id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.604 Rolnummer: A. 60704/IX-165 Zaak: Arrest 136604 - - 25/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-19 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-04 12:21 Fiche Arrest nr 136.604 van 25 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.604 van 25 oktober 2004 in de zaak A. 60.704/IX-
- In zake : Guillaume BROOS, wonende te ANTWERPEN, Van Loenoutstraat 78 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Guillaume BROOS op 7 november 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van artikel 1 van het koninklijk besluit van 17 juli 1992 houdende benoeming tot de graad van inspecteur der directe belastingen van Paul JOOSTEN met ingang van 1 januari 1992; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 10 april 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging van verzoeker en de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-165-1/7 Gelet op de beschikking van 14 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 september 2004; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. VAN DEN BULCK, die loco advocaat Th. LAMMAR verschijnt voor verzoeker, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord eerste auditeur M. LEFEVER in zijn, behoudens wat de kosten betreft, eensluidend advies; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker is hoofdcontroleur ter beschikking gesteld van de administratie van de bijzondere belastinginspectie (B.B.I.) te Antwerpen. 1.
- Bij dienstorder nr. 23/1991 van 7 oktober 1991 worden bij de administratie der directe belastingen verscheidene betrekkingen van inspecteur vacant verklaard. Verzoeker stelt zich op 14 oktober 1991 kandidaat onder meer voor de betrekking van inspecteur te Schoten II. IX-165-2/7 1.
- Bij nota van 8 november 1991 deelt inspecteur-generaal E. VAN VRECKEM aan de directeur-generaal van de administratie van de B.B.I. het volgende mede : “De hr. BROOS, G.J.M., hoofdcontroleur bij de B.B.I.-Antwerpen, heeft n.a.v. dienstorder nr. 6/1991 van 18.2.1991 zijn kandidatuur ingediend voor verscheidene betrekkingen van inspecteur. De hr. Vandenberghe, gewestelijke directeur bij de B.B.I.-Antwerpen, heeft nopens die kandidatuur een ongunstig advies uitgebracht omdat betrokkene volgens hem niet geschikt was voor het uitoefenen van een leidinggevende functie bij een B.B.I.-inspectie. Op grond van dat advies werd geoordeeld dat de hr. BROOS evenmin geschikt was voor het uitoefenen van een functie van inspecteur in een andere betrekking, alhoewel hij de eerste kandidaat was voor de betrekking te Oostende A. Alhoewel de hr. Vandenberghe nu wel een gunstig advies uitbrengt m.b.t. de kandidatuur van de hr. BROOS, wordt door de directie V/2 geoordeeld dat het niet mogelijk is om betrokkene 8 maanden later wel geschikt te achten voor het uitoefenen van de functie van inspecteur. Er wordt voorgesteld om de hr. BROOS voorbij te gaan wegens verdiensten en de betrekking te Schoten II, waarvoor hij de eerste kandidaat is, toe te kennen aan de volgende kandidaat, m.n. de hr. JOOSTEN, P.J.M., hoofdcontroleur te Turnhout- Vennootschappen
- (...)”. 1.
- De directeur-generaal van de administratie van de B.B.I. verklaart zich akkoord met de inhoud van die nota. 1.
- Op 19 november 1991 worden de voorstellen tot toekenning van de betrekkingen medegedeeld aan de kandidaten. Voor de inspectie Schoten II wordt Paul JOOSTEN voorgesteld. In een niet gedateerde brief vraagt verzoeker aan inspecteur- generaal E. VAN VRECKEM of er bij het uitbrengen van de benoemingsvoorstellen geen vergissing begaan werd bij het opmaken van de rangschikking van de kandidaten voor de betrekking van inspecteur te Schoten II. Hij stelt hierbij dat zijn schrijven geen bezwaarschrift is. 1.
- Op 27 februari 1992 wordt het dossier samen met het gemotiveerd IX-165-3/7 advies van het college van dienstchefs voorgelegd aan de minister van Financiën. Op 17 juli 1992 wordt het thans bestreden koninklijk besluit genomen. Bij koninklijk besluit van 21 oktober 1994 wordt verzoeker eervol ontslag verleend uit zijn ambt wegens het bereiken van de leeftijdsgrens met ingang van 1 april
- Over de ontvankelijkheid. 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie betoogt dat hij, niettegenstaande zijn pensionering, nog steeds belang heeft bij de gebeurlijke nietigverklaring van de bestreden benoeming aangezien de overheid in voorkomend geval verplicht is, niet om verzoeker zelf te benoemen, maar wel om de bevorderings- procedure opnieuw te doorlopen waarbij zijn kandidatuur opnieuw in aanmerking wordt genomen; dat hij bovendien een moreel belang behoudt aangezien de onwettige akte door de nietigverklaring ervan uit het rechtsverkeer verdwijnt; dat hij daaraan toevoegt dat het automatisch verlies van belang in hoofde van de ambtenaar die op pensioen wordt gesteld niet in overeenstemming is met artikel 10, juncto artikel 11, van de gecoördineerde Grondwet; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie stelt dat het door verzoeker ingeroepen moreel belang niet persoonlijk is, maar opgaat in het belang dat iedere burger heeft bij de handhaving van de wet; dat verzoekers belang erin bestaat dat hij, ingevolge de gebeurlijke nietigverklaring van de bestreden benoeming, opnieuw in aanmerking komt voor de bevordering tot inspecteur, hetgeen wegens zijn pensionering niet meer mogelijk is; dat de benoeming tot de graad van inspecteur (rang 12) immers een benoeming naar keuze is en verzoeker geen recht op die benoeming kan laten gelden ten aanzien van de overheid, zodat hij geen aanspraak kan maken op een retroactief herstel van zijn loopbaan; Overwegende dat de verwerende partij besluit dat het verlies van belang ingevolge de pensionering van een ambtenaar de grondwettelijke regels inzake IX-165-4/7 gelijkheid en non-discriminatie niet schendt, aangezien een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen toegelaten is voorzover dat verschil op een objectief criterium steunt en redelijk verantwoord is; dat gepensioneerde ambtenaren die buiten de administratie staan, zich in een totaal andere situatie bevinden dan de ambtenaren in actieve dienst; dat het verschil in behandeling verantwoord is doordat de gepensioneerde ambtenaar niet kan bevorderd worden tenzij de overheid over een gebonden bevoegdheid beschikt hem te benoemen; 2.3.
- Overwegende dat het arrest nr. 117/99 van 10 november 1999 van het Arbitragehof voor recht zegt dat de artikelen 19 en 24 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet schenden wanneer zij geïnterpreteerd worden in de zin “dat de ambtenaar die een benoeming aanvecht, zijn belang bij het beroep verliest wanneer hij in de loop van de procedure op pensioen wordt gesteld”, maar dat die bepalingen de gecoördineerde Grondwet niet schenden wanneer zij geïnterpreteerd worden in de zin “dat de ambtenaar die een benoeming aanvecht, zijn belang bij het beroep niet noodzakelijk verliest wanneer hij in de loop van de procedure op pensioen wordt gesteld”; dat het voornoemde arrest derhalve er niet aan in de weg staat dat de Raad van State, in het kader van het onderzoek van het persoonlijk belang, nagaat of verzoeker in de loop van het geding wel een voldoende belang heeft behouden; 2.3.
- Overwegende dat verzoeker niet aantoont en zelfs niet beweert dat de verwerende partij de absolute rechtsplicht had om hem tot inspecteur te benoemen en om aldus zijn loopbaan met terugwerkende kracht te reconstrueren; dat een vernietigingsarrest derhalve niet meer kan bijdragen tot het rechtsherstel dat verzoeker oorspronkelijk met zijn beroep ambieerde, met name zelf tot inspecteur bevorderd worden en die functie daadwerkelijk bekleden; IX-165-5/7 Overwegende dat ook de vraag rijst welk persoonlijk voordeel verzoeker thans nog uit een vernietigingsarrest kan halen en of dat voordeel volstaat om het behoud van het belang te rechtvaardigen; dat het aan verzoeker toekomt om dienaangaande overtuigende gegevens aan de beoordeling van de Raad van State over te leggen; dat verzoeker te dezen wijst op zijn moreel belang bestaande uit het zien verdwijnen van de onwettige handeling uit het rechtsverkeer; dat evenwel het concreet voordeel dat verzoeker uit een gebeurlijke nietigverklaring kan halen, meer moet zijn dan de genoegdoening verbonden met het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing; 2.3.
- Overwegende dat verzoeker bijgevolg niet aantoont dat hij thans nog een voldoende en rechtstreeks belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing; dat het beroep om die reden niet meer ontvankelijk is; dat, aangezien het teloorgaan van het belang niet aan het toedoen van verzoeker geweten kan worden, de kosten ten laste van de verwerende partij worden gebracht, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de Belgische Staat. IX-165-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig oktober 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-165-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.604 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.