← België

Arrest 136619 - - 26/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.619 Rolnummer: A. 156761/XII-4288 Zaak: Arrest 136619 - - 26/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-02 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 12:23 Fiche Arrest nr 136.619 van 26 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.619 van 26 oktober 2004 in de zaak A. 156.761/XII-

  1. In zake : Mohamed EL MOUTANABBI, die woonplaats kiest bij advocaat J. Vande Moortel, kantoor houdende te Gent, Groot-Brittanniëlaan 12 tegen : de SCHOLENGROEP PANTA RHEI. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Mohamed El Moutanabbi op 21 oktober 2004 heeft ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van “
  2. de beslissing van de delibererende klassenraad dd. 30.08.2004, addendum 30.06.2004, waarbij aan verzoeker een oriënteringsattest B werd toegekend,
  3. de beslissing van het college van directeurs dd. 20.09.2004 om het advies van de Beroepscommissie te volgen en de delibererende klassenraad niet terug samen te roepen waardoor de eerste beslissing gehandhaafd werd”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 22 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 oktober 2004, om 15.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. Vande Moortel en A. De Backer, die verschijnen voor verzoeker, en van algemeen directeur J. De Maeyer, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; XII-4288-1\5 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat verzoeker, meerderjarige leerling van het koninklijk atheneum-I “De Nijverheidsschool” te Gent, tijdens het schooljaar 2003- 2004 ingeschreven is in het eerste leerjaar Handel van de tweede graad TSO; Overwegende dat de delibererende klassenraad aan verzoeker meedeelt beslist te hebben dat hij een oriënteringsattest B behaalt omdat hij “te zwakke resultaten behaalde op de herexamens”; Overwegende dat aan verzoeker met een 7 september 2004 gedateerd schrijven wordt meegedeeld dat de klassenraad naar aanleiding van zijn klacht opnieuw samen kwam op 7 september 2004, dat hij de mening is toegedaan dat de oorspronkelijke beslissing gegrond is en dat die beslissing “trouwens niet genomen [is] op basis van een occasioneel tekort, maar op basis van een zwak globaal resultaat, aangevuld met een duidelijk ondermaats presteren op de aanvullende uitgestelde proef”; dat verzoeker wordt gewezen op de verdere beroepsmogelijkheid bij de beroepscommissie; Overwegende dat de beroepscommissie op 16 september 2004 adviseert “om het verzoek van El Moutanabbi Mohamed te verwerpen en het oriënteringsattest B te handhaven (clausulering ASO, TSO, KSO)”; Overwegende dat de waarnemend algemeen directeur verzoeker op 20 september 2004 ter kennis brengt dat de leden van het college van directeurs van het betrokken niveau het advies hebben gevolgd en dat de klassenraad niet wordt samengeroepen; Overwegende dat luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; XII-4288-2\5 Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat verzoeker in het inleidend verzoekschrift vooreerst refereert aan het door hem ingeroepen moeilijk te herstellen ernstig nadeel -zijnde het niet kunnen overgaan naar het tweede leerjaar van de tweede graad Handel, schoolmoeheid en gevoelens van minderwaardigheid- dat ook middels een gewoon schorsingsberoep niet geweerd kan worden; dat hij voorts vraagt ermee rekening te houden dat hij “eerst zelf inspanningen heeft gedaan om de rapporten van zijn medeleerlingen te bekomen, waarna zijn overtuiging dat hij verschillend behandeld werd, alleen maar gestaafd werd door de studie van deze rapporten”; Overwegende dat de toepassing van de procedure van uiterst dringende noodzakelijkheid, die de uitoefening van de rechten van verdediging en het onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt, uitzonderlijk moet blijven; dat de toepassing van die procedure alleen kan worden aanvaard indien de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone procedure te laat zal komen omdat het nadeel door het verloop van de tijd onherstelbaar zal zijn geworden én op voorwaar- de dat de eisende partij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State; Overwegende dat het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing bijgevolg mede wordt afgemeten naar de haast die de verzoekende partij zelf betoont bij het instellen van haar vordering; dat verzoeker bij brief van 20 september 2004 in kennis is gesteld van het bestaan en de strekking van de bestreden beslissing; dat die beslissing overigens niet zomaar een beslissing is die plots of onverwachts over hem is genomen, maar het resultaat van een beroepsproce- dure die hij zelf heeft ingesteld en waarvan hij in de ene of andere zin het antwoord mocht verwachten; dat de voorliggende vordering pas een maand later is ingesteld; dat dit schromelijk laat is; dat verzoeker vergeefs zou pogen het uiterst dringend karakter van zijn vordering thans te verbinden met de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel; dat immers, zelfs als het moeilijk te herstellen en ernstig karakter van het nadeel dat een partij ondergaat door een administratieve rechtshan- deling onder bepaalde omstandigheden het betoog waarom niet voor de gewone schorsingsprocedure maar voor de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt gekozen kracht kan bijzetten, zulks niet afdoet aan de noodzaak om in het geval van vermeend uiterst dringende noodzakelijkheid met passende voortvarend- heid de vordering bij de Raad van State in te leiden; dat die noodzaak inherent is aan het zeer uitzonderlijk en zeer ongewoon karakter van de uiterst dringende procedure; XII-4288-3\5 dat, ten slotte, verzoeker in zijn verzoekschrift voor de opgelopen vertraging geen aanvaardbare verantwoording geeft door te verwijzen naar de noodzaak rapporten van andere leerlingen te verkrijgen; dat hij vooreerst nalaat te preciseren op welk ogenblik hij die rapporten heeft kunnen inzien, opdat de Raad zou kunnen beoordelen of verzoeker alsdan onmiddellijk gehandeld heeft; dat, meer nog, verzoeker over de noodzaak om andere rapporten in te zien zichzelf tegenspreekt, met name in de door hem aangevoerde middelen; dat verzoeker immers naast de eventuele schending van de gelijkheidsregel nog vijf andere middelen aanvoert, zoals het gebrek aan globale evaluatie en enkele beoordeling op grond van zijn herexamen, gebrekkige formele motivering, gebrek aan draagkrachtige motieven, schending van het inzagerecht en het in weging brengen van zijn afwezigheden; dat verzoeker door zijn uiteenzetting van die middelen aantoont dat hij voldoende onwettigheden op het spoor lijkt te zijn gekomen zonder nadere inzage van andere rapporten en zonder naar een onwettig- heid in de gelijke behandeling te moeten zoeken om op diligente wijze zijn vordering bij de Raad te kunnen indienen; Overwegende dat te dezen het tijdsverloop tussen de kennisgeving van de bestreden beslissing en het instellen van de vordering de negatie van de uiterst dringende noodzakelijkheid inhoudt; dat deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen, BESLUIT: Artikel
  4. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  5. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig oktober 2004, door : XII-4288-4\5 de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4288-5\5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.619 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.684 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.