaliteitsbewijs betreft enkel identiteits- en biogegevens, waar hier niet wordt aan getwijfeld. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. 2. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van de rechten van de verdediging; dat verzoeker in een eerste onderdeel opmerkt dat de Commissaris-generaal niet is ingegaan op zijn vraag om te worden gehoord in zijn moedertaal; dat hij betoogt dat het J. en het XXX gesproken A. niet identiek zijn, dat de kans bestaat dat de tolk hem niet goed heeft begrepen en zijn verklaringen daarom niet volledig getrouw heeft weergegeven; dat verzoeker in een tweede onderdeel aanvoert dat van een kandidaat- vluchteling niet kan worden verwacht dat hij schriftelijke bewijzen voor de door hem ingeroepen feiten kan voorleggen, dat hij wel enkele officiële documenten betreffende zijn identiteit heeft voorgelegd maar dat de bewijslast moet worden verdeeld over de kandidaat- vluchteling en de overheid; dat hij aanvoert dat de overheid kennis heeft van algemene objectieve Ambtsberichten over de situatie in XXX, dat daaruit blijkt dat de streek waaruit hij afkomstig is, de provincie van de B., te wensen overlaat qua veiligheid, dat er een burgeroor- log woedt en dat een oorlogsfront precies te vinden is in deze provincie van de B.; dat hij betoogt dat de Proceduregids van het Hoog Commissariaat voor Vluchtelingen van de Verenigde Naties stelt dat de twijfel in het voordeel van de kandidaat-vluchteling moet spelen wanneer het vluchtrelaas geloofwaardig is; dat hij aanvoert dat weigeringsbeslissingen van het Commissariaat-generaal voornamelijk op tegenstrijdigheden steunen tussen de verklaringen van de kandidaat-vluchteling en in het nadeel zijn van de kandidaat-vluchteling, terwijl de twijfel in zijn voordeel zou moeten spelen, dat hij een samenhangend en niet tegenstrijdig verhaal heeft verteld, gesteund op objectieve en controleerbare gegevens; dat verzoeker toelicht dat hij geen gebruik heeft gemaakt van de procedure voorzien in de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur omdat deze procedure in casu weinig werkbaar is; dat verzoeker in een derde onderdeel aanvoert dat zijn leven wordt bedreigd in zijn streek van herkomst, dat de autoriteiten niet in staat waren om voldoende bescherming te bieden, en dat de Sharia van toepassing is in XXX; dat verzoeker in een vierde onderdeel uiteenzet dat de vermelding in de bestreden beslissing, namelijk dat de beroepen bij de Raad van State niet opschortend zijn, een schending inhoudt van artikel 13 van het Europees Verdrag voor de XIV-16.664-4/8 Bescherming van de Rechten van de Mens (E.V.R.M.); dat in een vijfde onderdeel de redenering wordt aangevochten dat een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, in uitvoering van een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf, definitief zou zijn, terwijl deze beslissing nog kan worden vernietigd door de Raad van State, omdat dit elk nut ontneemt aan het verzoek tot nietigverklaring bij de Raad van State; dat verzoeker in een zesde onderdeel uiteenzet dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), vijf gronden van vervolging vermeldt, dat verzoeker behoort tot een etnische minderheid en politiek bedrijft in de oppositie en dus aan bepaalde van deze gronden voldoet; 2.1. Overwegende dat, wat het eerste onderdeel betreft, de procedure voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een administratieve procedure en geen jurisdictionele procedure is en dat de rechten van verdediging niet onverminderd van toepassing zijn; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoeker bij het begin van de asielprocedure heeft verzocht om de bijstand van een tolk die de A. taal machtig is, zonder verdere aanduiding van een etnische groep; dat verzoeker zowel bij de Dienst Vreemdelingenzaken als bij het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werd bijgestaan door een A. tolk, zodat verzoeker werd gehoord in zijn moedertaal; dat verzoeker tijdens de twee interviews geen opmerkingen heeft geformuleerd betreffende de tolk of de vertaling; dat hij voor het Commissariaat-generaal heeft verklaard dat hij alle vragen heeft begrepen; dat verzoeker in het middel niet aanduidt welke van zijn verklaringen foutief zouden zijn vertaald; dat het eerste onderdeel van het enig middel ongegrond is; 2.2. Overwegende dat, wat het tweede onderdeel betreft, nopens de bewijslast, de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische Wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag kan onontvankelijk verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op valse of vervalste documenten; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld indien tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat de Commissaris-generaal in casu heeft beslist tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag van verzoeker omdat er ernstige tegenstrijdigheden bestaan tussen de opeenvolgende verklaringen XIV-16.664-5/8 van verzoeker voor de Dienst Vreemdelingenzaken en voor het Commissariaat-generaal, met name met betrekking tot het ogenblik van verzoekers eerste arrestatie, het tijdstip van zijn ondervraging, zijn vrijlating, de katholieke kerk die hij zou hebben bezocht, zijn tweede arrestatie, de reden waarom hij geen hulp kreeg van de “D.”, over zijn contactpersonen binnen “E.” en over zijn schuilplaats na zijn ontsnapping uit het militaire kamp; dat verzoeker deze acht tegenstrijdigheden niet weerlegt; dat de Commissaris-generaal op goede gronden heeft beslist tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielrelaas en dat dit volstaat om de asielaanvraag onontvankelijk te verklaren; dat de bestreden beslissing niet aan verzoeker ten grieve duidt dat hij geen schriftelijk bewijs zou hebben voorgelegd; dat de argumentatie van verzoeker in verband met de al dan niet ingevulde vragenlijst feitelijke grondslag mist, vermits uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker geen vragenlijst heeft ingevuld; Overwegende dat de asielprocedure uit twee fasen bestaat: de ontvankelijkheidsfase en de gegrondheidsfase; dat in eerstgenoemde fase de bewijslast in grote mate bij de asielzoeker ligt, omdat zij in essentie bestaat uit het asielrelaas van de asielaanvra- ger dat waarschijnlijk, samenhangend en consistent moet zijn, wat inhoudt dat de tegenstrijdig- heden verwaarloosbaar moeten zijn; dat in casu het asielrelaas van verzoeker hieraan niet beantwoordt, vermits niet minder dan acht flagrante tegenstrijdigheden in zijn relaas worden vastgesteld; dat de grief van verzoeker in verband met het feit dat de verwerende partij geen rekening hield met de “algemene objectieve ambtsberichten over de situatie in XXX”, geen afbreuk doet aan het bestaan van voornoemde tegenstrijdigheden, die de geloofwaardigheid van het asielrelaas van verzoeker vitiëren; Overwegende dat verzoeker geen gebruik wenste te maken van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur; dat hij echter tijdens de asielprocedure over de mogelijkheid beschikt om de informatie die deel uitmaakt van zijn dossier, op het Commissariaat-generaal te raadplegen en de inhoud ervan te verifiëren; dat uit de gegevens van het administratief dossier niet blijkt dat hij van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt; dat tenslotte het administratief dossier op de griffie van de Raad van State ter inzage wordt gelegd; dat verzoeker bijgevolg ook over deze mogelijkheid beschikt om zijn dossier te raadplegen en dat hij blijkbaar hiervan evenmin gebruikt heeft gemaakt; dat het tweede onderdeel van het enig middel ongegrond is; 2.3. Overwegende dat, wat het derde onderdeel betreft, verzoeker aanvoert dat de autoriteiten van zijn land hem geen afdoende bescherming hebben kunnen bieden; dat hij desbetreffend summier verwijst naar de algemene XXX toestand in 2001 en 2002; Overwegende dat dit onderdeel van het enig middel niet tot de annulatie van de bestreden beslissing kan leiden, omdat het geen afbreuk doet aan voornoemde acht flagrante tegenstrijdigheden in het asielrelaas van verzoeker; dat het derde onderdeel ongegrond is; XIV-16.664-6/8 2.4. Overwegende dat, wat het vierde onderdeel betreft, verzoeker de schending aanvoert van artikel 13 van het E.V.R.M., omdat de beroepen bij de Raad van State geen schorsend effect zouden hebben; Overwegende dat uit de stukken waarop de Raad van State vermag acht te slaan blijkt dat verzoeker zich nog steeds op Belgisch grondgebied bevindt, dat hij zich liet vertegenwoordigen door een Advocaat van zijn keuze, zodat het schorsings- en het annulatieberoep bij de Raad van State een effectief en daadwerkelijk rechtsmiddel uitmaken, waarvan verzoeker trouwens gebruik heeft gemaakt; dat het vierde onderdeel van het enig middel ongegrond is; 2.5. Overwegende dat , wat het vijfde onderdeel van het enig middel betreft, wordt verwezen naar bladzijde 7 van het verzoekschrift tot nietigverklaring en schorsing; Overwegende dat wat dit onderdeel betreft, de Raad van State ambtshalve de exceptio obscuri libelli opwerpt, wat leidt tot de onontvankelijkheid van het vijfde onderdeel van het enig middel; 2.6. Overwegende dat wat het zesde onderdeel betreft, verzoeker in essentie aanvoert dat hij een beroep kan doen op “art. 1 (van) het Verdrag van Genève”, omdat hij tot een etnische minderheid behoort en omdat “politiek bedrijven(
- d)in de oppositie (...) ongetwijfeld tot moeilijkheden (leidt)”; dat verzoeker vervolgens verwijst naar zijn “etnische afkomst, godsdienst en gebied van herkomst”; dat dit onderdeel vaag en algemeen is en niet wordt betrokken op de persoonlijke situatie van verzoeker, zodat het zesde onderdeel van het enig middel onontvankelijk is; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. XIV-16.664-7/8 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig oktober tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-16.664-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.564 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div