id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.606 Rolnummer: A. 84239/IX-1842 Zaak: Arrest 136606 - - 25/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-29 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 12:22 Fiche Arrest nr 136.606 van 25 oktober 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.606 van 25 oktober 2004 in de zaak A. 84.239/IX-
- In zake : Stephen WHITBY, wonende te MERKSEM, Fortsteenweg 22 tegen : het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van ANTWERPEN. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Stephen WHITBY op 20 mei 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing uitgevaardigd door het OCMW te 2060 Antwerpen, Lange Gasthuisstraat 39 waarbij zij weigert de administratieve stand van verzoeker definitief vast te leggen”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. THYS; Gelet op de beschikking van 9 januari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 8 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 september 2004; IX-1842-1/9 Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. GORIS, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat B. CLOOSEN, die loco advocaat M. STOLK verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. THYS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.
- Overwegende dat de verwerende partij met een op 23 augustus 1999 ter post aangetekend verzonden brief, buiten de termijn voorgeschreven door artikel 6 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, haar administratief dossier heeft neergelegd en een memorie van antwoord heeft ingediend; 1.
- Overwegende dat krachtens artikel 21, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, wanneer de verwerende partij het administratief dossier niet binnen de voorgeschreven termijn toestuurt, de door de verzoekende partij aangehaalde feiten als bewezen worden geacht, tenzij deze feiten kennelijk onjuist zijn en dat krachtens het vijfde lid, van de voornoemde wetsbepaling de laattijdig ingediende memorie van antwoord ambtshalve uit de debatten wordt geweerd;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 2.
- Verzoeker is sinds 1 januari 1980 in dienst van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn -hierna : OCMW- van Antwerpen. Sedert IX-1842-2/9 1 januari 1981 is hij vast benoemd. Aanvankelijk heeft hij de graad van bode. Met ingang van 1 februari 1982 wordt hij bevorderd tot bode-autovoerder. 2.
- Van 30 december 1989 tot en met 9 maart 1990 wordt verzoeker, in het kader van een gerechtelijk onderzoek naar strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht, in voorlopige hechtenis genomen. Met ingang van 1 oktober 1990 wordt hij andermaal in hechtenis genomen, ditmaal in het kader van een ander gerechtelijk onderzoek wegens zwaarwichtige criminele feiten. 2.
- Op 19 oktober 1990 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Antwerpen verzoeker “in het belang van de dienst, met ingang van 1.10.1990 bij ordemaatregel in zijn ambt te schorsen, met inhouding van wedde, in afwachting van het resultaat van het gerechtelijk onderzoek”. 2.
- Op 6 september 1991 wordt verzoeker voor de feiten die het voorwerp uitmaakten van het tweede gerechtelijk onderzoek door de Raadkamer te Antwerpen geïnterneerd. Op 15 januari 1992 wordt voor de feiten die het voorwerp uitmaakten van het eerste gerechtelijk onderzoek, bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen eveneens de internering van verzoeker gelast. 2.
- Met een brief van 6 februari 1992 informeert verzoeker bij het OCMW van Antwerpen naar “wat het OCMW eigenlijk met (hem) van zin is te doen”, nu er geen strafvonnis tegen hem is uitgesproken, maar hij geïnterneerd is. 2.
- Met een brief van 18 februari 1992 antwoordt het OCMW van Antwerpen dat het heeft beslist ten laste van verzoeker “een administratieve strafprocedure” te starten wegens “houding en gedrag in strijd met de waardigheid van het ambt”, dat verzoeker zal worden uitgenodigd om in zijn middelen van IX-1842-3/9 verdediging te worden gehoord zodra hij door de gerechtelijke instanties daartoe in de mogelijkheid zal worden gesteld en dat verzoekers schorsing bij ordemaatregel pas zal kunnen worden opgeheven zodra de raad voor maatschappelijk welzijn een definitieve beslissing heeft genomen over de tuchtvordering. 2.
- Na aandringen van verzoekers advocaat stelt de algemeen secretaris van het OCMW van Antwerpen op 6 augustus 1993 een tuchtverslag op waarin hij de afzetting van verzoeker voorstelt. 2.
- Na opnieuw aandringen van verzoekers advocaat informeert het OCMW van Antwerpen met een brief van 18 augustus 1998 bij de procureur des Konings te Antwerpen naar de resultaten van de gerechtelijke onderzoeken die ten laste van verzoeker werden gevoerd. Het vraagt tevens toelating tot inzage van het strafdossier en tot het nemen van een afschrift daarvan. 2.
- Op 21 december 1998 richt de raadsvrouw van verzoeker volgend aangetekend schrijven tot de directeur personeelszaken van het OCMW van Antwerpen : “Geachte Heer, Betreft : WHITBY/OCMW. Ik dien wederom vaststellen dat mijn brieven onbeantwoord blijven. Mijn cliënt werd bij vonnis dd. 6 september 1991 geïnterneerd. Na 7 (!) jaar werd er nog steeds geen tuchtzaak begonnen lastens mijn cliënt. Bij deze maan ik u dan ook een allerlaatste maal aan om de administratieve stand van mijn cliënt te regelen bij gebreke waaraan ik de instructie heb gerechtelijke stappen te ondernemen. (...)”. 2.
- Uit het stilzwijgen van het OCMW van Antwerpen gedurende vier maanden na de betekening van deze aanmaning, leidt verzoeker overeenkomstig artikel 14, tweede lid -thans § 3-, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de fictieve weigeringsbeslissing af van de verwerende partij om zijn administratieve toestand definitief te regelen. IX-1842-4/9 Deze fictieve weigeringsbeslissing maakt het voorwerp uit van het onderhavige beroep tot nietigverklaring. 3.
- Overwegende dat artikel 14, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het ten tijde van de bestreden beslissing van toepassing was, als volgt luidde : “Wanneer een administratieve overheid verplicht is te beschikken en er bij het verstrijken van een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de haar daartoe door een belanghebbende betekende aanmaning geen beslissing is getroffen, wordt het stilzwijgen van de overheid geacht een afwijzende beslissing te zijn waartegen beroep kan worden ingesteld. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de bijzondere bepalingen die een andere termijn vaststellen of aan het stilzwijgen van de administratieve overheid andere gevolgen verbinden.”; 3.
- Overwegende dat in dezen kan worden vastgesteld dat de verwerende partij verplicht was om te beslissen; dat zij immers heeft besloten om ten laste van verzoeker een tuchtvordering in te leiden voor de feiten die het voorwerp hebben uitgemaakt van twee gerechtelijke onderzoeken en waarvoor telkens de internering van verzoeker werd gelast; dat in afwachting van de uitspraak over die tuchtvordering verzoeker door de raad voor maatschappelijk welzijn in het belang van de dienst werd geschorst; dat uit het zorgvuldigheidsbeginsel voortvloeit dat de overheid verplicht is om binnen een redelijke termijn over de tuchtvordering een uitspraak te doen, welke ook de inhoud van die uitspraak moge zijn -gunstig of ongunstig voor verzoeker-, en aldus verzoekers administratieve toestand definitief te bepalen; dat de vraag of in de onderhavige zaak die redelijke termijn in acht genomen werd, de grond van de zaak betreft; dat de verwerende partij door verzoeker ook aangemaand werd om een beslissing te nemen, welke aanmaning blijk moet geven van de bedoeling van de belanghebbende om het stilzwijgen van het bestuur, conform artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, als een afwijzende beslissing te beschouwen en hiertegen beroep in te stellen bij de Raad van State; dat, ofschoon de op 21 december 1998 ter post aangetekend verzonden brief van de raadsvrouw van verzoeker aan het OCMW van Antwerpen niet uitdrukkelijk gewag maakt van de bepaling van artikel 14, § 3, van de IX-1842-5/9 gecoördineerde wetten op de Raad van State, hij voor een goed verstaander aan duidelijkheid niet te wensen overlaat : er blijkt onbetwistbaar uit dat verzoekers geduld is opgebruikt, dat hij nu onverwijld een regeling van zijn administratieve toestand wenst te krijgen en dat in geval van stilzwijgen van de overheid hij een gerechtelijke actie zal ondernemen; dat sinds de aanmaning vier maanden verstreken zijn zonder dat een beslissing werd genomen; dat het onderhavige verzoekschrift tot nietigverklaring ingediend werd binnen een termijn van zestig dagen te rekenen vanaf de dag na het verstrijken van de voormelde termijn van vier maanden; dat aan alle vereisten van artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State derhalve is voldaan; 4.
- Overwegende dat verzoeker als enig middel de schending aanvoert van “het algemeen rechtsbeginsel dat eenieder recht heeft op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn”, wat hij als volgt uiteenzet : “Doordat het OCMW sedert de schorsing met inhouding van wedde op 1 oktober 1991 en de internering van verzoeker op 6 september 1991 nalaat de administratieve toestand van verzoeker definitief te regelen. Dat het OCMW hiertoe aangetekend werd aangemaand door verzoeker op 21 december
- Dat het OCMW niettegenstaande deze aangetekende aanmaning is blijven stilzitten. Dat verzoeker krachtens artikel 14 al. 2 van de gecoördineerde wetten van de Raad van State dit stilzitten als een afwijzende beslissing mag aanzien na het verstrijken van een termijn van 4 maanden na de kwestieuze aanmaning dd. 21 december
- Terwijl verzoeker recht heeft op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Verzoeker werd voor de feiten waarvoor hij op 1 oktober 1990 geschorst werd met inhouding van wedde op 6 september 1991 geïnterneerd door de Raadkamer te Antwerpen. Tot de preventieve schorsing werd beslist op grond van de tegen verzoeker ingestelde rechtsvervolging. Deze rechtsvervolging is afgesloten met de internering van verzoeker op 6 september
- Hierna heeft er zich geen enkel nieuw element in de zaak voorgedaan. Het OCMW te Antwerpen heeft derhalve de nodige tijd gehad om een tuchtzaak zijn beslag te geven. Het OCMW te Antwerpen heeft manifest het recht van verzoeker op de behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn geschonden.”; IX-1842-6/9 4.2.
- Overwegende dat het een beginsel van behoorlijk bestuur is dat de tuchtoverheid binnen een redelijke termijn uitspraak doet over de tuchtvordering; dat de ambtenaar tegen wie een tuchtonderzoek loopt immers een rechtmatig belang heeft om zo spoedig mogelijk te weten of hij al dan niet gestraft wordt en, zo ja, welke straf hem wordt opgelegd; dat dit des te meer klemt wanneer hij in afwachting van de uitspraak over de tuchtvordering preventief geschorst is met inhouding van wedde; dat het bestuur er dan ook toe gehouden is, zowel in het belang van het betrokken personeelslid als in zijn eigen belang, het nodige te doen om de tuchtprocedure niet te laten aanslepen; dat als redelijke termijn moet worden beschouwd, de tijd die normaal nodig is om een tuchtzaak, rekening houdend met de specifieke gegevens ervan, haar beslag te geven; 4.2.
- Overwegende dat in de onderhavige zaak er geen twijfel blijkt te bestaan over de criminele feiten die verzoeker op 30 december 1989 heeft gepleegd en die aanleiding hebben gegeven tot het eerste gerechtelijk onderzoek tegen hem; dat er evenmin twijfel blijkt te bestaan over de uitermate zwaarwichtige criminele feiten die verzoeker op 19 september 1990 heeft gepleegd en die aanleiding hebben gegeven tot het tweede gerechtelijk onderzoek tegen hem; dat de laatstbedoelde feiten aan de grondslag liggen van het besluit van 19 oktober 1990 van de raad voor maatschappelijk welzijn om verzoeker preventief te schorsen bij ordemaatregel met inhouding van wedde; dat de feiten die het voorwerp uitmaken van de beide gerechtelijke onderzoeken aanleiding hebben gegeven tot de tuchtvordering tegen verzoeker; dat beide gerechtelijke onderzoeken intussen hun beslag hebben gekregen : ze hebben niet geresulteerd in een strafrechtelijke veroordeling van betrokkene, maar wel in diens internering, wat betekent dat hij door het onderzoeksgerecht of het vonnisgerecht in staat van krankzinnigheid werd bevonden of in een ernstige staat van geestesstoornis of van zwakzinnigheid die hem ongeschikt maakt tot het controleren van zijn daden; dat die uitspraken reeds dateren van 6 september 1991 respectievelijk 15 januari 1992; 4.2.
- Overwegende dat de afhandeling van de twee gerechtelijke onderzoeken de verwerende partij er blijkbaar niet toe heeft gebracht binnen een IX-1842-7/9 redelijke termijn uitspraak te doen over verzoekers tuchtzaak en over de preventieve schorsing met inhouding van wedde die aan verzoeker in afwachting daarvan was opgelegd; dat pas op 6 augustus 1993 de algemeen secretaris van de verwerende partij een “tuchtverslag” tegen verzoeker heeft opgesteld en vijf jaar later, op 18 augustus 1998, aan de procureur des Konings te Antwerpen inzage en afschrift van verzoekers strafdossier is gevraagd; dat geen gegeven verklaart waarom de toestand van internering van verzoeker eraan in de weg zou staan dat de verwerende partij, nadat zij van die internering kennis had genomen, uitspraak deed over de tuchtvordering ten laste van verzoeker en diens administratieve toestand regelde; 4.2.
- Overwegende dat wijl de raad voor maatschappelijk welzijn na de aangetekende aanmaning van 21 december 1998 van de raadsvrouw van verzoeker binnen een termijn van vier maanden nog steeds geen beslissing heeft genomen over de tuchtvordering tegen verzoeker en over diens administratieve toestand, verzoeker terecht kan aanvoeren dat de fictieve weigeringsbeslissing van de verwerende partij, welke conform artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State uit het blijvend stilzwijgen van de verwerende partij kan worden afgeleid, een schending inhoudt van het algemeen rechtsbeginsel dat eenieder recht heeft op een beoordeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn; dat het enige middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de weigering van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Antwerpen om de administratieve stand van Stephen WHITBY definitief vast te leggen. IX-1842-8/9 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig oktober 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-1842-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.606 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.