← België

Arrest 136645 - - 26/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.645 Rolnummer: A. 98513/XIV-1213 Zaak: Arrest 136645 - - 26/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-29 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 12:24 Fiche Arrest nr 136.645 van 26 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.645 van 26 oktober 2004 in de zaak A. 98.513/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. KEMPINAIRE, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Koning Leopold I-straat 27 tegen :
  2. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 15 november 1941 en van XXX nationaliteit, op 18 december 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 22 november 2000 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 29 november 1999 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar verzoekende partij aangetekend verstuurd met ontvangstbewijs op 23 november 2000; Gelet op de beschikking van 5 februari 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memorie van antwoord van de tweede verwerende partij en de memorie van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; XIV-1213-1/6 Gelet op de beschikking van 23 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 24 maart 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die loco Advocaat J. KEMPINAIRE verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-adviseur L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  5. De verzoekende partij komt België binnen op 25 juni 1999 en verklaart zich vluchteling op dezelfde datum. 1.
  6. Op 29 november 1999 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  7. Op 22 november 2000 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 11 januari 2000 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de A. taal machtig is. Volgens zijn verklaringen zou betrokkene, die een etnische A. uit XXX (J.) beweert te zijn, in maart 1999 op de markt in M. geweest zijn toen er een granaat zou zijn ontploft. Betrokkenes broer R. zou bij deze aanslag zwaargewond geraakt zijn en korte tijd later aan de gevolgen van zijn verwondingen overleden zijn. Enkele weken vóór zijn vertrek uit XXX zou betrokkene door S. ordetroepen uit zijn huis in Z. (gemeente M.) verjaagd en ondergedoken zijn in de bossen of bij bekenden in de omgeving van zijn woonplaats. Tussendoor zou hij enkele malen teruggekeerd zijn naar zijn huis. Nadat de S. politie op 16 april 1999 opnieuw in Z. zou zijn binnengevallen, zou betrokkene zijn dorp echter definitief verlaten hebben en samen met zijn broer, zijn zoon I. en hun gezinnen via M. naar A. gevlucht zijn. Bij deze laatste S. aanval zou betrokkenes huis ook in brand gestoken zijn. Na een verblijf van twee maanden in D. zou betrokkene eind juni 1999 samen met het gezin van zijn zoon I. (O.V. 4.848.694) verder gereisd zijn naar België, waar hij op 25 juni 1999 asiel vroeg. In zijn antwoord van 17 oktober 2000 op een schriftelijke vraag om inlichtingen van het Commissariaat-generaal verklaarde betrokkene momenteel niet naar M. te kunnen terugkeren omdat de stad verdeeld is in een S. en een A. deel en het er nog steeds gevaarlijk is door de aanwezigheid van gewapende S. Ter staving van zijn asielaanvraag heeft betrokkene twee kleurenfoto’s van zijn vernielde woning neergelegd. XIV-1213-2/6 Opgemerkt moet worden dat betrokkene in zijn opeenvolgende verklaringen geen enkel concreet feit of element heeft aangehaald waaruit kan worden afgeleid dat hij bij zijn eventuele terugkeer naar XXX momenteel het risico loopt om persoonlijk en systematisch te worden vervolgd zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie. Hierbij dient erop gewezen te worden dat de politieke situatie in betrokkenes beweerde geboortestreek sinds zijn vertrek naar België fundamenteel gewijzigd is waardoor de door hem ingeroepen vrees omwille van de aanhoudende S. repressie en geweldplegingen t.a.v. de A. gemeenschap in XXX momenteel niet meer actueel is. Overeenkomstig Resolutie 1244 van de V.N.-Veiligheidsraad, dd. 10 juni 1999, hebben de S. autoriteiten en ordetroepen zich immers teruggetrokken uit XXX en werd de regio onder internationaal toezicht en bestuur geplaatst. In geval van moeilijkheden kan betrokkene zich trouwens steeds wenden tot de lokale vertegenwoordigers van de internationale gemeenschap die ernstige inspanningen leveren om de rust en orde te herstellen met het oog op het normaliseren van het dagelijks leven en het opnieuw garanderen van veiligheid voor alle burgers in heel XXX, ook in betrokkenes geboortestad M. Wat de gespannen situatie in M. betreft kan er verder op gewezen worden dat betrokkene afkomstig is van het zuidelijk gedeelte van deze gemeente. Dit gedeelte wordt gedomineerd door de etnische A. gemeenschap en wordt door de internationale troepenmacht strikt gescheiden gehouden van de S. gemeenschap in het noordelijke deel. In dit verband heeft betrokkene trouwens geen enkel concreet feit of element aangehaald waaruit kon blijken dat hij om één van de redenen van de VIuchtelingenconventie niet kan terugkeren naar zijn laatste woonplaats, Z. Het feit dat betrokkene in XXX niet meer over een woning zou beschikken, is daarenboven een probleem van louter socio-economische aard dat bijgevolg niet onder het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie kan ressorteren. Tenslotte kunnen de neergelegde foto's, die de schade aan zijn woning lijken te bevestigen, in casu geen afbreuk doen aan bovenstaande vaststellingen. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 29 november
  8. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...)”.
  9. Over de ontvankelijkheid van de vordering. Overwegende dat de tweede verwerende partij in wat zij kwalificeert als een exceptie van onontvankelijkheid eigenlijk vraagt om buiten de zaak te worden gesteld; dat dit verzoek niet kan worden ingewilligd, daar zij de auteur is van de genomen verwijderingsmaatregel en belast is met de tenuitvoerlegging ervan;
  10. Over de gegrondheid van de zaak. 3.
  11. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel afleidt uit de “schending van het verdrag van Genève”; Overwegende dat de verzoekende partij niet aanduidt welk artikel van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen XIV-1213-3/6 (Vluchtelingenconventie) geschonden werd; dat bijgevolg het eerste middel niet ontvankelijk is; 3.
  12. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel afleidt uit de “schending van het gelijkheidsbeginsel”, doordat de bestreden beslissing zich plaatst op huidig ogenblik, daar waar andere asielaanvragers in dezelfde omstandigheden reeds vroeger zijn beoordeeld en kortere tijd na het indienen van de asielaanvraag; dat de verzoekende partij daaraan toevoegt dat “over de ontvankelijkheid van de aanvraag moet geoordeeld worden op het ogenblik van de aanvraag en (over) de feiten welke op dat ogenblik bekend zijn.”; Overwegende dat in tegenstelling met wat de verzoekende partij aanvoert, de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen het asielrelaas van de verzoekende partij beoordeelt op het tijdstip waarop hij beslist over het dringend beroep van de verzoekende partij; dat hij op dat ogenblik rekening houdt met alle relevante elementen van het individueel asielrelaas van de verzoekende partij en met de socio-politieke situatie in het land van herkomst en tevens met de relevante gegevens van het administratief dossier; dat in casu de Commissaris-generaal op goede gronden overweegt dat de verzoekende partij in haar opeenvolgende verklaringen geen concreet feit of element aanhaalt waaruit zou kunnen worden afgeleid dat zij bij een eventuele terugkeer naar XXX het risico loopt persoonlijk en systematisch te worden vervolgd; dat de Commissaris-generaal hiertoe terecht wijst op de omstandigheid dat de politieke situatie in de beweerde geboortestreek van de verzoekende partij sinds haar vertrek naar België fundamenteel is gewijzigd en dat de door de verzoekende partij ingeroepen vrees niet meer actueel is; dat de Commissaris-generaal hiertoe tevens op goede gronden verwijst naar Resolutie 1244 van de VN-Veiligheidsraad naar luid waarvan de S. troepen zich hebben teruggetrokken uit XXX en waardoor de regio onder internationaal toezicht en bestuur werd geplaatst; dat bijgevolg het tweede middel ongegrond is; 3.
  13. Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel afleidt uit de “schending van het algemeen beginsel dat het asielverzoek binnen een redelijke termijn dient behandeld te worden”, doordat de bestreden beslissing pas werd genomen op 22 november 2000, daar waar de aanvraag werd ingediend op 25 juni 1999, met andere woorden meer dan anderhalf jaar vroeger, terwijl algemeen wordt aanvaard dat een definitieve beslissing terzake een asielaanvraag dient te worden genomen binnen een redelijke termijn van zes maanden; Overwegende dat de termijn van dertig dagen van artikel 63/3, §1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), waarover de Commissaris-generaal beschikt om te beslissen geen vervaltermijn is, maar een termijn van orde; dat de verzoekende partij niet aantoont welk belang zij heeft bij dit middel, aangezien zolang het dringend beroep hangende is, zij niet van het grondgebied kan worden verwijderd en zij aldus langer bescherming geniet tegen de beweerde vervolging in haar land van herkomst XIV-1213-4/6 en in afwachting van de behandeling van haar dringend beroep, de mogelijkheid heeft om aanvullende elementen en stukken ter staving van haar asielaanvraag te verzamelen; dat bijgevolg het derde middel niet dienstig kan worden aangevoerd en niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; 3.
  14. Overwegende dat de verzoekende partij een vierde middel afleidt uit de “schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.”; Overwegende dat de Commissaris-generaal rekening hield bij het nemen van zijn beslissing met alle relevante elementen van de zaak en van het administratief dossier; dat hij acht sloeg op het asielrelaas van de verzoekende partij en op de concrete situatie op socio-politiek vlak van de verzoekende partij in haar land van herkomst op het tijdstip van de bestreden beslissing; dat bijgevolg het vierde middel ongegrond is; 3.
  15. Overwegende dat de verzoekende partij een vijfde middel afleidt uit de “schending van art. 2 van de wet van 29 juli 1991, betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen (eerste onderdeel) en art. 57/6, 2de lid van Vreemdelingenwet (tweede onderdeel).”; Overwegende dat het tweede onderdeel van het vijfde middel betrekking heeft op de gegrondheidsfase van de asielprocedure en niet op de ontvankelijkheidsfase van de asielprocedure, waarin de verzoekende partij zit, zodat het artikel 57/6 van de Vreemdelingenwet niet dienstig kan worden aangevoerd en niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; Overwegende dat wat het eerste onderdeel betreft, de bestreden beslissing omstandig, afdoend en deugdelijk is gemotiveerd; dat hiertoe wordt verwezen naar punt 1.
  16. van huidig arrest; dat zij aldus de feitelijke en juridische overwegingen bevat, die eraan ten grondslag liggen; dat bijgevolg het vijfde middel ongegrond is; 3.
  17. Overwegende dat de verzoekende partij een zesde middel afleidt uit de schending van “het algemeen rechtsbeginsel dat een beslissing niet mag genomen worden op bevooroordeelde wijze.”; Overwegende dat dit beginsel niet werd geschonden, vermits de Commissaris-generaal rekening hield met alle relevante elementen van het asielrelaas van de verzoekende partij en met de socio-politieke toestand van het land van herkomst op het tijdstip waarop hij de bestreden beslissing heeft genomen; dat de verzoekende partij geen concrete gegevens aanbrengt die zouden kunnen wijzen op enigerlei partijdigheid van de Commissaris- generaal; dat bijgevolg het zesde middel ongegrond is, XIV-1213-5/6 BESLUIT: Artikel
  18. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  19. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig oktober tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-1213-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.645 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.