← België

Arrest 136579 - - 25/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.579 Rolnummer: A. 144397/IX-3988 Zaak: Arrest 136579 - - 25/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-18 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-07-04 12:19 Fiche Arrest nr 136.579 van 25 oktober 2004 - Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.579 van 25 oktober 2004 in de zaak A. 144.397/IX-

  1. In zake : de nv Voeders VANDROEMME, die woonplaats kiest bij advocaat J. VERDONCK, kantoor houdende te SINT-MICHIELS-BRUGGE, Koning Albert I-laan 131 tegen :
  2. het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen,
  3. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. Voeders VANDROEMME op 17 december 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de minister van Volksgezondheid waarbij de erkenning van verzoekster als fabrikant van mengvoeders nr. aB2230 wordt opgeschort van 1 tot 31 december 2003; Gelet op het arrest nr. 125.888 van 1 december 2003 waarbij de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt bevolen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. HAESBROUCK; IX-3988-1/14 Gelet op de beschikking van 7 juni 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 8 september 2004 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 4 oktober 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. LOUF, die loco advocaat J. VERDONCK verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat Y. VASTERSAVENDTS, die loco advocaat A. VASTERSAVENDTS verschijnt voor de verwerende partijen; Gehoord het advies van eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de gegevens van de zaak uiteengezet zijn in het arrest nr. 125.888 van 1 december 2003; 2.
  5. Overwegende dat verzoekster in het eerste middel de schending aanvoert van “het redelijkheidsbeginsel en de motiveringsplicht doordat het hoofdmotief voor de beslissing, met name dat er geen productiemonsters werden genomen, feitelijk onjuist is”; dat zij het middel als volgt toelicht: het bestuur is verplicht zorgvuldig de feiten vast te stellen waarop zij haar beslissingen steunt, maar in dit geval “zijn de feiten manifest onjuist”; voor het bewijs van de feiten beschikt de verwerende partij enkel over de verklaringen van Etienne COBBAERT -dat is haar tijdens de inzage van het dossier op 20 november 2003 medegedeeld-, maar IX-3988-2/14 daartegenover staat

(1)dat uit het door haar voorgelegde deurwaardersexploot blijkt dat zij wel degelijk op de voorgeschreven wijze productiemonsters bijhoudt,
(2)dat de bewering van COBBAERT onjuist is aangezien enerzijds er haar op 12 mei 2003, en ook later niet, nooit gevraagd is om productiemonsters voor te leggen en aangezien anderzijds de verklaring van COBBAERT steun vindt, niet in persoonlijke vaststellingen, maar in de inzage van het dossier “van het gerechtelijk onderzoek te Veurne” en de interpretatie van “selectieve gegevens van het strafdossier” door de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent,
(3)dat de verklaringen van DEWULF en MONBAILLIEU, naar dewelke het bestreden besluit verwijst, vaag en voor betwisting vatbaar zijn en dat MONBAILLIEU zelfs stelt dat “steeds correct productiemonsters werden genomen” en
(4)dat de verklaring van 4 juni 2003 van Walter VANDROEMME aan de onderzoeksrechter, naar dewelke het bestreden besluit eveneens verwijst en waaruit opgemaakt wordt dat er niet altijd productie- stalen werden genomen, niet de inhoud heeft die er in het bestreden besluit wordt aan gegeven maar dat zij integendeel voor een genuanceerde lezing vatbaar is; Overwegende dat verzoekster in het tweede middel de schending aanvoert van het redelijkheidsbeginsel, doordat de minister onredelijk heeft gehandeld door zijn beslissing hoofdzakelijk te steunen op “niet gecontroleerde gegevens die hij bekwam van Etienne COBBAERT”; dat zij betoogt dat haar uit de inzage van het dossier en de verklaring van de ambtenaar die het dossier beheert gebleken is dat de stellingname van COBBAERT “zonder enige controle” opgenomen is in het besluitvormingsproces dat geleid heeft tot het bestreden besluit, terwijl de minister de verplichting had om “het vermeende feit dat hem werd medegedeeld door Etienne COBBAERT te controleren, hetgeen niet is gebeurd”; dat volgens haar die controle des te meer verantwoord was aangezien COBBAERT verbalisant was toen de feiten zijn vastgesteld en hij bovendien betrokken partij is bij “het valselijk beweren dat door hem bij het uitvoeren van de huiszoeking op 12 mei 2003 wel degelijk werd gevraagd om de voorlegging van productiemonsters, hetgeen niet gebeurde en ook uit geen enkel proces-verbaal dat zich in het strafdossier bevindt, blijkt”; dat zij besluit dat “de minister had moeten vragen aan Etienne COBBAERT om het proces- verbaal waaruit dat zou blijken voor te leggen, hetgeen mogelijk was vermits Etienne IX-3988-3/14 COBBAERT op grond van artikel 125 van het KB in strafzaken toelating had tot inzage en kopiename in het volledig strafdossier, hetgeen de minister wist”; Overwegende dat verzoekster in het derde middel de schending aanvoert van "het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de beginselen van de fair play tijdens de procedure die voorafging aan het nemen van de (bestreden) beslissing en in die beslissing zelf zijn geschonden"; dat zij betoogt dat zij met de brief van 2 september 2003 door de verwerende partij in kennis gesteld is van het voornemen om haar erkenning op te schorten en dat haar toen medegedeeld is dat zij binnen de vijftien dagen bezwaar kon indienen maar dat haar niet medegedeeld is dat zij inzage kon nemen van een dossier of dat zij gehoord kon worden, terwijl het bestreden besluit nadien ook tot stand gekomen is zonder dat zij inzage van het dossier heeft gehad en terzake gehoord is; 2.
  1. Overwegende dat de eerste verwerende partij het eerste middel als volgt beantwoordt: het bestreden besluit steunt wel degelijk op goede gronden, aangezien de feiten worden vermeld evenals de processen-verbaal waaruit voldoende blijkt dat “de feitelijke elementen niet weerlegd kunnen worden”; het proces-verbaal van de gerechtsdeurwaarder betreffende de aanwezigheid van productiemonsters op het bedrijf dagtekent van 11 september 2003 terwijl het “gericht onderzoek op initiatief van de Procureur des Konings plaats had op 4 juni 2003" en de verzoekende partij de inhoud van dat onderzoek te Veurne -op grond waarvan Willem VAN DER BAUWHEDE werd aangehouden- kende; het bestreden besluit steunt niet op vast- stellingen gedaan op 12 mei 2003, maar op de -regelmatig gemaakte- vaststelling “dat in het strafonderzoek meerdere ondervraagden uitdrukkelijk hebben verklaard dat niet van alle mengsels monsters werden genomen”; de omstandigheid dat er op 17 september 2003 nog altijd productiemonsters in het bedrijf aanwezig waren levert niet het bewijs dat de verklaringen tijdens het strafonderzoek, gedaan door DEWULF en MONBALLIEU, en zelfs door VANDROEMME zelf onjuist waren; de processen-verbaal waarin die verklaringen zijn opgenomen zijn uitdrukkelijk vermeld in het bestreden besluit en de gedane verklaringen worden niet tegen- IX-3988-4/14 gesproken door de veel later gemaakte vaststellingen door deurwaarder VAN NIEUWENHUYSE in zijn proces-verbaal van 11 september 2003; Overwegende dat de eerste verwerende partij het tweede middel als volgt beantwoordt : in tegenstelling tot wat verzoekster beweert, was Etienne COBBAERT geen verbalisant “bij het ondervragen van de betrokken personen”; dat een ambtenaar een ontwerp van brief opstelt ten behoeve van de minister is volkomen normaal; verzoekster voegt geen inventaris bij van het dossier dat haar raadslieden bij het bestuur hebben kunnen inzien, hoewel daaruit had kunnen blijken dat “alle stukken waarop de beslissing steunt aanwezig waren (en dat) uit geen enkel element (...) blijkt dat de minister niet kennis heeft genomen van de in de beslissing vermelde processen-verbaal”; Overwegende dat de eerste verwerende partij op het derde middel antwoordt wat volgt : de procedure voorzien in artikel 12 van het koninklijk besluit van 30 oktober 1998 is strikt nageleefd aangezien het voornemen om de erkenning in te trekken de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen aan verzoekster ter kennis gebracht is; niets belette de raadslieden van verzoekster het dossier van de zaak in te zien; zij kenden overigens alle elementen die in het voornemen van de minister en in het bestreden besluit naar voren werden geschoven, aangezien VANDROEMME en VAN DER BAUWHEDE aangehouden zijn geweest en hun raadslieden, die de zaak voor de raadkamer en de Kamer van Inbeschuldigingstelling behandeld hebben, daar "het volledig dossier, met inbegrip van de verklaringen waarop de beslissing steunt, (hebben) ingezien"; 2.
  2. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord eerst in het algemeen stelt dat de vraag thans niet is of de processen-verbaal, die de eerste verwerende partij in aanmerking genomen heeft om de feitelijke grondslag van het bestreden besluit te bewijzen, nu als bewijsvoering voor de Raad van State kunnen worden gebruikt, maar wel of die processen-verbaal deel uitmaakten van het dossier op basis waarvan de minister het bestreden besluit genomen heeft; dat zij voorts, in verband met het eerste middel, akte neemt van de verklaring van de eerste IX-3988-5/14 verwerende partij dat het bestreden besluit niet steunt op vaststellingen gedaan op 12 mei 2003, zodat de grondslag van het bestreden besluit enkel gevonden kan worden in een aantal processen-verbaal, inzonderheid de verhoren van DE WULF, MONBALLIEU en VANDROEMME, terwijl zij de bewijswaarde van de desbetref- fende processen-verbaal als volgt bekritiseert: DE WULF heeft het proces-verbaal van zijn verhoor willen ondertekenen omdat hij zijn verklaring niet heeft mogen nalezen en hij nooit gezegd heeft dat hij geen stalen mocht nemen van de mengsels met kruiden van VAN DER BAUWHEDE, MONBALLIEU heeft een uiteenzetting gegeven die louter op veronderstellingen gebaseerd is en de verklaring van VANDROEMME wordt verkeerd geïnterpreteerd; dat zij, ten aanzien van het tweede middel herhaalt dat het bestreden besluit enkel steunt op gegevens die door E. COBBAERT zijn verstrekt maar die nooit gecontroleerd zijn geworden en die trouwens aantonen dat er op 12 mei 2003 gezocht is naar "producten" en niet naar "mengsels samengesteld met producten van VAN DER BAUWHEDE"; dat zij met betrekking tot het derde middel stelt dat haar huidige raadsman niet betrokken was in de strafprocedure zodat hij het dossier niet kende; dat zij daaraan toevoegt dat de eerste verwerende partij zichzelf tegenspreekt waar zij enerzijds betoogt dat de processen-verbaal werden opgesteld in aanwezigheid van E. COBBAERT maar anderzijds stelt dat het bestreden besluit niet zou steunen op de vaststellingen gedurende het onderzoek van 12 mei 2003; 2.
  3. Overwegende dat de verwerende partijen in hun laatste memorie nog stellen dat de bestreden beslissing steunt “op de vaststelling dat van de diervoeders na toevoeging van de kruidenmengsels afkomstig van Willem VAN DER BAUWHEDE geen productiemonsters werden genomen en deze monsters evenmin gedurende drie maanden op het bedrijf bewaard werden” terwijl het koninklijk besluit van 30 oktober 1998 de fabrikant van mengvoeders verplicht van iedere partij voeder een representatief monster te nemen en ter beschikking van de overheid te houden; dat zij herhalen dat de brief van E. COBBAERT van 16 oktober 2003 van geen invloed is geweest bij het treffen van het bestreden besluit, terwijl uit de motivering van dat besluit “onbetwistbaar blijkt” dat de begane overtreding steunt op het verhoor van DEWULF en MONBALLIEU en op de verklaring van Walter VANDROEMME IX-3988-6/14 aan de onderzoeksrechter; dat zij besluiten dat het bestreden besluit steunt op stukken die uitdrukkelijk in het bestreden besluit vermeld zijn, waarvan verzoekster kennis had en waarover zij zich heeft kunnen verdedigen; 2.5.
  4. Overwegende dat de eerste verwerende partij met haar memorie van antwoord het administratief dossier vervolledigd heeft, waardoor zij de Raad van State in de gelegenheid stelt zicht te krijgen op de gegevens die tot de feitelijke grondslag van het bestreden besluit hebben gediend; dat aldus blijkt : - dat de gedelegeerd bestuurder van het FAVV met een nota van 22 augustus 2003 aan de minister van Volksgezondheid heeft voorgesteld de erkenning van verzoekster op te schorten om reden dat “tijdens een onderzoek, ingesteld door het Parket bij het Hof van Beroep te Gent (...) een verhoor afgenomen (is) van een werknemer van de firma VANDROEMME, die onder andere instaat voor de fabricage van voeders en het nemen van fabricagemonsters. Deze werknemer verklaarde opdracht gekregen te hebben om bepaalde producten (kruiden) toe te voegen aan een basisvoeder met het verbod productiestalen van dergelijke mengeling te nemen”, waaruit afgeleid wordt “dat de firma nv Voeders VANDROEMME geen productiemonsters heeft genomen van voeders gefabriceerd met bepaalde kruiden afko mst ig van Willem VAN DER BAUWHEDE uit Woumen” en dat zij “doelbewust de essentiële voorwaarde van het koninklijk besluit van 30 oktober 1998 betreffende de erkenning en de registratie van fabrikanten en tussenpersonen en de toelating van operatoren en handelaars in de sector dierenvoeding (niet nageleefd heeft)”; - dat het voorstel aan de minister steunt op een mededeling van E. COBBAERT van 4 augustus 2003 waarin deze, nadat hij op 14 juli 2003 van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent de toelating verkregen had om inzage en afschrift te nemen van het strafdossier dat tegen verzoekster was samengesteld, aan zijn hiërarchische meerderen kennis geeft van de inbreuk, met als bewijsstuk de verklaring van C. DEWULF, die als menger vanaf april 2002 bij verzoekster in dienst was; - dat verzoekster tegen het voorstel tot schorsing van haar erkenning een uitvoerig bezwaarschrift heeft ingediend, waarin zij onder meer aanvoerde dat tijdens de IX-3988-7/14 huiszoeking van 12 mei 2003 “geen enkele onregelmatigheid werd vastgesteld, ook niet met betrekking tot de productiemonsters of de staalnamen van voeders (en dat) bij die gelegenheid ook geen controle gedaan (is) van de aanwezige stalen die ter beschikking werden gehouden bij toepassing van het koninklijk besluit van 30 oktober 1998” zodat het haar “volstrekt onduidelijk is” op grond waarvan vastgesteld zou kunnen worden dat zij “doelbewust geen productiemonsters heeft genomen”, aangezien de verwerende partij enkel kan verwijzen naar “een bewering” van de procureur-generaal in zijn vordering over de handhaving van de voorlopige hechtenis van Walter VANDROEMME terwijl die bewering tegengesproken wordt
(1)door het relaas van het verhoor van Walter VANDROEMME door de onderzoeksrechter te Veurne en
(2)door het deurwaardersexploot van 11 september 2003 waaruit blijkt dat zij wel degelijk productiemonsters bijhoudt vanaf 28 april 2003 en terwijl er voor die bewering ook geen bevestiging gevonden kan worden in de verklaringen van haar voormalige werknemer Dirk MONBALLIEU en haar huidige menger Christoph DEWULF; - dat dit bezwaarschrift aan E. COBBAERT overgemaakt is, die daar met een nota van 16 oktober 2003 -waarin hij verwijst naar de nummers van de betreffende processen-verbaal (pv nr. 101099/2003, nr. 101099/2003 en pv van verhoor van in verdenking gestelde) die als bijlage bij de nota worden gevoegd-, op ge- antwoord heeft dat uit de verhoren van C. DEWULF en D. MONBALLIEU “blijkt dat niet alle monsters werden genomen”, dat “VANDROEMME Walter zelf aan de onderzoeksrechter verklaart dat hij geen monsters neemt als er iets aan het veevoeder wordt toegevoegd” en dat het deurwaardersexploot van 11 september 2003 “een verkeerd beeld van de feiten (geeft)”; dat hij ten aanzien van het laatstvermeld deurwaardersexploot stelt : “De discussie (
  1. is)niet of er geen monsters worden genomen” maar de vraag is : “Als er kruiden afkomstig van de firma VAN DER BAUWHEDE aan de dierenvoeders worden toegevoegd, dan betekent dit een nieuw voeder, een nieuw lot (waarvan) een productiemonster dient te worden genomen en bewaard. Deze productiemonsters werden op de dag van de actie opgevraagd en konden niet worden voorgelegd. Van de loten vermeld op de productiefiche zullen monsters genomen geweest zijn, maar als er kruiden IX-3988-8/14 van de firma Willem VAN DER BAUWHEDE werden toegevoegd, werd dit door de firma niet beschouwd als een afzonderlijk lot en werd bijgevolg ook geen monster genomen”; - dat de minister in het bestreden besluit de overwegingen van E. COBBAERT integraal overgenomen heeft; 2.5.2. Overwegende dat, met die gegevens voor ogen, binnen het raam van de hier besproken middelen vastgesteld wordt wat volgt : - het verslag van E. COBBAERT, dat door de eerste verwerende partij als basis is genomen voor het opstarten van de schorsingsprocedure, steunt op de verklaring die C. DEWULF, werknemer van verzoekster, afgelegd heeft in het kader van het strafrechtelijk onderzoek betreffende inbreuken op de hormonenwetgeving door Walter VANDROEMME, waarvan COBBAERT regelmatig inzage had kunnen nemen; in die verklaring, opgenomen in het pv nr 101099/2003 van de gerechtelijke politie te Veurne, stelt DEWULF dat hij sinds april 2002 als menger door de verzoekende partij tewerkgesteld is, dat er in het bedrijf enkel stalen genomen worden “van de basisvoeders (...) zonder additieven” en dat er geen stalen genomen worden van de voeders waarin de zakken aangevoerd door Willem VAN DER BAUWHEDE vermengd werden omdat “van het basisproduct reeds een staal genomen werd”; de verklaring vervolgt: “Jullie vragen mij of ik dat onbewust deed of als ik opdracht had gekregen om van die samenstelling van voeders geen staal te nemen? Het was Walter VANDROEMME die mij gezegd had dat ik van die voeders geen stalen mocht nemen (...). Ik werk hier nog niet zo lang en per slot van rekening hij is mijn werkgever en ook de verantwoordelijke”; - nadat verzoekster in haar bezwaarschrift een aantal argumenten had aangevoerd om te bewijzen dat het ontbreken van productiestalen van voeders met toevoegsels van VAN DER BAUWHEDE niet voor bewezen gehouden kon worden, heeft E. COBBAERT in zijn nota van 16 oktober 2003 de kritiek van verzoekster weerlegd; aldus heeft hij bijkomend verwezen naar het verhoor van MONBAL- LIEU en van WALTER VANDROEMME en heeft hij ook uiteengezet waarom de vaststelling van 11 september 2003 van deurwaarder VAN NIEUWENHUYSE niet bij de zaak betrokken kon worden, met name omdat de aanwezigheid van IX-3988-9/14 stalen van productiemonsters niet bewijst dat er ook stalen genomen zijn van de voeders waaraan stoffen van VAN DER BAUWHEDE toegevoegd zijn, hoewel het om een nieuw lot gaat; 2.5.3. Overwegende aldus, dat thans uit het dossier blijkt dat het voornemen van de minister om de erkenning van verzoekster te schorsen steunt op het administratief verslag van inspecteur COBBAERT, dat zelfs de verklaring van menger DEWULF bevat; dat die verklaring, zoals zij in het desbetreffend proces- verbaal opgenomen is, duidelijk is en geen bijkomend onderzoek vergde; dat zij voor COBBAERT, die inderdaad zelf de inbreuken niet heeft vastgesteld, kon volstaan om de aanklacht tegen verzoekster te formuleren; dat zij voor de minister een deugdelijke en wettige grondslag vormde om aan verzoekster zijn voornemen kenbaar te maken om haar erkenning op te schorten; 2.5.4. Overwegende dat, na de kennisneming van de bezwaren van verzoekster, COBBAERT zijn standpunt over de tenlastelegging -te weten het niet nemen van productiemonsters van de voeders waarin kruiden van VAN DER BAUWHEDE gemengd waren- bijkomend geargumenteerd heeft door ook te verwijzen naar twee andere stukken uit het strafdossier (de verklaringen MONBALLIEU en Walter VANDROEMME -punt 2 en 3 van de nota van 16 oktober 2003, overgenomen door de minister in het bestreden besluit-); dat hij in die nota ook uiteenzet waarom het verslag van 11 september 2003 van deurwaarder VAN NIEUWENHUYSE, dat door verzoekster wordt voorgebracht, het tegenbewijs van de tenlastelegging niet kan bevatten; dat hij in dat kader onder meer betoogt dat ter gelegenheid van de huiszoeking bij verzoekster op 12 mei 2003 naar de productie- monsters van de voeders met toevoegsel van VAN DER BAUWHEDE is gevraagd; Overwegende dat verzoekster de bewijswaarde van de verklaring van 11 juni 2003 van C. DEWULF, waarop de oorspronkelijke aanklacht van E. COBBAERT steunt, betwist om reden dat C. DEWULF zijn verklaring niet onder- tekend heeft en hij nadien, op 24 november 2003, aan gerechtsdeurwaarder VAN NIEUWENHUYSE verklaard heeft die ondertekening geweigerd te hebben omdat IX-3988-10/14 hij zijn verklaring “niet mocht lezen”, terwijl hij nooit gezegd heeft dat hij “geen stalen mocht nemen van voeders met VDB kruiden”; dat evenwel uit het proces- verbaal van 11 juni 2003 blijkt dat C. DEWULF zijn verklaring wel degelijk gelezen heeft en dat hij de ondertekening ervan geweigerd heeft “omdat dat niet verplicht is”, maar met de formele toevoeging: ”Ik heb jullie wel vrijwillig de waarheid gezegd”; dat in die omstandigheden vastgesteld wordt dat de verklaring van DEWULF aan de gerechtsdeurwaarder de bewijswaarde van het proces-verbaal van 11 juni 2003 niet vermindert; Overwegende dat E. COBBAERT in zijn beantwoording van het bezwaar van verzoekster bijkomend verwezen heeft naar de verklaringen van MONBALLIEU en van Walter VANDROEMME; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoekster betoogt, inzonderheid de verklaring van 4 juni 2003 van laatstgenoemde aan de onderzoeksrechter -“Ik moet u zeggen dat er bij ons op het bedrijf inderdaad geen stalen genomen zijn specifiek naar kruiden of andere additieven toe”, maar “dat hij niet zeker weet (of
  2. er)iedere keer dat er een additief wordt toegevoegd, (hij) een staal moet nemen omdat het om een nieuw lot gaat”- de verklaring van DEWULF bevestigt; dat ook de verklaring van MONBALLIEU - afgelegd op 29 juni 2003, pv nr. 101234/2003- duidelijk aantoont dat de voeders met toevoegsels van VAN DER BAUWHEDE niet bemonsterd werden -“Ik heb inderdaad de periode meegemaakt omstreeks 1999 dat ingevolge de dioxinecrisis er van elk nieuw lot samengesteld voeder een staal moest genomen worden. Dat deed ik als menger. Het is mij persoon(lijk) nooit uitdrukkelijk verboden geweest om stalen te nemen van voeders waarin andere poeders vermengd werden maar ik had al ervaring genoeg in de branche om te weten dat ik dat beter niet deed om mijn werkgever niet in diskrediet te brengen of om voor hem geen risico’s te lopen”-; Overwegende dat COBBAERT terecht heeft gesteld dat, aangezien het opgemaakt is 11 september 2003, het verslag van deurwaarder VANNIEUWENHUYSE, waaruit blijkt dat er productiemonsters werden genomen, het bewijs niet bevat dat er ook, zoals het hoorde, productiemonsters van de voeders met toevoegsels van VAN DER BAUWHEDE zijn genomen; dat de omstandigheid IX-3988-11/14 dat COBBAERT in zijn desbetreffend betoog -punt 4 van zijn nota van 16 oktober 2003- verwijst naar het opvragen van productiemonsters ter gelegenheid van de huiszoeking die op 12 mei 2003 in het bedrijf van verzoekster gehouden is terwijl verzoekster daar terecht tegen inbrengt dat niet het minste bewijs van die vraag wordt voorgelegd, de waarde van die conclusie niet vermindert; 2.5.5. Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de eerste verwerende partij in het verslag van E. COBBAERT, opgemaakt na inzage van het strafdossier waarin de zaakvoerder van verzoekster betrokken was, een deugdelijke grondslag kon vinden om het voornemen te formuleren de erkenning op te schorten en dat E. COBBAERT de argumentatie die verzoekster in haar bezwaarschrift aan het bestuur ter kennis had gebracht terdege heeft weerlegd; dat bijgevolg de minister, die de argumentering van COBBAERT heeft overgenomen, terecht kon besluiten dat verzoekster nagelaten heeft productiemonsters te nemen van de voeders waaraan stoffen, haar verstrekt door VAN DER BAUWHEDE, waren toegevoegd; dat het eerste middel en het tweede middel niet gegrond zijn; 2.5.6.1. Overwegende dat verzoekster in het derde middel betoogt dat haar niet medegedeeld is dat zij met het oog op het formuleren van haar bezwaar inzage kon nemen van het dossier of dat zij gehoord kon worden, terwijl zij ook niet gehoord is alvorens het bestreden besluit getroffen is; 2.5.6.2. Overwegende dat artikel 12 van het koninklijk besluit van 30 oktober 1998 de rechten van de verdediging ten aanzien van een beslissing tot opschorting van de erkenning als volgt organiseert: de minister moet zijn voornemen tot schorsing meedelen aan de betrokkene en deze beschikt dan over een termijn van vijftien dagen om zijn bezwaren schriftelijk aan de minister te laten geworden; dat die bepaling niet voorschrijft dat de betrokkene formeel in kennis gesteld moet worden van de mogelijkheid om het dossier in te zien en dat zij ook niet voorziet in de mogelijkheid om gehoord te worden teneinde in persoon uitleg te geven bij het ingediende bezwaar of de eindbeslissing die de minister overweegt; dat, in zoverre verzoekster in dat verband de schending aanvoert van het zorgvuldigheidsbeginsel, IX-3988-12/14 vastgesteld wordt dat de uitdrukkelijke regeling van de rechten van verdediging door het koninklijk besluit van 30 oktober 1998 belet dat de Raad van State de naleving van de hoorplicht -als beginsel van behoorlijk bestuur- in de plaats stelt van die uitdrukkelijke regeling; 2.5.6.3. Overwegende dat verzoekster niet betwist dat de eerste verwerende partij voldaan heeft aan de verplichtingen die artikel 12 van het koninklijk besluit van 30 oktober 1998 haar oplegt, door aan verzoekster het voorstel tot opschorting ter kennis te brengen en haar de gelegenheid te verlenen daarop bemerkingen te maken; 2.5.6.4. Overwegende dat, om nuttig bezwaar te kunnen indienen, het noodzakelijk is dat de betrokkene het dossier dat het bestuur over zijn zaak heeft samengesteld, kan inzien; dat aldus, aangezien het recht om het dossier in te zien het corollarium is van het recht om bezwaar in te dienen, de mededeling van die bezwaarmogelijkheid impliceert dat het dossier ingezien kan worden; dat het ontbreken, in het voorstel tot opschorting, van een formele vermelding betreffende de inzage van het dossier derhalve geen reden moet zijn om het eindbesluit wegens de miskenning van een vormvoorschrift onwettig te verklaren; dat te dezen verzoekster niet gevraagd heeft om het dossier betreffende het voornemen om haar erkenning op te schorten, te kunnen inzien; dat het middel niet gegrond is; 3. Overwegende dat verzoekster in een vierde middel de schending aanvoert van het beginsel ‘nemo iudex in causa sua’ als onderdeel van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat dit middel in het auditoraatsverslag niet onderzocht is, IX-3988-13/14 BESLUIT: Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2. Het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt ermee belast het onderzoek van de zaak voort te zetten. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig oktober 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-3988-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.579 Gerelateerde publicatie(
  3. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.125.888 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.775 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.