id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.607 Rolnummer: A. 102724/IX-2783 Zaak: Arrest 136607 - - 25/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-24 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 12:22 Fiche Arrest nr 136.607 van 25 oktober 2004 - Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.607 van 25 oktober 2004 in de zaak A. 102.724/IX-2783. In zake : Jan VAN DEN BERGHE, die woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te GENT, Koning Albertlaan 128 tegen : 1. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat P. HOFSTRÖSSLER, kantoor houdende te BRUSSEL, Goedheidsstraat 5-7, 2. De Hoge Raad voor de Justitie. tussenkomende partij : André SIMONS, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-72. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- - D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jan VAN DEN BERGHE op 2 april 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : 1. de voordracht op 6 februari 2001 door de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie van André SIMONS voor de vacante plaats van voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde; IX-2783-1/12 2. het koninklijk besluit van 6 maart 2001 waarbij André SIMONS, ondervoorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, wordt aangewezen tot voorzitter van die rechtbank voor een mandaat van zeven jaar; Gelet op het arrest nr. 97.326 van 29 juni 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 30 juli 2001 door verzoeker; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 6 september 2001; Gelet op de beschikking van 14 september 2001 die de tussenkomst van André SIMONS toelaat; Gezien de memorie van antwoord van de eerste verwerende partij en de memorie van wederantwoord van verzoeker; Gezien de memorie van de tussenkomende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 10 september 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 6 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 juni 2004; IX-2783-2/12 Gezien de memorie van de eerste verwerende partij; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. TOLLENAERE, die verschijnt voor verzoeker, van advocaat B. SCHUTYSER, die loco advocaat P. HOFSTRÖSSLER verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat P. DEVERS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak zijn samengevat in het arrest nr. 97.326 van 29 juni 2001, waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten werd verworpen; 2.1. Overwegende dat de tussenkomende partij opwerpt dat het beroep niet ontvankelijk is voorzover het gericht is tegen de voordracht door de Nederlandstalige benoemings- of aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie, daar die voordracht niet bindend is voor de benoemende overheid, vermits deze de termijn om een beslissing te nemen kan laten voorbijgaan of de voordracht kan weigeren; 2.2. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord laat gelden en in zijn laatste memorie nader uiteenzet dat het proces-verbaal van de met redenen omklede voordracht een beslissing is die, naast de rechtsgevolgen voor de benoemende overheid, ontegensprekelijk rechtsgevolgen heeft voor verzoeker en hem grieft, doordat niet hij maar iemand anders werd voorgedragen, dat de vernietiging van de voordracht hem een voordeel zou opleveren, doordat de IX-2783-3/12 voordracht opnieuw dient te worden gedaan en ook zou aangeven in welke fase de procedure hernomen moet worden, namelijk in het stadium van een eerste voordracht zoals bedoeld door artikel 259ter, § 5, laatste lid, van het Gerechtelijk Wetboek; dat hij ook stelt dat vanuit functioneel oogpunt de aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie niet anders dan als een administratieve overheid te beschouwen is, overeenkomstig de rechtspraak van de Raad van State volgens welke "administratieve overheden" zijn, alle organen van het nationaal, communautair, gewestelijk, provinciaal of gemeentelijk bestuur die belast zijn met een openbare dienst en die niet behoren tot de wetgevende of de rechterlijke macht; 2.3.1. Overwegende dat luidens artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bij de afdeling administratie van de Raad van State een beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld “tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden, alsook tegen de administratieve handelingen van wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblées, van het Rekenhof en van het Arbitragehof, evenals van organen van de rechterlijke macht en van de Hoge Raad van de Justitie met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel”; 2.3.2. Overwegende dat uit dat laatste zinsdeel kan worden afgeleid dat de Hoge Raad voor de Justitie geen administratieve overheid is en niet als zodanig optreedt wanneer hij andere handelingen verricht dan die welke er expliciet in worden vermeld, met name niet wanneer zijn benoemings- en aanwijzingscommissie, zoals ter zake, voordrachten doet aan de Koning met het oog op de benoeming of aanwijzing van magistraten; dat die Raad ook apart wordt vermeld in de Grondwet, en zulks noch onder de wetgevende, de uitvoerende of de rechterlijke macht; dat de door verzoeker aangehaalde rechtspraak paste in een situatie waarin een overheidslichaam, zo het niet tot de wetgevende of de rechterlijke macht behoorde, noodzakelijk onder de uitvoerende macht moest ressorteren, maar welke niet meer aangepast is sinds de Grondwet voorziet in de oprichting van colleges die niet specifiek tot een der drie staatsmachten behoren; dat de voordracht van een kandidaat door de benoemings- of aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de IX-2783-4/12 Justitie derhalve niet rechtstreeks voor de Raad van State kan worden aangevochten; dat de omstandigheid dat een vernietiging van die voordracht voordeliger zou zijn voor verzoeker aan die vaststelling niets kan veranderen; dat overigens een vernietiging van het benoemings- of aanwijzingsbesluit, indien ze gebaseerd is op de onregelmatigheid van die voordracht, de Koning ertoe verplicht deze te weigeren, in welk geval de benoemingscommissie toch een nieuwe voordracht zal moeten doen, rekening houdende met het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest; 2.3.3. Overwegende dat de exceptie gegrond is; dat het beroep niet ontvankelijk is voor zover het tegen de voordracht door de Nederlandstalige benoemings- of aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie gericht is; 3.1.1. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel aanvoert: “schending van artikel 10, 11, 33 en 151, § 2, § 3, eerste lid, 2/, en tweede lid, § 5 van de Grondwet, artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van (
- de)bestuurshandelingen, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, m.n. het zorgvuldigheids-, het redelijkheidsbeginsel en het beginsel van de materiële motiveringsverplichting, en van (...) artikel 259quater, § 1, artikel 259quater, § 2, eerste lid, 1/, 2/, 3/, tweede lid, derde lid, samengelezen met artikel 259ter, § 2, tweede lid, artikel 259quater, § 2, derde lid, artikel 259quater, § 3, tweede lid, samengelezen met artikel 259ter, § 4, eerste, vierde, vijfde, zevende, achtste lid, artikel 259quater, § 3, tweede lid, 1/, samengelezen met artikel 259bis-13 (van het Gerechtelijk Wetboek) en het Koninklijk Besluit van 15 maart 2000 tot vastlegging van de categorieën van standaardprofielen, van de ‘standaardprofielen voor de functies van korpschef’ van de algemene vergadering van 4 september 2000 van de Hoge Raad voor de Justitie (B.S. 16 september 2000) en van het adagium ‘patere legem quam ipse fecisti’ ”; dat verzoeker verklaart dat het middel in twee delen is onderverdeeld: het eerste onderdeel betreft de grief dat geen onderzoek noch vergelijking van de titels en verdiensten van de drie kandidaten werd gedaan of gemaakt, minstens dat daarop geen controle door de Raad van State mogelijk is; het tweede onderdeel, voor zover de Raad van State van oordeel zou zijn dat de bestreden besluiten of het dossier wel aanwijzingen zouden bevatten dat een IX-2783-5/12 onderzoek of vergelijking van de titels en verdiensten van de drie kandidaten zou zijn gebeurd, stelt dat dit onderzoek en deze vergelijking niet objectief, niet grondig, niet zorgvuldig zijn geschied; voor beide onderdelen geldt alleszins de grief dat de bestreden besluiten niet op een deugdelijke en afdoende wijze zijn gemotiveerd, zowel vanuit materieelrechtelijk als vanuit formeel oogpunt; elke controle op de motieven in verband met het onderzoek en de vergelijking en afweging van de titels en verdiensten van de kandidaten in relatie tot de vacante functie, de daarbij aan de dag gelegde objectiviteit, de aangewezene als de meest bekwame kandidaat is uitgesloten zoals de bestreden besluiten en het ter inzage aangeboden dossier thans voorliggen; dat het middel ook nog een derde onderdeel blijkt te bevatten, waarin verzoeker het redelijkheidsbeginsel geschonden acht doordat hij over kennelijk grotere aanspraken beschikt dan de benoemde kandidaat; Overwegende dat verzoeker zijn eerste onderdeel van het middel als volgt uiteenzet : “4. Het dossier waarvan inzage kon worden genomen, geeft één enkele aanwijzing waaruit zou moeten blijken dat de drie kandidaten zouden zijn vergeleken op hun titels en verdiensten. Meer bepaald in het eerste bestreden besluit waarin wat dat aspect betreft staat te lezen: ‘Na beraadslaging en vergelijking van de verschillende benoemingsdossiers beslist de commissie, met de vereiste meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, kandidaat André Simons voor te dragen aan de Minister van Justitie en wel op grond van onderstaande overwegingen: ...’. Geen van de volgende overwegingen geven enige aanwijzing van onderzoek, vergelijking en afweging van de titels en verdiensten van de kandidaten. Evenmin kan in het tweede bestreden besluit of in enig ander stuk van het ter inzage geboden dossier enige aanwijzing van het/de rechtens vereiste van onderzoek, vergelijking en afweging van de titels en verdiensten van de kandidaten worden teruggevonden. 5. Indien de commissie daadwerkelijk een onderzoek zou hebben gedaan en een vergelijking/afweging zou hebben gemaakt, dan is dat op een volstrekt oncontroleerbare wijze: na inzage van het ter inzage geboden dossier blijft het gissen welke objectieve, redelijke en pertinente criteria bij deze vergelijking werden gehanteerd (er wordt zelfs in geen der bestreden besluiten ook maar verwezen naar de standaardprofielen voor de functies van korpschef) en welke de concrete redenen zijn waarom aan de heer André Simons de voorkeur werd gegeven, m.a.w. als de meest bekwame kandidaat werd beschouwd. 6. In beide situaties, geen of oncontroleerbare vergelijking door de commissie van de Hoge Raad voor de Justitie, had de Koning moeten weigeren de IX-2783-6/12 voorgedragene aan te wijzen (artikel 259quater, § 3, tweede lid jo. artikel 259ter, § 3 Ger. W.) op straffe van schending (van) het gelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. 7. In deze omstandigheden kan derhalve niet verdedigd worden dat de aanwijzing in het algemeen belang is gebeurd, m.a.w. dat de meest bekwame kandidaat werd gekozen en aangewezen. Dit staat trouwens ook nergens te lezen in het ter inzage aangeboden dossier met de beide bestreden besluiten.”; 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt : “Het eerste onderdeel van het eerste middel kan evenwel als niet-ernstig worden afgewezen nu het in feite faalt. Er kan immers uit het proces-verbaal van voordracht van de Benoemings- en aanwijzingscommissie worden afgeleid dat de vergelijking van titels en verdiensten afdoende is gebeurd. Het proces-verbaal van voordracht verklaart: ‘Na beraadslaging en vergelijking van de verschillende benoemingsdossiers beslist de commissie, met de vereiste meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, kandidaat André Simons voor te dragen aan de Minister van Justitie en wel op grond van onderstaande overwegingen: (...)’. De Benoemings- en aanwijzingscommissie verwijst expliciet naar de anciënniteit van Tussenkomende Partij, naar de specifieke personeelsformatie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde en de vertrouwdheid van Tussenkomende Partij met die rechtbank. De Benoemings- en aanwijzingscommissie verwijst naar de adviezen waaruit de ruime leidinggevende capaciteiten, met zin voor diplomatie en relativeringsvermogen van Tussenkomende Partij blijken. De Benoemings- en aanwijzingscommissie heeft als objectief en pertinent criterium weerhouden het feit dat Tussenkomende Partij in zijn beleidsplan niet alleen de middelen tot verbetering van de werking en rechtsbedeling van de Rechtbank van Eerste Aanleg behandelt, doch ook de concrete problemen van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde aan de kaart stelt. Volgens de Benoemings- en aanwijzingscommissie is het feit dat Tussenkomende Partij mogelijke pijnpunten nu reeds onderkent, de aanzet tot de bijzondere aandacht die hij er als korpschef aan wenst te besteden. Het proces-verbaal van voordracht bevat letterlijk: ‘Bovendien behandelt hij, als enige, concrete problemen (...)’. Hieruit volgt op ontegensprekelijke wijze dat de titels en verdiensten effectief werden vergeleken. Verzoekende Partij bewijst geenszins haar aantijgingen dat de titels en verdiensten niet werden vergeleken. Bovendien lijkt Verzoekende Partij de vergelijking van titels en verdiensten te verwarren met de motivering van het besluit die noodzakelijkerwijze de sterke punten van de benoemde kandidaat dient te benadrukken. Tenslotte hebben alle kandidaten ter hoorzitting de mogelijkheid gehad om hun titels en verdiensten toe te lichten. IX-2783-7/12 Subsidiair beweert Verzoekende Partij dat de vergelijking op een volstrekt oncontroleerbare wijze is gebeurd. Uw Raad heeft evenwel reeds geoordeeld dat wanneer het door de Verwerende Partij neergelegde administratief dossier, benevens de kandidaatstelling en het curriculum van Verzoekende Partij, geen andere stukken bevat dan de adviezen die door de gerechtelijke instanties over beide kandidaten werden uitgebracht, moet worden aangenomen dat de vergelijking van titels en verdiensten op grond van die adviezen is gebeurd (VANCOILLIE, 34.816, 26 april 1990). Alle noodzakelijke adviezen zijn aanwezig in het administratief dossier, waardoor kan worden aangenomen dat de vergelijking van titels en verdiensten effectief is gebeurd.”; 3.1.3. Overwegende dat de tussenkomende partij zich bij het standpunt van de verwerende partij aansluit; 3.1.4. Overwegende dat verzoeker in een uitgebreide repliek uiteenzet dat uit de door de verwerende partij aangehaalde elementen niet blijkt dat een vergelijking van de titels en verdiensten plaats heeft gehad; 3.2.1. Overwegende dat de eerste verwerende partij in een niet door het procedurereglement voorziene memorie vraagt om het onderzoek aan te vullen naar aanleiding van de standpunten welke het Auditoraat met betrekking tot de ontvankelijkheid van de middelen aanneemt in een andere zaak; 3.2.2. Overwegende dat standpunten van het Auditoraat in een andere zaak niet als een nieuw gegeven betreffende de voorliggende zaak beschouwd kunnen worden; dat de betrokken memorie uit de debatten moet worden geweerd en op het daarin gedane verzoek niet kan worden ingegaan; 3.3.1. Overwegende dat luidens artikel 151, § 5, tweede lid, van de Grondwet, de voorzitters van de rechtbanken door de Koning aangewezen worden “op gemotiveerde voordracht van de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie, bij een tweederde meerderheid overeenkomstig de modaliteiten bij de wet bepaald en na afweging van de bekwaamheid en geschiktheid”; dat de artikelen 259ter, § 4, vijfde lid, en 259quater, § 3, tweede lid, IX-2783-8/12 1/, van het Gerechtelijk Wetboek bepalen dat de voordracht gebeurt “op grond van criteria die betrekking hebben op de bekwaamheid en geschiktheid van de kandidaat” en de voordracht tevens geschiedt “op basis van het standaardprofiel bedoeld in artikel 259bis-13"; 3.3.2. Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de afweging van de bekwaamheid en de geschiktheid van de kandidaten geschiedt door de benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie en dat deze ook zal moeten motiveren waarom zij, na die afweging te hebben gedaan, haar keuze laat vallen op de voorgedragen kandidaat; dat de Koning zich ertoe kan beperken de voordracht bij te vallen, zonder dat Hij dat speciaal moet motiveren, in welk geval Hij de motieven van de benoemings- en aanwijzingscommissie tot de Zijne maakt en in voorkomend geval de Raad van State de benoeming daarop zal beoordelen; dat indien de Koning meent dat de motieven van de commissie de voordracht niet of onvoldoende ondersteunen, Hij, zoals bepaald in artikel 151, § 5, tweede lid, van de Grondwet, en artikel 259ter, § 5, van het Gerechtelijk Wetboek, de voordracht op gemotiveerde wijze kan weigeren en de commissie om een nieuwe voordracht kan verzoeken; dat in dezen de Koning de motivering van de benoemings- en aanwijzingscommissie expliciet heeft overgenomen; 3.3.3. Overwegende dat de verplichting tot het motiveren van de voordracht niet volgt uit de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen maar uit de voormelde bepalingen van de Grondwet en het Gerechtelijk Wetboek; dat de vraag rijst of die motivering een formele opsomming moet bevatten van alle kandidaten -of de besten onder hen- met een beschrijving van hun bekwaamheid en de geschiktheid en een onderlinge vergelijking van die kwaliteiten, inzonderheid met die van de voorgedragen kandidaat, dan wel of het volstaat dat enkel de kwaliteiten van de voorgedragen kandidaat die in de ogen van de commissie doorslaggevend zijn geweest voor haar keuze worden vermeld, terwijl uit de gegevens van het dossier kan worden afgeleid op welke gronden de voorgedragene op dat stuk als bekwamer of geschikter kan worden beschouwd dan de andere kandidaten; dat ofschoon het de IX-2783-9/12 Raad van State voorkomt dat een afzonderlijke bespreking van alle kandidaten, of op zijn minst van die welke in de voorafgaande adviezen even gunstig of gunstiger werden beoordeeld dan de voorgestelde kandidaat, de meeste waarborgen biedt, de verplichting om dat te doen niet in de teksten kan worden gelezen en evenmin ondubbelzinnig werd verwoord tijdens de parlementaire totstandkoming van die teksten; dat het in deze zaak dus volstaat dat uit de formele motivering van de voordracht samengelezen met de stukken van het dossier met voldoende zekerheid kan worden afgeleid waarom de benoemings- en aanwijzingscommissie de tussenkomende partij verkozen heeft boven verzoeker; 3.3.4.1. Overwegende dat, zoals de verwerende partij terecht opmerkt, een der motieven van de commissie luidt dat de tussenkomende partij rechter en ondervoorzitter is in de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, waar de functie van korpschef te begeven was en dat hij zeer goed vertrouwd is met alle aspecten van de werking van deze rechtbank en van het contentieux dat door deze rechtbank beoordeeld moet worden; dat verzoeker daarentegen rechter -geen ondervoorzitter- is in de rechtbank van eerste aanleg te Gent; dat aldus impliciet maar zeker blijkt dat op dat stuk de aanspraken van verzoeker met die van de tussenkomende partij afgewogen werden; 3.3.4.2. Overwegende dat de commissie vervolgens verwijst naar de uit de gegeven adviezen blijkende ruime leidinggevende capaciteiten van de tussenkomende partij; dat uit die adviezen veeleer kan worden afgeleid dat aan verzoeker geen leidinggevende capaciteiten werden toegedicht en integendeel zijn eigen korpschef vragen stelt bij zijn gebrek aan soepelheid; dat derhalve ook op dat punt er impliciet blijkt dat verzoekers aanspraken werden vergeleken met die van de tussenkomende partij; dat de overige motieven van de voordracht eveneens bevestigd worden door de gegevens van het dossier, inzonderheid de verleende adviezen: verzoeker legt zich momenteel enkel toe op strafrecht en inzonderheid “bijzondere wetgeving” zoals ruimtelijke ordening, milieurecht en dergelijke, waartegen dan staat, zoals in de voordracht verwoord, dat de tussenkomende partij geschikt is om in alle materies IX-2783-10/12 zitting te houden, kwaliteit die vereist is bij de voorzitter van een kleine rechtbank zoals Oudenaarde; 3.3.4.3. Overwegende dat de voordracht voorts benadrukt dat de tussenkomende partij in zijn beleidsplan niet alleen de middelen tot verbetering van de werking van en de rechtsbedeling door een rechtbank van eerste aanleg zoals deze te Oudenaarde bespreekt, maar dat hij bovendien als enige concrete problemen behandelt waaraan, in zijn opvatting, in deze rechtbank het hoofd moet worden geboden zoals wrijvingen tussen bepaalde rechters die hun oorsprong vinden in de werkdruk en de al dan niet vermeende ongelijke verdeling ervan, gebrek aan beroepsijver bij sommige rechters en het gemis van regelmaat in het uitspreken van vonnissen dat daarvan het gevolg is, fricties in de verhouding tussen de zetel en het openbaar ministerie en een algemeen gebrek aan vertrouwen van de externe klanten wegens negatieve mediabelangstelling ingevolge specifieke plaatselijke moeilijkheden; dat inzonderheid door de woorden “als enige” de benoemings- en aanwijzingscommissie te kennen geeft dat zij de beleidsplannen van de diverse kandidaten, onder meer dat van verzoeker, heeft vergeleken en op grond van de opgesomde kwaliteiten de voorkeur heeft verleend aan het beleidsplan van verzoeker; 3.3.4.4. Overwegende dat echter niet blijkt, noch uit de motivering van de voordracht zelf, noch uit de gegevens van het dossier, dat de kandidaten getoetst werden aan het standaardprofiel bedoeld in artikel 259bis-13 van het Gerechtelijk Wetboek; dat weliswaar sommige voorafgaande adviezen blijken te zijn verleend overeenkomstig een schema, voorgesteld door de Hoge Raad voor de Justitie; dat vooreerst echter niet duidelijk is in welke relatie dat schema staat tot de standaardprofielen van korpschef, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 16 maart 2000; dat daarenboven ook niet blijkt of de benoemings- en aanwijzingscommissie dat schema, laat staan het betrokken standaardprofiel zelf, betrokken heeft bij haar beoordeling van de kandidaten; dat het middel in die mate gegrond is, BESLUIT: IX-2783-11/12 Artikel 1. Vernietigd wordt het koninklijk besluit van 6 maart 2001 waarbij André SIMONS, ondervoorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, wordt aangewezen tot voorzitter van die rechtbank voor een mandaat van zeven jaar. Artikel 2. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de Belgische Staat. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 247,90 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig oktober 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-2783-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.607 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.97.326 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div