← België

Arrest 136644 - - 26/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.644 Rolnummer: A. 107380/XIV-5492 Zaak: Arrest 136644 - - 26/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-29 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-04 12:24 Fiche Arrest nr 136.644 van 26 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.644 van 26 oktober 2004 in de zaak A. 107.380/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. HINNEKENS, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Louis Pasteurlaan 24 tegen :
  2. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 18 december 1955 en van XXX nationaliteit, op 13 juli 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 6 juli 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 5 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 6 juli 2001; Gelet op de beschikking van 27 augustus 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 8 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 8 september 2004 om 10.00 uur; XIV-5492-1/7 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die loco Advocaat K. HINNEKENS verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  5. De verzoekende partij komt België binnen op 4 februari 2000 en verklaart zich vluchteling op dezelfde datum. 1.
  6. Op 5 december 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  7. Op 6 juli 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 26 maart 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de XXX taal machtig is. Betrokkene, van XXX origine, verklaart te zijn geboren te K., A. en sinds 1967 te hebben gewoond in XXX. In december 1988 zou betrokkene zijn echtgenote (van A. origine) en kinderen naar K. hebben gebracht. Betrokkenes moeder zou geweigerd hebben mee te gaan naar XXX waardoor ook betrokkene in A. zou gebleven zijn. Op 10 augustus 1989 zou betrokkene het slachtoffer zijn geworden van etnisch geïnspireerd geweld door militairen. Betrokkene zou naar een opslagruimte zijn meegenomen waar meerdere XXX waren. Betrokkene zou gedwongen zijn besneden. Op 14 augustus 1989 zou betrokkene zijn omgeruild met een A. krijgsgevangene. Door de andere XXX krijgsgevangen(en) zou het gerucht verspreid zijn dat betrokkene (omwille van zijn besnijdenis) van religie veranderd was. Hierdoor zou betrokkene in XXX twee dagen in de kazerne zijn vastgehouden en fysiek zijn mishandeld. Vervolgens zou betrokkene om dezelfde reden op straat zijn lastiggevallen. Betrokkene zou regelmatig zijn geslagen. Vanaf 1991 zou betrokkene zeer regelmatig contact hebben opgenomen met de politie en het parket. Op 18 januari 2000 zou betrokkene door F. (XXX vrijheidsstrijders) zijn meegenomen die betrokkene zouden beschuldigd hebben van spionage en geloofsverandering. Op 31 januari 2000 zou betrokkene XXX hebben verlaten en gevlucht zijn naar België. Hij vroeg asiel aan op 4 februari
  8. Er dient te worden opgemerkt dat de verklaringen van betrokkene als zou hem in de laatste jaren vóór zijn vertrek naar België door de bevolking zijn verweten dat hij van religie was veranderd en hij eveneens recent zou vervolgd zijn door F. (en hij bijgevolg dezelfde problemen zou hebben gekend alsof hij zou aanzien zijn voor een A.) manifest tegenstrijdig zijn met bronnen waarover het Commissariaat-generaal beschikt waaruit blijkt dat A. in XXX XIV-5492-2/7 niet langer het slachtoffer zijn van geweld of vervolging (Bron: Couples mixtes en XXX, cellule documentation CGRA, dd. 27 octobre 1999; actualisation, avril 2001). Voorts blijkt uit de informatie dat etnische minderheden in XXX niet worden vervolgd en zij over de mogelijkheid beschikken om hun geloof vrij te beoefenen (Bron: Council of the European Union, Danish delegation, Report on roving attaché mission to A., XXX and R., dd. 1 September 2000). Uit deze laatste bron blijkt eveneens dat de "F." niet langer bestaan in XXX. Omwille van bovenstaande ernstige bedrieglijke aspecten in betrokkenes relaas kan ook betrokkenes verklaring omtrent zijn illegaal verblijfsstatuut in XXX (p. 4) vanaf 1967 tot zijn vertrek naar België in twijfel worden getrokken. Te meer daar betrokkene verklaarde vanaf 1991 zeer regelmatig contact te hebben opgenomen met politie en parket (p. 11) en hier klaarblijkelijk nooit een opmerking over werd gemaakt. Verder dient gezegd dat evenmin aan betrokkenes verklaringen als zou hij A. staatsburger zijn (CGVS, p. 1) nog enig geloof kan worden gehecht. Betrokkene woonde immers vanaf 1967 permanent in XXX en verbleef op het ogenblik dat XXX onafhankelijk werd (september 1991) in dit land. Uit de nationaliteitswetgeving van dit land blijkt dat betrokkene het XXX staatsburgerschap moet bezitten. (UNHCR Refworld. The Law of the Republic of XXX on the citizenship of the republic of XXX). Bovendien verklaarde betrokkene op de Dienst Vreemdelingenzaken en in zijn beroepschrift van 6 december 2000 de XXX nationaliteit te bezitten.(Dienst Vreemdelingenzaken, vraag 6). Bovenstaande tegenstrijdigheden in betrokkenes verklaringen met de beschikbare informatie zijn van die aard dat geen geloof kan gehecht worden aan het asielrelaas van betrokkene. Het door betrokkene neergelegde document, namelijk zijn geboorteakte wijzigt hetgeen hierboven werd uiteengezet niet aangezien dit louter persoonsgegevens bevat die niet worden betwist. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfs- weigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 5 december
  9. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...)”.
  10. Over de gegrondheid van de zaak. 2.
  11. Overwegende dat de verzoekende partij “opteert voor een kamer met drie Raadsheren.”; Overwegende dat de verzoekende partij het verzoek niet motiveert, zodat het wordt verworpen; 3.
  12. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel afleidt uit de schending van “art. 51/4 van de Vreemdelingenwet”; Overwegende dat de verzoekende partij in essentie aanvoert dat “een tolk XXX-Frans aangewend werd bij het verhoor voor het Commissariaat-generaal der Vluchtelingen (...), daar waar het behoorde een tolk XXX-Nederlands aan te wenden, nu het een Nederlandstalige procedure betreft, waarin luidens de wettekst zelve het onderzoek in dezelfde taal als de procedure n.l. de Nederlandse taal dient te gebeuren. Dat het verhoor XIV-5492-3/7 uiteraard tot het onderzoek van de zaak behoort, zodat het behoorde een bijkomende tolk Frans-Nederlands aan te wenden of een tolk XXX-Nederlands (...).”; Overwegende dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt wat volgt: - het verhoor in dringend beroep is in het Nederlands opgesteld, - de verzoekende partij, die geen van de drie landstalen kent, wordt tijdens het verhoor in dringend beroep bijgestaan door een tolk XXX-Nederlands, - de verzoekende partij bewijst niet dat de tolk vanuit het XXX naar het Frans vertaalt tijdens voornoemd interview, - op het einde van het verhoor door de gemachtigde van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zegt de verzoekende partij dat zij niets meer heeft toe te voegen; Overwegende dat het eerste middel van de verzoekende partij bijgevolg feitelijke grondslag mist en dat het onderzoek van de zaak gebeurd is in het Nederlands, zijnde de taal van de procedure; Overwegende dat de verzoekende partij uitdrukkelijk afstand doet ter openbare terechtzitting bij monde van haar Advocaat om desbetreffend een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof; Overwegende dat het eerste middel niet kan worden aangenomen; 3.
  13. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel afleidt uit de schending van “art. 39 § 1, 17 § 1, 57 en 58 van de Taalwet”; Overwegende dat de verzoekende partij met de Taalwet de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken bedoelt; Overwegende dat artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) in een bijzondere regeling voorziet op het taalgebruik inzake de erkenningsprocedure als vluchteling; dat bijgevolg de artikelen waarvan de verzoekende partij de schending aanvoert niet toepasselijk zijn; Overwegende dat het tweede middel faalt naar recht; 3.
  14. Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel afleidt uit de “schending van artikel 10 en 11 van de Belgische Grondwet door artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet”; XIV-5492-4/7 Overwegende dat de verzoekende partij geen belang heeft bij dit middel, nu hij uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van het stellen van een prejudiciële vraag; Overwegende dat het derde middel niet langer ontvankelijk is, dat deze exceptie van niet- ontvankelijkheid ambtshalve door de Raad van State wordt opgeworpen; 3.
  15. Overwegende dat de verzoekende partij een vierde middel afleidt uit de “schending van artikel 10 en 11 van de Belgische Grondwet door de artikelen 39 § 1, 17 § 1, 57 en 58 van de Taalwet”; Overwegende dat dit middel werd beantwoord naar aanleiding van de analyse van de vorige middelen; Overwegende dat het vierde middel wordt verworpen; 3.
  16. Overwegende dat de verzoekende partij een vijfde middel afleidt uit de “schending van het motiveringsvereiste”; Overwegende dat het vijfde middel om een dubbel motief niet kan leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing; dat het middel vooreerst niet wordt uitgewerkt en niet wordt betrokken op de bestreden beslissing; dat het vervolgens berust op een niet bewezen gegeven, met name dat de tolk niet voldoet aan de vereiste taalkennis en de taal van de procedure niet heeft gebruikt; Overwegende dat het vijfde middel wordt verworpen; 3.
  17. Overwegende dat de verzoekende partij een zesde middel afleidt uit de “schending van de motiveringsverplichting”; Overwegende dat dit middel warrig en onduidelijk is en in wezen geen inhoudelijke kritiek inhoudt op de motivering van de bestreden beslissing, vermits enkel de motieven ervan worden herhaald; dat dit middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; Overwegende dat het zesde middel wordt verworpen; 3.
  18. Overwegende dat de verzoekende partij een zevende middel afleidt uit de “schending van artikel 52, juncto 63/2 en 63/3 van de Vreemdelingenwet”; XIV-5492-5/7 Overwegende dat de Raad van State zich aansluit bij de uitstekende analyse van dit middel door het Auditoraat, die bij deze als uitdrukkelijk herhaald wordt beschouwd en waarvoor wordt verwezen naar bladzijde 34 van het verslag van 14 juli 2003; Overwegende dat het zevende middel ongegrond is; 3.8 Overwegende dat de verzoekende partij een achtste middel afleidt uit de schending van “art. 63/3 van de Vreemdelingenwet”; Overwegende dat de termijn van dertig dagen bepaald in artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet om uitspraak te doen in dringend beroep een termijn van orde is en geen vervaltermijn; dat de verzoekende partij niet getuigt van het rechtens vereiste belang om de overschrijding van die termijn in te roepen, aangezien zij op het Belgisch grondgebied mag verblijven zolang haar asielaanvraag wordt onderzocht door het Commissariaat -generaal; dat zij intussen nieuwe en bijkomende stukken kan verzamelen, supplementaire informatie kan inwinnen en bewijsstukken kan voegen bij het administratief dossier om haar asielrelaas te staven; Overwegende dat het achtste middel wordt verworpen; 3.
  19. Overwegende dat de verzoekende partij een negende middel afleidt uit de schending van de redelijke termijn; Overwegende dat wat dit middel betreft, wordt verwezen naar het antwoord op het achtste middel; Overwegende dat het negende middel wordt verworpen, XIV-5492-6/7 BESLUIT: Artikel
  20. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  21. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig oktober tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-5492-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.644 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.