id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.605 Rolnummer: A. 60786/IX-145 Zaak: Arrest 136605 - - 25/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-19 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-04 12:21 Fiche Arrest nr 136.605 van 25 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.605 van 25 oktober 2004 in de zaak A. 60.786/IX-
- In zake : Guillaume BROOS, wonende te ANTWERPEN, Van Loenoutstraat 78 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Guillaume BROOS op 10 november 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van artikel 1 van het koninklijk besluit van 11 januari 1993 houdende benoeming tot de graad van inspecteur der directe belastingen van Reinier VINKEN en Roger VAN CUYCK met ingang van 1 juni 1992 en van artikel 1 van het koninklijk besluit van 11 januari 1993 houdende benoeming tot de graad van inspecteur der directe belastingen van Willy VAN SAVELBERGH met ingang van 1 september 1992; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 10 april 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-145-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging van verzoeker en de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 14 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 september 2004; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. VAN DEN BULCK, die loco advocaat Th. LAMMAR verschijnt voor verzoeker, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord eerste auditeur M. LEFEVER in zijn, behoudens wat de kosten betreft, eensluidend advies; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker is hoofdcontroleur ter beschikking gesteld van de administratie van de bijzondere belastinginspectie (B.B.I.) te Antwerpen. 1.
- Bij dienstorder nr. 4/1992 van 12 februari 1992 worden bij de administratie der directe belastingen dertien betrekkingen van inspecteur vacant verklaard. IX-145-2/7 Verzoeker stelt zich op 19 februari 1992 kandidaat onder meer voor de betrekking van inspecteur te Antwerpen V en Antwerpen IV. Bij dienstorder nr. 12/1992 van 11 juni 1992 worden nogmaals veertien betrekkingen van inspecteur bij de administratie der directe belastingen vacant verklaard. Verzoeker stelt zich op 23 juni 1992 kandidaat onder meer voor de betrekking van inspecteur te Antwerpen IV A. 1.
- Op 17 april 1992 worden de voorstellen tot toekenning van de betrekkingen, vacant verklaard bij dienstorder nr. 4/1992, medegedeeld aan de kandidaten. Voor de inspectie Antwerpen IV wordt Reinier VINKEN voorgesteld en voor de inspectie Antwerpen V wordt Roger VAN CUYCK voorgesteld. Bij brieven van 23 april 1992, 30 april 1992 en 7 mei 1992 tekent verzoeker bezwaar aan tegen voormelde voorstellen. Hij vraagt inzage te krijgen van de stukken ten laste en wenst gehoord te worden door het college van dienstchefs indien het college zulks nuttig acht. 1.
- Op 27 juli 1992 worden de voorstellen tot toekenning van de betrekkingen, vacant verklaard bij dienstorder nr. 12/1992, medegedeeld aan de kandidaten. Voor de inspectie Antwerpen IV A wordt Willy VAN SAVELBERGH voorgesteld. Bij brief van 3 augustus 1992 tekent verzoeker hiertegen bezwaar aan. Hij vraagt te worden gehoord door het college van dienstchefs, hetgeen op 11 augustus 1992 gebeurt. IX-145-3/7 1.
- Op 14 oktober 1992 wordt het dossier aangaande de betrekkingen vermeld in dienstorder nr. 4/1992 samen met het gemotiveerd advies van het college van dienstchefs voorgelegd aan de minister van Financiën. Op 11 januari 1993 wordt het koninklijk besluit genomen houdende benoeming tot de graad van inspecteur der directe belastingen van onder meer Reinier VINKEN en Roger VAN CUYCK. 1.
- Op 15 oktober 1992 wordt het dossier aangaande de betrekkingen vermeld in dienstorder nr. 12/1992 samen met het gemotiveerd advies van het college van dienstchefs voorgelegd aan de minister van Financiën. Op 11 januari 1993 wordt het koninklijk besluit genomen houdende benoeming tot de graad van inspecteur der directe belastingen van onder meer Willy VAN SAVELBERGH. 1.
- Bij brief van 10 maart 1993 wordt in antwoord op zijn bezwaar- schriften van 23 april, 30 april en 7 mei 1992 aan verzoeker meegedeeld dat het college van dienstchefs op 14 april 1992 geoordeeld heeft dat hij “niet de nodige garanties biedt, noch het nodige vertrouwen geniet om benoemd te worden tot de graad van inspecteur” en dat zijn bezwaarschriften “geen elementen bevatten die enige wijziging kunnen brengen aan de uitgebrachte voorstellen”. 1.
- Eveneens bij brief van 10 maart 1993 wordt aan verzoeker meegedeeld dat zijn bezwaarschrift van 3 augustus 1992 als ongegrond wordt afgewezen en dat hij, “wat geschiktheid en verdiensten betreft, voorbijgegaan [wordt] door de na [hem] gerangschikte kandidaten”. 1.
- Bij koninklijk besluit van 21 oktober 1994 wordt verzoeker eervol ontslag verleend uit zijn ambt wegens het bereiken van de leeftijdsgrens met ingang van 1 april
- IX-145-4/7
- Over de ontvankelijkheid. 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie betoogt dat hij, niettegenstaande zijn pensionering, nog steeds belang heeft bij de gebeurlijke nietigverklaring van de bestreden benoemingen aangezien de overheid in voorkomend geval verplicht is, niet om verzoeker zelf te benoemen, maar wel om de bevorderings- procedure opnieuw te doorlopen waarbij zijn kandidatuur opnieuw in aanmerking wordt genomen; dat hij bovendien een moreel belang behoudt aangezien de onwettige akten door de nietigverklaring ervan uit het rechtsverkeer verdwijnen; dat hij daaraan toevoegt dat het automatisch verlies van belang in hoofde van de ambtenaar die op pensioen wordt gesteld niet in overeenstemming is met artikel 10, juncto artikel 11, van de gecoördineerde Grondwet; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie stelt dat het door verzoeker ingeroepen moreel belang niet persoonlijk is, maar opgaat in het belang dat iedere burger heeft bij de handhaving van de wet; dat verzoekers belang erin bestaat dat hij, ingevolge de gebeurlijke nietigverklaring van de bestreden benoemingen, opnieuw in aanmerking komt voor de bevordering tot inspecteur, hetgeen wegens zijn pensionering niet meer mogelijk is; dat de benoeming tot de graad van inspecteur (rang 12) immers een benoeming naar keuze is en verzoeker geen recht op die benoeming kan laten gelden ten aanzien van de overheid, zodat hij geen aanspraak kan maken op een retroactief herstel van zijn loopbaan; Overwegende dat de verwerende partij besluit dat het verlies van belang ingevolge de pensionering van een ambtenaar de grondwettelijke regels inzake gelijkheid en non-discriminatie niet schendt, aangezien een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen toegelaten is voorzover dat verschil op een objectief criterium steunt en redelijk verantwoord is; dat gepensioneerde ambtenaren die buiten de administratie staan, zich in een totaal andere situatie bevinden dan de ambtenaren in actieve dienst; dat het verschil in behandeling verantwoord is doordat de gepensioneerde ambtenaar niet kan bevorderd worden tenzij de overheid over een gebonden bevoegdheid beschikt hem te benoemen; IX-145-5/7 2.3.
- Overwegende dat het arrest nr. 117/99 van 10 november 1999 van het Arbitragehof voor recht zegt dat de artikelen 19 en 24 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet schenden wanneer zij geïnterpreteerd worden in de zin “dat de ambtenaar die een benoeming aanvecht, zijn belang bij het beroep verliest wanneer hij in de loop van de procedure op pensioen wordt gesteld”, maar dat die bepalingen de gecoördineerde Grondwet niet schenden wanneer zij geïnterpreteerd worden in de zin “dat de ambtenaar die een benoeming aanvecht, zijn belang bij het beroep niet noodzakelijk verliest wanneer hij in de loop van de procedure op pensioen wordt gesteld”; dat het voornoemde arrest derhalve er niet aan in de weg staat dat de Raad van State, in het kader van het onderzoek van het persoonlijk belang, nagaat of verzoeker in de loop van het geding wel een voldoende belang heeft behouden; 2.3.
- Overwegende dat verzoeker niet aantoont en zelfs niet beweert dat de verwerende partij de absolute rechtsplicht had om hem tot inspecteur te benoemen en om aldus zijn loopbaan met terugwerkende kracht te reconstrueren; dat een vernietigingsarrest derhalve niet meer kan bijdragen tot het rechtsherstel dat verzoeker oorspronkelijk met zijn beroep ambieerde, met name zelf tot inspecteur bevorderd worden en die functie daadwerkelijk bekleden; Overwegende dat ook de vraag rijst welk persoonlijk voordeel verzoeker thans nog uit een vernietigingsarrest kan halen en of dat voordeel volstaat om het behoud van het belang te rechtvaardigen; dat het aan verzoeker toekomt om dienaangaande overtuigende gegevens aan de beoordeling van de Raad van State over te leggen; dat verzoeker te dezen wijst op zijn moreel belang bestaande uit het zien verdwijnen van de onwettige handelingen uit het rechtsverkeer; dat evenwel het concreet voordeel dat verzoeker uit een gebeurlijke nietigverklaring kan halen, meer moet zijn dan de genoegdoening verbonden met het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissingen; 2.3.
- Overwegende dat verzoeker bijgevolg niet aantoont dat hij thans IX-145-6/7 nog een voldoende en rechtstreeks belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissingen; dat het beroep om die reden niet meer ontvankelijk is; dat, aangezien het teloorgaan van het belang niet aan het toedoen van verzoeker geweten kan worden, de kosten ten laste van de verwerende partij worden gebracht, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de Belgische Staat. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig oktober 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-145-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.605 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.